2009/287

Instantie: Regiopolitie Kennemerland

Klacht: Escalerend opgetreden; geboeid; disproportioneel geweld gebruikt.
Oordeel: gegrond

Verzoekers wilden naar het strand, maar dwars over de weg daar naartoe was een rood-wit lint gespannen. Ze liepen naar de politieauto die op enige afstand voorbij het lint stond, om te vragen hoe ze verder konden gaan. Bij de politiemensen aangekomen, gingen deze niet of nauwelijks in op de vragen van verzoekers, maar vroegen en vorderden verzoekers keer op keer om weg te gaan. Op zeker moment besloten ze de mannen aan te houden. De klacht daarover was door de korpsbeheerder al gegrond verklaard omdat hier voor een minder ingrijpende aanpak van informeren en overreden had moeten worden gekozen.

De Nationale ombudsman behandelde de klacht over het vervolg: het gebruik van handboeien en het fysiek geweld waarmee dat gepaard ging. De Nationale ombudsman oordeelde dat de door de politie aangevoerde redenen geen situatie opleverden waarin de Ambtsinstructie voor de politie het omleggen van boeien toestaat: vluchtgevaar of specifiek gevaar voor de veiligheid van de politiemensen.

De klacht was gegrond omdat was gehandeld in strijd met het vereiste dat overheidsinstanties grondrechten (hier: de onaantastbaarheid van het lichaam) respecteren.

Verzoeker klaagt er - mede namens zijn zoon - over dat ambtenaren van het regionale politiekorps Kennemerland op 2 maart 2008 escalerend hebben opgetreden. In het bijzonder klaagt verzoeker erover dat zij hem hebben geboeid en daarbij disproportioneel geweld hebben gebruikt.

Beoordeling

Algemeen

Verzoekers zijn een vader en zijn volwassen zoon die op 2 maart 2008 rond half twee 's middags wilden uitwaaien op het strand en daartoe hun auto parkeerden in Wijk aan Zee. Toen zij langs het Noordzeekanaal richting zee liepen, bleek dat de weg daarnaar toe met een lint was afgezet. Ze zagen verderop een politieauto staan, passeerden het lint en liepen richting politieauto om te vragen hoe ze bij het strand konden komen. Nog voordat ze daar waren, kwamen twee politieagenten al op hen toelopen. Deze hebben verzoekers gevraagd en daarna bevolen om weg te gaan, terug naar de afzetting. Verzoekers kregen geen informatie over wat er aan de hand was en geen antwoord op hun vraag hoe ze verder konden lopen. Volgens de politie gaf de vader één van de politiemensen onverwacht een schouderduw. Nogmaals hebben de politieagenten verzoekers opdracht gegeven om terug te lopen en toen dat niet direct gebeurde zijn verzoekers aangehouden en geboeid. Daarbij raakte de vader in paniek, verzette zich tegen het aanleggen van de handboeien en is stevig vastgepakt en op de grond geduwd. Nadat een andere politieauto was gearriveerd, zijn zij naar het bureau vervoerd en daar verhoord. Zij zijn tegen zes uur in vrijheid gesteld. Zij kregen een transactievoorstel wegens wederspannigheid en hebben dit betaald.

Klachtbehandeling door de politie

Daags na het gebeuren heeft de vader een klacht ingediend bij de politie Kennemerland, zes weken later ook zijn zoon. De klacht is behandeld tijdens een hoorzitting van de klachtadviescommissie waar verzoekers bij aanwezig waren en zijn gehoord. Bij brief van 4 juli 2008 heeft de korpsbeheerder als volgt beslist op de klachten. Hij achtte deze gegrond voor wat betreft:

- toepassing van handboeien bij de zoon (hij pleegde namelijk geen verzet);

- niet voldoen aan een verzoek van de vader om zijn echtgenote te bellen (terwijl de indruk was gewekt dat dit wel mocht);

- de door de agenten gekozen aanpak (de situatie is geëscaleerd terwijl dit bij een andere benadering van de betrokken politieambtenaren niet nodig was geweest).

Naar het oordeel van de korpsbeheerder waren niet gegrond:

- de klacht over het toepassen van handboeien bij de vader;

- de klacht over onjuistheden in het proces-verbaal.

De korpsbeheerder bood namens het korps Kennemerland excuses aan voor de gegronde klachtonderdelen en deelde mee dat de leerpunten uit de klacht met de betrokken politieambtenaren worden besproken.

De korpsbeheerder baseerde zich op een advies van de klachtencommissie, waaruit hier allereerst wordt geciteerd de passage betreffende de klacht over "disproportioneel optreden":

"…De commissie stelt voorop dat het voor klagers duidelijk had moeten zijn dat zij het afzetlint niet hadden mogen passeren. De bedoeling van een afzetlint is dat personen achter het lint blijven. De betreffende politieambtenaren hadden dus het recht om klagers te vragen en daarna te vorderen om terug te gaan. Doordat klagers hieraan geen gevolg hebben gegeven, hebben zij een strafbaar feit gepleegd.

De situatie is vervolgens zodanig geëscaleerd, dat klagers zijn aangehouden en hen de handboeien zijn omgedaan.

Bij de beoordeling of het optreden van politieambtenaren behoorlijk is, dient naar de mening van de commissie rekening te worden gehouden met de omstandigheden zoals deze zich voordeden en de verschillende mogelijkheden die de politie op dat moment ter beschikking stonden om het beoogde doel te bereiken. In dit geval was het doel van het politieoptreden erop gericht dat klagers terug zouden gaan.

De situatie is echter, zeker in relatie tot de aanleiding, ernstig geëscaleerd.

De vraag is of deze escalatie had kunnen worden voorkomen.

Het is naar de menig van de commissie redelijk om aan te nemen dat deze escalatie niet zou hebben plaatsgevonden indien de betrokken politieambtenaren klagers hadden geïnformeerd over de reden waarom dit gedeelte van de pier was afgesloten en waren ingegaan op de vraag hoe klagers het strand wél konden bereiken. Hoewel de betrokken politieambtenaren hiertoe niet verplicht waren en de houding van klagers mogelijk heeft geleid tot een verharding van de opstelling van de betrokken politieambtenaren had naar de mening van de commissie kunnen worden verwacht dat klagers vrijwillig zouden zijn teruggegaan indien bij het herhaaldelijk verzoek aan klagers om weg te gaan ook de hiervoor genoemde informatie was gegeven.

De omstandigheden van dat moment leenden zich naar de mening van de commissie ook voor een minder formeel optreden. Op de hoorzitting is gebleken dat op dat moment geen andere personen door de afzetting waren gelopen of zich daar in de buurt bevonden, terwijl tegen de personen die via de duinen naar het strand liepen niet behoefde te worden opgetreden.

De commissie is daarom van mening dat, hoewel het optreden van de politie formeel juist was, in dit geval voor een andere benadering had kunnen worden gekozen, namelijk het verstrekken van de gevraagde informatie en het wijzen van een alternatieve route. Daarmee zou een escalatie zoals deze zich nu heeft voorgedaan, kunnen zijn voorkomen."

Naar aanleiding van de klacht over het gebruik van handboeien haalde de commissie art. 22 Ambtsinstructie aan (zie Achtergrond, nr. 4) en overwoog vervolgens:

"Naar de mening van de commissie is wel duidelijk dat (de vader; N.o.) na zijn aanhouding zijn zelfbeheersing heeft verloren. Dat kan voldoende aanleiding zijn geweest om bij hem de handboeien aan te leggen. Deze constatering laat onverlet dat, zoals hierboven is overwogen, de noodzaak om (de vader; N.o.) te boeien onderdeel vormt van de geëscaleerde situatie, die bij een minder formeel optreden van de politieambtenaren had kunnen worden voorkomen. Het feit dat (de vader; N.o.) de handboeien zijn aangelegd, is blijkbaar ook de reden geweest om bij (de zoon, N.o.), hoewel deze zich niet verzette, de handboeien aan te leggen. De commissie is echter van mening dat daarvoor op grond van de in de ambtsinstructies gestelde criteria onvoldoende redenen waren. Overigens stelt de commissie vast dat nadat (de vader; N.o.) mededelingen had gedaan over zijn gezondheidstoestand de handboeien bij hem direct en even later ook bij zijn zoon zijn verwijderd, zodat in zoverre niet disproportioneel is opgetreden."

Bevindingen

1. Na gedeeltelijke gegrondverklaring van de klachten door de korpsbeheerder betreft het onderzoek van de Nationale ombudsman met name de onderdelen van de klacht die gaan over de aanpak van de politie vanaf het moment van aanhouding. Belangrijkste punten daaruit zijn het gebruikmaken van handboeien, de wijze waarop deze zijn aangelegd en het geweld tegen de vader waarmee dit is gepaard gegaan.

Verzoeker schrijft daarover in zijn brief aan de Nationale ombudsman (mede namens zijn zoon):

"Ondergetekende erkent dat hij in paniek is geraakt maar onderstreept dat dit gebeurde doordat en op het moment dat de boeien hardhandig werden aangelegd. Voorafgaand aan het boeien heeft (de vader; N.o.) geen enkele aanleiding gegeven die het aanleggen van boeien zou rechtvaardigen. De motivering van de politieklachtencommissie miskent dat (de vader; N.o.) pas tijdens het aanleggen van de boeien "de zelfbeheersing heeft verloren". De motivering van de politieklachtencommissie is naar het oordeel van (de vader; N.o.) een cirkelredenering: omdat (de vader; N.o.) zich bij de aanhouding (dat wil zeggen: bij het aanleggen van de boeien) verzette, was het boeien gerechtvaardigd. Onderdeel van de klacht tegen het optreden van de politie was nu juist dat de politie onmiddellijk overging tot het boeien van (de vader; N.o.) en zijn zoon. De politieklachtencommissie heeft daarmee nagelaten te beoordelen of de politieagenten op het moment dat zij besloten de boeien aan te leggen hiertoe volgens de Ambtsinstructie gerechtigd waren."

2. In zijn klachtbrief aan de politie van 17 april 2008 schreef de zoon onder meer het volgende:

"In het proces-verbaal van bevindingen staat vermeld dat de mannelijke politieagent 'uit het niets een harde duw tegen zijn linkerschouder (kreeg; N.o.) van de oudere man'. Ik heb dit niet gezien en mijn vader vertelde mij dat hij op het moment dat de mannelijke politieagent naar mij toedraaide de onder- of bovenarm van de mannelijke politieagent aanraakte en zeker geen harde duw heeft gegeven. De lezing van de politieagenten is, gezien de wijze waarop mijn vader, ik en de politieagenten ten opzichte van elkaar gesitueerd waren, ook hoogst onwaarschijnlijk (…).

De politieagenten hielden ons kort daarna aan, waarbij zij onmiddellijk grepen naar de handboeien om ons te boeien. Mijn vader - een gepensioneerde docent van 64 jaar die nimmer eerder is gearresteerd of anderszins met justitie in aanraking is gekomen - raakte hierop in paniek. Toch werd mijn vader met fors geweld door de mannelijke politieagent op de grond gegooid, met het gezicht in het zand gedrukt en geboeid. Later heeft een arts een forse kneuzing van de polsen van mijn vader geconstateerd. Mijn vader heeft nog steeds last van zijn pols. Vlak na of vrijwel gelijktijdig met de aanhouding van mijn vader ben ik ook aangehouden en geboeid. Toen de agenten mij de boeien om wilden doen, heb ik mij gewoon omgedraaid.

Ik schat dat alles - langs het lint lopen tot en met boeien - niet meer dan één of twee minuten in beslag heeft genomen. In hun hele optreden hebben de politieagenten niet de indruk gewekt een onderscheid te (willen) maken tussen aanhouden en boeien."

3. Zowel het proces van aanhouding van de vader als dat van aanhouding van de zoon vermeldt als reden van de handboeien:

"de omstandigheden waarop verdachte werd aangehouden, gaf aanleiding tot het gebruik van de handboeien. De handboeien werden gebruikt om reden van ontvluchting en veiligheid."

4. Een proces-verbaal gedateerd 2 maart 2008 en opgemaakt door de betrokken politieambtenaren, houdt onder meer het volgende in:

"Wij, verbalisanten, hebben hierop de twee manspersonen nog diverse malen gevorderd de Noordpier te verlaten. Ik, eerste verbalisant, kreeg hierop uit het niets een harde duw tegen mijn linker schouder van de oudere man. Wij, verbalisanten, hebben de jongste van de twee manspersonen meerdere malen horen zeggen: "Pap, doe nou even rustig" of woorden van gelijke strekking. Deze oudere man begon tevens tegen ons, verbalisanten, te schreeuwen. Het is ons, verbalisanten, niet bekend wat er geschreeuwd is. Wij, verbalisanten, hebben de twee manspersonen hierna nog zeker een vijftal malen gevorderd de Noordpier te verlaten. Door de twee manspersonen werd aan deze vorderingen wederom geen gevolg gegeven. Hierop hebben wij de twee verdachten aangehouden ter zake het niet voldoen aan bevel of vordering.

Tijdens de aanhouding verzette de oudere man zich zodanig dat ik, tweede verbalisant, moest assisteren om deze in de boeien te krijgen. De verdachte begon in tegenovergestelde richting te bewegen en met zijn armen te zwaaien. Hierop heb ik, eerste verbalisant, de verdachte met een armoverstrekking naar de grond gebracht. Toen de verdachte eenmaal op de grond lag weigerde hij zijn rechter, nog ongeboeide arm, op de rug te brengen. De verdachte riep tegen ons, verbalisanten, dat hij een arm in de boeien wel genoeg vond. Wij, verbalisanten, hebben diverse malen gevorderd zijn rechterarm op de rug te brengen. De verdachte gaf aan deze vorderingen geen gevolg. Wij, verbalisanten, hebben de ongeboeide rechter arm op de rug weten te krijgen door frictie uit te oefenen op de linker arm aangebrachte handboei. Ik, tweede verbalisant, heb met mijn rechter knie frictie gegeven op de linker schouder van de verdachte."

5. Een leidinggevende heeft een meldingsformulier geweldaanwending opgemaakt (vergelijk art. 17 Ambtsinstructie, zie Achtergrond nr. 4). Hij beschrijft de aanloop tot de aanhouding ongeveer als in het proces-verbaal is vermeld. Na de duw en de herhaalde, telkens niet opgevolgde vordering gaat de beschrijving verder:

"Beide personen zijn hierop aangezegd dat zij aangehouden waren. De jongste man kon vervolgens zonder problemen in de handboeien geplaatst. Op het moment dat collega (naam politieman; N.o.) de oudste persoon in de handboeien wilde plaatsen begon deze zich hevig tegen te verzetten (…). En nadat om de ene pols een handboei is aangebracht en H. sr. weigerde de andere pols naar de rug te brengen heeft de politieman gezegd dat wanneer hij zijn verzet niet zou staken hij naar de grond gebracht zou worden."

6. De twee betrokken politieambtenaren zijn door de substituut-ombudsman gehoord tijdens een bijeenkomst op het Bureau Nationale ombudsman waarbij ook verzoekers aanwezig waren. De substituut-ombudsman heeft waargenomen dat de oudste van de verzoekers een kleiner postuur heeft dan de politieambtenaren, met name in de vergelijking met de politieman. De politieambtenaren hebben - voor zover van belang - het volgende verklaard.

6.1. (De vrouwelijke hoofdagent)

Op die bewuste dag was er een vat met giftige stoffen aangespoeld op het strand. Mijn collega, de heer (…), en ik hebben op verzoek van de brandweer een deel van het strand afgesloten. Dat hebben we gedaan door middel van een afzetlint. Het afzetlint was gespannen vanaf het Noordzeekanaal tot aan de duinen. De politieauto hebben we op een afstand van ongeveer 25 meter achter het afzetlint geparkeerd zodat we ook de mensen die van de duinen kwamen konden tegenhouden. Ik stond samen met (mijn collega) bij de afzetting om mensen die naar het strand en de Noordpier wilden gaan tegen te houden. Op een gegeven moment zag ik dat de heren H. en H. (verzoekers; N.o.) onder het afzetlint waren door gelopen. Mijn collega heeft de heren via de dakmegafoon van de politieauto opgeroepen terug te gaan. Hier werd niet op gereageerd. Vervolgens ben ik samen met mijn collega naar de heren toegelopen. Daar hebben wij de heren zeker vijf keer verzocht terug te gaan. Dat weigerden ze. In dat gesprek zag ik dat de oudste van de twee een agressieve indruk maakte. Hij was boos en sprak met stemverheffing. Op een gegeven moment kreeg mijn collega uit het niets een schouderduw van de heer H. sr. Mijn collega ging door de flinke duw achteruit. Mijn collega en ik stonden hiervan te kijken. Ik denk dat de heer H. een duw gaf omdat hij niet mocht doorlopen. Nadat de heren H. en H. geweigerd hadden het gebied te verlaten zijn ze aangehouden.

Wij hebben de heren niet zomaar aangehouden. Voordat mijn collega en ik tot aanhouding overgingen hebben wij hen heel duidelijk aangegeven dat de situatie op het strand gevaarlijk was en dat ze daarom achter het afzetlint moesten gaan staan. Ook na de schouderduw hebben we de heren nog gevorderd weg te gaan. Mijn collega heeft ze zelfs gewaarschuwd dat ze anders zouden worden aangehouden. Toen dit allemaal niet heeft geholpen, besloten mijn collega en ik de beide mannen aan te houden.

Bij de aanhouding hebben we de mannen van elkaar gescheiden omdat ze op elkaar reageerden en de situatie daardoor onvoorspelbaar was. Vervolgens werden de heren H. en H. geboeid. De reden voor het gebruiken van de handboeien was vanwege de onverwachte schouderduw en omdat de heer H. sr. agressief was in woorden. Wij konden niet voorspellen hoe hij na de aanhouding zou reageren, vandaar dat er besloten was om hem de handboeien aan te doen. Ook H. jr. werd geboeid. Aanleiding om ook hem te boeien was om verdere escalatie te voorkomen.

Ik ben van mening dat de heren H. en H. de situatie zelf hebben laten escaleren door geen gehoor te geven aan de vordering terug te gaan. Wij moesten op verzoek van de brandweer een deel van het strand afsluiten omdat zich een gevaarlijke situatie voordeed. Niemand mocht door de afzetting lopen. De heren H. en H. deden dat wel. Hierop hebben wij ze aangesproken en diverse malen gevorderd terug te gaan. Sommige mensen kunnen geen gezag verdragen. Wij waren wel bereid tot een discussie maar dan wel achter het afzetlint.

Er waren die middag twee, drie anderen ook voorbij het afzetlint gegaan. Die accepteerden de aanwijzing om terug te gaan.

Op het strand was ook een man dichtbij ons. Die was niet door ons toegelaten, maar was er al.

6.2. (De mannelijke hoofdagent, hierboven aangeduid als "mijn collega")

De Pier begint bij het strandpaviljoen. Achterom komen de paden samen. Vanaf hier was het afzetlint gespannen om zicht te hebben op de situatie. De politieauto hebben we ongeveer 25 à 30 meter achter het afzetlint geparkeerd en was bedoeld om mensen die van de duinen kwamen aan te spreken. Mijn collega, mevrouw (…), en ik zaten in de politieauto. Ik zag dat de mannen onder het lint door waren gelopen. In de eerste instantie had ik hen via de dakmegafoon verzocht achter het afzetlint te lopen. Hier hebben ze geen gevolg aan gegeven. Vervolgens ben ik samen met mijn collega uit de politieauto gestapt en naar de mannen toegelopen. Ze vroegen: wat is er aan de hand? Op dat moment was dat niet ter zake, ze moesten achter het lint.

(naar aanleiding van de vraag of er discussie met de heren was)

Nee, er was geen discussie. Ik heb de heren aangegeven dat ze zich op een politieafzetting bevonden en terug moesten gaan. Het verzoek werd wederom niet opgevolgd. Ik heb de heren daarna diverse malen verzocht weg te gaan maar ze weigerden mee te werken. Het was duidelijk dat de oudste van de twee erg geïrriteerd was, misschien omdat hij geen antwoord kreeg op zijn vraag. In dat gesprek heb ik wel aangegeven dat ze niet op de Pier konden komen. In de duinen waren er wel mensen die een andere route namen. Ik begrijp niet waarom ze niet die kant opgingen.

Op een gegeven moment gaf de heer H. sr. mij uit het niets een harde schouderduw tegen mijn linkerarm. Hierop heb ik de heren opnieuw gevorderd weg te gaan en gezegd dat ze anders zouden worden aangehouden. Toen de vordering opnieuw niet werd opgevolgd, heb ik de heren H. en H. aangezegd dat zij waren aangehouden.

De heer H sr. verzette zich tegen de aanhouding. Bij het omdoen van de handboeien wilde hij niet meewerken. Hij verzette zich hevig en wilde niet geboeid worden. Ik had zijn linkerarm in de boeien, en vroeg hem de andere arm bij te doen. De heer H. sr. bleef zich verzetten en wilde zijn andere arm niet naar zijn rug brengen. Omdat hij zich bleef verzetten heeft mijn collega mij daarbij geassisteerd. De heer H. sr. werd door middel van armoverstrekking naar de grond gebracht en geboeid. Vlak daarna gaf hij aan dat hij hartpatiënt was en dat hij met de handboeien om moeilijk kon ademhalen. Ik heb op grond hiervan de handboeien afgedaan.

Gelet op de schouderduw en het verzet wist ik niet hoe de heer H. sr. zou reageren. Daarom hebben wij hem de handboeien aangedaan.

(De substituut-ombudsman vraagt of boeien standaard plaatsvindt.)

"In zo'n situatie kan het boeien standaardprocedure zijn."

Ook de jongere man werd geboeid. Hoe dat gegaan is, daar had ik geen zicht op. Mijn aandacht was gericht op de heer H. sr.

(De substituut-ombudsman vraagt waarom ook de heer H. jr werd geboeid. )

Op dat moment was er geen vervoer. In afwachting daarvan hebben we ook hem geboeid.

(De substituut-ombudsman vraagt: hebben de heren u gevraagd naar de route naar het strand?)

Wij waren daar om te handhaven, er lagen vaten, en was sprake van fosforzuur. Later hebben ze gevraagd of ze de Pier op konden. Volgens mij was duidelijk dat ze via de duinen konden.

De escalatie kon niet worden voorkomen omdat de heren niet aan de vordering wilden voldoen. Indien ze teruggingen dan was informatie over hoe ze de Pier konden bereiken mogelijk. Maar dan wel achter het afzetlint. Ik was niet geïrriteerd, maar het verbaasde mij dat de heren H. en H. door de afzetting waren gelopen, terwijl heel duidelijk was dat dat niet mocht. Ook ben ik verbaasd dat de heren verschillende malen geweigerd hebben de vordering op te volgen. Ik begrijp niet waarom ze geen gehoor gaven aan de vordering.

(Naar aanleiding van een reactie van verzoekers, onder meer:)

De heren zijn niet direct aangehouden en geboeid. Na de schouderduw heb ik ze nog diverse malen verzocht om achter het afzetlint te gaan staan. Dat weigerden ze. De situatie was geëscaleerd nadat ik ze had medegedeeld dat zij waren aangehouden. De heer H. sr. kon zichzelf niet beheersen. Zijn zoon riep naar zijn vader "doe rustig pap", en dat zegt genoeg.

7. Tijdens de hoorzitting kregen verzoekers gelegenheid om te reageren op de verklaringen van de politieambtenaren.

De vader vertelde dat ze de politiemensen halverwege de auto troffen en direct op onvriendelijke toon werden toegesproken: ik vroeg de naam van de politieman maar kreeg geen antwoord. Ik heb een paar keer gevraagd of we door mochten lopen naar de Pier. Het antwoord was: nee u moet weg. Ik zei: we hebben een vraag, ik wil graag antwoord, als Nederlander kunt u toch antwoord geven.

Mijn zoon en ik wilden alleen maar vragen hoe we op de Pier konden komen. We hebben een nette vraag gesteld, die werd niet beantwoord. We kregen te horen: nu achter het lint. De agenten waren meteen heel onvriendelijk tegen ons.

De beschuldiging dat ik de politieman een duw zou hebben gegeven is niet waar. Ik zou zoiets nooit doen. Ik stond schuin tegenover de vrouwelijke politieagent. Ik draaide me om omdat ik ook iets wilde zeggen. Op dat moment raakte ik de politieman. (…)

De zoon:

Het was een chaotische situatie. Verderop zag ik mensen langs de afzetting en de politieauto lopen en die werden niet aangesproken. Voor ons was het niet helemaal duidelijk of we door mochten lopen. Bij de waterzijde konden we om het lint heen. We besloten om door te lopen zodat we de politie konden vragen hoe we op de Pier konden komen.

Dat de agenten ons via de dakmegafoon hadden gezegd terug te gaan, heb ik niet verstaan. Het was die dag heel winderig.

Onze vraag was niet zozeer: wat is er aan de hand? maar: waar mogen we wel lopen? Daarop kwam geen antwoord, er werd gezegd dat we weg moesten gaan.

De agenten gaven niet aan waar we wel konden lopen. Het was voor ons onduidelijk wat we wel mochten doen. De agenten riepen meteen "u moet hier wegwezen" of iets van gelijke strekking.

We mochten geen vragen stellen. De politieman heeft ons wel gewaarschuwd dat we anders zouden worden aangehouden. Vrijwel direct nadat hij dat had gezegd werden we in de boeien geslagen. Er werd niet de mogelijkheid geboden om mee te lopen. We werden zonder enkele aanleiding in de boeien geslagen. Het leek één moment, het aanzeggen of aanhouden en het boeien.

Mijn vader heeft geen schouderduw gegeven; hij had zijn hand even op de arm of elleboog van de agent.

De vader: Ik heb mijn hand op de arm van de politieman gelegd, zo van: mag ik nog iets zeggen?

8. Gevraagd naar een reactie op de door de Nationale ombudsman in onderzoek genomen klacht en op het verslag van de hoorzitting, antwoordde de korpsbeheerder dat hij bleef bij het standpunt dat hij had ingenomen in het kader van de interne klachtbehandeling.

9. Verzoeker (de vader) reageerde tenslotte met enkele kanttekeningen bij hetgeen de politieambtenaren tegenover de substituut-ombudsman hadden verklaard.

Zo merkte verzoeker naar aanleiding van de opmerking "sommige mensen kunnen geen gezag verdragen" op, dat de politieman zich vanaf het eerste moment agressief heeft gedragen en daarmee geen gezag heeft uitgestraald. Hij was vanaf het begin zeer geïrriteerd, aldus verzoeker. Verder heeft hij benadrukt dat de agenten op het strand niet het gesprek wilden aangaan en dat hij en zijn zoon geen antwoord op hun vragen hebben gekregen.

Beoordeling

10. Over de fase tot en met de beslissing van de politieambtenaren om tot aanhouding over te gaan kan de Nationale ombudsman kort zijn, gelet op de overwegingen van de klachtadviescommissie en de daarop gebaseerde beslissing van de korpsbeheerder (hierboven onder Bevindingen, Algemeen). De commissie en de korpsbeheerder hebben terecht verder gekeken dan het gebruik van formele bevoegdheden; zij hebben oog gehad voor andere wegen om het beoogde doel te bereiken, voor het belang van het voorkomen van escalatie en daarbij de omstandigheden van de concrete situatie betrokken. De Nationale ombudsman sluit zich aan bij de conclusie van commissie en korpsbeheerder dat een aanpak van informeren en overreden had moeten worden gekozen. Langs die weg had waarschijnlijk voorkomen kunnen worden dat de zaak uit de hand zou lopen.

11. De Nationale ombudsman richt zich hier op de onderdelen van de klacht die gaan over de ruwe wijze van aanhouding met gebruikmaking van handboeien en het geweld tegen de vader waarmee dit is gepaard gegaan.

Daarbij toetst de Nationale ombudsman aan het vereiste van behoorlijk overheidsoptreden dat grondrechten worden gerespecteerd. Het recht op onaantastbaarheid van het menselijk lichaam is beschermd in de Grondwet en in verdragen (zie Achtergrond nr. 1 en 2). Zonder wettelijke grondslag mag daarop geen inbreuk worden gemaakt.

12. Artikel 8 van de Politiewet vormt de grondslag voor toepassing van geweld door politieambtenaren. Daaraan verbindt deze bepaling de voorwaarde dat het beoogde doel het gebruik van het geweld rechtvaardigt en dat het doel niet op een andere, minder ingrijpende wijze kan worden bereikt. Bovendien moet zo mogelijk tevoren worden gewaarschuwd voor geweldgebruik (Achtergrond nr. 3.)

13. Aanhouding van een verdachte betekent dat hem zijn vrijheid wordt ontnomen om te worden meegevoerd naar een plaats waar hij kan worden verhoord. Vaak is het nodig dat de politie de betrokkene ook daadwerkelijk vastgrijpt, desnoods - bijvoorbeeld bij vuurwapengevaarlijke personen - met veel geweld. Soms werkt de verdachte aan wie duidelijk te verstaan is gegeven dat hij is aangehouden, mee aan vervoer naar het bureau.

Het gebruik van handboeien is niet steeds noodzakelijk en ook alleen in bepaalde, in de Ambtsinstructie voor de politie omschreven gevallen (zie Achtergrond, nr. 4.) toegestaan. Zo moet er sprake zijn van feiten of omstandigheden hetzij gelegen in de persoon van de arrestant, hetzij in de aard van het strafbare feit in samenhang met de wijze waarop en de situatie waarin het vervoer plaatsvindt, op grond waarvan vluchtgevaar kan worden aangenomen of gevaar voor de veiligheid van politieambtenaar of arrestant. De Nationale ombudsman beschouwt ook het gebruik van handboeien als een inbreuk op de lichamelijke integriteit.

14. In deze zaak heeft een van de politieambtenaren op zeker moment gezegd dat verzoekers zouden worden aangehouden als ze niet teruggingen achter de afzetting. Daarna lijken de gebeurtenissen zich zeer snel te hebben voltrokken.

De zoon schreef daarover in zijn klachtbrief aan de politie dat politieagenten zijn vader en hem aanhielden en daarbij onmiddellijk grepen naar de handboeien om hen te boeien. Tijdens de hoorzitting bij de Nationale ombudsman zei hij dat zijn vader en hij vrijwel direct nadat de politieman had gewaarschuwd voor aanhouding, in de boeien werden geslagen; het leek één moment, het aanzeggen of aanhouden en het boeien, aldus de zoon.

De Nationale ombudsman vindt in het proces-verbaal van bevindingen en in de verklaringen van de politieambtenaren tijdens de zitting onder leiding van de substituut-ombudsman onvoldoende aanknopingspunten voor een andere gang van zaken; hij constateert dat het uitvoeren van de aanhouding en het omleggen van de handboeien in feite zijn samengevallen. Verzoekers hebben dus niet de kans gekregen om, toen duidelijk was dat ze waren aangehouden, mee te werken aan vervoer naar het politiebureau. De politie heeft meteen doorgepakt door handboeien te gebruiken. De Nationale ombudsman leidt voorts uit een en ander af, dat waar de politie vermeldt dat sprake was van verzet (door de vader) tegen de aanhouding, de politie in feite doelt op verzet tegen het omdoen van de boeien.

15. Ter zake dat boeien volstaat het proces-verbaal van aanhouding met een korte aanduiding van de wettelijke criteria: ontvluchting en veiligheid en verder een - naar de mening van de Nationale ombudsman nietszeggende - verwijzing naar "de omstandigheden waarop verdachte werd aangehouden". In de overigens door de politieambtenaren verstrekte informatie zijn geen aanwijzingen te vinden voor gevaar voor ontvluchting. De Nationale ombudsman is van oordeel dat niet op die grond kon worden geboeid. Vraag is dus of de andere in art. 22 Ambtsinstructie genoemde grond voor gebruik van handboeien - kort gezegd: gevaar voor de veiligheid van de politiemensen, gelegen in de persoon van de arrestant - aanwezig was.

De politiemensen hebben in het kader van het onderzoek door de Nationale ombudsman als redenen voor het gebruik van handboeien genoemd dat de oudste van de twee mannen verbaal agressief was, c.q. een agressieve indruk maakte. Hij was volgens de agenten boos en/of geïrriteerd en sprak met stemverheffing. Verder geven de agenten de schouderduw op als reden om te boeien. Die term suggereert een bewuste duw met een schouder tegen die van iemand anders, maar de Nationale ombudsman vindt het niet waarschijnlijk dat daarvan sprake is geweest; wat zou daarmee in dit geval kunnen zijn beoogd? Wel staat voldoende vast dat H. sr. de politieman met een gedeelte van zijn arm heeft geraakt en de Nationale ombudsman kan begrijpen dat dit ongenoegen of onzekerheid bij de politieman heeft teweeg gebracht.

Een en ander levert echter naar het oordeel van de Nationale ombudsman geen situatie op van gevaar voor de veiligheid van de politiemensen die redelijkerwijs het gebruik van handboeien vereiste. Daarbij heeft meegewogen dat redelijkerwijs niet kan worden aangenomen dat de politiemensen, die geoefend waren in zelfverdedigings- en overmeesteringstechnieken, werkelijk gevaar te duchten hadden van de zichtbaar oudere man (de vader) die bovendien kleiner van postuur was.

16. Door naar de handboeien te grijpen en deze met geweld om te doen bij de vader, is in dit geval het grondrecht op onaantastbaarheid van het menselijk lichaam onvoldoende gerespecteerd.

De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.

Bij het voorgaande oordeel dient de kanttekening te worden gemaakt dat de Nationale ombudsman op grond van het onderzoek de overtuiging heeft gekregen dat ook de weinig flexibele opstelling van verzoekers heeft bijgedragen aan de volstrekt onnodige escalatie.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van het regionale politiekorps Kennemerland is gegrond, wegens schending van het vereiste van behoorlijkheid dat overheidsinstanties grondrechten respecteren, in dit geval het recht op onaantastbaarheid van het lichaam.

Onderzoek

Op 19 augustus 2008 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer H. te K., mede namens zijn zoon, met een klacht over een gedraging van het regionale politiekorps Kennemerland. Naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van de korpsbeheerder van Kennemerland, werd een onderzoek ingesteld.

In het kader van het onderzoek organiseerde de Nationale ombudsman een hoorzitting waarbij de twee betrokken politieambtenaren werden gehoord door de substituut-ombudsman. Verzoekers, die aanwezig waren, konden daarbij enkele kanttekeningen plaatsen. Vervolgens werd de korpsbeheerder schriftelijk verzocht op de klacht en op de op de zitting ingewonnen informatie te reageren. Tenslotte kregen verzoekers gelegenheid tot een laatste commentaar.

In verband met zijn verantwoordelijkheid voor strafvorderlijk politieoptreden werd ook de hoofdofficier van justitie te Haarlem over de klacht geïnformeerd en in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken. Hij maakte van deze gelegenheid geen gebruik.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. De reacties van verzoekers en de korpsbeheerder gaven aanleiding het verslag aan te vullen.

Informatieoverzicht

De bevindingen van het onderzoek zijn gebaseerd op de volgende informatie.

Verzoekschrift.

Dossier van de interne klachtbehandeling, met daarin het verslag van de hoorzitting bij de klachtencommissie, het advies van de commissie en de beslissing van de korpsbeheerder.

Verslag van de hoorzitting in het kader van het onderzoek van de Nationale ombudsman.

Reactie van de korpsbeheerder.

Reactie van verzoekers.

Bevindingen

Zie onder Beoordeling.

Achtergrond

1. Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens

Artikel 8

"1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen."

2. Grondwet

Artikel 11

"Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam."

3. Politiewet 1993

Artikel 8, eerste lid

"De ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak is bevoegd in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld te gebruiken, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik van geweld verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt. Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf."

4. Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar

Artikel 1, derde lid onder b

"3. In dit besluit wordt verstaan onder:

(...) b. geweld: elke dwangmatige kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen of zaken ..."

Artikel 4

"Het gebruik van een geweldmiddel is uitsluitend toegestaan aan een ambtenaar:

a. aan wie dat geweldmiddel rechtens is toegekend, voor zover hij optreedt ter uitvoering van de taak met het oog waarop het geweldmiddel hem is toegekend, en b. die in het gebruik van dat geweldmiddel is geoefend."

Artikel 17

"1. De ambtenaar die geweld heeft aangewend, meldt dit aanwenden van geweld, de redenen die daartoe hebben geleid en de daaruit voortvloeiende gevolgen onverwijld schriftelijk aan zijn meerdere.

2. Indien de aanwending van het geweld lichamelijk letsel van meer dan geringe betekenis tot gevolg heeft gehad (...), dient deze melding tevens ter kennis te worden gebracht van de officier van justitie van het arrondissement waarbinnen het geweld is aangewend (...).

3. De melding, bedoeld in het eerste en tweede lid, geschiedt binnen 48 uur in de vorm van een rapport indien:

a. de gevolgen van het aangewende geweld daartoe, naar het oordeel van de meerdere, aanleiding geven, of b. gebruik is gemaakt van enig geweldmiddel en lichamelijk letsel dan wel de dood veroorzaakt is."

Artikel 22

"1. De ambtenaar kan een persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, ten behoeve van het vervoer handboeien aanleggen.

2. De maatregel, bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden getroffen, indien de feiten en omstandigheden dit redelijkerwijs vereisen met het oog op gevaar voor ontvluchting, dan wel met het oog op gevaar voor de veiligheid of het leven van de persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, van de ambtenaar of van derden.

3. De in het tweede lid bedoelde feiten of omstandigheden kunnen slechts gelegen zijn in:

a. de persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, of

b. de aard van het strafbare feit op grond waarvan de vrijheidsbeneming heeft

plaatsgevonden, één en ander in samenhang met de wijze waarop en de situatie

waarin het vervoer plaatsvindt."

Publicatiedatum
Rapportnummer
2009/287