2004/204

Rapport

Verzoeker klaagt erover dat een medewerkster van de unit Gemeenschappelijk Centrum Procesvertegenwoordiging van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zich tijdens de zitting van 25 juni 2002 van de rechtbank te Den Haag abusievelijk op het standpunt heeft gesteld dat het IND-dossiernummer, van zijn verzoek om gezinshereniging, geen betrekking had op zijn jongste zoon.

In dit verband klaagt verzoeker er met name over dat de betrokken IND-medewerkster, nadat zijn gemachtigde haar, vóórdat de uitspraak was gedaan, in het bezit had gesteld van documenten waaruit blijkt dat het IND-dossiernummer wel degelijk betrekking had op zijn jongste zoon, heeft geweigerd de rechtbank hiervan in kennis te stellen.

Als gevolg van deze weigering oordeelde de rechter dat er in deze zaak geen sprake meer was van een feitelijk gezinsverband, en verklaarde het beroepschrift ongegrond.

Beoordeling

1. Op 25 juni 2002 vond bij de rechtbank Den Haag, zittinghoudende te Dordrecht, de openbare behandeling plaats van verzoekers beroep inzake zijn verzoek om gezinshereniging met zijn jongste zoon M.

Tijdens deze zitting deelde mevrouw S., medewerkster van de IND, aan de rechtbank mee dat een in 1992 gedaan verzoek om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) ten behoeve van verzoekers twee oudere kinderen, niet ook betrekking had op M.

Nadat de zitting had plaatsgevonden, trof verzoekers gemachtigde bij verzoeker stukken aan, die betrekking hadden op het mvv-verzoek in 1992. Uit deze stukken bleek dat deze mvv-aanvraag wel mede betrekking had gehad op M.

2. Daarop richtte verzoekers gemachtigde zich op 3 juli 2002 tot S. met het verzoek om uitleg te geven over haar mededeling aan de rechtbank dat de mvv-aanvraag uit 1992 geen betrekking had op M.

In reactie op een rappelbrief van 9 augustus 2003 weigerde S. bij brief van 13 augustus 2003 om inhoudelijk te reageren.

3. Verzoeker klaagt erover dat S. zich tijdens de zitting van 25 juni 2002 van de rechtbank te Den Haag abusievelijk op het standpunt heeft gesteld dat het IND-dossiernummer, van zijn verzoek om gezinshereniging, geen betrekking had op M. In dit verband klaagt verzoeker er met name over dat S., nadat zijn gemachtigde haar, vóórdat de uitspraak was gedaan, in het bezit had gesteld van documenten waaruit blijkt dat het IND-dossiernummer wel degelijk betrekking had op M., heeft geweigerd de rechtbank hiervan in kennis te stellen.

4. De minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie liet in reactie op de klacht weten dat S. tijdens de zitting van de rechtbank had meegedeeld dat de twee IND-dossiernummers die verzoeker had genoemd met betrekking tot een eerder gevoerde mvv-procedure, alleen betrekking hadden op verzoekers twee oudste kinderen. Na de zitting was echter inderdaad gebleken dat verzoeker in 1992 ook een mvv-aanvraag had ingediend ten behoeve van M. Betrokken ambtenaar S. had in het interne systeem gekeken, en daaruit was gebleken dat de twee IND-dossiernummers waren toebedeeld aan de twee oudste kinderen.

De minister achtte de klacht echter toch ongegrond, omdat op het moment dat de IND de brief van verzoekers gemachtigde van 3 juli 2002 had ontvangen, de zitting door de rechtbank al was gesloten. Het was op dat moment aan de rechter om een oordeel te geven over de zaak. Een inhoudelijke reactie van de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie zou ongewenst zijn, aldus de minister. Volgens de minister kon uit de uitspraak van de rechter worden afgeleid dat het oordeel van de rechtbank niet anders zou hebben geluid wanneer ter zitting wel duidelijk was geweest dat verzoeker al eerder een mvv-aanvraag had ingediend ten behoeve van zijn jongste zoon.

De minister was echter wel van mening dat een dergelijke onwenselijke situatie in de toekomst moest worden voorkomen. De compleetheid en correctheid van de gegevens in het interne systeem (INDIS) moest zijn gewaarborgd. Daarom was sinds 10 april 2003 een nieuw invoerproces gestart. Dit hield onder meer in een functiescheiding tussen de registratie van proceduregegevens en de controle daarvan, zodat eventuele foutief geregistreerde gegevens tijdig werden verholpen, aldus de minister.

5. Van een overheidsorgaan mag worden verwacht dat het gemaakte fouten herstelt. Voor zover het niet (meer) mogelijk is om de eventuele negatieve gevolgen van deze fouten te verhelpen of te beperken, kan het hiermee in elk geval trachten om het vertrouwen van de burger in de overheid te herstellen.

6. Vaststaat dat S., als vertegenwoordigster van de IND, aan de rechtbank een onjuiste mededeling heeft gedaan. Vermoedelijk is dit veroorzaakt door een onzorgvuldige administratie van de IND. Van de IND mocht dan ook worden verwacht dat hij, na op de fout te zijn gewezen, die had erkend, en de fout had hersteld.

Het had dan ook op de weg gelegen van de IND om tekst en uitleg te geven aan de gemachtigde over het ontstaan van deze fout, en hierover excuses aan te bieden, en om vervolgens aan de rechtbank te laten weten dat een onjuiste mededeling tijdens de mondelinge behandeling was gedaan.

Voor zover de onjuiste mededeling is veroorzaakt door een onzorgvuldige administratie, is gehandeld in strijd met de van de IND te verwachten administratieve nauwkeurigheid.

7. Aan het beginsel dat fouten behoren te worden toegegeven doet niet af dat het bestuursprocesrecht ingevolge de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in beginsel geen ruimte biedt aan een partij om na de behandeling van het geding ter zitting nog stukken in te zenden teneinde deze bij de beoordeling van het geding te laten betrekken. Dat de rechtbank de zitting inmiddels had gesloten, behoefde dan ook niet in de weg te staan aan een mededeling van de IND dat tijdens de zitting foutieve informatie was verschaft. Het was immers aan de rechtbank geweest om de bepalen welke rol de gedane mededeling zou kunnen spelen.

In zoverre is de onderzochte gedraging niet behoorlijk

8. Uit het feit dat de Awb in beginsel geen ruimte laat aan een partij om na de behandeling van het geding ter zitting nog stukken in te zenden teneinde deze bij de beoordeling van het geding te laten betrekken, volgt echter wel dat van de IND niet behoefde te worden verwacht om nog nadere stukken aan de rechtbank toe te zenden.

In zoverre is de onderzochte gedraging behoorlijk.

Overigens wordt wel opgemerkt dat niet direct duidelijk was dat de mededeling van de IND de uitkomst van de procedure in die zin had kunnen beïnvloeden, dat de rechtbank het onderzoek na de zitting met toepassing van artikel 8:68 Awb had heropend.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van Immigratie- en Naturalisatiedienst, die wordt aangemerkt als een gedraging van de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, is gegrond; behalve ten aanzien van de weigering om stukken aan de rechtbank toe te zenden, op dit punt is de klacht niet gegrond.

Met instemming heeft de Nationale ombudsman ervan kennisgenomen dat sinds 10 april 2003 een nieuw INDIS-invoerproces is gestart, waardoor eventuele foutief geregistreerde gegevens tijdig kunnen worden gecorrigeerd.

Onderzoek

Op 10 februari 2003 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer A. te 's-Hertogenbosch, ingediend door mevrouw mr. A.C.M. Nederveen, advocaat te Amsterdam, met een klacht over een gedraging van Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).

Naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, werd een onderzoek ingesteld.

In het kader van het onderzoek werd de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen.

Verzoeker deelde mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen.

De reactie van de minister gaf aanleiding het verslag op een enkel punt aan te vullen.

BEVOEGDHEID

De minister deed een beroep op niet-ontvankelijkheid van verzoekers klacht op grond van artikel 12, tweede lid Wet Nationale ombudsman (zie Achtergrond), met als reden dat verzoeker niet eerst een klacht had ingediend bij de IND op grond van hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht.

Verzoekers gemachtigde deelde hierop mee dat de IND zijn brieven niet als klacht had behandeld. Op grond daarvan had de gemachtigde de klacht bij de Nationale ombudsman ingediend.

De Nationale ombudsman overweegt op dit punt het volgende:

De Wet Nationale ombudsman stelt in artikel 12, tweede lid, de eis dat een verzoeker een klacht bij het bestuursorgaan moet hebben ingediend, alvorens zich tot de Nationale ombudsman te wenden, tenzij dit redelijkerwijze niet van hem kan worden gevergd.

Verzoekers gemachtigde heeft tweemaal een brief gezonden naar de IND. Op deze brieven heeft de IND geantwoord geen inhoudelijk antwoord te geven. Verzoeker was met dit antwoord niet tevreden. Daarop heeft de gemachtigde een derde brief gezonden aan de IND (hierna vermeld onder A.6.), waarin zij vermeldde dat zij tweemaal om een verklaring had gevraagd en nog geen antwoord had gekregen op haar vraag. De Nationale ombudsman beschouwt deze brief als een uiting van ongenoegen, en daarmee als een klacht als bedoeld in de Vreemdelingencirculaire, Hoofdstuk A7, betreffende de klachtenregeling van de IND (zie Achtergrond). Hiermee heeft verzoeker zijn klacht voldoende kenbaar gemaakt aan de IND. De IND heeft deze brief niet beantwoord.

Daarnaast heeft een medewerkster van het Bureau Nationale ombudsman zich, na ontvangst van het verzoekschrift, tot de IND gewend met de vraag of verzoekers laatste (derde) brief daar in behandeling was. Dit bleek niet het geval, en de IND was van mening dat verzoeker alsnog een klacht moest indienen bij de IND. Gelet op het voorgaande deelde de Nationale ombudsman die mening echter niet. Op grond van deze mening van de IND concludeerde de Nationale ombudsman ook dat er bij de IND geen bereidheid was om de ontvangen klacht alsnog volgens de eigen klachtenregeling te behandelen. Dit vormde aanleiding het onderzoek schriftelijk voort te zetten.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:

A. feiten

1. Op 25 juni 2002 vond de openbare behandeling plaats door de rechtbank Den Haag, zittinghoudende te Dordrecht, van het beroep van verzoeker tegen de afwijzende beslissing op zijn bezwaarschrift inzake de aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) ten behoeve van zijn jongste zoon M., in het kader van gezinshereniging.

2. Op 3 juli 2002 richtte verzoekers gemachtigde zich tot mevrouw S. van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). S. was tijdens de openbare behandeling van het beroep aanwezig geweest als vertegenwoordigster van de IND. De gemachtigde richtte zich tot S. met het verzoek om uitleg van de door haar gedane mededeling dat een eerdere beslissing op een mvv-aanvraag geen betrekking had op verzoekers jongste zoon.

De brief van 3 juli 2002 houdt onder meer het volgende in:

“Gelet op de stelligheid waarmee u ter zitting bij de Rechtbank Dordrecht zich op het standpunt heeft gesteld dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst dossiernummers geen betrekking hebben op (verzoekers zoon, verder te noemen M.; N.o.) verzoek ik u mij tekst en uitleg te geven, gelet op het bewijs dat ik hierbij voeg inhoudende de beslissing op het administratieve bezwaarschrift aangaande de MVV aanvraag uit 1992 die uitdrukkelijk betrekking heeft op M. en een kopie van het hiertegen gerichte beroepschrift. Bijgaand treft u voorts aan een kopie van de brief die ik heden per fax aan de Rechtbank Dordrecht zond en waarin ik vraag om heropening van de zaak gelet op dit bewijsstuk. Ook indien de Rechtbank besluit de zaak niet te heropenen, verzoek ik u uitdrukkelijk mij antwoord te geven op de door mij hierboven gestelde vraag.

Gaarne zie ik uw schriftelijke antwoord binnen 7 dagen na dagtekening van deze brief tegemoet.”

3. Verzoeker zond de stukken die hij in zijn brief van 3 juli 2002 vermeldde ook rechtstreeks naar de rechtbank Dordrecht. Daar zijn deze stukken op 4 juli 2002 als ter griffie ingekomen gestempeld.

Op 9 augustus 2002 rappelleerde de gemachtigde schriftelijk, omdat zij nog geen antwoord had ontvangen op haar brief van 3 juli 2002.

4. Op 13 augustus 2002 beantwoordde mevrouw S. de brief van de gemachtigde onder meer als volgt:

“Uw brieven van 3 juli 2002 en 9 augustus 2002 zijn ontvangen en van de inhoud is kennis genomen.

Nu de behandeling van het beroep ter zitting reeds heeft plaatsgevonden en de zaak nog onder de rechter ligt, zal inhoudelijk niet worden gereageerd op uw brief van 3 juli 2002. Eerst wanneer de rechtbank het onderzoek heropent en (de IND; N.o.) benadert met het verzoek om een reactie, zal een standpunt worden ingenomen ten aanzien van hetgeen u stelt.”

5. Op 14 augustus 2002 deed de rechtbank Dordrecht schriftelijk uitspraak op het beroep. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. De uitspraak hield onder meer het volgende in:

“2. Verweerder (de Staatssecretaris van Justitie; N.o.) stelt zich op het standpunt dat eiser (M.; N.o.) niet voor toelating in aanmerking komt, omdat de gezinsband tussen eiser en zijn vader feitelijk verbroken is. Verweerder verwijst naar de eerdere aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) die namens eiser op 3 september 1996 is ingediend voor verblijf bij vader.

(…)

Eiser heeft zijn stelling dat zijn vader ook vóór 3 september 1996 al een mvv ten behoeve van eiser heeft aangevraagd, niet met stukken onderbouwd. Verweerder acht derhalve ook in de onderhavige zaak de gezinsband feitelijk verbroken.

(…)

4. De rechtbank overweegt het volgende.

Op 3 september 1996 heeft eiser (M.; N.o.) een aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf ingediend. Bij besluit van 28 augustus 1997 heeft verweerder eisers aanvraag afgewezen. Eisers tegen dat besluit ingediende bezwaar is door verweerder bij besluit van 3 december 1997 afgewezen. Bij uitspraak van 9 september 1998 (…) door de rechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats Amsterdam, is eisers beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het gezinsleven tussen eiser en zijn vader als verbroken moest worden geacht.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in het bestreden besluit kennelijk en op goede gronden op het standpunt gesteld dat niet gebleken is van zodanige bijzondere omstandigheden, dat op grond daarvan verweerder niet zonder meer mocht uitgaan van de vaststelling door deze rechtbank in voormelde uitspraak, dat het gezinsleven tussen eiser en zijn vader is verbroken. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden heeft aangevoerd, die verweerder zouden nopen tot een ander standpunt. Niet valt in te zien waarom eiser de thans door hem overgelegde betalingsbewijzen niet in vorenbedoelde procedure in had kunnen brengen. Zulks geldt dienovereenkomstig voor eisers stelling dat reeds in 1992 een mvv zou zijn aangevraagd.”

6. Op 23 oktober 2002 richtte verzoekers gemachtigd zich wederom tot de IND. In deze brief was het volgende vermeld:

“…In bovengemelde zaak heb ik u de vraag gesteld waarom u tijdens de behandeling van het beroep in de Rechtbank zich stellig op het standpunt heeft gesteld dat, naar aanleiding van uw onderzoek, in deze zaak niet in 1992 door referent verzocht is om een MVV voor verzoeker. De dossiernummers zouden volgens u slechts op de andere kinderen van referent betrekking hebben en niet op M. Echter blijkt uit stukken, welke ik u toegezonden heb d.d. 3 juli 2002, dat wel degelijk door referent een procedure, ten einde een MVV te verkrijgen, is gevoerd ten behoeve van M. Per fax heb ik u d.d. 3 juli 2002 en d.d. 9 augustus 2002 (kopieën bijgevoegd) verzocht mij dit uit te leggen, waarop u antwoordde de uitspraak van de Rechter af te willen wachten. Inmiddels is de uitspraak bekend en heb ik nog geen antwoord gekregen van u op de door mij gestelde vraag.

Ik wil u verzoeken mij uw antwoord schriftelijk te doen toekomen binnen 3 weken na dagtekening van deze brief. Indien u binnen deze drie weken mij geen schriftelijke reactie heeft toegestuurd, zal ik een klachtenprocedure opstarten…”

B. Standpunt verzoeker

1. Het standpunt van verzoeker staat weergegeven onder Klacht.

2. Verder deelde verzoeker in zijn verzoekschrift nog onder meer het volgende mee:

“Referent, (verzoeker; N.o.) is op 19 oktober 1990 naar Nederland afgereisd, om zich alhier te vestigen. Referent is reeds sinds 1992 bezig een status ten behoeve van zijn minderjarige zoon M. te verkrijgen. Echter dit eerste verzoek is in beroep afgewezen. Op 10 december 1998 heeft referent wederom om toelating van zijn zoon verzocht. Deze aanvraag is ongegrond verklaard door de Immigratie- en Naturalisatiedienst, wegens het feit dat de feitelijke gezinsband tussen referent en verzoeker als verbroken beschouwd dient te worden. Ter zitting is aangevoerd door referent en verzoeker dat de feitelijke gezinsband niet als verbroken beschouwd kan worden, aangezien referent sedert 1992 verzocht heeft om overkomst van zijn zoon. Ter onderbouwing hiervan bezat referent ten tijde van de zitting slechts een IND correspondentienummer onder welke het verzoek van referent behandeld is. Mevrouw S., gemachtigde namens verweerder, stelt echter ter zitting dat uit onderzoek is gebleken dat dit correspondentienummer geen betrekking heeft op M. maar slechts op de oudere kinderen van referent.

De Rechter heeft hierop het beroep ongegrond verklaard (…) waarbij het verzoek om overkomst van M. in 1992 als niet gebeurd buiten beschouwing wordt gelaten, gezien de stelligheid waarmee verweerder dit stelt.

Enige dagen na de behandeling van het beroep ter zitting door de Rechtbank Dordrecht, treft referent tussen oude stukken bij familie de uitspraak aan welke betrekking heeft op het verzoek van referent voor overkomst van zijn zoon (…). In de uitspraak wordt het IND nummer, zoals referent dit aan verweerder heeft medegedeeld, genoemd als correspondentienummer behorende bij het verzoek van referent.

Op grond van dit gegeven heb ik mevrouw S. verzocht om een reactie per fax op 3 juli 2002 (…). Op dit schrijven heb ik echter geen reactie ontvangen. Wederom op 9 augustus 2002 (…) heb ik per fax mevrouw S. verzocht inhoudelijk in te gaan op haar ontkenning van het bestaan van de procedure en de uitspraak van de Rechtbank op diezelfde procedure. Op 23 augustus 2002 heb ik een reactie ontvangen van mevrouw S. (…), waarin zij mede deelt dat het onderzoek ter zitting reeds is gesloten. Mevrouw S. weigert een inhoudelijke reactie te geven. Gezien het feit dat de gevolgen hiervan van dusdanige nadelig zijn voor referent en zijn zoon, heb ik wederom per fax d.d. 23 oktober 2002 verzocht om een reactie bij gebreke waarvan ik een klacht indien. Op mijn laatste fax ontving ik wederom geen reactie, wel is de fax d.d. 14 november 2002 retour gezonden (…). Heden heb ik telefonisch contact opgenomen met de IND Gemeentelijke Procesvertegenwoordiging te Den Haag, om te vragen of mevrouw S. werkzaam is bij die afdeling. Het geschreven faxnummer, te Dordrecht, zou impliceren dat mevrouw S. niet meer in Den Haag werkzaam zou zijn. Echter telefonisch vernam ik van mevrouw Sc. dat mevrouw S. weldegelijk werkzaam is bij de afdeling waar mijn fax van 23 oktober 2002 heen verzonden is.

Referent stelt zich op het standpunt dat hij door het onzorgvuldige onderzoek en de stelligheid waarmee verweerder ter zitting heeft gesteld dat referent niet voor M. overkomst heeft verzocht, ernstig benadeeld is. M. is, ondanks de afwijzende beschikking, Nederland ingereisd en ter zitting aanwezig geweest. Door de handelingswijze van mevrouw S. is ten onrechte zijn beroep ongegrond verklaard. Immers indien de procedure uit 1992 bekend zou zijn bij de Rechter, de feitelijke gezinsband tussen referent en zijn zoon niet als verbroken beschouwd was geworden.

Betrokkene verzoekt u derhalve de IND te wijzen op haar geschreven en ongeschreven verplichtingen om jegens burgers als een behoorlijk bestuursorgaan op te treden.'

C. Standpunt minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie

De minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie reageerde op 10 juni 2003 onder meer als volgt op de klacht:

De procedures zoals betrokken bij de behandeling ter zitting van 25 juni 2002.

Alvorens ik inhoudelijk in zal gaan op de klachtformulering, lijkt het mij gewenst eerst kort de procedures te noemen, zoals die ook betrokken zijn bij de behandeling van de zaak bij de rechtbank, die verzoeker voor zijn zoon M. in het verleden heeft gevoerd.

Op 3 september 1996 heeft verzoeker een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf ingediend. Na een negatieve beslissing in primo en een negatieve beslissing op bezwaar voor verzoeker, heeft de rechtbank Den Haag (nevenzittingsplaats Amsterdam) het beroep op 9 september 1998 ongegrond verklaard (…). Met verweerder was de rechtbank van oordeel dat de gezinsband tussen verzoeker en zijn kinderen T., M. en L. als verbroken moest worden beschouwd, als gevolg waarvan er dan ook geen recht op gezinshereniging bestaat.

In haar overwegingen heeft de rechtbank de stelling van verzoeker dat hij reeds in 1992 om overkomst van zijn kinderen heeft verzocht, meegenomen. De rechtbank oordeelde dat, wat daarvan ook zij, verzoeker gehuwd was in Nederland en een nieuw gezin had gevormd, waartoe de kinderen nimmer behoorden. De kinderen waren opgenomen in het gezin van de grootouders. Verder overwoog de rechtbank dat niet aannemelijk was geworden dat verzoeker zich daadwerkelijk had beziggehouden met de opvoeding en verzorging van de kinderen. Uit de overgelegde stukken viel niet af te leiden dat referent voortdurend een bijdrage had geleverd in de kosten van verzorging, aldus de rechtbank in haar uitspraak.

Ondanks dit negatieve oordeel van de rechtbank is M. in november 1998 Nederland in gereisd. Op 10 december 1998 heeft verzoeker een aanvraag ingediend voor een vergunning tot verblijf voor zoon M. Op deze aanvraag is bij beschikkingen van 24 augustus 1999 en 15 december 1999 negatief beslist. De rechtbank heeft bij uitspraak van 6 augustus 2002 het beroep van verzoeker ongegrond verklaard (…). De rechtbank oordeelde dat de Minister zich in het bestreden besluit kennelijk en op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken van zodanige bijzondere omstandigheden, dat op grond daarvan de Minister niet zonder meer mocht uitgaan van de vaststelling door de rechtbank in haar uitspraak van 9 september 1998, dat het gezinsleven tussen verzoeker en M. is verbroken. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden heeft aangevoerd, die de Minister zou nopen tot een ander standpunt. Niet valt in te zien, aldus de rechtbank, waarom M. de in deze procedure overgelegde betalingsbewijzen alsmede de stelling dat reeds in 1992 een mvv zou zijn aangevraagd, niet in de eerdere procedure had in kunnen brengen.

Reactie op de klachtformulering

In de nadere gronden van het beroepschrift van 31 januari 2000 heeft verzoeker zijn stelling dat hij in 1992 al een mw-procedure ten behoeve van M. had gestart onderbouwd door twee IND-nummers op te geven, te weten de nummers (…). De medewerkster van het Gemeenschappelijk Centrum Procesvertegenwoordiging (GCPV) heeft bij de voorbereiding van de zaak deze dossiernummers gecheckt in het interne systeem van de IND (het zogenoemde INDIS). Uit dat onderzoek is gebleken dat deze dossiernummers waren toebedeeld aan de twee oudere kinderen van verzoeker, te weten Mu. en A. Zulks heeft de medewerkster van de GCPV dan ook ter zitting naar voren gebracht.

Eerst op 3 juli 2002, nadat de rechtbank het onderzoek ter zitting had gesloten, heeft de gemachtigde van verzoeker zijn stelling dat ook de heer M. onder de genoemde dossiernummers (…) bekend zou moeten zijn bij de IND, met stukken onderbouwd. De gemachtigde heeft in voornoemde brief van 3 juli 2002 aan de medewerkster verzocht om tekst en uitleg te geven hoe deze stukken zich verhouden tot het standpunt zoals dat ter zitting namens de Minister is ingenomen.

Geconstateerd moet worden dat inderdaad gebleken is dat door verzoeker in 1992 ook ten behoeve van de heer M. een machtiging tot voorlopig verblijf is aangevraagd. Echter, zoals hierboven al is weergegeven, was op het moment dat de brief van de gemachtigde van 3 juli 2002 door de IND is ontvangen het onderzoek ter zitting door de rechtbank al gesloten. Het was op dat moment aan de rechtbank om een oordeel te geven over de zaak. Een inhoudelijke reactie van de zijde van de Minister zou dan ook ongewenst zijn. Terecht is toen in de brief van 13 augustus 2002 aan de gemachtigde van verzoeker aangegeven dat inhoudelijk niet zal worden gereageerd op het verzoek om tekst en uitleg te geven hoe deze stukken zich verhouden tot het standpunt zoals dat ter zitting is ingenomen. Aangegeven is dat dit pas aan de orde zal zijn als de rechtbank redenen zou zien het onderzoek te heropenen en hieromtrent vragen zou stellen. Van een weigering van een IND-medewerkster om stukken aan de rechtbank te overleggen, zoals in de klachtformulering is vermeld, is dan ook geen sprake geweest.

Verder ben ik van mening dat er geen verband bestaat tussen de zogenoemde weigering van de medewerkster van het GCPV om in te gaan op de na de sluiting van de zaak overgelegde stukken enerzijds en het oordeel van de rechtbank in deze dat er geen sprake meer was van een feitelijke gezinsband anderzijds. Het oordeel en de overwegingen van de rechtbank, zoals ik reeds onder het kopje De procedures zoals betrokken bij de behandeling ter zitting van 25 juni 2002 heb uiteen gezet, spreken voor zich. Ik meen uit de uitspraak van de rechtbank van 6 augustus 2002 te kunnen afleiden dat het oordeel van de rechtbank niet anders zou hebben geluid als ter zitting duidelijk was geweest dat verzoeker al in 1992 een mvv-aanvraag had ingediend voor M. Overigens, ter zijde, mij is gebleken dat de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State al op 26 augustus 1994 (..) oordeelde dat de heer M. niet feitelijk behoorde tot het gezin van verzoeker. Daarmee bevestigde de Afdeling de beschikking op bezwaar van 24 augustus 1992, die gemachtigde van verzoeker bij brief van 3 juli 2002 heeft overgelegd.

Conclusie

Gelet op het bovenstaande ben ik van mening dat de klacht van verzoeker primair niet-ontvankelijk, subsidiair ongegrond moet worden verklaard. De constatering dat ter zitting van de rechtbank ten onrechte is gemeld dat de dossiernummers (…) niet toebehoren aan M. verandert mijn mening niet. Dit laat onverlet dat een dergelijke onwenselijke situatie in de toekomst voorkomen moet worden. De compleetheid en de correctheid van de gegevens in INDIS moeten gewaarborgd zijn. Ten behoeve hiervan is sedert 10 april 2003 een nieuw invoerproces gestart. In essentie betekent dit nieuwe invoerproces dat er thans sprake is van een functiescheiding tussen de registratie van proceduregegevens en de controle daarvan, zodat eventuele foutief geregistreerde gegevens tijdig worden ontdekt en verholpen.”

D. Reactie verzoeker

Verzoeker deelde in zijn reactie van 12 augustus 2003 op het standpunt van de minister onder meer het volgende mee:

“Eiser is van mening dat nog steeds onduidelijk is geweest, ondanks de bevestiging van zijde van de Minister dat dit een onwenselijke situatie is die in de toekomst vermeden moet worden, hoe het kan dat op grond van een bekend IND nummer, een volledige naam en geboortedatum en nationaliteit het kan gebeuren dat er eerst niet en later wel bevestigd wordt dat er in 1992 inderdaad een MVV procedure voor M. is gevoerd. Immers, na de zitting is een uitspraak overgelegd die niet meer informatie bevatte dan dezelfde IND nummers en de volledige personalia van M. Klager wenst hierover nader geïnformeerd te worden, met name nu de Minister zelf zegt dat deze onwenselijk situatie in de toekomst voorkomen dient te worden. Dat kan alleen maar als duidelijk wordt hoe de fout nu precies is gemaakt!”

E. Reactie minister op het verslag van bevindingen

Een medewerker van de IND liet namens de minister in reactie op het verslag van bevindingen weten dat achter de IND-nummers in het INDIS systeem destijds alleen de namen van de twee oudste kinderen waren vermeld. Daardoor was de fout ontstaan. In het nieuwe systeem worden de ingevoerde gegevens door een andere persoon gecontroleerd, zodat eventuele fouten konden worden ontdekt.

Achtergrond

1. Wet Nationale ombudsman

Artikel 12, tweede lid:

“De verzoeker dient, alvorens het verzoek (een onderzoek in te stellen; N.o.) te doen, over de gedraging een klacht in bij het betrokken bestuursorgaan, tenzij dit redelijkerwijze niet van hem kan worden gevergd.”

2. Vreemdelingencirculaire 2000

Hoofdstuk A7/1:

“Een klacht wordt gedefinieerd als iedere uiting van ongenoegen over alle aspecten van gedragingen van het bestuursorgaan, of van een persoon werkzaam onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan, in aansluiting bij artikel 9:1 Algemene wet bestuursrecht.”

3. Algemene wet bestuursrecht

Artikel 9:1:

“1. Een ieder heeft het recht om over de wijze waarop een bestuursorgaan zich in een bepaalde aangelegenheid jegens hem of een ander heeft gedragen, een klacht in te dienen bij dat bestuursorgaan.”

Instantie: Immigratie- en Naturalisatiedienst

Klacht:

Zich tijdens zitting van de rechtbank abusievelijk op het standpunt gesteld dat het IND-dossiernummer van verzoek om gezinshereniging, geen betrekking had op verzoekers jongste zoon; .

Oordeel:

Gegrond

Instantie: Immigratie- en Naturalisatiedienst

Klacht:

Nadat gemachtigde van verzoeker de medewerkster, voor de uitspraak, in het bezit had gesteld van documenten waaruit blijkt dat dossiernummer wel degelijk betrekking had op jongste zoon, geweigerd hiervan rechtbank in kennis te stellen .

Oordeel:

Niet gegrond