2007/034

Rapportnummer
2007/034
Rapport

Verzoeker en zijn ex-echtgenote zijn op 9 september 2003 gescheiden en hebben samen twee minderjarige kinderen. Zij oefenen gezamenlijk het gezag uit over hun twee kinderen.

Uit het onderzoek is onder meer gebleken dat de politie tussen april 2003 en augus­tus 2004 regelmatig bemoeienis met verzoeker en zijn ex-echtgenote had. Verzoeker klaagde over de wijze waarop ambtenaren van het regionale politiekorps Noord-Holland Noord zijn opgetreden nadat zijn ex-echtgenote hun kinderen aan zijn gezag had onttrokken.

Verzoeker klaagde er met name over dat de politieambtenaren zijn ex-echtgenote in augustus 2004 hadden geholpen om de kinderen over te brengen naar een opvanghuis. Uit het onderzoek was gebleken dat de politie het telefoonnummer van een blijf-van-mijn-lijf-huis had verstrekt aan de ex-echtgenote van verzoeker. De Nationale ombudsman oordeelde dat dit valt onder de hulpverlenende taak van de politie. Verder was niet gebleken van enige hulp bij het daadwerkelijk overbrengen van de kinderen naar een opvanghuis. Verder achtte de Nationale ombudsman het aannemelijk dat politieambtenaar J. de GGZ en de bemiddelingstherapeute had benaderd om zich te laten informeren over de geestelijke toestand van verzoeker, met het oog op de mogelijkheid dat verzoeker zijn kinderen iets aan zou kunnen doen. De preventie van eventuele strafbare feiten valt onder de noemer van de politietaak, als bedoeld in artikel 2 van de Politiewet. Gelet op het feit dat er signalen van zijn ex-echtgenote waren dat verzoeker zijn kinderen iets aan zou kunnen doen, en de eerdere aangifte en veroordeling wegens mishandeling van zijn ex-echtgenote, achtte de Nationale ombudsman het niet onjuist dat politieambtenaar J, informatie had ingewonnen bij de GGZ en de bemiddelingstherapeute van verzoeker. De politie had hierbij naar het oordeel van de Nationale ombudsman niet een ongeoor­loofde inbreuk gemaakt op verzoekers recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.

Verder bleek tijdens het onderzoek dat verzoeker op 26 augustus 2004 aangifte van onttrekking aan het ouderlijk gezag van zijn kinderen door zijn ex-echtgenote had gedaan. Na overleg van de politie met de officier van justitie werd geconcludeerd dat er geen sprake was van een strafbaar feit, aangezien het een civiele aangelegenheid betrof. De aangifte van verzoeker werd geseponeerd.

Uit het onderzoek bleek dat het regionale politiekorps Noord-Holland-Noord het Handboek Jeugdzaken als uitgangspunt neemt voor het politieoptreden bij omgangsproblemen. Hierin is opgenomen dat de politie als er sprake is van gezamenlijk gezag slechts kan bemiddelen. Als een van de ouders gezag heeft en de andere ouder (zonder gezag) weigert om zijn kind terug te brengen, dan kan de politie, eventueel na bemiddeling, strafrechtelijk optreden. Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 15 februari 2005 kan worden afgeleid dat ook degene die (mede) het gezag over het kind uitoefent dit kind desondanks aan het gezag van een ander kan onttrekken. Dus ook als er sprake is van gezamenlijk gezag kan de politie strafrechtelijk optreden. Gelet op de voorgaande jurisprudentie zag de Nationale ombudsman aanleiding om de korpsbeheerder in overweging te geven om de relevante jurisprudentie (de uitspraak van de Hoge Raad van 15 februari 2005) als uitgangspunt te nemen voor het politieoptreden.

Instantie: Regiopolitie Noord-Holland Noord

Klacht: Wijze van optreden nadat ex-echtgenote van verzoeker hun kinderen aan verzoekers gezag had onttrokken: verzoekers ex-echtgenote in augustus 2004 geholpen om kinderen over te brengen naar opvanghuis, niet geïnformeerd over verblijfplaats kinderen, instanties en personen verboden om verzoeker mee te delen waar zijn kinderen verbleven, kinderen in april 2005 overgebracht naar andere school dan die waar verzoeker zijn kinderen naar toe had gebracht. Oordeel:
Niet gegrond