Een vrouw had een privacyklacht ingediend bij de AP. De behandeling daarvan liep ongeveer twee jaar. In die tijd had zij regelmatig contact met de AP. Zij diende ook een aantal klachten in over de dienstverlening.
De vrouw klaagde er ten eerste over dat een medewerker van de AP onbeleefd was in het telefonisch contact met haar. En dat die medewerker haar verwarde met iemand anders. Ze werd namelijk met andere naam aangesproken dan haar eigen naam. De vrouw had een geluidsopname van het gesprek.
De AP beluisterde de opname en legde de klacht van de vrouw voor aan de medewerker. Die zei dat de door de vrouw gedeelde opname niet het hele gesprek was. En dat de opname daarom geen goed beeld gaf. De AP gaf daarom geen oordeel over de klacht.
De vrouw was het hier niet mee eens en diende de klacht in bij de Nationale ombudsman. Medewerkers van de ombudsman hebben de geluidsopname ook beluisterd. Op de opname is onder andere te horen dat de medewerker de vrouw met een andere naam aanspreekt. De ombudsman heeft aan de AP gevraagd of de medewerker dat heeft ontkend. Dat bleek niet het geval.
De ombudsman vindt de klacht van de vrouw over het verkeerd aanspreken daarom gegrond. Hij geeft geen oordeel over de bejegening. Want ook de ombudsman kan niet vaststellen in welke context de door de vrouw gedeelde opname plaatsvond.
De vrouw diende ook een paar andere klachten in, onder andere over het verloop van een hoorzitting bij de AP. En over dat zij structureel verwisseld zou worden met andere personen. Die andere klachten vindt de ombudsman niet gegrond.