Gedrag politiemedewerker onhandig, maar partijdigheid niet gebleken

Brief

Klager heeft een conflict met zijn ex-vrouw over het ophalen van hun kinderen op het schoolplein. Beide ouders willen de kinderen meenemen. Op het plein is ook een politiemedewerker in burger aanwezig, die volgens de klager bevriend is met de ex-vrouw. Nadat de klager de politie belt, arriveren twee agenten. Na aankomst overleggen zij met de betrokken politiemedewerker. Hierna overleggen de agenten met klager en zijn ex-vrouw. Na dit overleg besluiten de agenten dat de kinderen met de ex-vrouw meegaan. 

De klager vermoedt dat de aanwezige politiemedewerker dit besluit heeft beïnvloed. Dat vermoeden wordt versterkt doordat de kinderen later die dag bij deze medewerker zijn en hij die ochtend contact heeft gehad met de ex-vrouw.

De politie erkent dat de politiemedewerker onhandige keuzes maakt door zich in een situatie te mengen waarin hij privé betrokken was. Hierdoor ontstaat de schijn van partijdigheid. Op dat punt wordt de klacht gegrond verklaard. Volgens de politie is er echter geen bewijs dat de medewerker daadwerkelijk niet integer of bewust partijdig heeft gehandeld of dat hij de beslissing van de agenten heeft beïnvloed. Dat deel van de klacht wordt ongegrond verklaard.

De Nationale ombudsman kan zich inhoudelijk in het oordeel van de politie vinden. Er zijn onvoldoende feiten om vast te stellen dat de politiemedewerker daadwerkelijk partijdig heeft gehandeld of samen met de ex-vrouw een plan heeft gemaakt. Wel uit de ombudsman zorgen over de klachtenprocedure. Tijdens de hoorzitting heeft klager volgens de ombudsman onvoldoende ruimte gehad om in te gaan op verklaringen en op de gestelde vriendschap tussen de betrokken politiemedewerker en zijn ex-vrouw. Hierdoor zijn essentiële klachtelementen onbesproken gebleven en dat heeft de procedurele rechtvaardigheid aangetast. Een nieuwe behandeling van de klacht acht de ombudsman echter niet nodig, omdat dit naar verwachting niet tot een ander oordeel leidt.