2014/220 Regionale politie-eenheid Rotterdam houdt gevaarlijk rijdende man op redelijke wijze aan

Rapportnummer
2014/220
Rapport

Verzoeksters zoon X reed samen met een bekende in een geleende auto. Op een gegeven moment bood zijn rijgedrag voor een aantal politieambtenaren aanleiding om hem na een achtervolging staande te houden. Zo haalde X bij een kruising de ME bus aan de linkerkant in waardoor X de kruising niet kon overzien. Terwijl X op de kruising linksaf sloeg, zagen andere verkeersdeelnemers zich genoodzaakt om te remmen of te stoppen teneinde een aanrijding met X te voorkomen. X remde nagenoeg niet af bij onoverzichtelijke situaties of kruisingen, gaf geen richting aan, reed tegen het verkeer in en bracht hierdoor de overige verkeersdeelnemers in gevaar. X werd vervolgens door een politieambtenaar uit de auto gehaald omdat hij geen gehoor zou hebben gegeven aan het verzoek van de politie om uit te stappen. Vervolgens werd hij geboeid naar het politiebureau overgebracht.

Verzoekster klaagde er namens haar zoon X over dat politieambtenaren van de eenheid Rotterdam onnodig escalerend hadden opgetreden door haar zoon X uit zijn auto te sleuren en vlak voor het gezicht van X te gaan schreeuwen. Verder klaagde verzoekster erover dat haar zoon X was geboeid.

De Nationale ombudsman overwoog dat de houding van X door de betrokken politieambtenaar worden opgevat als een non-coöperatieve opstelling. Gelet hierop was het niet onjuist dat een van de politieambtenaren verzoeksters zoon X, teneinde hem te kunnen aanhouden, had vastgepakt en uit zijn auto had gehaald. Voor wat betreft het schreeuwen, achtte de Nationale ombudsman het niet aannemelijk dat politieambtenaar W. met zijn eigen voorhoofd vlak voor het voorhoofd van X zou hebben staan schreeuwen omdat hij daarmee zelf risico zou hebben gelopen. De ombudsman achtte het wel aannemelijk dat W. harde woorden heeft gebruikt tegen X., gelet op diens gevaarlijke verkeersgedrag, maar hij had onvoldoende aanwijzingen dat hiermee de grenzen van de behoorlijkheid zouden zijn overschreden. Op basis hiervan was de Nationale ombudsman van oordeel dat de politie niet had gehandeld in strijd met het vereiste dat de politie in haar contact met de burger probeert te voorkomen of te beperken

Naar het oordeel van de Nationale ombudsman kon X nadat hij uit de auto was gehaald, nog als vluchtgevaarlijk worden beschouwd en om die reden geboeid worden. De Nationale ombudsman was daarom van oordeel dat de politie het recht op lichamelijke integriteit voldoende had gerespecteerd.

Instantie: Politiechef regionale eenheid Rotterdam

Klacht:

onnodig escalerend opgetreden door verzoeksters zoon uit zijn auto te sleuren en vlak voor zijn gezicht te gaan schreeuwen

Oordeel:
Niet gegrond

Instantie: Politiechef regionale eenheid Rotterdam

Klacht:

verzoeksters zoon geboeid

Oordeel:
Niet gegrond