2003/320

Rapport

Verzoeker klaagt erover dat Staatsbosbeheer rond 24 maart 2001 in verband met de uitbraak van mond- en klauwzeer op onrechtmatige wijze openbare wegen heeft afgesloten nabij het Savelsbos te Gronsveld.

Verzoeker klaagt er voorts over dat Staatsbosbeheer in het antwoord van 24 april 2001 op zijn brief van 28 maart 2001 onvoldoende is ingegaan op het overleg met de gemeente, en op zijn suggestie de artikelen 175 en 176 van de Gemeentewet van toepassing te verklaren.

Verzoeker klaagt er tot slot over dat Staatsbosbeheer zijn klacht van 27 december 2001 niet conform hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht heeft afgehandeld.

Beoordeling

I Ten aanzien van de onrechtmatige afsluiting

1. Rond 24 maart 2001 sloot Staatsbosbeheer boswegen en -paden in het Savelsbos af voor publiek. Verzoeker klaagt er in de eerste plaats over dat dit op onrechtmatige wijze is gebeurd.

2. Ingevolge artikel 13 van de Wegenwet wordt de eigendom van wegen vermoed te zijn bij het openbaar lichaam dat de weg onderhoudt (zie achtergrond, onder 3.).

3. Staatsbosbeheer deelde in reactie op de klacht mee dat tot (tijdelijke) afsluiting van boswegen en -paden in (onder meer) het Savelsbos was overgegaan gelet op de acute dreiging van mond- en klauwzeer. Voorafgaand aan de afsluiting had de opzichter van Staatsbosbeheer telefonisch contact opgenomen met de gemeente Margraten, waarbij er met de burgemeester (qualitate qua) over de voorgenomen afsluiting was overlegd. De burgemeester stemde, aldus Staatsbosbeheer, mondeling met de afsluiting in.

4. In reactie op het standpunt van Staatsbosbeheer liet verzoeker weten dat niet de gemeente Margraten, maar de gemeente Eijsden de zeggenschap had over de openbare wegen in het Savelsbos als bedoeld in zijn klacht.

5. Voorop gesteld dient te worden dat Staatsbosbeheer als eigenaar van een perceel op grond van zijn eigendomsrecht op dat perceel in beginsel die maatregelen mag treffen die hij als eigenaar geraden acht. In dit verband kan hij besluiten het gebruik, of bepaalde wijzen van gebruik, van zijn eigendom door derden te beperken of te verbieden. Het eigendomsrecht van Staatsbosbeheer strekt echter niet zover dat Staatsbosbeheer ook het gebruik door derden van openbare wegen op zijn percelen zonder meer kan beperken of verbieden.

Staatsbosbeheer heeft in verband met de acute dreiging van mond- en klauwzeer het voornemen om over te gaan tot afsluiting van openbare boswegen en -paden vooraf overlegd met de burgemeester van de gemeente Margraten, in de veronderstelling dat die gemeente de eigenaar is van de af te sluiten openbare wegen. De burgemeester stemde in met de voorgenomen afsluiting en stelde Staatsbosbeheer materiaal ter beschikking.

De omstandigheid dat geen besluit van het College van Burgemeester en Wethouders - op basis van de Wegenverkeerswet dan wel op basis van artikel 175 en 176 van de Gemeentewet (zie achtergrond, onder 2. en 3.) - aan de instemming ten grondslag lag, maakt dit niet anders. De legitimering van de afsluiting is primair een zaak van de gemeente, waar Staatsbosbeheer als zodanig buiten staat. In de gegeven situatie (de uitbraak van mond- en klauwzeer) was het ook niet onredelijk dat Staatsbosbeheer een eventueel besluit niet afwachtte.

Ook de omstandigheid dat wellicht de in de klacht bedoelde openbare wegen in het Savelsbos niet vallen binnen de gemeente Margraten maar binnen de gemeente Eijsden, zoals verzoeker stelt, doet hieraan niet af. Als niet de gemeente Margraten maar de gemeente Eijsden de bevoegde gemeente was, dan had het op de weg van de gemeente Margraten gelegen Staatsbosbeheer hierop te wijzen. De Nationale ombudsman heeft geen aanleiding te veronderstellen dat Staatsbosbeheer te kwader trouw de gemeente Margraten heeft aangezocht voor overleg.

In zoverre is de onderzochte gedraging behoorlijk.

II Ten aanzien van het onvoldoende beantwoorden van verzoekers brief

1. Bij brief van 28 maart 2001 klaagde verzoeker bij Staatsbosbeheer over de afsluiting van de openbare wegen in het Savelsbos. In deze brief gaf verzoeker aan dat naar zijn mening onder bepaalde omstandigheden de burgemeester van een gemeente op grond van de artikelen 175 of 176 Gemeentewet de toegang tot natuurgebieden zou kunnen verbieden. Verzoeker gaf als voorbeeld de wijze waarop door de gemeente Haelen de afsluiting van het natuurgebeid Lendal was geregeld en vroeg zich af waarom in het onderhavige geval niet hetzelfde was gedaan.

Staatsbosbeheer reageerde op 23 april 2001 op verzoekers brief en stelling.

Verzoeker klaagt erover Staatsbosbeheer in zijn antwoord onvoldoende is ingegaan op het overleg met de gemeente, en op zijn suggestie de artikelen 175 en 176 van de Gemeentewet van toepassing te verklaren.

2. Van een bestuursorgaan mag worden verwacht dat op brieven van burgers adequaat wordt gereageerd. Daarbij moet correcte informatie worden verstrekt en moet in het algemeen voldoende aandacht worden besteed aan hetgeen door de burger aan de orde wordt gesteld.

3. Staatsbosbeheer deelde in reactie op de klacht mee dat met de brief van 23 april 2001 tevens was bedoeld verzoeker op het punt van de toepasbaarheid van artikel 175 en 176 Gemeentewet in het gelijk te stellen. Volgens Staatsbosbeheer had verzoeker Staatsbosbeheer niet specifiek verzocht om in te gaan op het punt van overleg met de gemeente, zodat dat ook niet was geschied.

5. In de brief van 23 april 2001 is Staatsbosbeheer niet met zoveel woorden ingegaan op de genoemde artikelen van de Gemeentewet. Wel blijkt uit de brief van Staatsbosbeheer welke bevoegdheden ten aanzien het beperken van het gebruik van gebieden en wegen toekomen aan Staatsbosbeheer zelf en welke aan de gemeente. De afsluitingen van gebieden en wegen waren in overleg met en na instemming van de betrokken gemeenten gedaan. De juridische onderbouwing daarvan achtte Staatsbosbeheer de publiekrechtelijke verantwoordelijkheid van de desbetreffende gemeente. Daarmee kan niet worden gezegd dat Staatsbosbeheer onvoldoende is ingegaan op verzoekers suggestie de artikelen 175 en 176 van de Gemeentewet van toepassing te verklaren. Het van toepassing verklaren van de artikelen 175 en 176 van de Gemeentewet is geen bevoegdheid van Staatsbosbeheer maar van de burgemeester van de gemeente.

In zoverre is de onderzochte gedraging behoorlijk.

6. Verzoeker kan wel worden gevolgd in zijn standpunt dat Staatsbosbeheer onvoldoende is ingegaan op het overleg met de gemeente. De mededelingen daaromtrent waren zeer summier. Geconcludeerd moet worden dat de brief van Staatsbosbeheer van 23 april 2001 tekort schiet op het punt van informatieverschaffing over de concrete gang van zaken met betrekking tot de afsluitingen. Zo is bijvoorbeeld niet meegedeeld dat Staatsbosbeheer overleg had gevoerd met de burgemeester van de gemeente Margraten. Voorts werd niet duidelijk dat de gemeente actief medewerking had verleend aan de afsluiting door dranghekken ter beschikking te stellen aan Staatsbosbeheer. Eén en ander had de handelwijze van Staatsbosbeheer voor verzoeker wellicht aanvaardbaarder gemaakt.

In zoverre is de onderzochte gedraging niet behoorlijk.

III Ten aanzien van de wijze waarop verzoekers klacht is afgehandeld

1. Verzoeker klaagde bij brief van 27 december 2001 bij de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij over de wijze waarop zijn brief van 28 maart 2001 was beantwoord. De Minister stuurde verzoekers brief ter afhandeling door naar Staatsbosbeheer. Deze reageerde op 6 februari schriftelijk op verzoekers klacht.

Verzoeker klaagt over de wijze waarop zijn klachtbrief is afgehandeld. Met name klaagt verzoeker erover dat Staatsbosbeheer het klaagschrift niet conform hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht heeft afgehandeld. In zijn verzoekschrift aan de Nationale ombudsman somt verzoeker de artikelen op waaraan naar zijn mening geen uitvoering is gegeven, te weten artikel 9:7, eerste lid, 9:8, tweede lid en 9:12, tweede lid.

2. Ingevolge artikel 9:7, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht wordt met de behandeling van een klacht niet belast degene die betrokken is geweest bij de gedraging waarop de klacht betrekking heeft.

3. De brief van Staatsbosbeheer van 6 februari 2002, in reactie op verzoekers klacht van 27 december 2001, is ondertekend door de algemeen directeur van Staatsbosbeheer. De brief vermeldt als doorkiesnummer hetzelfde telefoonnummer als vermeld op de brief van 23 april 2001, waarmee Staatsbosbeheer reageerde op verzoekers brief van 28 maart 2001 met betrekking tot de afsluiting van het Savelsbos.

In reactie op de klacht deelde Staatsbosbeheer mee dat de heer J., wiens telefoonnummer stond vermeld op de brief van 23 april 2001 en 6 februari 2002, slechts in zoverre betrokken was geweest bij het concipiëren van de brief van 6 februari 2002, dat hij feitelijke achtergrondinformatie over deze zaak heeft verstrekt aan de medewerker van de Centrale organisatie van Staatsbosbeheer te Driebergen die de betreffende brief heeft opgesteld voor de directeur.

4. Hoewel Staatsbosbeheer heeft meegedeeld dat de betrokken ambtenaar slechts de feitelijke achtergrondinformatie ten behoeve van de klachtafhandeling heeft geleverd, wat op zichzelf genomen niet onjuist is, wekt de vermelding van diens telefoonnummer op beide brieven de indruk dat Staatsbosbeheer onvoldoende distantie heeft betracht bij de afhandeling van verzoekers klacht. Uit de brief blijkt niet op enigerlei wijze dat een andere ambtenaar met de behandeling van de klacht was belast. Het was dan ook juister geweest het doorkiesnummer te vermelden van de ambtenaar die de brief voor de directeur heeft opgesteld.

In zoverre is de onderzochte gedraging niet behoorlijk.

5. Ingevolge artikel 9:8, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht is een bestuursorgaan niet verplicht de klacht te behandelen indien het belang van de klager dan wel het gewicht van de gedraging kennelijk onvoldoende is (zie Achtergrond, onder 1.).

6. Bij brief van 6 februari 2002 deelde Staatsbosbeheer verzoeker mee dat de klacht niet in behandeling zou worden genomen nu naar het oordeel van Staatsbosbeheer verzoeker onvoldoende belang daarbij had. Het onvoldoende belang was kort gezegd gelegen in de omstandigheid dat verzoeker bij brief van 23 april 2001 in het gelijk was gesteld (zie Bevindingen, onder A.3.).

7. Hiervoor onder II.4 en 5 is het oordeel van de Nationale ombudsman gegeven over de wijze waarop verzoekers brief van 28 maart 2002 is afgehandeld. De gedraging is deels behoorlijk, deels niet behoorlijk. Dat Staatsbosbeheer naar het oordeel van de Nationale ombudsman op een enkel punt tekort schoot in de beantwoording van verzoekers brief, maakt echter nog niet dat Staatsbosbeheer niet in redelijkheid had kunnen komen tot zijn beslissing de klacht van verzoeker op grond van onvoldoende belang buiten behandeling te laten. Immers Staatsbosbeheer heeft verzoeker niet in zijn algemeenheid onvoldoende geïnformeerd, maar slechts op het punt van het overleg met de gemeente. De brief van Staatsbosbeheer bevat verder wel de meest principiële informatie met betrekking tot de afsluiting. Bovendien bestond tussen verzoeker en Staatsbosbeheer geen verschil van mening over de gedraging: Staatsbosbeheer had verzoeker immers in het gelijk gesteld. Voorts was de situatie naar aanleiding waarvan verzoeker klaagde opgeheven.

Gelet hierop kon Staatsbosbeheer in redelijkheid verzoekers klacht buiten behandeling laten.

In zoverre is de onderzochte gedraging behoorlijk.

8. Ingevolge artikel 9:12, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht dient het bestuursorgaan in de kennisgeving van de bevindingen en conclusies van het onderzoek naar de klacht tevens te vermelden of over de gedraging nog een klacht kan worden ingediend bij een daartoe aangewezen persoon of college.

9. Nu Staatsbosbeheer op grond van artikel 9:8, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht geen onderzoek naar de klacht heeft ingesteld en dus van een in kennisstelling van bevindingen en conclusies geen sprake is geweest, rustte op Staatsbosbeheer ook niet de wettelijke verplichting van artikel 9:12, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht om aan verzoeker mededeling te doen van de mogelijkheid dat nog een klacht bij een andere instantie kon worden ingediend.

In zoverre is de onderzochte gedraging eveneens behoorlijk.

Wel wijst de Nationale ombudsman er ten overvloede op dat bij inwerkingtreding van het wetsontwerp extern klachtrecht (Kamerstukken II, 2002-2003 28 747) aan artikel 9:8, derde lid, Algemene wet bestuursrecht de volgende zin wordt toegevoegd: “Artikel 9:12, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing”. Alsdan zal bij de in kennisstelling van het niet behandeling nemen van de klacht wel verplicht verwezen moeten worden naar de Nationale ombudsman. Het had Staatsbosbeheer overigens niet misstaan uit overwegingen van actieve informatieverstrekking onverplicht naar de Nationale ombudsman te verwijzen.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van Staatsbosbeheer is niet gegrond behoudens wat betreft de volledigheid van de verstrekte informatie in de antwoordbrief en de vermelding van het telefoonnummer in de klachtafdoeningsbrief; op deze punten is de klacht gegrond.

Onderzoek

Op 11 maart 2002 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer S. te Maastricht, met een klacht over een gedraging van Staatsbosbeheer.

Naar deze gedraging werd een onderzoek ingesteld.

In het kader van het onderzoek werd Staatsbosbeheer verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben.

Vervolgens werd verzoeker in de gelegenheid gesteld op de verstrekte inlichtingen te reageren.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen.

Tijdens het onderzoek deelde de executoir testamentair de Nationale ombudsman mee dat verzoeker was overleden.

Staatsbosbeheer deelde mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:

A. feiten

1. Rond 24 maart 2001 sloot Staatsbosbeheer onder meer het Savelsbos af in verband met het uitbreken van mond- en klauwzeer.

2. Op 28 maart 2001 klaagde verzoeker bij Staatsbosbeheer onder meer als volgt over de afsluiting:

“Naar verzoekers mening kunnen toegangsverboden en afsluitingen van vorenbedoelde toegangswegen slechts rechtsgeldig worden getroffen door het gemeentebestuur van Eijsden in zijn functie van publiekrechtelijke wegbeheerder van de toegangswegen.

(…)

In situaties als bijvoorbeeld het uitbreken van een epidemie of groot brandgevaar kan de burgemeester van een gemeente op grond van artikel 175 of 176 van de Gemeentewet (zie Achtergrond, onder 2.; N.o.) de toegang voor publiek tot natuurgebieden (inclusief openbare wegen/paden ex Wegenwet) verbieden. Naar de mening van verzoeker is de afsluiting van natuurgebied Lelldal juridisch waterdicht gereguleerd.

Buiten de openbare wegen/paden geldt art. 461 Sr. Deze wegen en paden mogen niet worden betreden, zolang het besluit van de burgemeester van Haelen dd. 23 maart 2001 (vermeld op de bordjes bij de afsluitingen) geldt. Verzoeker vraagt zich af, waarom in casu niet op dezelfde wijze als in Haelen een juridisch waterdichte regeling kan worden getroffen (…).

(…)

Verzoeker ontvangt ook gaarne een schriftelijke ontvangstbevestiging (…).”

3. Het Regiohoofd Staatsbosbeheer Limburg-Oost Brabant reageerde bij brief van 23 april 2001 onder meer als volgt:

“Naar aanleiding van uw brief inzake de afsluiting van wegen in verband met mond- en klauwzeer deel ik u mede dat uw stelling correct is.

De afsluitingen van de bos- en natuurgebieden zelf kunnen, voorzover eigendom van Staatsbosbeheer, afsloten worden middels artikel 461 Wetboek van Strafrecht. De openbare wegen kunnen in zo'n situatie afgesloten worden middels een besluit van het College van B & W van de desbetreffende gemeente, op grond van de Wegenverkeerswet.

Staatsbosbeheer heeft de afsluitingen van gebieden en wegen de afgelopen weken gedaan in overleg met de desbetreffende gemeenten. Waar de afsluitingen daadwerkelijk zijn gedaan, is dit altijd gebeurd met instemming van de gemeente. Hoe de desbetreffende gemeenten dit juridisch/bestuurlijk onderbouwen is hun publiekrechtelijke verantwoordelijkheid.

Met uitzondering van enkele begraasde gebieden zijn de Zuidlimburgse bos- en natuurgebieden weer opgesteld voor publiek. Dit betekent dat uw vraag niet meer relevant is in geval u wilt recreëren in de bossen en natuurgebieden”.

4. Bij brief van 27 december 2001 klaagde verzoeker bij het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij over de wijze waarop Staatsbosbeheer zijn brief van 28 maart 2001 had beantwoord. Het Ministerie stuurde de klachtbrief door naar Staatsbosbeheer, die bij brief van 6 februari 2002 reageerde. De brief, ondertekend door de directeur van Staatsbosbeheer, vermeldt bovenaan als doorkiesnummer hetzelfde telefoonnummer als vermeld op de brief van 23 april 2002. De brief luidde onder meer als volgt:

“In uw brief beklaagt u zich over twee zaken:

1. een passage uit de brief van het Regiohoofd Staatsbosbeheer Limburg - Oost-Brabant d.d. 23 april 2001, waarin deze aangeeft dat Staatsbosbeheer de afsluiting van gebieden en wegen (tijdens de MKZ crisis) in overleg met en met instemming van de desbetreffende gemeenten heeft gedaan;

2. de betreffende afsluitingen zelf.

De sub 1 bedoelde passage maakt onderdeel uit van een brief die is geschreven in reactie op een eerdere brief van u waarin u uw visie op de betreffende juridische problematiek uiteenzet. Ik stel vast dat het regiohoofd in de eerste twee alinea's van zijn brief de juistheid van uw stellingen duidelijk heeft onderschreven. De door u bestreden passage van de brief is niet bedoeld als rechtvaardiging van een handelen in strijd met het recht, maar is slechts bedoeld als een weergave van enkele feitelijke achtergronden bij de afsluitingen.

De sub 2 bedoelde afsluitingen waren breed gedragen preventieve maatregelen die noodzakelijk waren ter voorkoming van MKZ-verspreiding. In uw brief d.d. 28 maart 2001 aan het regiohoofd geeft u zelf ook aan begrip te hebben voor deze maatregelen. Uit het dossier blijkt dat het u kennelijk met name gaat om de principieel-juridische kant van de kwestie. Ik wijs er nogmaals op dat het regiohoofd Staatsbosbeheer u op dit punt reeds gelijk heeft gegeven.

Bij deze stand van zaken moet ik concluderen dat u er onvoldoende belang bij hebt dat Staatsbosbeheer uw klacht als zodanig in behandeling neemt en dat het gewicht van de door u gestelde gedragingen - voor zover al sprake is van gedragingen in de zin van de Algemene wet bestuursrecht - daarvoor eveneens onvoldoende is. Ik verwijs naar artikel 9:8, tweede lid Algemene wet bestuursrecht. Ik zal uw klacht derhalve niet als zodanig in behandeling nemen.

Dit neemt niet weg dat ik waardeer dat u zich er sterk voor maakt dat overheden als Staatsbosbeheer de wettelijke regels naleven, ook in crisissituaties. Het is goed wanneer overheden worden gewezen op onvolkomenheden in hun handelen. Staatsbosbeheer zal zeker zijn voordeel doen met uw opmerkingen. Daarom dank ik u voor uw brief”.

B. Standpunt verzoeker

1. Voor het standpunt van verzoeker wordt verwezen naar de klachtomschrijving onder Klacht.

2. Met betrekking tot het derde klachtonderdeel liet verzoeker de Nationale ombudsman weten dat zijn klacht met name betrekking had op de artikelen artikel 9:7, eerste lid, 9:8, tweede lid en 9:12, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (zie Achtergrond, onder 1.).

C. Standpunt Staatsbosbeheer

In reactie op de klacht reageerde Staatsbosbeheer onder meer als volgt:

“Reeds in zijn brief van 28 maart 2001 aan Staatsbosbeheer heeft verzoeker geklaagd over de onrechtmatigheid van de afsluiting van openbare wegen door Staatsbosbeheer. In reactie op die brief heeft Staatsbosbeheer hem bij brief van 23 april 2001 geantwoord dat zijn stelling correct is, met verdere specificering van dit standpunt in de tweede alinea. Dit standpunt kan hier slechts worden herhaald. Met het voornoemde antwoord is bedoeld verzoeker ook op het punt van de toepasbaarheid van de artikelen 175 en 176 Gemeentewet in het gelijk te stellen. In het slot van zijn bedoelde brief ("Gaarne ontvangt…etc.") heeft verzoeker niet specifiek verzocht om in te gaan op het punt van overleg met de gemeente, zodat dat ook niet is geschied. Voor wat betreft de vraag of de tweede klachtbrief van verzoeker d.d. 27 december 2001 door Staatsbosbeheer conform de Algemene wet bestuursrecht is afgehandeld verwijst Staatsbosbeheer naar de inhoud van de brief van Staatsbosbeheer van 6 februari jl; Staatsbosbeheer conformeert zich gaarne aan het oordeel van de Nationale Ombudsman over deze vraag.

In reactie op de door u gestelde vragen deel ik u nog het volgende mee.

Staatsbosbeheer heeft in verband met de acute dreiging van MKZ veel bos- en natuurterreinen tijdelijk voor het publiek afgesloten. Bij het Savelsbos is dit, net als bij alle andere objecten van enige omvang, gebeurd door de boswegen en -paden, waar normaal gesproken geen echt doorgaande verkeersfunctie is, af te sluiten door het plaatsen van dranghekken met aansluitend rood-wit plastic linten. Verder is bij iedere afsluiting een provisorisch 'bord' geplaatst in de vorm van een geplastificeerd A-4-tje met een tekst inzake het toegangsverbod met een verwijzing naar artikel 461 WvS. Voorafgaand aan deze afsluiting heeft de opzichter van Staatsbosbeheer telefonisch contact opgenomen met de gemeente Margraten, waarbij er met de burgemeester (qualitate qua) is overlegd over de voorgenomen afsluiting. De burgemeester heeft met die afsluiting mondeling ingestemd. De Gemeente Margraten heeft bovendien vanuit gemeentewerken dranghekken beschikbaar gesteld aan Staatsbosbeheer. Bij dit alles moet in herinnering worden geroepen dat het hier ging om een acute crisissituatie waarin snel handelen geboden was. Na ongeveer één week zijn de afsluitingen weer opgeruimd.

Niettegenstaande het feit, maar ook mede gezien het feit dat Staatsbosbeheer verzoeker reeds één en andermaal in het gelijk heeft gesteld inzake de juridische vraag waar het oorspronkelijk om ging, acht Staatsbosbeheer de klacht ongegrond…”

D. reactie verzoeker

Naar aanleiding van het standpunt van Staatsbosbeheer met betrekking tot zijn klacht liet verzoeker de Nationale ombudsman onder meer nog het volgende weten:

“Klager heeft geklaagd over de afsluiting bij (…) Gonsveld en bij de Savelsberg (…), welke afsluitingen op het gebied van Gonsveld-Eijsden liggen. De burgemeester van Margraten heeft niets over de betreffende wegen te zeggen.”

E. Reactie staatsbosbeheer

Naar aanleiding van een nadere vraag deelde Staatsbosbeheer onder meer nog het volgende mee:

“De heer J. van Staatsbosbeheer Roermond, wiens telefoonnummer is vermeld op de brieven van Staatsbosbeheer van 23 april 2001 en 6 februari 2002, is slechts in zoverre betrokken geweest bij het concipiëren van de brief van 6 februari 2002 dat hij feitelijke achtergrondinformatie over deze zaak heeft verstrekt aan de medewerker van de Centrale organisatie van Staatsbosbeheer te Driebergen die de betreffende brief heeft opgesteld voor de directeur.”

Achtergrond

1. Algemene wet bestuursrecht

Artikel 9:7:

“1. De behandeling van de klacht geschiedt door een persoon die niet bij de gedraging waarop de klacht betrekking heeft, betrokken is geweest.

2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de klacht betrekking heeft op een gedraging van het bestuursorgaan zelf dan wel de voorzitter of een lid ervan.”

Artikel 9:8:

“1. Het bestuursorgaan is niet verplicht de klacht te behandelen indien zij betrekking heeft op een gedraging:

a. waarover reeds eerder een klacht is ingediend die met inachtneming van de artikelen 9:4 en volgende is behandeld;

b. die langer dan een jaar voor indiening van de klacht heeft plaatsgevonden;

c. waartegen door de klager bezwaar gemaakt had kunnen worden,

d. waartegen door de klager beroep kan of kon worden ingesteld;

e. die door het instellen van een procedure aan het oordeel van een andere rechterlijke instantie dan een administratieve rechter onderworpen is, dan wel onderworpen is geweest of,

f. zolang terzake daarvan een opsporingsonderzoek op bevel van de officier van justitie of een vervolging gaande is, dan wel indien de gedraging deel uitmaakt van de opsporing of vervolging van een strafbaar feit en terzake van dat feit een opsporingsonderzoek op bevel van de officier van justitie of een vervolging gaande is.

2. Het bestuursorgaan is niet verplicht de klacht te behandelen indien het belang van de klager dan wel het gewicht van de gedraging kennelijk onvoldoende is.

3. Van het niet in behandeling nemen van de klacht wordt de klager zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van het klaagschrift schriftelijk in kennis gesteld.”

Artikel 9:10:

“1. Het bestuursorgaan stelt de klager en degene op wiens gedraging de klacht betrekking heeft, in de gelegenheid te worden gehoord.

2. Van het horen van de klager kan worden afgezien indien de klacht kennelijk ongegrond is dan wel indien de klager heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord.

3. Van het horen wordt een verslag gemaakt.”

Artikel 9:11:

“1. Het bestuursorgaan handelt de klacht af binnen zes weken of - indien afdeling 9.3 van toepassing is - binnen tien weken na ontvangst van het klaagschrift.

2. Het bestuursorgaan kan de afhandeling voor ten hoogste vier weken verdagen. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de klager en aan degene op wiens gedraging de klacht betrekking heeft.”

Artikel 9:12:

“1. Het bestuursorgaan stelt de klager schriftelijk en gemotiveerd in kennis van de bevindingen van het onderzoek naar de klacht alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.

2. Indien vervolgens nog een klacht kan worden ingediend bij een persoon of college, aangewezen om klachten over het bestuursorgaan te behandelen, wordt daarvan bij de kennisgeving melding gemaakt.”

2. Gemeentewet

Artikel 175

“1. In geval van oproerige beweging, van andere ernstige wanordelijkheden of van rampen of zware ongevallen, dan wel van ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, is de burgemeester bevoegd alle bevelen te geven die hij ter handhaving van de openbare orde of ter beperking van gevaar nodig acht. Daarbij kan van andere dan bij de Grondwet gestelde voorschriften worden afgeweken.

2. De burgemeester laat tot maatregelen van geweld niet overgaan dan na het doen van de nodige waarschuwing.”

Artikel 176

“1. Wanneer een omstandigheid als bedoeld in artikel 175, eerste lid, zich voordoet, kan de burgemeester algemeen verbindende voorschriften geven die ter handhaving van de openbare orde of ter beperking van gevaar nodig zijn. Daarbij kan van andere dan bij de Grondwet gestelde voorschriften worden afgeweken. Hij maakt deze voorschriften bekend op een door hem te bepalen wijze.

2. De burgemeester brengt de voorschriften zo spoedig mogelijk ter kennis van de raad, van de commissaris van de Koning en van de officier van justitie, hoofd van het arrondissementsparket.

3. De voorschriften vervallen, indien zij niet door de raad in zijn eerstvolgende vergadering die blijkens de presentielijst door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden is bezocht, worden bekrachtigd.

4. Indien de raad de voorschriften niet bekrachtigt, kan de burgemeester binnen vierentwintig uren administratief beroep instellen bij de commissaris van de Koning.

Deze beslist binnen twee dagen. Gedurende de beroepstermijn en de behandeling van het administratief beroep blijven de voorschriften van kracht.

5. Hoofdstuk 6 en afdeling 7.3 van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van toepassing op het administratief beroep, bedoeld in het vierde lid.

6. De commissaris kan de werking van de voorschriften opschorten zolang zij niet bekrachtigd zijn. Het opschorten stuit onmiddellijk de werking van de voorschriften.

7. Zodra een omstandigheid als bedoeld in artikel 175, eerste lid, zich niet langer voordoet, trekt de burgemeester de voorschriften in. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.”

3. Wegenwet

Artikel 13:

“1. De eigendom van wegen wordt, zoolang en voor zoover niet het tegendeel blijkt, vermoed te zijn bij de provincie, de gemeente of het waterschap, door welke of door hetwelk de weg wordt onderhouden.

2. Dit vermoeden werkt niet tegen degene, van wien wel het onderhoud is overgenomen doch niet de eigendom.”

4. Wegenverkeerswet 1994

Artikel 15

“1. De plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, geschiedt krachtens een verkeersbesluit.

2. Maatregelen op of aan de weg tot wijziging van de inrichting van de weg of tot het aanbrengen of verwijderen van voorzieningen ter regeling van het verkeer geschieden krachtens een verkeersbesluit, indien de maatregelen leiden tot een beperking of uitbreiding van het aantal categorieën weggebruikers dat van een weg of weggedeelte gebruik kan maken.”

Artikel 16:

“1. De in artikel 15 bedoelde verkeerstekens en onderborden worden geplaatst of verwijderd, en de daar bedoelde maatregelen worden getroffen, door de zorg van het gezag dat het verkeersbesluit heeft genomen.

2. Verkeerstekens en onderborden, die niet worden geplaatst of verwijderd krachtens een verkeersbesluit, worden geplaatst of verwijderd door de zorg van het openbaar lichaam dat het beheer heeft over de weg of, indien geen openbaar lichaam het beheer heeft, door de zorg van de eigenaar van de weg.”

5. Wetboek van Strafrecht

Artikel 461

“Hij die, zonder daartoe gerechtigd te zijn, zich op eens anders grond waarvan de toegang op een voor hem blijkbare wijze door de rechthebbende is verboden, bevindt of daar vee laat lopen, wordt gestraft met geldboete van de eerste categorie.”

Instantie: Staatsbosbeheer

Klacht:

I.v.m. uitbraak van mond- en klauwzeer op onrechtmatige wijze openbare wegen afgesloten nabij Savelsbos te Gronsveld; klachtbehandeling niet conform H9 Awb.

Oordeel:

Niet gegrond

Instantie: Staatsbosbeheer

Klacht:

In antwoordbrief onvoldoende ingegaan op overleg met gemeente; vermelding telefoonnummer van betrokken ambtenaar in klachtafdoeningsbrief.

Oordeel:

Gegrond