2019/044 Een 'tik' met gevolgen - Een onderzoek naar het proces rond een mededeling aan het CBR door de politie Noord-Holland

Instantie
Rapportnummer
2019/044
Rapport
   

De politie heeft een CBR-mededeling tegen verzoeker gedaan en zijn rijbewijs ingenomen, nadat verzoeker bij het uitparkeren tegen een geparkeerde auto was aangereden. Verzoeker vindt dat het proces in aanloop naar deze mededeling niet behoorlijk is verlopen.

Getuigen hadden aan de politie verteld dat zij hadden gezien en gehoord dat verzoeker veel gas gaf en dat hij tegen een vóór hem geparkeerde auto was gereden. Daarna was hij weggereden. De politie ging naar verzoekers huis. Het contact tussen de agenten en verzoeker verliep niet soepel. De agenten constateerden dat verzoeker een klapvoet had. Ook zagen ze dat er flink wat deuken in de auto van verzoeker zaten. Op basis van al deze bevindingen besloten de agenten om een CBR-mededeling te doen, omdat ze vermoedden dat verzoeker mogelijk niet veilig kon rijden. Ook besloten ze om direct zijn rijbewijs in te nemen. Als gevolg van de mededeling moest verzoeker bij het CBR tot twee keer toe een rijtest doen. Uiteindelijk kreeg hij zijn rijbewijs terug.

De ombudsman beoordeelt of het proces in aanloop naar de CBR-mededeling behoorlijk is verlopen. Hij concludeert dat verzoeker door de politie adequaat is geïnformeerd over de CBR-mededeling en de achtergrond daarvan. De agenten hebben ook het CBR goed geïnformeerd. Het proces-verbaal van het verhoor van verzoeker is meegestuurd naar het CBR, zodat het CBR er kennis van kon nemen dat verzoeker het er niet mee eens was dat de CBR-mededeling werd gedaan. Wel sluit de ombudsman zich aan bij de conclusie van de politiechef dat de standaardtekstblokken die worden gebruikt in de CBR-mededeling onvoldoende specifiek zijn. De ombudsman kan zich voorstellen dat verzoeker gegriefd is doordat de CBR-mededeling lijkt te suggereren dat hij ernstige psychiatrische problemen ondervindt, terwijl dat niet aan de orde is.

Instantie: politie

Klacht:

De politie heeft een schriftelijke mededeling aan het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) gedaan als bedoeld in artikel 130 Wegenverkeerswet 1994, in verband met het vermoeden dat verzoeker niet langer beschikte over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid die vereist is voor het besturen van een auto. Verzoeker klaagt er over dat het proces in aanloop naar deze mededeling niet behoorlijk verlopen is.

Oordeel:
Niet gegrond