2004/126

Instantie: Openbaar Ministerie Roermond

Klacht: Weigering om medewerking te verlenen tot de afgifte van verzoekers minderjarige kind op grond van beschikking arrondissementsparket, hangende een procedure in hoger beroep.
Oordeel: gegrond

Verzoeker klaagt erover dat het Openbaar Ministerie te Roermond heeft geweigerd medewerking te verlenen tot de afgifte van het minderjarige kind van verzoeker, op grond van de beschikking van de arrondissementsrechtbank te Roermond van 1 augustus 2002, hangende een procedure in hoger beroep bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

Beoordeling

I. De feiten

1. Uit de affectieve relatie tussen verzoeker en zijn ex-partner werd op 10 mei 2001 hun zoon A. geboren. Verzoekers ex-partner vertrok in juni 2002 met medeneming van A. naar het buitenland. Verzoeker stelt dat zijn ex-partner hem hierover niet tevoren had ingelicht, en dat zij hem evenmin op de hoogte stelde van hun verblijfplaats.

2. De rechtbank te Roermond bepaalde bij verstek bij beschikking van 1 augustus 2002, na een ontvangen verzoekschrift van verzoeker, dat verzoeker alleen belast zou zijn met het ouderlijk gezag over A. De rechtbank verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Verzoekers ex-partner kwam in de tweede helft van 2002 naar Nederland en stelde tegen de beslissing van de rechtbank hoger beroep in. Het gerechtshof te 's-Hertogenbosch behandelde de zaak op 10 december 2002. De verdere behandeling van de zaak werd aangehouden tot maart 2003.

3. Verzoeker riep intussen de medewerking van de officier van justitie te Roermond, bij de executie van de beschikking van de rechtbank in. Verzoeker verwees bij zijn verzoek naar het bepaalde in de artikelen 812 en 813 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

In artikel 812 is bepaald dat iedere beschikking die de gezagsuitoefening over minderjarigen betreft, degene aan wie deze minderjarige op grond van die beschikking tijdelijk of blijvend is toevertrouwd, van rechtswege het recht geeft tot het aan hem doen afgeven van deze minderjarige, zo nodig met behulp van de sterke arm. Artikel 813 bepaalt dat het Openbaar Ministerie zo nodig zijn medewerking verleent tot een dergelijke afgifte van een minderjarige (zie Achtergrond, onder 1.).

4. De officier van justitie liet verzoeker weten niet te zullen ingaan op zijn verzoek om medewerking. Uit het onderzoek is gebleken dat de weigering van de officier van justitie was gebaseerd op de volgende gronden. De uitspraak van de rechtbank was nog niet onherroepelijk, nu hiertegen door de moeder beroep was ingesteld. Volgens de officier van justitie was het niet gebruikelijk om hangende een uitspraak van het gerechtshof stappen te nemen ter executie van een vonnis waarvan hoger beroep was aangetekend, ook al was dat vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Van betekenis was verder dat verzoekers ex-partner tijdens de behandeling door het gerechtshof had toegezegd mee te zullen werken aan een onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming. Deze Raad had de officier van justitie - na een gevoerd overleg - dringend geadviseerd om niet te interveniëren in deze zaak. Volgens de Raad was er voldoende uitzicht op een redelijke oplossing, en waren de gevaren die verzoeker schetste met betrekking tot het welzijn van zijn zoon onvoldoende onderbouwd. Verder was van betekenis dat verzoekers ex-partner zich inmiddels op een bekend adres in Nederland bevond. De officier van justitie had tevens informeel overleg gevoerd met een kinderrechter over de vraag of in dit soort zaken tot tenuitvoerlegging zou moeten worden overgegaan. Het overleg had opgeleverd dat dit niet per definitie nodig was. Tot slot had de officier van justitie adviezen ingewonnen bij de politie en bij collega (jeugd-) officieren van justitie. Hun adviezen luidden dat ingrijpen in de situatie op dat moment niet gewenst was.

II. Ten aanzien van de medewerking door de officier van justitie

1. Verzoeker klaagt erover dat het Openbaar Ministerie (OM) te Roermond heeft geweigerd medewerking te verlenen tot de afgifte van zijn minderjarige kind, op grond van de beschikking van de rechtbank te Roermond van 1 augustus 2002, hangende een procedure in hoger beroep bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

2. De minister van Justitie heeft zich in zijn reactie op de klacht aangesloten bij het oordeel van het College van procureurs-generaal (hierna ook: het College). Het College is van oordeel dat het bepaalde in de artikelen 812 en 813 Rv naar de letter en naar de bedoeling lijken uit te gaan van een verplichting van het OM om medewerking te verlenen aan de executie van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraak van de rechter, indien dat nodig mocht blijken te zijn. Het College gaf aan dat, indien er sterke indicaties zijn dat een vrijwillige afgifte van de betreffende minderjarige niet kan worden bereikt, het OM aan een verzoek van degene aan wie een minderjarige door een rechtelijke beschikking is toevertrouwd medewerking moet verlenen tot de afgifte van die minderjarige. Volgens het College lijkt er op dit punt geen sprake te zijn van meer of andere (marginale) beoordelingsruimte voor het OM.

Wat betreft de toepassing van de artikelen 812 en 813 Rv hangende het hoger beroep gaf het College aan dat de uitvoerbaar bij voorraad verklaring betekent dat de rechter meende dat - ook al was het vonnis nog niet onherroepelijk - het in het belang van de minderjarige moest worden geacht dat deze in ieder geval tijdelijk aan verzoeker moest worden toevertrouwd. Deze beschikking had moeten worden gerespecteerd, aldus het College.

Het College was dan ook van oordeel dat in dit geval een andere benadering door het parket te Roermond, uit juridisch oogpunt gezien, verkieslijker was geweest. Het OM had aan de politie de opdracht dienen te geven te onderzoeken of verzoekers ex-partner bereid was het kind vrijwillig af te geven aan verzoeker, aldus het College. Indien zij daartoe niet bereid was geweest had zij een kort geding kunnen aanspannen. Bij het uitblijven van een dergelijk kort geding had de beschikking van de rechtbank volgens het College feitelijk dienen te worden geëxecuteerd. De minister deelt dit oordeel.

Overigens merkte het College op dat uit het dossier is gebleken dat de behandelend officieren van justitie het onderhavige dossier objectief, probleemgericht en integer ter hand hebben genomen. De minister deelt deze mening.

3. De minister kan worden gevolgd in zijn oordeel dat de betrokken officieren van justitie -afgaand op de door hen ter zake gevoerde overleggen en ingewonnen adviezen - hebben gestreefd naar een zorgvuldige behandeling van de zaak. Een en ander neemt echter niet weg dat de Nationale ombudsman de klacht gegrond acht. De Nationale ombudsman is - met de minister - van oordeel dat aangenomen moet worden dat uitgangspunt van de wetgever is dat het OM verplicht is om - indien nodig - medewerking te verlenen tot het bewerkstelligen van de afgifte van een kind aan degene aan wie deze ingevolge een beschikking wordt toevertrouwd. Zowel uit de tekst van het artikel 813 Rv, als uit de Memorie van Toelichting bij dit artikel (zie Achtergrond, onder 2.) moet worden afgeleid dat de wetgever in zoverre een medewerkingsverplichting voor ogen heeft gestaan.

Bij de invulling van het criterium 'indien nodig' lijkt (de) enige beleidsruimte te zitten. Deze beleidsruimte strekt echter niet zover dat het OM de vrijheid heeft om te bepalen of een bij voorraad uitvoerbaar verklaarde rechterlijke uitspraak al dan niet ten uitvoer moet worden gelegd. Door in dit geval te weigeren de gevraagde medewerking te verlenen op de grond dat de beschikking van de rechtbank nog niet onherroepelijk was en op de grond dat verzoekers ex-partner had toegezegd mee te zullen werken aan een onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming, heeft het OM miskend dat de uitvoerbaar bij voorraad verklaring meebracht dat verzoeker op dat moment executie van de beschikking kon en mocht verlangen. Dat het OM op deze gronden heeft geweigerd medewerking te verlenen de afgifte van het kind te bewerkstelligen, is dan ook in strijd met de wettelijke verplichting.

De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van het Openbaar Ministerie te Roermond, die wordt aangemerkt als een gedraging van de minister van Justitie, is gegrond.

Onderzoek

Op 23 januari 2003 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer V uit X, met een klacht over een gedraging van het Openbaar Ministerie te Roermond.

Naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van de minister van Justitie, werd een onderzoek ingesteld.

In het kader van het onderzoek werd de minister van Justitie verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben. Tevens werd de minister een aantal specifieke vragen gesteld. Daarnaast werd de hoofdofficier van justitie te Roermond de gelegenheid geboden om commentaar op de klacht te geven. Ook werd de betrokken officieren van justitie de gelegenheid geboden om commentaar op de klacht te geven. Vervolgens werd verzoeker in de gelegenheid gesteld op de verstrekte inlichtingen te reageren. Hij maakte van die gelegenheid geen gebruik.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen.

De reactie van de minister van Justitie gaf aanleiding het verslag op een enkel punt te wijzigen.

Verzoeker noch de betrokken officieren van justitie H. en K. gaven binnen de gestelde termijn een reactie.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:

A. feiten

1. Uit de affectieve relatie tussen verzoeker en zijn ex-partner, mevrouw I., is op 10 mei 2001 een zoon geboren, A. geheten. Verzoeker en mevrouw I. hadden beiden het ouderlijk gezag over A. Mevrouw I. heeft de Russische nationaliteit. Zij vertrok in juni 2002 met medeneming van A. naar het buitenland, volgens verzoeker zonder hem hierover in te lichten en zonder hem op de hoogte te stellen van hun verblijfplaats.

2. Verzoeker diende op 1 juli 2002 een verzoekschrift in bij de rechtbank te Roermond, met het verzoek de hoofdverblijfplaats van A. bij hem te bepalen en om hem bij uitsluiting van zijn ex-partner te belasten met het ouderlijk gezag.

De rechtbank te Roermond wees bij verstek het verzoek toe, en overwoog in zijn uitspraak van 1 augustus 2002 onder meer het volgende:

"Op grond van de stellingen van vader - die moeder onweersproken heeft gelaten - is de rechtbank van oordeel dat er ernstige zorgen zijn omtrent de psychische gezondheidstoestand van moeder. De rechtbank acht het derhalve niet in het belang van A. dat A. onder de hoede van moeder is.

De rechtbank acht het derhalve in het belang van A. dat het gezamenlijk gezag wordt gewijzigd in dier voege dat vader alleen het gezag over A. heeft.

Dientengevolge zal de rechtbank bepalen dat de hoofdverblijfplaats van A. bij vader is.

BESLISSING

De rechtbank:

Wijzigt de beschikking van de kantonrechter te Sittard van 6 mei 2002;

bepaalt dat V (verzoeker; N.o.) voortaan alleen is belast met het gezag over A., geboren (…);

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad."

3. Mevrouw I. kwam eind 2002 naar Nederland, en stelde tegen de beslissing van de rechtbank hoger beroep in.

Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch behandelde de zaak in hoger beroep op 10 december 2002. De verdere behandeling van de zaak werd aangehouden tot 26 maart 2003.

4. Bij faxberichten van 6 december 2002, en 6, 10 en 13 januari 2003 vroeg verzoeker de officier van justitie te Roermond om maatregelen te nemen in deze zaak. Verzoeker verwees daarbij naar het bepaalde in de artikelen 812 en 813 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dat na toevertrouwing van een minderjarige van rechtswege het recht tot afgifte ontstaat, en dat het Openbaar Ministerie hieraan zo nodig haar medewerking dient te verlenen. (zie ook Achtergrond).

De officier van justitie reageerde bij brief van 13 januari 2003 onder meer als volgt:

"Ik (deel; N.o.) u mede dat ik op dit moment geen medewerking zal verlenen aan het door u gedane verzoek.

Bij de behandeling ter terechtzitting van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch d.d. 10 december 2002 is door alle partijen afgesproken medewerking te verlenen aan rapportage door de Raad voor de Kinderbescherming op basis waarvan voornoemd Hof een beslissing zal nemen.

(…)

Ingrijpen onzerzijds op dit moment overeenkomstig uw verzoek druist in tegen de geest van het overeengekomene waarmee ook het Hof zich akkoord heeft verklaard."

5. Verzoeker liet de officier van justitie bij brief van 14 januari 2003 beargumenteerd weten het hiermee niet eens te zijn.

De officier van justitie reageerde bij brief van 15 januari 2003 onder meer als volgt:

"Ik heb begrepen dat de relatie tussen u en uw ex-partner in juni van het afgelopen jaar is beëindigd en dat uw ex-partner vervolgens naar het buitenland is vertrokken met medeneming van uw (en haar) zoon. Op dat moment had u beiden nog het ouderlijk gezag.

Tijdens het verblijf van uw ex-partner in het buitenland is door u een procedure in gang gezet bij de rechtbank in Roermond. Die procedure is bij verstek gevoerd en de ouderlijke macht berust thans bij u. Uw ex heeft hoger beroep aangetekend, die procedure loopt thans en wordt nu wel op tegenspraak gevoerd.

Onder dergelijke omstandigheden is het zeer beslist niet gebruikelijk dat, hangende de uitspraak van het gerechtshof, stappen worden ondernomen ter executie van het beroepen vonnis, ook al is dat bij voorraad uitvoerbaar verklaard. Dit klemt in de huidige situatie te meer, nu duidelijk is dat uw ex-partner zich bereid heeft verklaard mee te werken aan een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming.

Het algemeen belang en het belang van het kind brengen met zich mee dat de rechtsgang bij het Gerechtshof Den Bosch zoveel mogelijk ongestoord moet kunnen verlopen. Ingrijpen van het Openbaar Ministerie ten faveure van een van beide partijen komt mij thans in het licht daarvan zeer ongewenst voor. Ik ben derhalve van oordeel dat de beslissing om thans niet over te gaan tot de door u verzochte stappen op juiste gronden is genomen."

B. Standpunt verzoeker

1. Het standpunt van verzoeker staat samengevat weergegeven onder Klacht.

2. In reactie op de bovengenoemde brief van de officier van justitie van 15 januari 2003, liet verzoeker onder meer nog het volgende weten:

"Het moge dan wel niet gebruikelijk zijn bijstand te verlenen - hetgeen ik op zich, gelet op de wettelijke bepalingen, al vreemd vind (…) - doch in casu betreft het geen gebruikelijke zaak.

U weet, doch wilt er kennelijk geen rekening mee houden, dat mijn ex-partner de Russische nationaliteit heeft en al eerder met mijn zoon naar Rusland is vertrokken. Was ze daar toen wellicht toe bevoegd - hetgeen ik overigens betwist - nu heeft ze die bevoegdheid zeker niet gelet op de beschikking van 1 augustus 2002. (…) Mijn ex-partner heeft ten overstaan van het Hof verklaard dat ze A. weer mee naar Rusland zal nemen indien ze niet met het gezag wordt belast. (…)

Uit de brief van Uw ambtgenoot blijkt voorts dat hij mee laat wegen dat de beslissing van 1 augustus 2002 bij verstek werd gegeven. Mij lijkt dit een drogredenering, daar zij immers op de hoogte was van het feit dat de zitting plaatsvond en er zelf voor gekozen heeft om niet te verschijnen. (…)

Voorts wordt volledig voorbijgegaan aan het feit dat de rechter de beslissing van 1 augustus 2002 uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard. U wilt wel met mij aannemen dat ook de rechtbank zich terdege heeft gerealiseerd wat de consequentie is van een uitvoer bij voorraad verklaring. (…)

Verder wordt aangegeven dat het algemeen belang met zich brengt dat de rechtsgang bij het Hof ongestoord dient te verlopen. Wat is dit algemeen belang, helaas wordt dat niet verder uitgewerkt. Mij lijkt overigens dat het algemeen belang juist vordert dat ingegrepen wordt. (…)

De reeds meermalen door mij genoemde artikelen uit rechtsvordering maken geen onderscheid tussen beslissingen bij verstek of niet bij verstek genomen. Sterker nog in art. 812 Rv wordt zelfs gesproken over tijdelijke toevertrouwing.

Ten overvloede wijs ik er nog op dat art. 813 Rv zich imperatief tot het OM wendt, de tekst luidt immers: 'Het openbaar ministerie verleent zonodig zijn medewerking…' De wet bepaalt derhalve niet dat het openbaar ministerie zijn medewerking kan verlenen.

Wat betreft het belang van de minderjarige, dit wordt juist door mij nagestreefd."

C. Standpunt minister van justitie

1. De minister van Justitie deelde bij brief van 23 september 2003 onder meer het volgende mee in reactie op de klacht:

"U verzoekt mij in mijn reactie in te gaan op verzoekers stelling dat het openbaar ministerie in strijd handelt met zijn verplichting neergelegd in de artikelen 812 en 813 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Voorts verzoekt u mij het volgende toe te lichten:

1. De officier van justitie te Roermond heeft verzoeker bij brief van 15 januari 2003 laten weten dat het onder de gegeven omstandigheden niet gebruikelijk is dat er hangende de uitspraak van het gerechtshof stappen worden genomen ter executie van het vonnis waarvan hoger beroep is aangetekend, ook al is dat bij voorraad uitvoerbaar verklaard. De officier gaf te kennen dat in deze zaak van betekenis is de omstandigheid dat verzoekers ex-partner zich bereid heeft verklaard mee te werken aan een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming; en

2. De officier van justitie heeft verzoeker in dezelfde brief meegedeeld dat het algemeen belang en het belang van het kind met zich meebrengen dat de rechtsgang bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch zoveel mogelijk ongestoord moet kunnen verlopen. De officier van justitie liet weten het daarom zeer ongewenst te achten verzoeker bijstand te verlenen.

Naar aanleiding van uw brief heb ik het College van procureurs-generaal om inlichtingen gevraagd. Daaruit is het volgende gebleken.

Feiten

Door de hoofdofficier van justitie te Roermond is aan het College bericht dat de officieren van justitie H. en K. beiden bemoeienis hebben gehad met de kwestie waarover verzoeker klaagt. In eerste instantie was de heer H. behandelaar, daarna heeft hij de zaak overgedragen aan de heer K. Door beiden is in overleg besloten niet op het verzoek in te gaan om toepassing te geven aan de bevoegdheid als bedoeld in artikel 813 jo 812 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv).

De weigering toepassing te verlenen aan de artikelen 812/813 Rv was volgens de hoofdofficier van justitie gebaseerd op een aantal omstandigheden. Het vonnis van de Rechtbank Roermond waarin verzoeker de voogdij over zijn minderjarige zoon had gekregen, bleek niet onherroepelijk te zijn aangezien daartegen hoger beroep was ingesteld door de ex-echtgenote van verzoeker. Bovendien had zij toegezegd mee te werken aan een onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming. Zij bleek zich eveneens met de minderjarige weer op een bekende woonplaats in Eindhoven te bevinden. De heer K. heeft overleg gevoerd met medewerkers van de Raad voor de Kinderbescherming, welke hem met klem hebben geadviseerd om niet te interveniëren in dit uiterst gevoelige proces. Volgens de behandelend raadsonderzoeker was er voldoende uitzicht op een redelijke oplossing en waren de gevaren die verzoeker schetste met betrekking tot de geestelijke en lichamelijke ondergang van zijn minderjarige zoon, onvoldoende onderbouwd. Informeel overleg met een kinderrechter over de vraag of in dit soort zaken ook werkelijk tot tenuitvoerlegging bij voorraad zou moeten worden overgegaan, zou hebben opgeleverd dat dat niet per se nodig is. Ook andere adviezen, door het OM ingewonnen bij de plaatselijke politie en een collega-jeugdofficier, luidden dat ingrijpen in de situatie op dat moment niet gewenst was.

Door het openbaar ministerie te Roermond is afgezien van ingrijpen in de feitelijke situatie op dringend advies van de Raad voor de Kinderbescherming.

Artikelen 812/813 Rv

De artikelen 812 en 813 van Rv bepalen dat het openbaar ministerie zo nodig zijn medewerking verleent tot (onder meer) de afgifte van minderjarigen aan degene aan wie een minderjarige ingevolge een beschikking ex de artikelen 1:235s, 1:261, 1:326 en 1:336a van het Burgerlijk Wetboek tijdelijk of blijvend worden toevertrouwd, zonodig met behulp van de sterke arm.

Het College van procureurs-generaal stelt in dit verband in de eerste plaats vast dat de artikelen 812 jo. 813 Rv zowel naar de letter als naar de bedoeling lijken uit te gaan van een verplichting van het OM om medewerking te verlenen aan de executie van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraak van de rechter, indien dat nodig mocht blijken te zijn. De woorden 'zonodig' betekenen naar het oordeel van het College dat beoordeeld wordt of inzet van de sterke arm nodig is; dat wil zeggen of de beschikking niet ook zonder inzet van de sterke arm ten uitvoer kan worden gelegd. Immers, het bereiken van een vrijwillige afgifte van een minderjarige zal altijd de voorkeur genieten boven een gedwongen afgifte met behulp van de sterke arm. Indien er echter sterke indicaties zijn dat een vrijwillige afgifte niet kan worden bereikt, zal het OM aan een verzoek van degene aan wie een minderjarige conform een rechterlijke beschikking is toevertrouwd, medewerking moeten verlenen tot afgifte aan hem of haar. Op dit punt lijkt derhalve - jurisprudentie is er niet - geen sprake van meer of andere (marginale) beoordelingsruimte voor het OM.

Toepassing artikelen 812/813 Rv hangende hoger beroep

De officier van justitie te Roermond heeft verzoeker bij brief van 15 januari 2003 laten weten dat het onder de gegeven omstandigheden niet gebruikelijk is dat er hangende een uitspraak van het gerechtshof stappen worden genomen ter executie van het vonnis waarvan hoger beroep is aangetekend, ook al is dat uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het College van procureurs-generaal deelt deze opvatting echter niet. De rechter in eerste aanleg heeft zijn beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de rechter meende dat - ook al was het vonnis nog niet onherroepelijk - het in het belang van de minderjarige moest worden geacht dat deze in ieder geval tijdelijk aan verzoeker moest worden toevertrouwd. Deze beschikking diende te worden gerespecteerd. Indien zich een wijziging van omstandigheden had voorgedaan na de beschikking van de rechter in eerste aanleg, die naar het oordeel van moeder ertoe noopte dat de minderjarige hangende de procedure bij het Hof niet aan vader zou mogen worden afgegeven, was het naar het oordeel van het College in beginsel aan haar om juridische actie te ondernemen. Moeder had in dat verband een voorziening kunnen verzoeken, en het voor haar gunstige advies van de Raad voor de Kinderbescherming kunnen inbrengen in die procedure.

Overigens merkt het College op dat het in de praktijk wel degelijk voor komt dat toepassing wordt gegeven aan de artikelen 812/813 Rv ter executie van een niet onherroepelijke doch wel uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking.

Beoordeling door het College

Gelet op het vorenstaande is het College van oordeel dat in de onderhavige situatie een andere benadering door het parket te Roermond, uit juridisch oogpunt gezien, verkieslijker was geweest.

Nadat verzoeker zich gewend had tot het openbaar ministerie met het verzoek om toepassing te geven aan de artikelen 812/813 Rv, had het parket aan de politie de opdracht moeten geven te onderzoeken of moeder bereid was het kind vrijwillig af te geven aan verzoeker. Indien zij daartoe niet bereid was geweest had moeder een kort geding kunnen aanspannen. Indien een kort geding zou zijn uitgebleven, had de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van de rechtbank feitelijk dienen te worden geëxecuteerd.

Wel hecht het College er aan op te merken dat uit het dossier blijkt dat de behandelend officieren van justitie het onderhavige dossier objectief, probleemgericht en integer ter hand hebben genomen. Er heeft immers overleg plaatsgevonden met de politie, de Raad voor de Kinderbescherming en een kinderrechter. Hoewel de betrokken officieren van justitie naar het oordeel van het College een begrijpelijke beslissing genomen hebben, betreurt het College het niettemin dat niet de juridisch meer correcte weg als hiervoor weergegeven is bewandeld.

De vraag of verzoeker uiteindelijk door de handelwijze van het OM benadeeld is, beantwoordt het College ontkennend. Uit het bijgevoegde ambtsbericht van officier van justitie K. aan de hoofdofficier van justitie van 31 juli 2003 blijkt immers dat beide ouders inmiddels zijn overeengekomen dat het gezag over de minderjarige bij beide ouders blijft, de minderjarige bij zijn moeder in Nederland zal blijven en dat er een ruimhartige omgangsregeling is getroffen.

Ik deel het oordeel van het College."

2. Bij zijn reactie op de klacht zond de minister van Justitie de Nationale ombudsman afschriften van de ambtsberichten van de twee bij deze zaak betrokken officieren van justitie, H. en K.

2.1. In het ambtsbericht van officier van justitie H. staat onder meer het volgende vermeld:

"In de periode omstreeks november/december 2002 heb ik met de onderhavige kwestie bemoeienis gehad. De problematiek met betrekking tot de verblijfplaats en de gezagsvoorziening inzake de minderjarige A. (de zoon van verzoeker; N.o.) speelde voordien ook al en het dossier werd destijds ten parkette behartigd door mijn toenmalige collega Ha.

Ik heb deze aangelegenheid als officier met portefeuille mensenhandel en mensensmokkel na zijn vertrek van hem overgenomen. Destijds is toen overleg geweest met de politie (…) om te bezien of de verblijfplaats van de minderjarige kon worden gelokaliseerd en of bewerkstelligd kon worden dat de gewezen echtgenote (…) haar kind uit het verre buitenland naar Nederland zou overbrengen.

Daartoe is destijds overwogen om een strafvervolging ex artikel 279 Sr (onttrekking van minderjarige aan wettig gezag) tegen de ex-partner in te stellen. Daarvan is later door mij - ook na overleg met collega's - afgezien uit overwegingen van opportuniteit, nu dit mogelijk zou moeten worden beschouwd als een oneigenlijk middel om een ander doel (overkomst van de jongen in kwestie) af te dwingen.

In de kwestie van de toepassing van de bevoegdheid als bedoeld in art. 812/813 Rv. heb ik consultatie gepleegd bij mijn collega-jeugdofficier He. Na overleg met haar en met mijn unithoofd K. werd door hen onmiddellijke politie-inzet mij ontraden. Daar mijn aandacht in die periode in overwegende mate werd opgeëist voor het onderzoek in de moordzaak X en de verstandhouding met klager inmiddels ook was verslechterd - is de behandeling van deze aangelegenheid - en met name ook het overleg met de Raad voor de Kinderbescherming - van mij overgenomen door K., die in deze verder overleg heeft gevoerd met betrokkenen.

Mijn betrokkenheid hield op dat moment op. Voor verdere informatie voor de afwikkeling van de affaire verwijs ik naar het ambtsbericht van collega K."

2.2. In het ambtsbericht van officier van justitie K. staat onder meer het volgende vermeld:

"De heer V (verzoeker; N.o.) heeft met zijn ex-echtgenote een zoon, A. Moeder is enige tijd met A. ondergedoken geweest, mogelijk in Rusland waar zij vandaan komt, maar waarschijnlijk in E. In die periode heeft klager bij de rechtbank gedaan gekregen dat hij de voogdij kreeg over A., het vonnis werd bij voorraad uitvoerbaar verklaard.

Op enig moment werd moeder gesignaleerd in E., werd haar het vonnis betekend en stelde zij hoger beroep in. Op dat moment ging de heer V van mijn ambtgenoot H. eisen dat hij de sterke arm zou inzetten om het vonnis te executeren.

In overleg met de heer H. heb ik besloten daaraan geen gevolg te geven, immers de omstandigheden waren gewijzigd. De ex-echtgenote had een bekende woonplaats in E. Het vonnis was niet onherroepelijk en de ex-echtgenote had toegezegd mee te werken aan een onderzoek van de kinderbescherming.

De behandelend raadsonderzoeker B. heeft mij, gesteund door zijn chef V., met klem geadviseerd niet te interveniëren in dit uiterst gevoelige proces. Zijn inschatting was dat de gevaren die de heer V schetste met betrekking tot de geestelijke en/of lichamelijke ondergang van A. onvoldoende onderbouwd waren en dat er voldoende uitzicht was op een redelijke oplossing.

Inmiddels is dat laatste ook gebleken. Er ligt een overeenkomst waarin partijen hebben afgesproken dat het gezag bij beide ouders blijft, dat moeder in Nederland zal verblijven, A. bij moeder en dat er een ruimhartige omgangsregeling werd getroffen.

Andere adviezen, van onder meer de plaatselijk politie, een kinderrechter en ambtgenoot, belast met minderjarigenstrafzaken, waren eensluidend.

Kortom, ondanks een vonnis van de rechtbank dat daartoe mogelijkheden bood, heb ik afgezien van ingrijpen op dringend advies van met name de kinderbescherming."

3. De officier van justitie He. te Roermond liet weten een zeer minimale bemoeienis in deze zaak te hebben gehad, die louter had bestaan uit het verlenen van advies in de beginperiode in deze zaak. He. liet daarom weten onvoldoende wetenschap van de zaak te dragen om op de klacht te kunnen reageren.

Achtergrond

1. Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

1.1. Artikel 812:

"Iedere beschikking betreffende de gezagsuitoefening over minderjarigen, de beschikkingen ingevolge de artikelen 253s, 261, 326 en 336a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek daaronder begrepen, geeft degene aan wie deze minderjarigen ingevolge de beschikking tijdelijk of blijvend worden toevertrouwd, van rechtswege het recht tot het aan hem doen afgeven van deze minderjarigen, zonodig met behulp van de sterke arm."

1.2. Artikel 813, eerste lid:

"Het openbaar ministerie verleent zo nodig zijn medewerking:

(…)

c. tot de afgifte van minderjarigen, als bedoeld in artikel 812."

2. Memorie van Toelichting op artikel 912 (oud) Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (TK 1936-1937, 387, nr. 3)

NB: dit wetsartikel komt overeen met het eerste lid van artikel 813 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

"In dit artikel zijn opgesomd de gevallen, waarin het openbaar ministerie zijn medewerking moet verlenen in zaken betreffende minderjarigen."

Verzoeker klaagt erover dat het Openbaar Ministerie te Roermond heeft geweigerd medewerking te verlenen tot de afgifte van het minderjarige kind van verzoeker, op grond van de beschikking van de arrondissementsrechtbank te Roermond van 1 augustus 2002, hangende een procedure in hoger beroep bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

Beoordeling

I. De feiten

1. Uit de affectieve relatie tussen verzoeker en zijn ex-partner werd op 10 mei 2001 hun zoon A. geboren. Verzoekers ex-partner vertrok in juni 2002 met medeneming van A. naar het buitenland. Verzoeker stelt dat zijn ex-partner hem hierover niet tevoren had ingelicht, en dat zij hem evenmin op de hoogte stelde van hun verblijfplaats.

2. De rechtbank te Roermond bepaalde bij verstek bij beschikking van 1 augustus 2002, na een ontvangen verzoekschrift van verzoeker, dat verzoeker alleen belast zou zijn met het ouderlijk gezag over A. De rechtbank verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Verzoekers ex-partner kwam in de tweede helft van 2002 naar Nederland en stelde tegen de beslissing van de rechtbank hoger beroep in. Het gerechtshof te 's-Hertogenbosch behandelde de zaak op 10 december 2002. De verdere behandeling van de zaak werd aangehouden tot maart 2003.

3. Verzoeker riep intussen de medewerking van de officier van justitie te Roermond, bij de executie van de beschikking van de rechtbank in. Verzoeker verwees bij zijn verzoek naar het bepaalde in de artikelen 812 en 813 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

In artikel 812 is bepaald dat iedere beschikking die de gezagsuitoefening over minderjarigen betreft, degene aan wie deze minderjarige op grond van die beschikking tijdelijk of blijvend is toevertrouwd, van rechtswege het recht geeft tot het aan hem doen afgeven van deze minderjarige, zo nodig met behulp van de sterke arm. Artikel 813 bepaalt dat het Openbaar Ministerie zo nodig zijn medewerking verleent tot een dergelijke afgifte van een minderjarige (zie Achtergrond, onder 1.).

4. De officier van justitie liet verzoeker weten niet te zullen ingaan op zijn verzoek om medewerking. Uit het onderzoek is gebleken dat de weigering van de officier van justitie was gebaseerd op de volgende gronden. De uitspraak van de rechtbank was nog niet onherroepelijk, nu hiertegen door de moeder beroep was ingesteld. Volgens de officier van justitie was het niet gebruikelijk om hangende een uitspraak van het gerechtshof stappen te nemen ter executie van een vonnis waarvan hoger beroep was aangetekend, ook al was dat vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Van betekenis was verder dat verzoekers ex-partner tijdens de behandeling door het gerechtshof had toegezegd mee te zullen werken aan een onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming. Deze Raad had de officier van justitie - na een gevoerd overleg - dringend geadviseerd om niet te interveniëren in deze zaak. Volgens de Raad was er voldoende uitzicht op een redelijke oplossing, en waren de gevaren die verzoeker schetste met betrekking tot het welzijn van zijn zoon onvoldoende onderbouwd. Verder was van betekenis dat verzoekers ex-partner zich inmiddels op een bekend adres in Nederland bevond. De officier van justitie had tevens informeel overleg gevoerd met een kinderrechter over de vraag of in dit soort zaken tot tenuitvoerlegging zou moeten worden overgegaan. Het overleg had opgeleverd dat dit niet per definitie nodig was. Tot slot had de officier van justitie adviezen ingewonnen bij de politie en bij collega (jeugd-) officieren van justitie. Hun adviezen luidden dat ingrijpen in de situatie op dat moment niet gewenst was.

II. Ten aanzien van de medewerking door de officier van justitie

1. Verzoeker klaagt erover dat het Openbaar Ministerie (OM) te Roermond heeft geweigerd medewerking te verlenen tot de afgifte van zijn minderjarige kind, op grond van de beschikking van de rechtbank te Roermond van 1 augustus 2002, hangende een procedure in hoger beroep bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

2. De minister van Justitie heeft zich in zijn reactie op de klacht aangesloten bij het oordeel van het College van procureurs-generaal (hierna ook: het College). Het College is van oordeel dat het bepaalde in de artikelen 812 en 813 Rv naar de letter en naar de bedoeling lijken uit te gaan van een verplichting van het OM om medewerking te verlenen aan de executie van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraak van de rechter, indien dat nodig mocht blijken te zijn. Het College gaf aan dat, indien er sterke indicaties zijn dat een vrijwillige afgifte van de betreffende minderjarige niet kan worden bereikt, het OM aan een verzoek van degene aan wie een minderjarige door een rechtelijke beschikking is toevertrouwd medewerking moet verlenen tot de afgifte van die minderjarige. Volgens het College lijkt er op dit punt geen sprake te zijn van meer of andere (marginale) beoordelingsruimte voor het OM.

Wat betreft de toepassing van de artikelen 812 en 813 Rv hangende het hoger beroep gaf het College aan dat de uitvoerbaar bij voorraad verklaring betekent dat de rechter meende dat - ook al was het vonnis nog niet onherroepelijk - het in het belang van de minderjarige moest worden geacht dat deze in ieder geval tijdelijk aan verzoeker moest worden toevertrouwd. Deze beschikking had moeten worden gerespecteerd, aldus het College.

Het College was dan ook van oordeel dat in dit geval een andere benadering door het parket te Roermond, uit juridisch oogpunt gezien, verkieslijker was geweest. Het OM had aan de politie de opdracht dienen te geven te onderzoeken of verzoekers ex-partner bereid was het kind vrijwillig af te geven aan verzoeker, aldus het College. Indien zij daartoe niet bereid was geweest had zij een kort geding kunnen aanspannen. Bij het uitblijven van een dergelijk kort geding had de beschikking van de rechtbank volgens het College feitelijk dienen te worden geëxecuteerd. De minister deelt dit oordeel.

Overigens merkte het College op dat uit het dossier is gebleken dat de behandelend officieren van justitie het onderhavige dossier objectief, probleemgericht en integer ter hand hebben genomen. De minister deelt deze mening.

3. De minister kan worden gevolgd in zijn oordeel dat de betrokken officieren van justitie -afgaand op de door hen ter zake gevoerde overleggen en ingewonnen adviezen - hebben gestreefd naar een zorgvuldige behandeling van de zaak. Een en ander neemt echter niet weg dat de Nationale ombudsman de klacht gegrond acht. De Nationale ombudsman is - met de minister - van oordeel dat aangenomen moet worden dat uitgangspunt van de wetgever is dat het OM verplicht is om - indien nodig - medewerking te verlenen tot het bewerkstelligen van de afgifte van een kind aan degene aan wie deze ingevolge een beschikking wordt toevertrouwd. Zowel uit de tekst van het artikel 813 Rv, als uit de Memorie van Toelichting bij dit artikel (zie Achtergrond, onder 2.) moet worden afgeleid dat de wetgever in zoverre een medewerkingsverplichting voor ogen heeft gestaan.

Bij de invulling van het criterium 'indien nodig' lijkt (de) enige beleidsruimte te zitten. Deze beleidsruimte strekt echter niet zover dat het OM de vrijheid heeft om te bepalen of een bij voorraad uitvoerbaar verklaarde rechterlijke uitspraak al dan niet ten uitvoer moet worden gelegd. Door in dit geval te weigeren de gevraagde medewerking te verlenen op de grond dat de beschikking van de rechtbank nog niet onherroepelijk was en op de grond dat verzoekers ex-partner had toegezegd mee te zullen werken aan een onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming, heeft het OM miskend dat de uitvoerbaar bij voorraad verklaring meebracht dat verzoeker op dat moment executie van de beschikking kon en mocht verlangen. Dat het OM op deze gronden heeft geweigerd medewerking te verlenen de afgifte van het kind te bewerkstelligen, is dan ook in strijd met de wettelijke verplichting.

De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van het Openbaar Ministerie te Roermond, die wordt aangemerkt als een gedraging van de minister van Justitie, is gegrond.

Onderzoek

Op 23 januari 2003 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer V uit X, met een klacht over een gedraging van het Openbaar Ministerie te Roermond.

Naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van de minister van Justitie, werd een onderzoek ingesteld.

In het kader van het onderzoek werd de minister van Justitie verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben. Tevens werd de minister een aantal specifieke vragen gesteld. Daarnaast werd de hoofdofficier van justitie te Roermond de gelegenheid geboden om commentaar op de klacht te geven. Ook werd de betrokken officieren van justitie de gelegenheid geboden om commentaar op de klacht te geven. Vervolgens werd verzoeker in de gelegenheid gesteld op de verstrekte inlichtingen te reageren. Hij maakte van die gelegenheid geen gebruik.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen.

De reactie van de minister van Justitie gaf aanleiding het verslag op een enkel punt te wijzigen.

Verzoeker noch de betrokken officieren van justitie H. en K. gaven binnen de gestelde termijn een reactie.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:

A. feiten

1. Uit de affectieve relatie tussen verzoeker en zijn ex-partner, mevrouw I., is op 10 mei 2001 een zoon geboren, A. geheten. Verzoeker en mevrouw I. hadden beiden het ouderlijk gezag over A. Mevrouw I. heeft de Russische nationaliteit. Zij vertrok in juni 2002 met medeneming van A. naar het buitenland, volgens verzoeker zonder hem hierover in te lichten en zonder hem op de hoogte te stellen van hun verblijfplaats.

2. Verzoeker diende op 1 juli 2002 een verzoekschrift in bij de rechtbank te Roermond, met het verzoek de hoofdverblijfplaats van A. bij hem te bepalen en om hem bij uitsluiting van zijn ex-partner te belasten met het ouderlijk gezag.

De rechtbank te Roermond wees bij verstek het verzoek toe, en overwoog in zijn uitspraak van 1 augustus 2002 onder meer het volgende:

"Op grond van de stellingen van vader - die moeder onweersproken heeft gelaten - is de rechtbank van oordeel dat er ernstige zorgen zijn omtrent de psychische gezondheidstoestand van moeder. De rechtbank acht het derhalve niet in het belang van A. dat A. onder de hoede van moeder is.

De rechtbank acht het derhalve in het belang van A. dat het gezamenlijk gezag wordt gewijzigd in dier voege dat vader alleen het gezag over A. heeft.

Dientengevolge zal de rechtbank bepalen dat de hoofdverblijfplaats van A. bij vader is.

BESLISSING

De rechtbank:

Wijzigt de beschikking van de kantonrechter te Sittard van 6 mei 2002;

bepaalt dat V (verzoeker; N.o.) voortaan alleen is belast met het gezag over A., geboren (…);

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad."

3. Mevrouw I. kwam eind 2002 naar Nederland, en stelde tegen de beslissing van de rechtbank hoger beroep in.

Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch behandelde de zaak in hoger beroep op 10 december 2002. De verdere behandeling van de zaak werd aangehouden tot 26 maart 2003.

4. Bij faxberichten van 6 december 2002, en 6, 10 en 13 januari 2003 vroeg verzoeker de officier van justitie te Roermond om maatregelen te nemen in deze zaak. Verzoeker verwees daarbij naar het bepaalde in de artikelen 812 en 813 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dat na toevertrouwing van een minderjarige van rechtswege het recht tot afgifte ontstaat, en dat het Openbaar Ministerie hieraan zo nodig haar medewerking dient te verlenen. (zie ook Achtergrond).

De officier van justitie reageerde bij brief van 13 januari 2003 onder meer als volgt:

"Ik (deel; N.o.) u mede dat ik op dit moment geen medewerking zal verlenen aan het door u gedane verzoek.

Bij de behandeling ter terechtzitting van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch d.d. 10 december 2002 is door alle partijen afgesproken medewerking te verlenen aan rapportage door de Raad voor de Kinderbescherming op basis waarvan voornoemd Hof een beslissing zal nemen.

(…)

Ingrijpen onzerzijds op dit moment overeenkomstig uw verzoek druist in tegen de geest van het overeengekomene waarmee ook het Hof zich akkoord heeft verklaard."

5. Verzoeker liet de officier van justitie bij brief van 14 januari 2003 beargumenteerd weten het hiermee niet eens te zijn.

De officier van justitie reageerde bij brief van 15 januari 2003 onder meer als volgt:

"Ik heb begrepen dat de relatie tussen u en uw ex-partner in juni van het afgelopen jaar is beëindigd en dat uw ex-partner vervolgens naar het buitenland is vertrokken met medeneming van uw (en haar) zoon. Op dat moment had u beiden nog het ouderlijk gezag.

Tijdens het verblijf van uw ex-partner in het buitenland is door u een procedure in gang gezet bij de rechtbank in Roermond. Die procedure is bij verstek gevoerd en de ouderlijke macht berust thans bij u. Uw ex heeft hoger beroep aangetekend, die procedure loopt thans en wordt nu wel op tegenspraak gevoerd.

Onder dergelijke omstandigheden is het zeer beslist niet gebruikelijk dat, hangende de uitspraak van het gerechtshof, stappen worden ondernomen ter executie van het beroepen vonnis, ook al is dat bij voorraad uitvoerbaar verklaard. Dit klemt in de huidige situatie te meer, nu duidelijk is dat uw ex-partner zich bereid heeft verklaard mee te werken aan een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming.

Het algemeen belang en het belang van het kind brengen met zich mee dat de rechtsgang bij het Gerechtshof Den Bosch zoveel mogelijk ongestoord moet kunnen verlopen. Ingrijpen van het Openbaar Ministerie ten faveure van een van beide partijen komt mij thans in het licht daarvan zeer ongewenst voor. Ik ben derhalve van oordeel dat de beslissing om thans niet over te gaan tot de door u verzochte stappen op juiste gronden is genomen."

B. Standpunt verzoeker

1. Het standpunt van verzoeker staat samengevat weergegeven onder Klacht.

2. In reactie op de bovengenoemde brief van de officier van justitie van 15 januari 2003, liet verzoeker onder meer nog het volgende weten:

"Het moge dan wel niet gebruikelijk zijn bijstand te verlenen - hetgeen ik op zich, gelet op de wettelijke bepalingen, al vreemd vind (…) - doch in casu betreft het geen gebruikelijke zaak.

U weet, doch wilt er kennelijk geen rekening mee houden, dat mijn ex-partner de Russische nationaliteit heeft en al eerder met mijn zoon naar Rusland is vertrokken. Was ze daar toen wellicht toe bevoegd - hetgeen ik overigens betwist - nu heeft ze die bevoegdheid zeker niet gelet op de beschikking van 1 augustus 2002. (…) Mijn ex-partner heeft ten overstaan van het Hof verklaard dat ze A. weer mee naar Rusland zal nemen indien ze niet met het gezag wordt belast. (…)

Uit de brief van Uw ambtgenoot blijkt voorts dat hij mee laat wegen dat de beslissing van 1 augustus 2002 bij verstek werd gegeven. Mij lijkt dit een drogredenering, daar zij immers op de hoogte was van het feit dat de zitting plaatsvond en er zelf voor gekozen heeft om niet te verschijnen. (…)

Voorts wordt volledig voorbijgegaan aan het feit dat de rechter de beslissing van 1 augustus 2002 uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard. U wilt wel met mij aannemen dat ook de rechtbank zich terdege heeft gerealiseerd wat de consequentie is van een uitvoer bij voorraad verklaring. (…)

Verder wordt aangegeven dat het algemeen belang met zich brengt dat de rechtsgang bij het Hof ongestoord dient te verlopen. Wat is dit algemeen belang, helaas wordt dat niet verder uitgewerkt. Mij lijkt overigens dat het algemeen belang juist vordert dat ingegrepen wordt. (…)

De reeds meermalen door mij genoemde artikelen uit rechtsvordering maken geen onderscheid tussen beslissingen bij verstek of niet bij verstek genomen. Sterker nog in art. 812 Rv wordt zelfs gesproken over tijdelijke toevertrouwing.

Ten overvloede wijs ik er nog op dat art. 813 Rv zich imperatief tot het OM wendt, de tekst luidt immers: 'Het openbaar ministerie verleent zonodig zijn medewerking…' De wet bepaalt derhalve niet dat het openbaar ministerie zijn medewerking kan verlenen.

Wat betreft het belang van de minderjarige, dit wordt juist door mij nagestreefd."

C. Standpunt minister van justitie

1. De minister van Justitie deelde bij brief van 23 september 2003 onder meer het volgende mee in reactie op de klacht:

"U verzoekt mij in mijn reactie in te gaan op verzoekers stelling dat het openbaar ministerie in strijd handelt met zijn verplichting neergelegd in de artikelen 812 en 813 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Voorts verzoekt u mij het volgende toe te lichten:

1. De officier van justitie te Roermond heeft verzoeker bij brief van 15 januari 2003 laten weten dat het onder de gegeven omstandigheden niet gebruikelijk is dat er hangende de uitspraak van het gerechtshof stappen worden genomen ter executie van het vonnis waarvan hoger beroep is aangetekend, ook al is dat bij voorraad uitvoerbaar verklaard. De officier gaf te kennen dat in deze zaak van betekenis is de omstandigheid dat verzoekers ex-partner zich bereid heeft verklaard mee te werken aan een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming; en

2. De officier van justitie heeft verzoeker in dezelfde brief meegedeeld dat het algemeen belang en het belang van het kind met zich meebrengen dat de rechtsgang bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch zoveel mogelijk ongestoord moet kunnen verlopen. De officier van justitie liet weten het daarom zeer ongewenst te achten verzoeker bijstand te verlenen.

Naar aanleiding van uw brief heb ik het College van procureurs-generaal om inlichtingen gevraagd. Daaruit is het volgende gebleken.

Feiten

Door de hoofdofficier van justitie te Roermond is aan het College bericht dat de officieren van justitie H. en K. beiden bemoeienis hebben gehad met de kwestie waarover verzoeker klaagt. In eerste instantie was de heer H. behandelaar, daarna heeft hij de zaak overgedragen aan de heer K. Door beiden is in overleg besloten niet op het verzoek in te gaan om toepassing te geven aan de bevoegdheid als bedoeld in artikel 813 jo 812 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv).

De weigering toepassing te verlenen aan de artikelen 812/813 Rv was volgens de hoofdofficier van justitie gebaseerd op een aantal omstandigheden. Het vonnis van de Rechtbank Roermond waarin verzoeker de voogdij over zijn minderjarige zoon had gekregen, bleek niet onherroepelijk te zijn aangezien daartegen hoger beroep was ingesteld door de ex-echtgenote van verzoeker. Bovendien had zij toegezegd mee te werken aan een onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming. Zij bleek zich eveneens met de minderjarige weer op een bekende woonplaats in Eindhoven te bevinden. De heer K. heeft overleg gevoerd met medewerkers van de Raad voor de Kinderbescherming, welke hem met klem hebben geadviseerd om niet te interveniëren in dit uiterst gevoelige proces. Volgens de behandelend raadsonderzoeker was er voldoende uitzicht op een redelijke oplossing en waren de gevaren die verzoeker schetste met betrekking tot de geestelijke en lichamelijke ondergang van zijn minderjarige zoon, onvoldoende onderbouwd. Informeel overleg met een kinderrechter over de vraag of in dit soort zaken ook werkelijk tot tenuitvoerlegging bij voorraad zou moeten worden overgegaan, zou hebben opgeleverd dat dat niet per se nodig is. Ook andere adviezen, door het OM ingewonnen bij de plaatselijke politie en een collega-jeugdofficier, luidden dat ingrijpen in de situatie op dat moment niet gewenst was.

Door het openbaar ministerie te Roermond is afgezien van ingrijpen in de feitelijke situatie op dringend advies van de Raad voor de Kinderbescherming.

Artikelen 812/813 Rv

De artikelen 812 en 813 van Rv bepalen dat het openbaar ministerie zo nodig zijn medewerking verleent tot (onder meer) de afgifte van minderjarigen aan degene aan wie een minderjarige ingevolge een beschikking ex de artikelen 1:235s, 1:261, 1:326 en 1:336a van het Burgerlijk Wetboek tijdelijk of blijvend worden toevertrouwd, zonodig met behulp van de sterke arm.

Het College van procureurs-generaal stelt in dit verband in de eerste plaats vast dat de artikelen 812 jo. 813 Rv zowel naar de letter als naar de bedoeling lijken uit te gaan van een verplichting van het OM om medewerking te verlenen aan de executie van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraak van de rechter, indien dat nodig mocht blijken te zijn. De woorden 'zonodig' betekenen naar het oordeel van het College dat beoordeeld wordt of inzet van de sterke arm nodig is; dat wil zeggen of de beschikking niet ook zonder inzet van de sterke arm ten uitvoer kan worden gelegd. Immers, het bereiken van een vrijwillige afgifte van een minderjarige zal altijd de voorkeur genieten boven een gedwongen afgifte met behulp van de sterke arm. Indien er echter sterke indicaties zijn dat een vrijwillige afgifte niet kan worden bereikt, zal het OM aan een verzoek van degene aan wie een minderjarige conform een rechterlijke beschikking is toevertrouwd, medewerking moeten verlenen tot afgifte aan hem of haar. Op dit punt lijkt derhalve - jurisprudentie is er niet - geen sprake van meer of andere (marginale) beoordelingsruimte voor het OM.

Toepassing artikelen 812/813 Rv hangende hoger beroep

De officier van justitie te Roermond heeft verzoeker bij brief van 15 januari 2003 laten weten dat het onder de gegeven omstandigheden niet gebruikelijk is dat er hangende een uitspraak van het gerechtshof stappen worden genomen ter executie van het vonnis waarvan hoger beroep is aangetekend, ook al is dat uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het College van procureurs-generaal deelt deze opvatting echter niet. De rechter in eerste aanleg heeft zijn beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de rechter meende dat - ook al was het vonnis nog niet onherroepelijk - het in het belang van de minderjarige moest worden geacht dat deze in ieder geval tijdelijk aan verzoeker moest worden toevertrouwd. Deze beschikking diende te worden gerespecteerd. Indien zich een wijziging van omstandigheden had voorgedaan na de beschikking van de rechter in eerste aanleg, die naar het oordeel van moeder ertoe noopte dat de minderjarige hangende de procedure bij het Hof niet aan vader zou mogen worden afgegeven, was het naar het oordeel van het College in beginsel aan haar om juridische actie te ondernemen. Moeder had in dat verband een voorziening kunnen verzoeken, en het voor haar gunstige advies van de Raad voor de Kinderbescherming kunnen inbrengen in die procedure.

Overigens merkt het College op dat het in de praktijk wel degelijk voor komt dat toepassing wordt gegeven aan de artikelen 812/813 Rv ter executie van een niet onherroepelijke doch wel uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking.

Beoordeling door het College

Gelet op het vorenstaande is het College van oordeel dat in de onderhavige situatie een andere benadering door het parket te Roermond, uit juridisch oogpunt gezien, verkieslijker was geweest.

Nadat verzoeker zich gewend had tot het openbaar ministerie met het verzoek om toepassing te geven aan de artikelen 812/813 Rv, had het parket aan de politie de opdracht moeten geven te onderzoeken of moeder bereid was het kind vrijwillig af te geven aan verzoeker. Indien zij daartoe niet bereid was geweest had moeder een kort geding kunnen aanspannen. Indien een kort geding zou zijn uitgebleven, had de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van de rechtbank feitelijk dienen te worden geëxecuteerd.

Wel hecht het College er aan op te merken dat uit het dossier blijkt dat de behandelend officieren van justitie het onderhavige dossier objectief, probleemgericht en integer ter hand hebben genomen. Er heeft immers overleg plaatsgevonden met de politie, de Raad voor de Kinderbescherming en een kinderrechter. Hoewel de betrokken officieren van justitie naar het oordeel van het College een begrijpelijke beslissing genomen hebben, betreurt het College het niettemin dat niet de juridisch meer correcte weg als hiervoor weergegeven is bewandeld.

De vraag of verzoeker uiteindelijk door de handelwijze van het OM benadeeld is, beantwoordt het College ontkennend. Uit het bijgevoegde ambtsbericht van officier van justitie K. aan de hoofdofficier van justitie van 31 juli 2003 blijkt immers dat beide ouders inmiddels zijn overeengekomen dat het gezag over de minderjarige bij beide ouders blijft, de minderjarige bij zijn moeder in Nederland zal blijven en dat er een ruimhartige omgangsregeling is getroffen.

Ik deel het oordeel van het College."

2. Bij zijn reactie op de klacht zond de minister van Justitie de Nationale ombudsman afschriften van de ambtsberichten van de twee bij deze zaak betrokken officieren van justitie, H. en K.

2.1. In het ambtsbericht van officier van justitie H. staat onder meer het volgende vermeld:

"In de periode omstreeks november/december 2002 heb ik met de onderhavige kwestie bemoeienis gehad. De problematiek met betrekking tot de verblijfplaats en de gezagsvoorziening inzake de minderjarige A. (de zoon van verzoeker; N.o.) speelde voordien ook al en het dossier werd destijds ten parkette behartigd door mijn toenmalige collega Ha.

Ik heb deze aangelegenheid als officier met portefeuille mensenhandel en mensensmokkel na zijn vertrek van hem overgenomen. Destijds is toen overleg geweest met de politie (…) om te bezien of de verblijfplaats van de minderjarige kon worden gelokaliseerd en of bewerkstelligd kon worden dat de gewezen echtgenote (…) haar kind uit het verre buitenland naar Nederland zou overbrengen.

Daartoe is destijds overwogen om een strafvervolging ex artikel 279 Sr (onttrekking van minderjarige aan wettig gezag) tegen de ex-partner in te stellen. Daarvan is later door mij - ook na overleg met collega's - afgezien uit overwegingen van opportuniteit, nu dit mogelijk zou moeten worden beschouwd als een oneigenlijk middel om een ander doel (overkomst van de jongen in kwestie) af te dwingen.

In de kwestie van de toepassing van de bevoegdheid als bedoeld in art. 812/813 Rv. heb ik consultatie gepleegd bij mijn collega-jeugdofficier He. Na overleg met haar en met mijn unithoofd K. werd door hen onmiddellijke politie-inzet mij ontraden. Daar mijn aandacht in die periode in overwegende mate werd opgeëist voor het onderzoek in de moordzaak X en de verstandhouding met klager inmiddels ook was verslechterd - is de behandeling van deze aangelegenheid - en met name ook het overleg met de Raad voor de Kinderbescherming - van mij overgenomen door K., die in deze verder overleg heeft gevoerd met betrokkenen.

Mijn betrokkenheid hield op dat moment op. Voor verdere informatie voor de afwikkeling van de affaire verwijs ik naar het ambtsbericht van collega K."

2.2. In het ambtsbericht van officier van justitie K. staat onder meer het volgende vermeld:

"De heer V (verzoeker; N.o.) heeft met zijn ex-echtgenote een zoon, A. Moeder is enige tijd met A. ondergedoken geweest, mogelijk in Rusland waar zij vandaan komt, maar waarschijnlijk in E. In die periode heeft klager bij de rechtbank gedaan gekregen dat hij de voogdij kreeg over A., het vonnis werd bij voorraad uitvoerbaar verklaard.

Op enig moment werd moeder gesignaleerd in E., werd haar het vonnis betekend en stelde zij hoger beroep in. Op dat moment ging de heer V van mijn ambtgenoot H. eisen dat hij de sterke arm zou inzetten om het vonnis te executeren.

In overleg met de heer H. heb ik besloten daaraan geen gevolg te geven, immers de omstandigheden waren gewijzigd. De ex-echtgenote had een bekende woonplaats in E. Het vonnis was niet onherroepelijk en de ex-echtgenote had toegezegd mee te werken aan een onderzoek van de kinderbescherming.

De behandelend raadsonderzoeker B. heeft mij, gesteund door zijn chef V., met klem geadviseerd niet te interveniëren in dit uiterst gevoelige proces. Zijn inschatting was dat de gevaren die de heer V schetste met betrekking tot de geestelijke en/of lichamelijke ondergang van A. onvoldoende onderbouwd waren en dat er voldoende uitzicht was op een redelijke oplossing.

Inmiddels is dat laatste ook gebleken. Er ligt een overeenkomst waarin partijen hebben afgesproken dat het gezag bij beide ouders blijft, dat moeder in Nederland zal verblijven, A. bij moeder en dat er een ruimhartige omgangsregeling werd getroffen.

Andere adviezen, van onder meer de plaatselijk politie, een kinderrechter en ambtgenoot, belast met minderjarigenstrafzaken, waren eensluidend.

Kortom, ondanks een vonnis van de rechtbank dat daartoe mogelijkheden bood, heb ik afgezien van ingrijpen op dringend advies van met name de kinderbescherming."

3. De officier van justitie He. te Roermond liet weten een zeer minimale bemoeienis in deze zaak te hebben gehad, die louter had bestaan uit het verlenen van advies in de beginperiode in deze zaak. He. liet daarom weten onvoldoende wetenschap van de zaak te dragen om op de klacht te kunnen reageren.

Achtergrond

1. Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

1.1. Artikel 812:

"Iedere beschikking betreffende de gezagsuitoefening over minderjarigen, de beschikkingen ingevolge de artikelen 253s, 261, 326 en 336a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek daaronder begrepen, geeft degene aan wie deze minderjarigen ingevolge de beschikking tijdelijk of blijvend worden toevertrouwd, van rechtswege het recht tot het aan hem doen afgeven van deze minderjarigen, zonodig met behulp van de sterke arm."

1.2. Artikel 813, eerste lid:

"Het openbaar ministerie verleent zo nodig zijn medewerking:

(…)

c. tot de afgifte van minderjarigen, als bedoeld in artikel 812."

2. Memorie van Toelichting op artikel 912 (oud) Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (TK 1936-1937, 387, nr. 3)

NB: dit wetsartikel komt overeen met het eerste lid van artikel 813 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

"In dit artikel zijn opgesomd de gevallen, waarin het openbaar ministerie zijn medewerking moet verlenen in zaken betreffende minderjarigen."

Publicatiedatum
Rapportnummer
2004/126