Een man dient een klacht in over een directeur van een servicebureau jeugdhulp (SbJH). Het gaat om een gemeenschappelijke regeling voor een aantal aangesloten gemeenten. De man is het er niet mee eens dat de directeur een arbeidsvoorwaardengesprek met hem afbrak en hij niet werd aangenomen voor de functie waar hij op solliciteerde. De directeur legde de klacht voor aan het bestuur. Dit bestuur vroeg de directeur de klacht zelf te behandelen. De directeur handelde de klacht af en vond de klacht van de man niet gegrond. De man is het hier niet mee eens en dient een klacht in bij de Nationale ombudsman. Hij vindt dat de directeur de klacht niet zelf had moeten behandelen. Verder is hij het er niet mee eens dat hij zijn klacht niet mondeling kon toelichten.
De ombudsman onderzoekt de klacht en stelt het servicebureau een aantal vragen over wat er is gebeurd. Hierbij blijkt dat de man ook een kort geding startte bij de rechtbank, omdat hij niet is aangenomen voor de functie waarop hij solliciteerde. De vorderingen van de man zijn afgewezen.
De ombudsman vindt na zijn onderzoek de klacht over het servicebureau gedeeltelijk gegrond. Hij vindt de klacht gegrond voor zover dat de directeur van het servicebureau over wie de klacht ging, deze klacht zelf afhandelde. Hij komt tot de conclusie dat het niet correct is dat het bestuur van het SbJH, de directeur liet weten dat deze de klacht kon behandelen. En dat de directeur de klacht hierna ook zelf behandelde. In artikel 9:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) staat dat de behandeling van een klacht wordt gedaan door iemand die er niet bij betrokken is. Over de klacht dat de man niet werd gehoord geeft de ombudsman geen oordeel. Hij constateert dat het verhaal van de man en dat van de directeur op het punt of hij in de gelegenheid is gesteld om zijn klacht toe te lichten, verschillen. Daarom kan de ombudsman niet beoordelen of de man wel in de gelegenheid is gesteld om zijn klacht toe te lichten.