2009/288

Instantie: Regiopolitie Limburg Zuid

Klacht: Bij het staande houden van verzoekster onredelijk jegens haar gedragen door haar op geagiteerde toon toe te spreken, niet naar haar te luisteren en niet uit te laten spreken; tijdens staande houding afzijdig gehouden en verzuimd collega tot kalmte te manen en daarmee onvoldoende de-escalerend opgetreden; voorgehouden dat de door medeklaagster afgelegde verklaringen onjuist waren.
Oordeel: gegrond

Dossiernummer: 2008.04048

Samenvatting

Verzoekster klaagt erover dat een ambtenaar van het regionale politiekorps Limburg Zuid zich onredelijk tegenover haar heeft gedragen door haar op geagiteerde toon toe te spreken en niet naar haar te luisteren. Ook klaagt ze erover dat zijn collega zich afzijdig hield en verzuimd heeft genoemde ambtenaar tot kalmte te manen en daarmee onvoldoende de-escalerend te werk is gegaan. Tenslotte klaagt ze erover dat de politie haar tijdens de informele klachtafhandeling haar heeft voorgehouden

dat de door een medeklaagster afgelegde verklaringen onjuist waren.

Verzoekster bevond zich in een auto een medepassagier voor het stoplicht. Voor haar stond de auto

van mevrouw H. Toen het groen was reden beide auto's de kruising over. Mevrouw H. werd vervolgens door twee politieambtenaren in een auto ingehaald, staande gehouden en bekeurd wegens rijden door rood licht. Verzoekster en haar passagier stapten eveneens uit de auto en probeerden de politie duidelijk te maken dat mevrouw H. niet door rood was gereden. De verbaliserende politiefunctionaris luisterde niet naar mevrouw H. noch naar hen. De situatie escaleerde. Zijn collega mengde zich desondanks niet het gesprek. Mevrouw H. werd vervolgens geboeid afgevoerd naar het politiebureau wegens belediging van een ambtenaar in functie. Het optreden van de verbaliserende agent achtte de Nationale ombudsman niet behoorlijk wegens strijd met het vereiste van correcte bejegening. Het optreden van zijn collega was niet professioneel omdat hij geen poging deed de situatie te de-escaleren. Ook de klacht over de onjuiste mededelingen over de medeklaagster was gegrond wegens strijd met het verbod van vooringenomenheid.

In zijn slotbeschouwing geeft de Nationale ombudsman aan dat dit optreden ter zake van een vermeende verkeersoverreding, eindigend in een geboeid afvoeren van mevrouw H. naar het politiebureau wel erg heftig was. Te meer omdat nadien is gebleken dat mevrouw H. nooit is beboet voor het rijden door rood licht en vrijgesproken is door de politierechter van het beledigen van een ambtenaar in functie.

ZOEKWOORDEN

aanhouding

bejegening

partijdigheid

Verzoekster klaagt erover dat:

een ambtenaar van het regionale politiekorps Limburg Zuid zich bij het staande houden van verzoekster onredelijk jegens haar heeft gedragen door haar op geagiteerde toon toe te spreken, niet naar haar te luisteren en haar niet te laten uitspreken;

een ambtenaar van het regionale politiekorps Limburg Zuid zich tijdens haar staande houding afzijdig heeft gehouden en heeft verzuimd zijn collega tot kalmte te manen en daarmee onvoldoende de-escalerend heeft opgetreden;

het regionale politiekorps Limburg Zuid haar bij de informele klachtbehandeling heeft voorgehouden dat de door medeklaagster afgelegde verklaringen onjuist waren.

Beoordeling

Algemeen

1. Verzoekster bevond zich op 3 november 2006 samen met getuige Lo. in een auto voor het stoplicht. Voor hen stond een auto die werd bestuurd door mevrouw H. Nadat beide auto's de kruising waren overgestoken, werden zij door een politieauto met daarin twee politieambtenaren van het regionale politiekorps Limburg Zuid (verbalisanten A. en L.) welke auto van de andere kant de kruising op was gereden, ingehaald, staande gehouden en bekeurd wegens het door rood licht rijden. Op dat moment ontstond er ter plaatse een discussie over de vraag of verzoekster en mevrouw H. al dan niet door het rode licht waren gereden. Mevrouw H. werd daarop wegens belediging van een ambtenaar in functie aangehouden. Bij haar werden handboeien aangebracht en zij werd in de politieauto geplaatst. Na verwijdering van de handboeien werd mevrouw H. naar het politiebureau overgebracht.

2. Verzoekster diende vervolgens een klacht in over de wijze waarop politieambtenaren A. en L. haar bij het staande houden op 3 november 2006 hadden bejegend.

3. Op 13 december 2006 werd verzoekster in het kader van de afhandeling van haar klacht telefonisch door een politieambtenaar van het regionale politiekorps Limburg Zuid benaderd.

4. Nadat de informele klachtbehandeling niet tot een voor verzoekster bevredigende uitkomst had geleid, werd verzoeksters klacht voorgelegd aan de korpsbeheerder. In dat kader hield de klachtcommissie op 16 augustus 2007 een hoorzitting om de betrokkenen te horen. De commissie adviseerde de korpsbeheerder de klachten van verzoekster gegrond te verklaren.

5. Bij brief van 21 december 2007 oordeelde de korpsbeheerder de klachten van verzoekster niet gegrond.

6. Verzoekster kon zich niet vinden in het oordeel van de korpsbeheerder en wendde zich vervolgens op 15 april 2008 tot de Nationale ombudsman. Verzoeksters eerste twee klachten zullen om reden van doelmatigheid hierna gezamenlijk worden behandeld.

I. Ten aanzien van de gedragingen van de politieambtenaar L. en politieambtenaar A. bij de staande houding van verzoekster

Bevindingen

1. Verzoekster klaagt erover dat ambtenaar L. van het regionale politiekorps Limburg Zuid zich bij het staande houden van verzoekster onredelijk jegens haar heeft gedragen door haar op geagiteerde toon toe te spreken, niet naar haar te luisteren en haar niet te laten uitspreken. Verder klaagt zij erover dat ambtenaar A. van voormeld politiekorps zich tijdens haar staande houding afzijdig heeft gehouden en heeft verzuimd zijn collega tot kalmte te manen waardoor hij onvoldoende de-escalerend heeft opgetreden.

2. Verzoekster bracht ten aanzien van de gebeurtenissen het volgende naar voren. Zij verklaarde dat zij met haar auto, waarin getuige Lo. op de bijrijderplaats zat, achter de auto van medeklaagster stilstond voor een stoplicht dat rood uitstraalde. H. had blijkbaar niet meteen gezien dat het licht op groen sprong en verzoekster gaf daarop een signaal met de claxon. Hierna waren beide auto's opgetrokken en door groen licht gereden. De auto's werden ingehaald door een snel rijdende politiewagen. Bij het volgende stoplicht kwam verbalisant L. uit de wagen en gebaarde naar beide auto's dat die naar de rechterzijde van de weg moesten en daar moesten blijven staan. Verbalisant L. verklaarde dat zijn collega de overtreding niet gezien had, maar dat hij er zeker van was dat beide auto's door rood hadden gereden. Verzoekster protesteerde tegen de bekeuring, maar L. volhardde in zijn bewering. Verzoekster zag en hoorde hoe de situatie bij de staande houding van H. escaleerde. Zij had daarop L. aangesproken en geprobeerd hem uit te leggen dat zij achter de auto van H. reed en dat zij kon bevestigen dat H., net als zijzelf, door groen licht reed. Echter alles wat zij zei, werd direct door L. afgekapt.

Zij verklaarde verder dat zij op geen enkel moment heeft gehoord dat H. een belediging uitte aan het adres van L. en dat er geen enkele waarschuwing is geweest dat H. zou worden aangehouden. L. riep plotseling dat hij zich door H. niet voor 'lul' liet uitmaken en binnen 30 seconden was H. op hardhandige wijze geboeid en in de politieauto gezet.

Verzoekster gaf aan dat verbalisant L. zonder dat zij of H. daartoe aanleiding gaven, hen met een intimiderende houding heeft bejegend, op geen enkel moment heeft willen luisteren en hen heeft geprovoceerd. Zij verklaarde verder dat verbalisant A. zich verwijtbaar heeft gedragen aangezien die geen enkele moeite nam om de-escalerend op te treden.

3. Mevrouw H. verklaarde tijdens de hoorzitting in de interne klachtenprocedure dat zij ten onrechte was beschuldigd van een overtreding en zeer onbehoorlijk was bejegend, met name door verbalisant L. Zij was plotseling door een snel rijdende politieauto ingehaald, die haar vervolgens sneed en tot stoppen dwong. Verbalisant L. sommeerde haar op onfatsoenlijke wijze uit de auto te komen: "Eruit, nu!" en deelde haar mee dat zij een bekeuring kreeg wegens het rijden door een rood verkeerslicht. Ondanks haar protest zei L. dat hij de overtreding zelf had geconstateerd. Op haar vraag aan verbalisant A. verklaarde deze meermalen dat hij het niet had gezien maar dat het haar vrij stond een klacht in te dienen als zij het niet met L. eens was. L. bevestigde dat A. niets had kunnen zien omdat die op dat moment met de computer bezig was. Mevrouw H. vroeg zich af waarom A. op geen enkel moment en op geen enkele wijze had ingegrepen toen de zaak escaleerde maar zich slechts afzijdig had gehouden. Wel had A. zijn naam en dienstnummer bekend gemaakt en haar in de gelegenheid gesteld dit te noteren. L. weigerde zijn gegevens te geven. Zij ontkende L. 'lul' te hebben genoemd, maar werd direct en zonder enige waarschuwing, zeer hardhandig bij de bovenarmen gepakt en zij kreeg een knie in haar zij geduwd. L. deed bij haar handboeien om, zette haar in de politieauto en deed daar de boeien weer af. Zij verklaarde wel met stemverheffing te hebben gesproken tijdens de aanhouding, maar zich niet te hebben verzet. Zij moest haar auto open en onbeheerd achterlaten en haar werd verboden haar tas met inhoud uit de auto mee te nemen terwijl haar evenmin de gelegenheid werd gegeven, de inzittende van de auto, een buitenlandse gast, te informeren. Getuige Lo. heeft vervolgens aangeboden de auto naar het politiebureau te rijden.

4. Getuige Lo. verklaarde tijdens de hoorzitting in de interne klachtenprocedure dat hij samen met verzoekster in de auto zat die achter mevrouw H. reed. Hij verklaarde dat beide auto's door groen licht waren gereden. Hij was uitgestapt en had getracht aan verbalisant L. uit te leggen dat H. door groen was gereden. L. wilde niet naar hem luisteren. Lo. verklaarde dat door niemand het woord 'lul' was gehoord terwijl iedereen toch op gehoorsafstand bij elkaar stond. H. had volgens hem niets gezegd dat als een belediging van een politieambtenaar kon worden uitgelegd en er was op geen enkel moment een situatie die een aanhouding van H. rechtvaardigde. Lo. verklaarde dat de wijze waarop de aanhouding gebeurde, zonder enige waarschuwing, hardhandig en met gebruik van handboeien, niet in verhouding stond met de situatie. Ten slotte verklaarde hij dat hetgeen in de betreffende processen-verbaal is gesteld, absoluut niet overeenkomt met hetgeen hij heeft gezien en gehoord.

5. Betrokken politieambtenaar L. verklaarde in de interne klachtprocedure onder meer dat hij samen met collega A. in een opvallende politieauto reed. Zijn collega A. was doende met het invoeren van een aangifte in een computersysteem in het dienstvoertuig.

L. verklaarde dat hij op het moment dat het stoplicht groen licht uitstraalde het voertuig in beweging bracht en het kruisingsvlak opreed. Hij zag dat er nog twee motorvoertuigen van links kwamen aanrijden. L. remde om een aanrijding te voorkomen. Hij zei tegen A.: "Wat doen die nu, die rijden beiden door rood licht." Vervolgens zegde hij beide bestuurders een aankondiging van beschikking aan. L. hoorde dat zowel getuige Lo. als verzoekster bleven ontkennen door rood te zijn gereden. Hij bleef echter bij zijn standpunt waarop zij zich tot collega A. richtten, welke als observator enkele meters van hem vandaan stond.

L. hoorde mevrouw H. tegen A. zeggen: "Meneer zegt u hier eens wat van. U zegt helemaal niks en staat er maar gewoon wat bij." L. hoorde dat A. zei dat hij het zelf niet had gezien. Mevrouw H. wilde dit daarop door A. laten ondertekenen, hetgeen door A. werd geweigerd. Ook Lo. en verzoekster hadden nog iets tegen A. gezegd. L. verklaarde vervolgens dat H. tegen hem zei: "Jij bent een grote lul", waarop hij haar aanhield ter zake belediging van een politieambtenaar. Omdat zij zich verzette, had hij haar handboeien omgedaan.

6. Betrokken politieambtenaar A. verklaarde in de interne klachtprocedure onder meer dat hij samen met L. dienst had en dat H. zich aan haar aanhouding trachtte te onttrekken door zich te verzetten. Van dit voorval waren verzoekster en de heer Lo. getuige. A. verklaarde dat bij dergelijke controles en situaties gewerkt wordt middels een protocol. Dit houdt in dat één verbalisant het overzicht houdt, de actor is. In dit geval was hij de observator en zijn collega L. de actor. A. verklaarde dat er geen reden was L. tot kalmte te manen of tot rede te brengen. L. was zakelijk gebleven en heeft verzoekster en de heer Lo. op een correcte wijze te woord gestaan.

7. Nadat de klachtencommissie de betrokkenen uitvoerig had gehoord, bracht zij op 16 september 2007 advies uit aan de korpsbeheerder. Het kwam de commissie voor dat uit de verklaringen van zowel verzoekster en mevrouw H. als de aanwezige getuige dat verbalisant L. geen enkele ruimte bood om te luisteren naar argumenten van betrokkenen en dat zijn gedrag agressief en intimiderend is overgekomen. De commissie beoordeelde dit als onprofessioneel en achtte dit klachtaspect gegrond. Ten aanzien van het optreden van verbalisant A. waarbij met name zijn passieve houding verwijtbaar zou zijn, begrijpt de commissie dat de verbalisanten hebben gehandeld volgens een protocol waarbij een verbalisant optreedt als actor en de andere als observator. Dit protocol is met name belangrijk voor de veiligheid van verbalisanten. De commissie oordeelde dat er geen sprake was geweest van een dreigende of gevaarlijke situatie die toepassing van dit protocol rechtvaardigde en dat verbalisant A. op enig moment tijdens de gebeurtenissen de-escalerend had kunnen en moeten optreden. De commissie achtte het voor de gewone burger onbegrijpelijk als een ter plaatse aanwezige officiële ambtsdrager die ziet dat een situatie escaleert, passief blijft. Zij achtte dit klachtaspect gegrond.

8. De korpsbeheerder liet verzoekster bij brief van 21 december 2007 weten het advies van de klachtencommissie niet over te nemen. Op basis van het voorliggende dossier, waaronder de verklaringen van de betrokken verbalisanten, oordeelde de korpsbeheerder dat geen sprake was geweest van onprofessioneel of anderszins onbehoorlijk politieoptreden. Hij overwoog daartoe dat hij bijzondere waarde aan het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant A. hechtte die op ambtseed verklaarde dat verbalisant L. objectief en zakelijk was geweest en de procedure correct aan beide betrokken partijen had uitgelegd. De korpsbeheerder oordeelde dat op dat punt geen sprake was geweest van onbehoorlijk politieoptreden.

Met betrekking tot de rol van verbalisant A. overwoog de korpsbeheerder dat de verbalisanten er kennelijk bewust voor hadden gekozen dat één van hen tegen betrokkenen optrad en de ander de situatie observeerde. Dat is niet ongebruikelijk en uit oogpunt van veiligheid op zijn minst verdedigbaar, aldus de korpsbeheerder. Verder overwoog hij dat consequent handelen in dergelijke situaties geboden is, omdat veelal niet valt te voorspellen of een situatie van gevaar of dreiging met zich brengt of - onverwacht - met zich gaat brengen. In voorliggende situaties hebben politie-functionarissen een zekere mate van beleidsvrijheid waar het gaat om de wijze van optreden. De korpsbeheerder was van oordeel dat hem niet was gebleken dat de verbalisanten daarin een verkeerde keuze hadden gemaakt of de grenzen van hun beleidsvrije ruimte hadden overschreden. Anders dan de commissie schonk hij niet alleen aandacht aan de verklaringen van de klagers en getuige, maar ook aan de tot het dossier behorende rapporten en processen-verbaal. Hij oordeelde dat in beginsel uit dient te worden gegaan van de juistheid van door twee politiefunctionarissen op ambtseed (dan wel naar waarheid) opgemaakte documenten. Hij achtte de klacht dan ook niet gegrond.

9. Mevrouw H. verklaarde in het kader van het onderzoek van de Nationale ombudsman nog het volgende. De boete voor het rijden door rood licht was door voor haar onbekende redenen later vervallen. Zij was vrijgesproken van het beledigen van een ambtenaar in functie. Anders dan mevrouw K. had zij na de klachtenprocedure bij de politie niet meer de moed en energie kunnen opbrengen om een onderzoek aan de Nationale ombudsman te vragen ook al was zij het absoluut niet eens geweest met het resultaat. Met name stak het haar dat de korpsbeheerder zonder duidelijke motivering het advies van de commissie voor politieklachten niet had gevolgd.

Beoordeling

a. Ten aanzien van de onheuse bejegening door politiefunctionaris L.

1. Het vereiste van correcte bejegening houdt onder meer in dat overheidsinstanties burgers als mens respecteren en hen beleefd behandelen. Dit houdt onder meer in dat de overheidsinstantie burgers enige ruimte moet laten voor het geven van een reactie op een optreden.

2. Uit het onderzoek is gebleken dat de lezingen van verzoekster, mevrouw H. en getuige Lo. enerzijds en de twee betrokken politieambtenaren anderzijds over met name de vraag of L. verzoekster nu wel of geen gelegenheid bood om te reageren lijnrecht tegenover elkaar staan. In het algemeen onthoudt de Nationale ombudsman zich van het geven van een oordeel over een klacht als de lezingen van verzoekers lijnrecht tegenover die van de betrokken ambtenaren staan. Die situatie doet zich evenwel niet voor indien er sprake is van omstandigheden op grond waarvan aan de ene lezing meer betekenis kan worden gehecht dan aan de andere lezing.

3. In dit geval houdt verzoekster stellig vol dat politiefunctionaris L. alles wat zij naar voren wilde brengen, direct afkapte en hebben zowel mevrouw H. als getuige Lo. verklaard dat L. niet wilde luisteren. Daartegenover staat de stellige ontkenning van politieambtenaar L., dat deze geen ruimte bood, en de verklaring van politieambtenaar A. dat zijn collega in het contact met verzoekster zakelijk en correct is gebleven.

4. De commissie voor politieklachten adviseerde de korpsbeheerder de klacht over het geen ruimte bieden voor argumenten gegrond te verklaren. De commissie achtte de verklaringen van de klagers en de getuigen overtuigender dan de verklaring van politieambtenaar L. gesteund door zijn collega A. De commissie had alle partijen daarover uitvoerig gehoord. De korpsbeheerder volgde het advies van de commissie niet en gaf daarbij slechts aan meer waarde te hechten aan het ambtsedige proces-verbaal van de politiefunctionarissen dan aan de drie overige verklaringen. Het verwijzen naar een ambtsedig opgemaakt proces-verbaal gaat voorbij aan de noodzaak van waarheidsvinding in een geval als dit.

5. De Nationale ombudsman is van oordeel dat de korpsbeheerder in zijn beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij afwijkt van het advies van de commissie. De Nationale ombudsman komt op grond van de overwegingen van de klachtcommissie en op grond van de nadien nog verkregen informatie tot de overtuiging dat aan de verklaringen van verzoekster, mevrouw H. en de heer Lo., meer waarde moet worden gehecht dan aan de twee verklaringen van de politiefunctionarissen, “ambtsedig” of niet. In het onderzoek van de Nationale ombudsman wordt de indruk uit de interne klachtprocedure, dat de verklaringen van genoemde drie personen betrouwbaar zijn, nog eens bevestigd. Zij verklaarden onder meer dat mevrouw H. geen scheldwoorden had gebruikt. Mevrouw H. is door de politierechter uiteindelijk ook vrijgesproken van belediging van een ambtenaar in functie.

6. Op grond van het bovenstaande is de Nationale ombudsman van oordeel dat politiefunctionaris L. onvoldoende ruimte heeft gelaten aan verzoekster voor het geven van argumenten waardoor de spanning tussen betrokkenen opliep en de situatie uiteindelijk escaleerde. Door zo op te treden heeft politiefunctionaris L. gehandeld in strijd met het vereiste van correcte bejegening.

De onderzochte gedraging is in zoverre niet behoorlijk.

b. Ten aanzien van het optreden van politieambtenaar A. ter voorkoming van escalatie

1. Het vereiste van professionaliteit houdt in dat ambtenaren met een bijzondere training of opleiding jegens burgers overeenkomstig de standaarden van hun beroepsgroep handelen. Dit houdt onder meer in dat zij bij situaties die uit de hand dreigen te lopen de-escalerend dienen op te treden.

2. Uit het onderzoek blijkt dat er op 3 november 2006 na de door L. geconstateerde overtreding ter plaatse een discussie tussen verzoekster, mevrouw H. en getuige Lo. enerzijds en de betrokken politieambtenaar L. anderzijds ontstond, terwijl politieambtenaar A. zich op de achtergrond hield. Een discussie die dermate uit de hand liep dat mevrouw H. uiteindelijk wegens belediging van een ambtenaar in functie werd aangehouden, geboeid werd en naar het politiebureau werd overgebracht.

3. Gelet op het vorenstaande kan volgens de Nationale ombudsman in redelijkheid worden gesproken van een situatie die op dat moment reeds was geëscaleerd, dan wel in ieder geval dreigde te escaleren.

4. Onweersproken is gebleven dat verbalisant A. zich bewust op de achtergrond heeft gehouden terwijl verbalisant L. met de betrokkenen het woord voerde. De verbalisanten hebben zich ter zake beroepen op een door politieambtenaren in dergelijke situaties gehanteerde standaard-werkwijze. Op grond van die werkwijze houdt één van de verbalisanten in het kader van hun veiligheid het overzicht, observeert deze en houdt deze zich ook afzijdig, terwijl de andere verbalisant de zogenaamde actor is.

5. De Nationale ombudsman heeft er begrip voor dat verbalisanten in verband met hun veiligheid in beginsel conform een door hen tijdens de opleiding geleerde standaard-werkwijze handelen. De Nationale ombudsman is evenwel van oordeel dat hiervan in sommige gevallen vanaf moet kunnen worden geweken. Van verbalisant A. had naar het oordeel van de Nationale ombudsman onder de gegeven omstandigheden verwacht mogen worden dat hij in afwijking van de standaard-werkwijze op enigerlei wijze de-escalerend was opgetreden. Met de klachtencommissie acht de Nationale ombudsman het voor de gewone burger onbegrijpelijk als een ter plaatse aanwezige officiële ambtsdrager die ziet dat een situatie escaleert, of zulks in redelijkheid had moeten zien, passief blijft. Door zich volkomen afzijdig te houden, heeft A. naar het oordeel van de Nationale ombudsman dan ook in strijd met het vereiste van professionaliteit gehandeld. Die professionaliteit zou tevens ruimte moeten laten voor een rolwisseling tussen actor en observator, wanneer de actor evident professionele standaarden schendt zoals dat zich hier voor heeft gedaan.

De onderzochte gedraging is in zoverre niet behoorlijk.

II Ten aanzien van de informatieverschaffing bij de klachtbehandeling

Bevindingen

1. Verzoekster klaagt erover dat het regionale politiekorps Limburg Zuid haar bij de informele klachtbehandeling heeft voorgehouden dat de door medeklaagster, mevrouw H., afgelegde verklaringen onjuist waren. Verzoekster heeft dit ervaren als een poging om mevrouw H. in diskrediet te brengen en het wangedrag van de betrokken politieambtenaren goed te praten.

2. Politieambtenaar Ha. heeft in een rapport van 27 december 2006 verklaard op 13 december 2006 mevrouw H. telefonisch te hebben benaderd over de verdere afhandeling van haar klacht en de te volgen procedure. Mevrouw H. deelde mee de klacht te willen voortzetten. Ook deelde zij mee nog erg geëmotioneerd te zijn over haar ervaring in de politiecel en dat "zulke toestanden zelfs in Chili en Guantanamo Bay niet voorkwamen". Hierbij doelde zij op een arrestant van wie zij vanuit haar cel geschreeuw had gehoord en dus "zeker" wist dat deze werd mishandeld door de politie. Hiervan had zij ook melding gedaan in haar klachtbrief aan de politie. In een poging haar enigszins gerust te stellen en haar beeld over de Nederlandse politie bij te stellen gaf Ha. haar enige uitleg over wat zich die avond op het politiebureau had afgespeeld met een suïcidale arrestant in een cel vlakbij die van haar.

Uit genoemd rapport blijkt eveneens dat Ha. ook verzoekster op 13 december 2006 telefonisch heeft benaderd over de verdere afhandeling van de klacht. Ook verzoekster gaf aan de klacht te willen doorzetten. Verzoekster deelde daarbij mee dat zij zich vanuit haar professie niet kon voorstellen dat de Nederlandse politie op zo'n manier optrad, zoals nu bij hen die dag was gebeurd. Ook bij verzoekster deed Ha. een poging haar beeld over de Nederlandse politie enigszins bij te stellen door uitleg te geven over het voorval met de suïcidale arrestant op het politiebureau.

3. De heer Lo. verklaarde in de interne klachtprocedure dat hij weliswaar geen getuige was geweest van de gebeurtenissen in het cellencomplex, maar dat hij net als verzoekster ongevraagd werd geïnformeerd over de toestand die zich daar had afgespeeld. Hij interpreteerde dit als een rechtvaardiging voor de onheuse bejegening van verzoekster en mevrouw H. Volgens Lo. hadden de verbalisanten herhaaldelijk geprobeerd om de betrokkenen te bewegen geen klacht in te dienen.

4. De korpsbeheerder liet in reactie hierop weten dat verzoekster in het kader van de informele klachtbehandeling inderdaad werd geïnformeerd omtrent door mevrouw H. afgelegde verklaringen en de onjuistheid daarvan. Zo verklaarde mevrouw H. onder meer omtrent een door haar vermeende mishandeling binnen het cellencomplex. Binnen het kader van de informele klachtbehandeling, heeft de klachtbehandelaar het van belang geacht om de juiste toedracht van die gebeurtenis met verzoekster te bespreken. De genoemde informatie werd overigens verstrekt binnen de context van de gebeurtenissen waarbij zowel verzoekster als mevrouw H. nauw waren betrokken en in die zin van belang om klaagster in de gelegenheid te stellen een correct en compleet beeld te verkrijgen. De korpsbeheerder oordeelde dat de klachtbehandelaar middels open communicatie op correcte wijze had getracht in de klacht van verzoekster te bemiddelen zodat naar zijn oordeel niet is gebleken van een onbehoorlijke gedraging of anderszins klachtwaardig politieoptreden.

Beoordeling

5. Het verbod van vooringenomenheid houdt in dat bestuursorganen zich actief opstellen om iedere vorm van een vooropgezette mening of de schijn van partijdigheid te vermijden. Van een bestuursorgaan mag worden verwacht dat het een klacht onbevooroordeeld behandelt. Dit brengt met zich mee dat een klachtbehandelaar tijdens een gesprek met een burger over diens klacht geen oordeel geeft over afgelegde verklaringen van een medeklager.

6. Onweersproken is gebleven dat verzoekster door de klachtbehandelaar telefonisch werd geïnformeerd omtrent door mevrouw H. afgelegde verklaringen en de onjuistheid daarvan. De bedoeling hiervan was verzoekster een correct en compleet beeld van de situatie te schetsen.

7. In verband met het vermijden van een vooropgezette mening of schijn van partijdigheid dient door een klachtbehandelaar tegenover een klager voorzichtig te worden omgegaan met het geven van een oordeel over verklaringen die door een andere klager zijn afgelegd. Dit is zeker het geval wanneer de klachten nauw met elkaar verband houden. De Nationale ombudsman gaat in dit geval er vanuit dat de betrokken ambtenaar mogelijk slechts de bedoeling heeft gehad met zijn uitleg verzoeksters beeld van de politie bij te stellen. Maar doordat hij daarbij de betrouwbaarheid van de verklaringen van de andere klaagster in twijfel trok, heeft hij daarmee zijn neutraliteit op dat moment verloren. Immers zijn bedoeling is bij verzoekster kennelijk niet goed overgekomen. Daarom is de Nationale ombudsman van oordeel dat in dit geval de klachtbehandelaar in strijd met het verbod van vooringenomenheid heeft gehandeld.

In zoverre is de onderzochte gedraging niet behoorlijk.

SLOTBESCHOUWING

De Nationale ombudsman is van mening dat het optreden van de betrokken politieambtenaar naar aanleiding van een vermeende overtreding wel bijzonder heftig was. De bestuurster van de betreffende auto krijgt niet de kans haar verhaal te doen, maar wordt wegens belediging van een ambtenaar in functie in de boeien geslagen en afgevoerd naar het politiebureau. Wat de betrokken politieambtenaar heeft bewogen om zo buitenproportioneel te reageren, wordt niet duidelijk. Hierdoor loopt de aanpak door de politie van het mogelijk rijden door rood licht geheel uit de hand. De twee inzittenden van de auto die achter die van de aangehouden bestuurster reed, willen ter plaatse uitleggen dat het licht nog op groen stond, maar krijgen daartoe ook niet de kans. Door de rolverdeling dat de ene politiefunctionaris de leiding heeft en de ander uitsluitend observeert, wordt een dreigende escalatie ook niet tot juiste proporties terug gebracht. Hopelijk was dit een incident.

Achteraf blijkt dat de bestuurster van de auto nooit een boete heeft hoeven betalen voor het rijden door rood licht en dat zij door de politierechter is vrijgesproken van belediging van een ambtenaar in functie. Kortom een nogal heftige ervaring voor een burger die nog nooit met de strafrechter in aanraking was gekomen.

Van de politie had verwacht mogen worden dat zij vanuit haar professionaliteit de-escalerend had opgetreden in plaats van een bijdrage te leveren aan escalatie.

Wat de Nationale ombudsman zorgen baart is, dat de korpsbeheerder, ondanks een uitvoerig gemotiveerd advies van de klachtencommissie om de klacht gegrond te verklaren, de klacht niet gegrond heeft verklaard enkel op grond van het feit dat hij aan een ambtsedig proces-verbaal meer waarde hecht dan aan de verklaring van verzoekster, een medeklaagster en een getuige. Bij klagers kan dit de indruk wekken dat de klachtbehandeling een farce is.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van het regionale politiekorps Limburg Zuid, is

gegrond ten aanzien van:

- de onheuse bejegening door politiefunctionaris L. wegens strijd met het vereiste van correcte bejegening;

- het niet de-escalerend optreden door politiefunctionaris A. wegens strijd met het vereiste van professionaliteit;

- het verzoekster voorhouden dat door mevrouw H. afgelegde verklaringen onjuist waren wegens strijd met het verbod van vooringenomenheid.

Onderzoek

Op 15 april 2008 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van mevrouw K. te Nijmegen, met een klacht over een gedraging van het regionale politiekorps Limburg Zuid. Naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van de beheerder van het regionale politiekorps Limburg Zuid, werd een onderzoek ingesteld.

In het kader van het onderzoek werd de beheerder van het regionale politiekorps Limburg Zuid verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben.

Daarnaast werd de betrokken ambtenaren de gelegenheid geboden om commentaar op de klacht te geven. Eén van hen maakte van deze gelegenheid gebruik.

Tijdens het onderzoek kregen het regionale politiekorps Limburg Zuid en verzoekster de gelegenheid op de door ieder van hen verstrekte inlichtingen te reageren.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. De korpsbeheerder deelde mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen. De overige betrokkenen gaven binnen de gestelde termijn geen reactie.

Informatieoverzicht

De bevindingen van het onderzoek zijn gebaseerd op de volgende informatie.

1. Intern klachtdossier van politie Limburg Zuid.

2. Advies van 16 september 2007 van de Klachtencommissie Limburg Zuid.

3. Beslissing van 21 december 2007 van de beheerder van het regionale politiekorps Limburg Zuid.

4. Brief van 31 maart 2008 van verzoekster gericht aan de Nationale ombudsman, ontvangen op 15 april 2008.

5. Rapport van verbalisant A. opgemaakt op 6 juni 2008.

6. Standpunt van de korpsbeheerder van 20 augustus 2008.

7. Reactie van verzoekster van 4 november 2008.

8. Nadere reactie van de korpsbeheerder van 3 juni 2009.

Bevindingen

Zie onder Beoordeling.

Achtergrond

Publicatiedatum
Rapportnummer
2009/288