2008/113

Instantie: Hoogheemraadschap van Delfland

Klacht: Geweigerd verzoek om kwijtschelding in behandeling te nemen, omdat dit verzoek zou zijn ontvangen na de laatste vervaldag van de aanslag.
Oordeel: gegrond

Het hoogheemraadschap van Delfland heeft verzoekster een aanslag verontreinigingsheffing over 2007 opgelegd. Haar aanvraag om kwijtschelding heeft het hoogheemraadschap afgewezen, omdat haar aanvraag eerst na de laatste vervaldag van de aanslag zou zijn ontvangen.

Verzoekster klaagt erover dat het hoogheemraadschap van Delfland heeft geweigerd om haar verzoek om kwijtschelding - van de aanslag ingezetenenomslag en/of verontreinigingsheffing over het jaar 2007 - in behandeling te nemen, omdat dit verzoek zou zijn ontvangen na de laatste vervaldag van de aanslag.

De relevante belastingregels geven een lagere overheid echter niet de ruimte om een termijn in te stellen waarbinnen een aanvraag om kwijtschelding moet zijn ingediend. De Leidraad Invordering 1990 bevat, met een uitzondering, geen bepalingen ten aanzien van de termijn waarbinnen een verzoek om kwijtschelding moet zijn ingediend. Is de aanslag voldaan dan geldt er wel een termijn van drie maanden na de laatste betaling waarbinnen een aanvraag moet zijn ingediend. Een en ander laat onverlet dat een overheidsinstantie de mogelijkheid heeft om bij een aanslag te verzoeken om een aanvraag om kwijtschelding binnen een bepaalde termijn in te dienen, om op die manier de werkvoorraden zo veel mogelijk te stroomlijnen. Overschrijding van deze termijn kan er echter niet toe leiden dat een aanvraag niet meer inhoudelijk in behandeling wordt genomen.

Door aan het indienen van een verzoek om kwijtschelding een termijn te stellen die verder gaat dan de bepalingen hierover in de Leidraad Invordering 1990 heeft het hoogheemraadschap van Delfland gehandeld in strijd met het redelijkheidsvereiste.

De Nationale ombudsman geeft het dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap van Delfland in overweging om bij de beoordeling van een verzoek om kwijtschelding geen eisen te stellen aan de termijn voor het indienen van een aanvraag, die verder gaan dan de bepalingen in de Leidraad Invordering 1990.

Verzoekster klaagt erover dat het hoogheemraadschap van Delfland heeft geweigerd om haar verzoek om kwijtschelding - van de aanslag ingezetenenomslag en/of verontreinigingsheffing over het jaar 2007 - in behandeling te nemen, omdat dit verzoek zou zijn ontvangen na de laatste vervaldag van de aanslag.

Beoordeling

Bevindingen

1. Bij brief van 31 mei 2007 heeft het hoogheemraadschap van Delfland aan verzoekster een aanslag verontreinigingsheffing over 2007 opgelegd met als laatste vervaldag 30 september 2007.

2. Bij brief van 16 november 2007 heeft het hoogheemraadschap van Delfland het verzoek om kwijtschelding afgewezen. De aanvraag zou eerst na de laatste vervaldag op 30 september 2007 zijn ontvangen en om die reden niet meer in behandeling zijn genomen.

3. Bij brief van 30 november 2007 heeft het hoogheemraadschap van Delfland het beroep van verzoekster afgewezen. Het standpunt - dat de aanvraag om kwijtschelding niet in behandeling is genomen, omdat het kwijtscheldingsverzoek is ontvangen na de laatste vervaldag van de aanslag - is gehandhaafd.

4. In haar verzoekschrift legde verzoekster haar klacht voor aan de Nationale ombudsman.

5. In reactie op de klacht en de door de Nationale ombudsman gestelde vragen deelde het College van Dijkgraaf en Hoogheemraden de Nationale ombudsman bij brief van 4 april 2008 het volgende mee:

"Op de eerste plaats erkennen wij dat de Leidraad Invordering 1990 geen termijn noemt waarbinnen een verzoek om kwijtschelding moet zijn ontvangen. Dat sluit in elk geval niet uit dat een bestuursorgaan om haar moverende redenen kan besluiten om wel een termijn te stellen. Uiteraard moet dat dan wel zijn vastgelegd in een regeling die algemeen bekend is gemaakt/is gepubliceerd. Hierover merken wij het volgende op.

Artikel 144 van de Waterschapswet bepaalt in het derde lid dat het algemeen bestuur kan bepalen dat, in afwijking van de in het tweede lid bedoelde regels, in het geheel geen dan wel gedeeltelijk kwijtschelding wordt verleend. De in het tweede lid bedoelde regels zijn de krachtens artikel 26 van de Invorderingswet 1990 door Onze Minister van Financiën bij ministeriële regeling gestelde regels met betrekking tot het verlenen van gehele of gedeeltelijke kwijtschelding (de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990).

In deze regeling is onder meer bepaald dat geen kwijtschelding wordt verleend indien niet aan eventueel door de ontvanger gestelde voorwaarden is voldaan (artikel 8, lid 1 onder g).

Op grond van de bevoegdheid gegeven bij artikel 144, derde lid van de Waterschapswet heeft het Algemeen Bestuur van Delfland een kwijtscheldingsregeling vastgesteld, de Kwijtscheldingsregeling Delfland 2007. Deze regeling is vastgesteld op 23 november 2006; is gepubliceerd op 16 mei 2007 en is in werking getreden op 17 mei 2007. De regeling is van toepassing op belastingschulden die op of na 1 januari 2007 zijn ontstaan.

Ingevolge artikel 2 van deze regeling wordt geen kwijtschelding verleend indien het verzoek om kwijtschelding niet is ingediend binnen vier maanden na dagtekening van het aanslagbiljet. De achtergrond van het vaststellen van deze regeling is het volgende.

Naar aanleiding van het grote aantal verzoeken om kwijtschelding in 2005 en 2006, ruim dertigduizend, en de daarmee gepaard gaande werkzaamheden is onderzocht of er mogelijkheden zijn om een en ander beter te stroomlijnen. In 2005 kwam onmiddellijk na de aanslagoplegging een groot deel van de verzoeken binnen. Als gevolg van de herinneringen, aanmaningen en dwangbevelen heeft nog een onevenredig groot aantal burgers in 2005 een verzoek om kwijtschelding ingediend. In plaats van een piek aan het begin van het jaar, welke gedurende het jaar beter kan worden ingepland en afgehandeld, bleef het aantal verzoeken en daarmee de werkvoorraad het hele jaar 2005 en overlopend in 2006 aanhouden. In 2006 heeft dit proces zich herhaald.

In de loop van het heffingsjaar ontvangt 99% van de burgers in het beheersgebied van Delfland een aanslag verontreinigingheffing en ingezetenenomslag (aanslag VI). Bij deze aanslag is nadrukkelijk gemeld dat men, wanneer men denkt voor kwijtschelding in aanmerking te komen, binnen vier maanden na dagtekening van de aanslag VI een verzoek om kwijtschelding kan indienen. Men moet deze aanvraag om kwijtschelding (dus niet het verzoek om een kwijtscheldingsformulier) vóór de laatste vervaldag indienen. Een termijn van vier maanden achten wij een redelijke en ruim voldoende voor de mensen om na te gaan of men een verzoek om kwijtschelding wenst in te dienen. Hiermee wordt voorkomen dat Delfland pas na de herinnering (5 maanden), aanmaning (6 maanden) of dwangbevel per post (7 maanden) nog enorme aantallen kwijtscheldingsverzoeken ontvangt.

Het voorgaande betekent niet dat er niet een uitzonderingssituatie te bedenken zou zijn waarin toch van een verschoonbare termijnoverschrijding sprake zou kunnen zijn. Te denken valt aan de situatie dat burgers bepaalde (bewijs)stukken te laat hebben ontvangen om tijdig een volledig verzoek in te dienen. De hoofdregel van de Kwijtscheldingsregeling Delfland 2007 is echter dat een verzoek om kwijtschelding binnen vier maanden na dagtekening van het aanslagbiljet moet zijn ontvangen."

Beoordeling

6. Het redelijkheidsvereiste houdt in dat bestuursorganen de in het geding zijnde belangen tegen elkaar afwegen en dat de uitkomst hiervan niet onredelijk is.

Het redelijkheidsvereiste brengt mee dat een bestuursorgaan bij een verzoek om kwijtschelding van een heffing geen eisen stelt aan de termijn voor het indienen van dergelijk verzoek, die verder gaan dan de bepaling hierover in de Leidraad Invordering 1990.

7. In de Waterschapswet is bepaald dat de Leidraad Invordering 1990 van toepassing is op het geheel of gedeeltelijk verlenen van kwijtschelding van een aanslag verontreinigingsheffing en/of ingezetenenomslag (zie Achtergrond, onder 2).

8. Het algemeen bestuur van het waterschap kan ingevolge het derde lid van artikel 144 van de Waterschapswet bepalen of geheel geen dan wel gedeeltelijk kwijtschelding wordt verleend (zie Achtergrond, onder 2).

Het algemeen bestuur kan ingevolge het vierde lid van voornoemd artikel afwijkende regels stellen met betrekking tot de wijze waarop de kosten van bestaan in aanmerking worden gebracht, die ertoe leiden dat in ruimere mate kwijtschelding wordt verleend (zie Achtergrond, onder 2).

De hierboven genoemde bevoegdheden van het waterschap ten aanzien van kwijtschelding zijn verduidelijkt in de toelichting bij het amendement Noorman-den Uijl en Hoekema, welk amendement heeft geleid tot de opname van het derde en vierde lid bij artikel 144 van de Waterschapswet en tot aanpassing van de Gemeentewet (zie Achtergrond, onder 3).

Volgens de toelichting behouden de gemeenten en waterschappen de vrijheid om te besluiten het al dan niet mogelijk te maken om een (bepaalde) belasting geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden. Ook het percentage van het inkomen waarover kwijtschelding verleend wordt, staat ter keuze aan de genoemde instanties. Voor het overige wordt voor de berekeningsgrondslag de Leidraad Invordering 1990 uniform voorgeschreven.

De Leidraad Invordering 1990 bevat, met een uitzondering, geen bepalingen ten aanzien van de termijn waarbinnen een verzoek om kwijtschelding moet zijn ingediend. Is de aanslag voldaan dan geldt er wel een termijn van drie maanden na de laatste betaling waarbinnen een aanvraag moet zijn ingediend.

9. De Nationale ombudsman concludeert dat de vrijheid van het waterschap - om te besluiten al dan niet belasting geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden - de heffing raakt waarvan al dan niet kwijtschelding kan worden gevraagd, maar niet een bevoegdheid geeft om een termijn te stellen waarbinnen een aanvraag om kwijtschelding moet worden ingediend. Immers, indien een waterschap kwijtschelding van een bepaalde belasting mogelijk heeft gemaakt, dan gelden bij de beoordeling van een verzoek om kwijtschelding de bepalingen van de Leidraad Invordering 1990. De Leidraad bevat echter geen termijn voor indienen van een aanvraag, met uitzondering van een termijn van drie maanden bij een al betaalde aanslag.

10. Kwijtschelding wordt niet verleend, indien niet aan eventueel door de ontvanger gestelde voorwaarden is voldaan. Zo luidt het eerste lid van artikel 8 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 (zie Achtergrond, onder 4). Dit artikel doelt echter op het eventueel stellen van voorwaarden voor kwijtschelding bij een aanvraag die al in behandeling is genomen. Bijvoorbeeld: nadat het bedrag aan heffing dat kan worden betaald is betaald, zal voor het overige bedrag kwijtschelding worden verleend. Artikel 8 kan om die reden geen basis vormen voor een termijnstelling bij het indienen van een aanvraag.

11. Het is de Nationale ombudsman bekend dat het stellen van een termijn door gemeenten en waterschappen ook wel wordt gebaseerd op artikel 1b van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 (zie Achtergrond, onder 4). Dit artikel is echter bedoeld in de situatie dat gevraagde informatie niet wordt verkregen en informatie niet op het daarvoor benodigde formulier wordt aangeleverd. Het vormt om die reden evenmin een basis voor een termijnstelling, zoals in onderhavige situatie.

12. Door aan het indienen van een verzoek om kwijtschelding een termijn te stellen die verder gaat dan de bepalingen hierover in de Leidraad Invordering 1990 heeft het hoogheemraadschap van Delfland gehandeld in strijd met het redelijkheidsvereiste.

De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.

Het vorenstaande is voor de Nationale ombudsman aanleiding aan dit rapport een aanbeveling te verbinden.

Een en ander laat onverlet dat een overheidsinstantie de mogelijkheid heeft om bij een aanslag te verzoeken om een aanvraag om kwijtschelding binnen een bepaalde termijn in te dienen, om op die manier de werkvoorraden zo veel mogelijk te stroomlijnen. Overschrijding van deze termijn kan er echter niet toe leiden dat een aanvraag niet meer inhoudelijk in behandeling wordt genomen.

Conclusie

De klacht is gegrond, wegens strijd met het redelijkheidsvereiste.

De Nationale ombudsman heeft er met instemming kennis van genomen dat het hoogheemraadschap verzoekster inmiddels wel kwijtschelding heeft verleend.

Aanbeveling

De Nationale ombudsman geeft het dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap van Delfland in overweging om bij de beoordeling van een verzoek om kwijtschelding geen eisen te stellen aan de termijn voor het indienen van een aanvraag, die verder gaan dan de bepalingen in de Leidraad Invordering 1990.

Onderzoek

Op 20 december 2007 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van mevrouw W. te Den Haag, met een klacht over een gedraging van hoogheemraadschap van Delfland te Delft.

Naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van het College van Dijkgraaf en Hoogheemraden van het hoogheemraadschap van Delfland, werd een onderzoek ingesteld.

In het kader van het onderzoek werd het College van Dijkgraaf en Hoogheemraden verzocht op de klacht en een aantal vragen van de Nationale ombudsman te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. Verzoeker en hoogheemraadschap van Delfland berichtten dat het verslag hen geen aanleiding gaf tot het maken van opmerkingen.

Informatieoverzicht

De bevindingen van het onderzoek zijn gebaseerd op de volgende informatie:

1. Brief van het hoogheemraadschap van Delfland van 16 november 2007, waarbij het kwijtscheldingsverzoek niet in behandeling is genomen.

2. Brief van het hoogheemraadschap van Delfland van 30 november 2007, waarbij het beroepschrift van verzoekster is afgewezen.

3. Standpunt van het hoogheemraadschap van Delfland van 4 april 2008.

Bevindingen

Zie onder Beoordeling.

Achtergrond

1. Invorderingswet 1990

Artikel 26, eerste lid,

"Bij ministeriële regeling worden regels gesteld krachtens welke aan de belastingschuldige die niet in staat is anders dan met buitengewoon bezwaar een belastingaanslag geheel of gedeeltelijk te betalen, gehele of gedeeltelijke kwijtschelding kan worden verleend."

2. Waterschapswet

Artikel 144, tweede, derde en vierde lid,

"2. Met betrekking tot het verlenen van gehele of gedeeltelijke kwijtschelding zijn de krachtens artikel 26 van de Invorderingswet 1990 door Onze Minister van Financiën bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

3. Het algemeen bestuur kan bepalen dat, in afwijking van de in het tweede lid bedoelde regels, in het geheel geen dan wel gedeeltelijk kwijtschelding wordt verleend.

4. Met inachtneming van door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, te stellen regels kan het algemeen bestuur met betrekking tot de wijze waarop de kosten van bestaan in aanmerking worden genomen afwijkende regels stellen die er toe leiden dat in ruimere mate kwijtschelding wordt verleend."

3. Gemeentewet

Artikel 255, tweede, derde en vierde lid,

"2. Met betrekking tot het verlenen van gehele of gedeeltelijke kwijtschelding zijn de krachtens artikel 26 van de Invorderingswet 1990 door Onze Minister van Financiën bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing.

3. De raad kan bepalen dat, in afwijking van de in het tweede lid bedoelde regels, in het geheel geen dan wel gedeeltelijk kwijtschelding wordt verleend.

4. Met inachtneming van door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, te stellen regels kan de raad met betrekking tot de wijze waarop de kosten van bestaan in aanmerking worden genomen afwijkende regels stellen die er toe leiden dat in ruimere mate kwijtschelding wordt verleend."

Toelichting bij het amendement van de leden Noorman-den Uijl en Hoekema bij lid 4 van voormelde artikelen van de Waterschapswet en de gemeentewet (Tweede Kamer, vergaderjaar 1996 - 1997, 24 771, nr. 9)

"Met dit amendement wordt de regeling kwijtschelding vereenvoudigd. Dit gebeurt door voor de berekeningsgrondslag de rijksregeling uniform voor te schrijven. Afwijkingen waarbij onderdelen van lasten op het inkomen niet of maar heel beperkt worden meegenomen zijn dan niet meer toegestaan. De gemeenten, provincies en waterschappen behouden de vrijheid om te besluiten al dan niet kwijtschelding te verlenen en ook het percentage van het inkomen waarover kwijtschelding verleend wordt staat ter keuze aan de genoemde instanties, waardoor materieel de bevoegdheden van genoemde instanties niet wordt beperkt.

Ter verduidelijking, wellicht ten overvloede, van de bedoeling van de wetgever is toegevoegd dat de gemeenten, provincies en waterschappen kunnen bepalen dat belasting gedeeltelijk wordt kwijtgescholden. B.v. wel de hondenbelasting voor de eerste hond, of een gedeelte van de afvalstoffenheffing. Dit komt overeen met de huidige situatie.

4. Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990

Artikel 1b, eerste lid

"Verzoeken tot uitstel van betaling, tot kwijtschelding of tot ontslag van betalingsverplichting ingevolge deze regeling worden afgewezen door de ontvanger indien de voor de beoordeling van het daartoe strekkende verzoek benodigde gegevens niet, onjuist of onvolledig dan wel niet op de door de ontvanger aangegeven wijze zijn verstrekt."

Artikel 8, eerst lid, sub g

"1. Geen kwijtschelding wordt verleend:

(…)

g. indien niet aan eventueel door de ontvanger gestelde voorwaarden is voldaan.

(…)"

Publicatiedatum
Rapportnummer
2008/113