2003/031

Rapport

Verzoekers (vader O. en zoon R.) klagen over het optreden van ambtenaren van het regionale politiekorps Utrecht op 5 en 6 september 1998. Verzoekers klagen er met name over dat de politieambtenaren:

- de zoon bij zijn aanhouding op 5 september 1998 niet onverwijld op de hoogte hebben gesteld van de reden van zijn arrestatie en van de beschuldigingen die tegen hem waren ingebracht;

- de zoon direct na zijn aanhouding op 5 september 1998 ongevraagd hebben ingesloten in een cel die voor inverzekeringstelling is bestemd;

- de zoon direct na zijn aanhouding op 5 september 1998 alvorens hij werd ingesloten in de cel, hebben gefouilleerd;

- de zoon op 6 september 1998 langer dan voor het onderzoek nog noodzakelijk was van zijn vrijheid hebben beroofd, door hem pas om 16:30 uur over te dragen aan de ouderlijke macht, terwijl omstreeks 14:00 uur de verhoren waren afgerond en het proces-verbaal vermeldt dat hij om 15:00 uur in vrijheid was gesteld.

Verzoekers klagen er ook over dat een met naam genoemde ambtenaar van het regionale politiekorps Utrecht de vader op 5 september 1998, naar aanleiding van de aanhouding van zijn zoon, verkeerd heeft voorgelicht over de reden van de aanhouding.

Tevens klagen verzoekers erover dat ambtenaren van het regionale politiekorps Utrecht in het kader van de inverzekeringstelling (en dus ook de invrijheidstelling) van de zoon geen contact hebben gehad met een officier van justitie, althans dat daarvan uit het proces-verbaal niets is gebleken.

Verder klagen verzoekers erover dat een met naam genoemde ambtenaar van het regionale politiekorps Utrecht tijdens de klachtbehandeling in strijd met de waarheid heeft aangegeven dat een medewerkster van de Raad voor de Kinderbescherming zou hebben ontkend dat een andere politieambtenaar het woord “pedofilie” tegenover haar heeft gebezigd.

Voorts klagen verzoekers erover dat de klachtbehandelaar van het regionale politiekorps Utrecht in zijn, naar aanleiding van het door verzoekers ingediende klaagschrift van 1 februari 1999 opgestelde rapportage van 15 maart 1999, en tevens in zijn, naar aanleiding van het door verzoekers ingediende herzieningsverzoek van 23 april 1999 opgestelde advies van 18 mei 1999, onvolledig en onjuist heeft gerapporteerd. Verzoekers klagen er onder meer over dat de klachtbehandelaar:

- in zijn advies van 18 mei 1999 niet ingaat op klachtonderdeel 10 (over de aanduiding "aanranding") van het door verzoekers ingediende herzieningsverzoek;

- een verkeerde voorstelling van zaken geeft als hij in zijn rapportage van 15 maart 1999 aangeeft dat "volgens klager in het proces-verbaal van verhoor van de verdachte ook de vraag naar de verhorende ambtenaar vermeld dient te worden", terwijl dit getuigen en benadeelden dienen te zijn en onvolledig rapporteert als hij er vervolgens in zijn advies van 18 mei 1999 niet meer op ingaat.

Ten slotte klagen verzoekers erover dat ambtenaren van het regionale politiekorps Utrecht geen volledig proces-verbaal hebben opgemaakt, door een relevant onderdeel van de verklaring van de met naam genoemde getuige X niet op te nemen (waardoor deze getuige zich genoodzaakt zag de ondertekening van zijn verklaring te weigeren).

Beoordeling

I. Inleiding

In de nacht van vrijdag 4 op zaterdag 5 september 1998 kregen politieambtenaren van het regionale politiekorps Utrecht opdracht zich te vervoegen op een camping in Q. Daar aangekomen werden zij aangesproken door twee meisjes die te kennen gaven dat zij op de camping onzedelijk waren betast door een jongen. De jongen had hen bij de borsten en billen gepakt, zonder dat zij dat wilden.

Verzoeker R. werd hierop om 01:35 uur door de betrokken ambtenaren op heterdaad aangehouden terzake van feitelijke aanranding en overgebracht naar het politiebureau te Q, waar hij om 01:55 uur werd voorgeleid aan hulpofficier van justitie Ka.

Hierna werd R. overgebracht naar het politiebureau te Veenendaal teneinde daar te worden ingesloten voor de nacht. De ouders van R. werden die nacht rond 02:00 uur telefonisch van de aanhouding van R. op de hoogte gesteld.

Zaterdagmiddag om 15:00 uur werd R. in verzekering gesteld door hulpofficier van justitie B., overwegende dat R. werd verdacht van feitelijke aanranding der eerbaarheid en/of ontucht plegen met iemand beneden de leeftijd van 16 jaar, strafbaar gesteld bij artikelen 246 en 247 van het Wetboek van Strafrecht. R. bekende ten overstaan van B. dat hij die nacht een meisje onzedelijk had betast.

Op zondagmiddag omstreeks 12:00 uur heeft R., die toen 17 jaar was, bezoek gehad van een medewerkster van de Raad voor de Kinderbescherming. Rond 14:00 uur waren de verhoren afgerond en om 15:00 uur eindigde de inverzekeringstelling. Van 15:00 uur tot 16:30 uur verbleef R., in afwachting van zijn ouders, in een ophoudkamer op het politiebureau.

II. Ten aanzien van het op de hoogte stellen van de reden van aanhouding

1. Verzoekers klagen er in de eerste plaats over dat ambtenaren van het regionale politiekorps Utrecht R. bij zijn aanhouding op 5 september 1998 - in strijd met artikel 5 lid 2 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) (zie Achtergrond, onder 1.) - niet onverwijld op de hoogte hebben gesteld van de reden van zijn arrestatie en van de beschuldigingen die tegen hem waren ingebracht. Volgens verzoekers is R. door de aanhoudende politieambtenaren slechts meegedeeld “dat hij wel wist waarvoor hij was aangehouden”, zonder verder enige beschuldiging te noemen.

2. De korpsbeheerder achtte de klacht niet gegrond. Volgens de korpsbeheerder is zowel door de betrokken ambtenaren Kr. en S. als door de hulpofficier van justitie onverwijld meegedeeld waarvoor R. was aangehouden en is hem daarbij tevens duidelijk gemaakt welke beschuldigingen aan zijn adres waren gericht.

3. In het door betrokken ambtenaren Kr. en S. opgemaakte proces-verbaal van aanhouding staat vermeld dat R. is aangehouden terzake van “feitelijke aanranding”, nadat door twee afzonderlijke aangeefsters was verklaard dat zij door hem onzedelijk waren betast (zie Bevindingen, onder A.2.).

4. Tijdens de klachtbehandeling bij de politie hebben de betrokken ambtenaren verklaard dat zij wel degelijk aan R. hebben meegedeeld waarvoor hij was aangehouden, namelijk “aanranding” (zie Bevindingen, onder A.8.).

5. In reactie op deze verklaring van de betrokken ambtenaren hebben verzoekers in hun bij de politie ingediende herzieningsverzoek (zie Bevindingen, onder A.10.) aangegeven dat - al zou aanranding zijn genoemd (hetgeen R. ontkent) - deze mededeling alleen geen recht doet aan het doel en de strekking van artikel 5 lid 2 EVRM.

6. Tijdens de klachtbehandeling door de politie gaf de korpsbeheerder in reactie op dit standpunt van verzoekers (zie Bevindingen, onder A.13.) onder meer te kennen dat het naar haar oordeel afdoende is wanneer de verdachte weet voor welke feitelijke gedragingen hij of zij wordt aangehouden. De korpsbeheerder had vastgesteld dat de aanhouding relatief kort na het incident had plaatsgevonden en dat R. voorafgaand aan de aanhouding door een groep jongeren was bedreigd in verband met zijn gedrag en door een moeder van één van de aangeefsters was aangesproken en beschuldigd van verkrachting. Daarbij had de moeder gezegd dat ze de politie had gewaarschuwd. Verder wees de korpsbeheerder op de omstandigheid dat R. zelf had verklaard dat de betrokken ambtenaren hem hadden verteld dat hij moest meekomen en dat hij “wel wist waarom”. Niet was gebleken dat R., in reactie op hetgeen deze politieambtenaren hadden gezegd, had aangegeven dat hij niet wist waarom hij werd aangehouden en de korpsbeheerder achtte dat, gegeven de omstandigheden, ook zeer onwaarschijnlijk.

7. Op grond van internationale verdragsbepalingen (zie Achtergrond, onder 1. en 2.) hebben opsporingsambtenaren de plicht om een ieder die wordt aangehouden, onverwijld op de hoogte te brengen van de reden van de aanhouding.

8. Over de feitelijke toedracht lopen de lezingen uiteen. Volgens de betrokken ambtenaren Kr. en S. hebben zij aan R. meegedeeld dat hij voor “aanranding” was aangehouden. Een en ander staat gerelateerd in het proces-verbaal van aanhouding, waar van “feitelijke aanranding” wordt gesproken. Verzoeker R. ontkent dat deze mededeling is gedaan. Nu er twee verklaringen tegenover die van R. staan en uit de stukken blijkt dat R. op het moment van aanhouding veel gedronken had en (zoals hij tegenover de herzieningscommissie heeft verklaard) hem die avond “aardig zag zitten” (zie Bevindingen, onder A.12.), acht de Nationale ombudsman de lezing van de betrokken ambtenaren aannemelijker dan die van R.

9. Er van uitgaande dat de term “aanranding” door de betrokken ambtenaren is genoemd, is de Nationale ombudsman van mening dat R. in deze concrete situatie voldoende duidelijk is gemaakt waarvoor hij werd aangehouden. De inhoudelijke eis die aan de in artikel 5 lid 2 EVRM neergelegde informatieplicht wordt gesteld, is dat de verdachte bij zijn aanhouding moet weten van welk strafbaar feit hij wordt verdacht en waarom hij hiervan wordt verdacht (zie Achtergrond, onder 3.).

De Nationale ombudsman is met de korpsbeheerder van mening dat R. gezien de omstandigheden van het geval - dat de gebeurtenissen die aanleiding gaven tot aanhouding betrekkelijk kort tevoren en (ongeveer) op dezelfde plaats waren voorgevallen en dat nog vóór de komst van de politieambtenaren R. door een groepje jongens en door een moeder van één van de aangeefsters aangesproken was op zijn gedrag - bij het horen van de term “aanranding” (een term die bovendien, voor zover het zedendelicten betreft, slechts wordt gebruikt in artikel 246 Sr) redelijkerwijs niet in twijfel kon verkeren over de beschuldiging en de redenen daarvoor.

De onderzochte gedraging is op dit punt dan ook behoorlijk.

III. Ten aanzien van de insluiting in een cel die voor inverzekeringstelling is bestemd

1. Voorts klagen verzoekers erover dat ambtenaren van het regionale korps Utrecht R. direct na zijn aanhouding op 5 september 1998 op het politiebureau te Veenendaal ongevraagd hebben ingesloten in een cel die voor inverzekeringstelling is bestemd. Verzoekers wijzen in dit verband op de circulaire van de Minister van Justitie van 29 december 1928 (zie Achtergrond, onder 4.). In deze circulaire staat dat de verdachte die op de plaats van verhoor is aangekomen, maar nog niet terstond kan worden gehoord, in een wachtlokaal of dergelijke gelegenheid moet worden ondergebracht, tenzij hij zelf - bijvoorbeeld in de tijd van de nachtrust - een bed in een lokaal voor in verzekeringstelling bestemd, mocht verkiezen.

2. De korpsbeheerder achtte de klacht niet gegrond. Volgens de korpsbeheerder beschikt het betreffende bureau over ophoudkamers en cellen en zijn beide typen ruimte bestemd voor inverzekeringgestelde verdachten alsmede voor verdachten die worden opgehouden voor verhoor. De ophoudkamers worden gebruikt in verhoorsituaties en bij kortstondig verblijf. De cellen worden in alle overige gevallen gebruikt, aldus de korpsbeheerder.

3. Tijdens de klachtbehandeling bij de politie heeft klachtbehandelaar L. met betrekking tot dit klachtonderdeel aangegeven dat het verwijzen naar een circulaire waarin staat dat een verdachte in een wachtlokaal zou moeten worden ondergebracht weinig gastvrij is, aangezien “het genieten van de nachtrust op een stoel in een wachtlokaal niet als aantrekkelijk kan worden gekwalificeerd” (zie Bevindingen, onder A.8.). Volgens klachtbehandelaar L. worden in beginsel alle in de (randen van) de nachtelijke uren aangehouden verdachten die niet onmiddellijk kunnen worden verhoord, ingesloten in de celruimte van het politiebureau Veenendaal.

4. Vast staat dat R. na zijn aanhouding en overbrenging naar het politiebureau Veenendaal in een cel, niet zijnde een ophoudkamer, is ondergebracht en dat hij niet zelf voor het verblijf in een cel gekozen heeft. De door verzoekers aangehaalde circulaire bepaalt echter dat een verdachte zelf voor een verblijf in een cel moet kiezen. Alhoewel het te waarderen is dat de politieambtenaren op eigen initiatief een verdachte plaatsten in een ruimte waarvan zij menen dat het voor de nacht het meest aangenaam is, is het in het licht van deze geldende circulaire niet juist om een verdachte niet zelf de keuze te laten maken.

De onderzochte gedraging is op dit punt niet behoorlijk.

IV. Ten aanzien van de fouillering

1. Verder klagen verzoekers erover dat R. na zijn aanhouding op 5 september 1998, alvorens hij werd ingesloten in de cel, is gefouilleerd.

2. Volgens de korpsbeheerder was R. onderworpen aan een veiligheidsfouillering. De korpsbeheerder achtte de klacht niet gegrond en gaf daarbij aan dat de politie op basis van de Politiewet bevoegd is personen, die rechtens van hun vrijheid zijn beroofd, in verband met hun insluiting te fouilleren.

3. Hiermee is niet duidelijk geworden welke fouillering ten aanzien van R. heeft plaatsgevonden. Uit het dossier blijkt dat er zowel volgens verzoekers als klachtbehandelaar L. een insluitingsfouillering heeft plaatsgevonden (zie Bevindingen, onder A.6.). De korpsbeheerder spreekt echter over een veiligheidsfouillering, maar verwijst daarbij naar de wet op grond waarvan een insluitingsfouillering mag worden toegepast.

4. Alles overziend acht de Nationale ombudsman het aannemelijk dat R. aan een insluitingsfouillering ex artikel 28 van de Ambtsinstructie (zie Achtergrond, onder 5.) is onderworpen en niet aan een veiligheidsfouillering. Daarbij wordt vooral in aanmerking genomen het feit dat R. heeft verklaard dat hij voorafgaande aan zijn insluiting werd onderworpen aan een fouillering (zie Bevindingen, onder A.5.) en dat het terzake opgemaakte insluitingsformulier vermeldt dat R. is gefouilleerd door betrokken ambtenaar Kr. (zie Bevindingen, onder E.2.).

5. Volgens verzoekers had deze insluitingsfouillering niet mogen worden toegepast omdat artikel 28 van de Ambtsinstructie alleen van toepassing is op rechtens van hun vrijheid beroofde personen, terwijl R. een aangehouden persoon was.

Verzoekers verduidelijken dit met een verwijzing naar artikel 9, lid 4 van de Politiewet 1993 waar in lid 4 de basis van de fouillering is te vinden en alleen wordt gesproken over “rechtens van hun vrijheid beroofde personen” (zie Achtergrond, onder 6.) en een verwijzing naar artikel 8, lid 4 van de Politiewet 1993 (zie Achtergrond, onder 6.), waarin volgens verzoekers een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen “aangehouden” en “rechtens van hun vrijheid beroofde personen” middels het in dat artikel gebruikte voegwoord “of” tussen deze twee begrippen. R. had dan ook niet mogen worden onderworpen aan een insluitingsfouillering, aldus verzoekers (zie Bevindingen, onder A.5., punt 16.).

6. De Nationale ombudsman volgt de redenering van verzoekers niet. Nu verzoeker R. als verdachte was aangehouden, werd hij tevens van zijn vrijheid beroofd.

De rechter heeft geoordeeld dat de vrijheidsbeneming van R. niet onrechtmatig is geweest (zie Bevindingen, onder A.15.). Ingevolge artikel 28 van de Ambtsinstructie is de politie bevoegd om bij een in te sluiten persoon direct voorafgaand aan de insluiting onderzoek aan de kleding te verrichten op aanwezigheid van voorwerpen die tijdens de insluiting een gevaar voor de veiligheid van de betrokkene of voor anderen kunnen vormen. Deze fouillering mag standaard worden verricht.

De onderzochte gedraging is op dit punt dan ook behoorlijk.

V. Ten aanzien van het langer dan voor onderzoek noodzakelijk van de vrijheid beroven

1. Tevens klagen verzoekers erover dat ambtenaren van het regionale politiekorps Utrecht R. op 6 september 1998 langer dan voor het onderzoek nog noodzakelijk was van zijn vrijheid hebben beroofd, door hem pas om 16:30 uur over te dragen aan de ouderlijke macht, terwijl omstreeks 14:00 uur de verhoren waren afgerond en het proces-verbaal vermeldt dat hij om 15:00 uur in vrijheid was gesteld.

2. De korpsbeheerder achtte de klacht niet gegrond. Volgens de korpsbeheerder kon, nadat de verklaringen van de getuigen waren afgelegd, het verhoor van R. als afgerond worden beschouwd. Dit was om 14:00 uur. R. is om 15:00 uur in vrijheid gesteld. In de tijd tussen 14:00 uur en 15:00 uur had betrokken ambtenaar K. diverse administratieve en logistieke handelingen verricht. Ook had K. toen overleg gepleegd met de hulpofficier van justitie over de stand van zaken van het onderzoek. Naar de mening van de korpsbeheerder was R. niet langer aan het politiebureau opgehouden dan strikt noodzakelijk was voor de afronding van het onderzoek.

3. Ingevolge artikel 57 lid 5 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) dient een verdachte, zodra het belang van het onderzoek dit toelaat, in vrijheid te worden gesteld. Het principe dat hieraan ten grondslag ligt, is dat niemand langer van zijn vrijheid mag worden beroofd dan nodig is en dat de verdachte in vrijheid dient te worden gesteld, zodra de grond voor toepassing van het dwangmiddel is vervallen. (zie Achtergrond, onder 7.).

4. Het is begrijpelijk dat de politie - na het afronden van de verhoren - nog overleg dient te plegen over de stand van het onderzoek. Tenslotte dient te worden geoordeeld of het belang van het onderzoek noodzaakt tot langere vrijheidsbeneming. Ook dient overleg plaats te vinden met de hulpofficier van justitie, aangezien op grond van artikel 58 lid 3 Sv de hulpofficier van justitie de invrijheidstelling van de verdachte gelast (zie Achtergrond, onder 8.).

De Nationale ombudsman is in dit geval van mening dat de voor deze handelingen gebruikte termijn van een uur niet onredelijk lang is geweest.

De onderzochte gedraging is in zoverre dan ook behoorlijk.

5. Verder gaf de korpsbeheerder in reactie op dit klachtonderdeel aan dat na afloop van het onderzoek de ouders van de minderjarige R., die in IJmuiden wonen, telefonisch in kennis zijn gesteld dat zij hun zoon konden ophalen. De reistijd IJmuiden-Veenendaal bedraagt ongeveer anderhalf uur. In afwachting van de komst van de ouders is R. - in overleg en met zijn instemming - geplaatst in een ophoudkamer, nabij de meldkamer/ serviceafdeling.

6. Verzoekers klagen er met name over dat R., nadat hij om 15:00 uur in vrijheid was gesteld, in afwachting van zijn ouders anderhalf uur ten onrechte van zijn vrijheid is beroofd. Volgens verzoekers was de deur van de ophoudkamer afgesloten. Toen de ouders van R. arriveerden werd de deur van de ophoudkamer waar R. zich bevond, door betrokken ambtenaar K. door middel van een sleutel geopend, aldus verzoekers.

7. De korpsbeheerder heeft aangegeven dat de deur van de ophoudkamer wel was dicht gedaan, maar niet was afgesloten.

8. Hiermee staan ook hier de lezingen van betrokkenen tegenover elkaar. Achteraf is niet meer vast te stellen wat de feitelijke toedracht is geweest. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan aan de ene lezing meer betekenis moet worden toegekend dan aan de andere. Om die reden onthoudt de Nationale ombudsman zich van een oordeel.

VI. Ten aanzien van het verkeerd voorlichten over de reden van de aanhouding

1. Verzoekers klagen er ook over dat politieambtenaar S. verzoeker O. verkeerd heeft voorgelicht over de reden van de aanhouding van zijn zoon R. Uit het proces-verbaal blijkt dat R. op 5 september 1998 terzake van de vermoedelijke overtreding van artikel 246 Sr (feitelijke aanranding van de eerbaarheid, zie Achtergrond, onder 9.) was aangehouden. Volgens O. heeft S. echter de suggestie gewekt dat R. terzake de vermoedelijke overtreding van artikel 239 Sr (schennis van de eerbaarheid, zie Achtergrond, onder 9.) was aangehouden.

2. Verzoekers hebben aangegeven dat O. op 5 september 1998 omstreeks 02:00 uur werd gebeld door S. die hem op de hoogte stelde van het feit dat R. was aangehouden “omdat hij twee meisjes onzedelijk zou hebben betast”. Volgens O. had S. tot twee keer toe meegedeeld dan wel beaamd, dat de aanhouding had plaatsgevonden op grond van artikel 239 Sr. S. sprak tijdens dit telefoongesprek niet over (bedreiging met) geweld of een andere feitelijkheid (hetgeen een bestanddeel vormt van artikel 246 Sr; N.o.). Er kon dan ook van niets anders sprake zijn dan van overtreding van artikel 239 Sr, aldus verzoekers.

3. S. heeft tijdens het klachtonderzoek bij de politie aangegeven dat hij in het telefoongesprek met O. het artikelnummer niet heeft genoemd. Volgens S. heeft hij de bijpassende artikelnummers niet paraat en kan hij dus ook geen nummer hebben genoemd (zie Bevindingen, A.8.).

4. De korpsbeheerder onthield zich ten aanzien van dit klachtonderdeel van een oordeel. De korpsbeheerder achtte het aannemelijk dat het artikelnummer (239 Sr) tijdens het telefoongesprek tussen O. en S. is genoemd, maar heeft niet kunnen vaststellen door wie dit artikelnummer is genoemd. De korpsbeheerder wees erop dat S. heeft verklaard dat hij het nummer niet paraat heeft en slechts over de feitelijke gebeurtenissen heeft gesproken. De korpsbeheerder nam daarbij in overweging dat het onderzoek in feite nog moest beginnen en dat de feiten die aan verzoeker O. werden meegedeeld noodzakelijkerwijs globaal zijn gebleven (zie Bevindingen, A.13.).

5. Het is voorstelbaar dat S., gezien het stadium waarin het onderzoek verkeerde, de feiten globaal heeft weergegeven. Aangezien verzoeker O. heeft aangegeven dat hij zich niet meer kan herinneren of hij of S. het bewuste artikelnummer heeft genoemd (zie Bevindingen, onder B.2.), acht de Nationale ombudsman het - met het oog op de verklaring van S. - aannemelijk dat S. artikel 239 Sr niet heeft genoemd. Niet is komen vast te staan of S. al dan niet heeft beaamd dat het hier artikel 239 Sr betrof. Nu de precieze bewoordingen van het gesprek niet meer kunnen worden achterhaald, onthoudt de Nationale ombudsman zich ten aanzien van deze gedraging van een oordeel.

VII. Ten aanzien het contact opnemen met een officier van justitie

1. Daarnaast klagen verzoekers erover dat ambtenaren van het regionale politiekorps Utrecht in het kader van de inverzekeringstelling (en dus ook de invrijheidstelling) van R. geen contact hebben gehad met een officier van justitie, althans dat daarvan uit het proces-verbaal niets is gebleken.

2. De korpsbeheerder achtte de klacht niet gegrond. De korpsbeheerder gaf aan dat, alhoewel daar formeel geen verplichting toe was, de betrokken hulpofficier van justitie B. heeft laten weten dat hij in het kader van de inverzekeringstelling overleg had gepleegd met een officier van justitie. B. kon zich echter de naam van de geraadpleegde officier van justitie niet meer herinneren.

3. Klachtbehandelaar L. heeft met betrekking tot dit klachtonderdeel in zijn rapportage van 26 februari 1999 (zie Bevindingen, onder A.8.) weergegeven dat hulpofficier van justitie B. met de betreffende officier van justitie in een telefonisch overleg de zaak had doorgenomen en had afgesproken dat na afronding van het onderzoek de verdachte namens de officier van justitie kon worden heengezonden.

4. Ingevolge artikel 57 lid 1 Sv kan zowel de officier van justitie als de hulpofficier van justitie bevelen dat een verdachte in verzekering wordt gesteld (zie Achtergrond, onder 8.). Ingevolge artikel 58 lid 3 Sv komt ook de bevoegdheid tot invrijheidstelling de hulpofficier van justitie toe (zie Achtergrond, onder 7.). Een wettelijke verplichting om - ten aanzien van de inverzekeringstelling c.q. de invrijheidstelling - met een officier van justitie in contact te treden bestaat niet. Het behoort tot de praktische gang van zaken (die per arrondissement kan verschillen: zie Achtergrond, onder 12.) dat na de aanhouding en inverzekeringstelling spoedig overleg plaatsvindt met een officier van justitie over de vraag of de verdachte na inverzekeringstelling in vrijheid kan worden gesteld (zie Achtergrond, onder 11.).

5. Wordt er nu - zoals in dit geval kennelijk nodig werd geacht door B. - overleg gepleegd met een officier van justitie, dan dient dit echter wel deugdelijk te worden vastgelegd. Ook officier van justitie Oo. lijkt er vanuit te gaan dat een eventueel overleg met een officier van justitie zal moeten blijken uit de stukken (zie Bevindingen, onder A.19.). Uit de door de korpsbeheerder overhandigde stukken kan niet worden opgemaakt dat dit is gebeurd.

De onderzochte gedraging is op dit punt dan ook niet behoorlijk.

VIII. Ten aanzien van het bezigen van het woord 'pedofilie'

1. Verder klagen verzoekers erover dat klachtbehandelaar L. tijdens de klachtbehandeling in strijd met de waarheid heeft aangegeven dat een medewerkster van de Raad voor de Kinderbescherming (Ba.) zou hebben ontkend dat een andere politieambtenaar - toen zij in het kader van de inverzekeringstelling van R. was opgeroepen - het woord 'pedofilie' tegenover haar heeft gebezigd.

Ba. was, in haar functie als raadsonderzoeker, tijdens haar weekenddienst in verband met de inverzekeringstelling van R. door de politie opgeroepen. Volgens verzoekers had Ba. hun verteld dat haar in eerste instantie door een politieambtenaar was gezegd dat R. in verzekering was gesteld omdat hij werd verdacht van 'pedofilie'.

2. In haar reactie op de klacht constateerde de korpsbeheerder het volgende.

L. heeft aangegeven dat Ba. hem heeft gezegd nimmer van de politie te hebben vernomen dat er sprake was van “pedofilie”, terwijl Ba. heeft aangegeven dat door de politie wel het woord “pedofilie” is gebruikt. De korpsbeheerder vond dat deze typering - indien deze door de politie zou zijn gebruikt - verkeerd is gebruikt, aangezien het niet juist omschrijft voor welk delict betrokkene was aangehouden. Op grond hiervan acht de korpsbeheerder de klacht deels gegrond.

3. Klachtbehandelaar L. heeft in zijn rapportage aan de herzieningscommissie van 18 mei 1999 aangetekend dat Ba. hem (toen hij in verband met de bij de politie ingediende klacht van verzoekers contact met haar had opgenomen) telefonisch had bevestigd dat haar in het gesprek dat zij in het kader van de inverzekeringstelling van R. had gevoerd met een politieambtenaar, nimmer was gezegd dat het een zaak van pedofilie betrof (zie Bevindingen, onder A.11.).

4. Bij brief van 29 juni 2000 liet Ba. verzoekers weten dat zij (toen L. haar in verband met de door verzoekers bij de politie ingediende klacht had benaderd) aan L. had doorgegeven dat zij (na de aanhouding van R.) via de politie had doorgekregen dat een minderjarige in verzekering was gesteld op verdenking van “pedofilie”.

5. De lezingen van enerzijds L. en anderzijds Ba. staan hier dan ook tegenover elkaar. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan aan de ene lezing meer betekenis moet worden gehecht dan aan de andere.

Om die reden onthoudt de Nationale ombudsman zich van een oordeel.

IX. Ten aanzien van het onvolledig en onjuist rapporteren door de klachtbehandelaar

1. Voorts klagen verzoekers erover dat klachtbehandelaar L. in zijn brief aan de herzieningscommissie van 18 mei 1999 (zie Bevindingen, onder A.11.) niet is ingegaan op de door verzoekers in hun herzieningsverzoek opgenomen klacht over de aanduiding "aanranding".

2. Bij brief van 1 februari 1999 hebben verzoekers geklaagd over de aanduiding “aanranding” in het proces-verbaal van de politie. Volgens verzoekers komt de benaming aanranding niet expliciet voor in het Wetboek van Strafrecht (zie Bevindingen, onder A.5.) en was er dan ook sprake geweest van een aanhouding van R. terzake van een niet bestaand feit.

Klachtbehandelaar L. heeft in zijn rapportage van 26 februari 1999 ten aanzien van dit klachtonderdeel onder meer aangegeven (zie Bevindingen, onder A.8.) dat aanranding een algemeen begrip is, waarbij het een ieder bekend is waar het om gaat. Verzoekers gaven in hun herzieningsverzoek van 23 april 1999 te kennen dat ze vonden dat de klachtbehandelaar niet (adequaat) had gereageerd op dit klachtonderdeel (zie Bevindingen, onder A.10.). In zijn rapportage aan de herzieningscommissie van 18 mei 1999 volstond klachtbehandelaar L. met hetgeen hij hierover in zijn rapportage van 26 februari 1999 had opgemerkt.

3. De korpsbeheerder heeft ten aanzien van dit klachtonderdeel aangegeven dat de klacht in eerste aanleg zo'n omvang had dat de behandeling van ieder aspect een bijna onmogelijke zaak was. Om die reden had de klachtbehandelaar in samenspraak met de districtchef ervoor gekozen op de meest wezenlijke klachtelementen te reageren.

4. Vast staat dat de bij brief van 1 februari 1999 ingediende klacht van verzoekers een aanmerkelijke omvang had en bovendien per klachtonderdeel veel aspecten belichtte. In dit geval was het niet onbegrijpelijk dan wel onredelijk, dat er voor is gekozen zich in de reactie te concentreren op de meest wezenlijke klachtonderdelen. Daarbij staat vast dat de klachtbehandelaar (al dan niet adequaat) op dit klachtonderdeel heeft gereageerd door aan te geven dat aanranding een algemeen begrip is.

Dat de klachtbehandelaar in zijn rapportage aan de herzieningscommissie van 18 mei 1999 ervoor heeft gekozen om niet nader in te gaan op dit klachtonderdeel, althans heeft volstaan met zijn eerder gegeven reactie, acht de Nationale ombudsman gegeven de omstandigheden niet inadequaat of onzorgvuldig.

In zoverre is de onderzochte gedraging behoorlijk.

6. Verzoekers klagen er ook over dat de klachtbehandelaar een verkeerde voorstelling van zaken geeft als hij in zijn rapportage van 15 maart 1999 aangeeft dat "volgens klager in het proces-verbaal van verhoor van de verdachte ook de vraag van de verhorende ambtenaar vermeld dient te worden", terwijl dit getuigen en benadeelden dienen te zijn en onvolledig rapporteert als hij er vervolgens in zijn advies van 18 mei 1999 niet meer op ingaat.

7. Verzoekers hebben er bij brief van 1 februari 1999 over geklaagd dat in de door de politie opgemaakte processen-verbaal van verhoor van de getuigen niet de door de politieambtenaren aan de getuige gestelde vragen waren opgenomen. Deze klacht werd door de klachtbehandelaar, in zijn rapportage van 15 maart 1999, verkeerd overgenomen (zoals hierboven onder 6. is aangegeven). In hun herzieningsverzoek van 23 april 1999 (zie Bevindingen, onder A.10.) wezen verzoekers de klachtbehandelaar op de verkeerde formulering. In zijn rapportage aan de herzieningscommissie van 18 mei 1999 gaat de klachtbehandelaar echter niet inhoudelijk in op dit klachtonderdeel.

8. De korpsbeheerder achtte dit onderdeel van de klacht deels gegrond. Zij gaf onder meer aan dat de klachtbehandelaar in zijn rapportage van 15 maart 1999 abusievelijk het woord “verdachte” heeft genoemd in plaats van de door verzoekers bedoelde getuigen en benadeelden.

9. Vast staat dat de klachtbehandelaar in zijn rapportage van 15 maart 1999 de klacht onjuist heeft geformuleerd. Alles overziend acht de Nationale ombudsman het niet aannemelijk dat de klachtbehandelaar een verkeerde voorstelling van zaken heeft willen geven door de klacht verkeerd over te nemen. Net als de korpsbeheerder, gaat de Nationale ombudsman er vanuit dat dit bij vergissing is gebeurd.

In zoverre is de onderzochte gedraging behoorlijk.

10. Het had echter voor de hand gelegen dat de klachtbehandelaar, na op zijn vergissing te zijn gewezen, in zijn rapportage aan de herzieningscommissie van 18 mei 1999, alsnog op dit klachtonderdeel was ingegaan. De Nationale ombudsman is van mening dat de klachtbehandelaar, door dit na te laten, niet adequaat heeft gerapporteerd.

In zoverre is de onderzochte gedraging niet behoorlijk.

X. Ten aanzien van het niet opnemen van een relevant onderdeel van de verklaring van getuige X

1. Ten slotte klagen verzoekers erover dat ambtenaren van het regionale politiekorps Utrecht geen volledig proces-verbaal hebben opgemaakt, door een relevant onderdeel van de verklaring van de met naam genoemde getuige X niet op te nemen (waardoor deze getuige zich genoodzaakt zag de ondertekening van zijn verklaring te weigeren).

2. Getuige X heeft op 6 september 1998 tegenover betrokken ambtenaar K. een verklaring afgelegd over de gebeurtenissen in de nacht van 4 op 5 september 1998 (zie Bevindingen, onder B.4.). X heeft deze verklaring niet ondertekend. Onderaan de verklaring staat het volgende vermeld: “Ik onderteken deze verklaring niet. Ik vind dat het een probleem van R. is en ik heb geen zin om hiervoor bij de rechter te moeten komen. Meer heb ik niet te verklaren.”

Op 25 maart 2000 heeft X tegenover verzoekers verklaard dat hij deze verklaring niet had ondertekend omdat hij niets met de situatie te maken wilde hebben, maar vooral omdat hij betrokken ambtenaar K. er telkens op moest wijzen dat hij iets vergat in de verklaring op te nemen (zie Bevindingen, onder B.3.). Volgens X had K. geweigerd in zijn verklaring op te nemen dat hij op vrijdag 4 september 1998 rond 23:00 uur met R. bij de toiletten werd aangesproken door een meisje van een jaar of 16, 17, dat met een half open jas en gespreide benen hem vroeg of hij haar een beurt wilde geven.

3. De korpsbeheerder achtte de klacht niet gegrond. Volgens de korpsbeheerder heeft getuige X op 6 september 1998 tegenover betrokken ambtenaar K. een verklaring afgelegd. Deze verklaring is in een ambtsedig proces-verbaal vastgelegd. De getuige heeft zijn verklaring om hem moverende redenen niet ondertekend. De redenen staan vermeld in het proces-verbaal, aldus de korpsbeheerder.

4. Betrokken ambtenaar K. heeft tijdens het onderzoek van de Nationale ombudsman verklaard dat de verklaring, die door X was afgelegd tijdens het onderzoek op 6 september 1998, deel uitmaakt van het dossier en daarin is vermeld waarom X zijn verklaring niet wenst te ondertekenen. De opmerkingen die X maakt in zijn verklaring van 25 maart 2000 komen K. volstrekt onbekend voor. K. had zich, gelet op de gebruikte terminologie, zeker kunnen herinneren indien X deze punten had aangevoerd tijdens het verhoor op 6 september 1998. Volgens K. zijn de uitspraken van X in zijn verklaring van 25 maart 2000 pertinente leugens.

5. De lezingen van getuige X enerzijds en betrokken ambtenaar K. anderzijds staan dan ook tegenover elkaar. Vast staat dat het proces-verbaal van verhoor van X van 6 september 1998 op ambtseed is opgemaakt. Voor de aanvaarding van het ambt legt de (aspirant-) politieambtenaar de eed of de verklaring van zuivering en belofte af. Het door deze ambtenaar op te stellen proces-verbaal wordt op basis van de afgelegde ambtseed opgemaakt (zie Achtergrond, onder 8.). In het algemeen zal slechts in hoogst uitzonderlijke gevallen ruimte bestaan voor twijfel over de juistheid van een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal. In dit geval heeft de Nationale ombudsman geen aanleiding gevonden voor een dergelijke twijfel, onder meer op grond van het feit dat is gebleken dat R. op 5 en 6 september 1998 tegenover betrokken ambtenaar K. niets heeft verklaard over het door X beschreven meisje (zie Bevindingen, onder B.5.).

De onderzochte gedraging is op dit punt dan ook behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van het regionale politiekorps Utrecht, die wordt aangemerkt als een gedraging van korpsbeheerder van het regionale politiekorps Utrecht (de burgemeester van Utrecht), is niet gegrond, behalve ten aanzien van de insluiting in een cel die voor inverzekeringstelling is bestemd, het niet vastleggen van de naam van de officier van justitie met wie overleg is geweest, en het door de klachtbehandelaar in zijn rapportage van 18 mei 1999 niet ingaan op een klachtonderdeel.

Ten aanzien van het verblijf in een afgesloten ophoudkamer (en daarmee langer dan noodzakelijk van de vrijheid beroven), het verkeerd voorlichten over de reden van de aanhouding en het bezigen van het woord pedofilie, onthoudt de Nationale ombudsman zich van een oordeel.

Onderzoek

Op 28 september 2000 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer O. (vader O.) en de heer R. (zoon R.) te IJmuiden, met een klacht over een gedraging van het regionale politiekorps Utrecht.

Naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van de korpsbeheerder van het regionale politiekorps Utrecht (de burgemeester van Utrecht), werd een onderzoek ingesteld.

In het kader van het onderzoek werd de korpsbeheerder van het regionale politiekorps Utrecht verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben.

In verband met haar verantwoordelijkheid voor justitieel politieoptreden werd ook de hoofdofficier van justitie te Utrecht over de klacht geïnformeerd en in de gelegenheid gesteld haar zienswijze kenbaar te maken, voor zover daarvoor naar haar oordeel reden was.

De genoemde hoofdofficier van justitie maakte van deze gelegenheid geen gebruik.

Tijdens het onderzoek kregen betrokkenen de gelegenheid op de door ieder van hen verstrekte inlichtingen te reageren.

Tevens werd de korpsbeheerder een aantal specifieke vragen gesteld.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen.

De beheerder van het regionale politiekorps Utrecht deelde mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen. De reactie van verzoekers gaf aanleiding het verslag te wijzigen.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:

A. feiten

1. In de nacht van vrijdag 4 op zaterdag 5 september 1998 kregen politieambtenaren van de noodhulpdienst van het regionale politiekorps Utrecht opdracht van het Meld- en Informatiecentrum zich te vervoegen op een camping in Q.

In het door betrokken ambtenaren Kr. en S. van de gebeurtenis opgemaakte proces verbaal (PL0950-1/98-620887) van 5 september 1998 staat onder meer het volgende vermeld:

"Op zaterdag 05-09-1998, omstreeks 00.55 uur, werden wij, verbalisanten, door het centrale meld en informatiecentrum van de politie regio Utrecht, verzocht te gaan naar Camping Bo. (…).

Hier zouden wij aangesproken worden bij de centrale ingang van de camping door de ouders van een meisje dat onzedelijk betast zou zijn.

Op zaterdag 05-09-1998, omstreeks 01.05 uur, waren wij ter plaatse. Hier werden wij aangesproken door twee meisjes. Tevens waren van beide meisjes de ouders hierbij aanwezig. Daarnaar gevraagd verklaarden de meisjes beiden dat zij door een jongeman onzedelijk waren betast. Zij verklaarden beiden bij hun borsten gepakt te zijn door die jongen en hij zou hen tevens bij hun achterste gepakt hebben. Zij hadden beiden aangegeven dit niet te willen en hadden de handen van die jongen weggedrukt c.q. weggeslagen. Dit had echter niet mogen baten.

AANGEVERS:

Daarnaar gevraagd gaven zij op te zijn genaamd:

H. (…) en Z. (…).

Beiden verbleven op genoemde camping (…).

In samenspraak met de ouders werd door hen besloten aangifte te doen van dit feit. Daar het op dat moment niet mogelijk was deze aangifte ter plekke op te nemen werd besloten dit in een later stadium te doen.

De bij de ingang aanwezige jongeren wisten dat de vermoedelijke dader R. genaamd was. Zij omschreven hem als een lange jongen (ongeveer 1.90 à 1.95 meter), kort rossig haar. Tevens wisten zij te vertellen dat hij op de camping aanwezig was in verband met een reünie. Een van de ouders kon ons de plek aanwijzen waar deze "R." zou verblijven.

Samen met de ouders zijn wij vervolgens de camping opgegaan teneinde "R." aan te houden. Zij wezen ons de plek, waarna wij contact legden met een van de organisatoren van de reünie. Deze wees ons vervolgens de tent aan waar "R." in zou verblijven.

AANHOUDING:

Op zaterdag 05-09-1998, omstreeks 01.35 uur, hielden wij vervolgens een persoon aan terzake vermoedelijke overtreding van artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht.

Hiernaar gevraagd gaf de verdachte op te zijn genaamd:

R., (…).

Voor bijzonderheden betreffende de aanhouding, overbrenging en voorgeleiding wordt kortheidshalve verwezen naar het bijgevoegde proces-verbaal van aanhouding.

MINDERJARIGE VERDACHTE:

Daar de verdachte minderjarig was werden de ouders van de verdachte onverwijld telefonisch van de aanhouding van hun zoon op de hoogte gebracht."

2. In het door S. en Kr. opgemaakte proces-verbaal van aanhouding van R. van 5 september 1998 staat onder meer het volgende vermeld:

"De aanhouding werd verricht op grond van artikel 246 Wetboek van Strafrecht en vond plaats naar aanleiding van het volgende:

Verdachte werd op heterdaad aangehouden terzake feitelijke aanranding nadat door twee afzonderlijke aangeefsters was verklaard dat zij door hem onzedelijk waren betast.

Verdachte werd voorgeleid bij een hulpofficier van justitie in het bureau Q. Hierna werd hij overgebracht naar het bureau van politie te Veenendaal teneinde hier te worden ingesloten voor de nacht.

Ter geleiding voor een hulpofficier van justitie, werd de verdachte onverwijld overgebracht naar het bureau van politie te Q.

Na aankomst op genoemd bureau op zaterdag 05-SEP-98 te 01:50 uur, werd de verdachte op 05-SEP-98 te 01:55 uur voorgeleid aan: Ka., inspecteur van politie regio Utrecht, district Heuvelrug, als zodanig hulpofficier van justitie."

3. In het proces-verbaal van verhoor voor inverzekeringstelling van 5 september 1998 staat onder meer vermeld dat R. - nadat hem was meegedeeld dat hij niet tot antwoorden verplicht was - het volgende had verklaard:

"Ik heb een verklaring afgelegd. Volgens mij ben ik niets vergeten. Ik beken dat ik vannacht een meisje onzedelijk heb betast. Een ander meisje kan ik mij niet herinneren. Ik had alcoholhoudende drank gedronken."

4. In het door politieambtenaar K. naar aanleiding van de gebeurtenis opgemaakte proces-verbaal met nummer PL0950-1 staat onder meer het volgende vermeld over de aankomst van de politieambtenaren op de camping te Q:

"Aldaar aangekomen werden zij (de politieambtenaren S. en Kr.; N.o.) aangesproken door een tweetal meisjes, in het bijzijn van hun ouders. De meisjes gaven te kennen dat ze op voormelde camping onzedelijk waren betast door een jongeman (R.; N.o.). De twee meisjes verklaarden dat deze jongeman ze bij de borsten en billen had gepakt, zonder dat zij dat wilden.

De jongeman alwaar de meisjes over praatten, zou eveneens op de camping verblijven. Op aanwijzing van omstanders en de twee meisjes kon de verblijfplaats op de camping van de jongeman achterhaald worden.

In overleg werd besloten de twee meisjes en hun ouders uit te nodigen om in de loop van de dag een aangifte en een verklaring af te leggen op het politiebureau te Veenendaal."

AANHOUDING VERDACHTE

Op zaterdag 5 september 1998, te 01.35 uur, werd terzake vermoedelijke overtreding van artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht, aangehouden ter geleiding voor een hulpofficier van justitie, een verdachte die opgaf te zijn genaamd: R., (…) minderjarig inwonend kind van: O., (…).

De verdachte werd terstond overgebracht naar het politiebureau te Veenendaal alwaar hij op zaterdag, 5 september 1998, te 01.50 uur, aan kwam. De ouders van verdachte werden terstond telefonisch in kennis gesteld van de aanhouding.

(…)

1e VERHOOR VERDACHTE

Op zaterdag, 5 september 1998, omstreeks 09.33 uur, werd van verdachte R. een verklaring opgenomen.

(…)

AANGIFTE I

Op zaterdag, 5 september 1998, omstreeks 12.00 uur, werd een klacht gedaan door de ouders van M., terzake aanranding, bij B., inspecteur van politie regio Utrecht, district Heuvelrug, als zodanig hulpofficier van justitie.

In zijn opdracht heb ik, verbalisant, een aangifte terzake aanranding opgenomen van H. (…)

Aangever verklaarde vader te zijn van M. en dat zijn dochter, 14 jaar oud, had verteld tegen haar wil te zijn betast door een onbekende jongen, eveneens verblijvende op de camping Bo.

(…)

VERKLARING BENADEELDE M.

Op zaterdag, 5 september 1998, omstreeks 12.29 uur, heb ik, verbalisant, een verklaring opgenomen van benadeelde; M. (…).

De verklaring werd opgenomen in het bijzijn van de ouders van benadeelde M.

AANGIFTE II

Op zaterdag, 5 september 1998, omstreeks 12.00 uur, werd een klacht gedaan door de ouders van A., terzake aanranding, bij B., inspecteur van politie regio Utrecht, district Heuvelrug, als zodanig hulpofficier van justitie. De aangifte werd gedaan door Z. (…)

Aangever verklaarde vader te zijn van A. en dat zijn dochter, 14 jaar oud, had verteld tegen haar wil te zijn betast door een onbekende jongen, eveneens verblijvende op de camping Bo.

(…)

VERKLARING BENADEELDE A.

Op zaterdag, 5 september 1998, omstreeks 12.45 uur, werd een verklaring opgenomen van benadeelde; A. (…)

De verklaring werd opgenomen in het bijzijn van de ouders van benadeelde A.

INVERZEKERINGSTELLING

Op zaterdag, 5 september 1998, te 14.20 uur, werd verdachte R. door B., inspecteur van politie regio Utrecht, district Heuvelrug, als zodanig hulpofficier van justitie, in verzekering gesteld.

(…)

GETUIGE G.

Op zaterdag, 5 september 1998, omstreeks 16.04 uur, werd een getuigenverklaring opgenomen van G. (…)

GETUIGE Gr.

Op zaterdag, 5 september 1998, omstreeks 16.30 uur, werd een getuigenverklaring opgenomen van Gr.

(…)

2e VERHOOR VERDACHTE

Op zondag, 6 september 1998, omstreeks 10.11 uur, werd een nadere verklaring opgenomen van verdachte R.

(…)

GETUIGE D.

Op zondag, 6 september 1998, omstreeks 12.42 uur, werd een getuigenverklaring opgenomen van D. (…)

GETUIGE X

Op zondag, 6 september 1998, omstreeks 13.13 uur, werd een getuigenverklaring opgenomen van X (…)

ADVOCATENPIKET

Op zaterdag, 5 september 1998, omstreeks 15.02 uur, is de raad voor rechtsbijstand per fax ingelicht over de inverzekeringstelling van verdachte R.

Tot de invrijheidstelling van verdachte heeft geen advocaat zich gemeld op het politiebureau te Veenendaal.

RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING

Op zondag, 6 september 1998, omstreeks 12.00 uur, heeft verdachte R., op het politiebureau te Veenendaal bezoek gehad van de Raad voor de Kinderbescherming.

INVRIJHEIDSTELLING

Op zondag, 6 september 1998, te 15.00 uur, is verdachte in vrijheid gesteld en overgedragen aan de ouderlijke macht."

5. Bij brief van 1 februari 1999 diende verzoeker O. (de vader van R.) een klacht in bij het regionale politiekorps Utrecht. In deze brief staat onder meer het volgende vermeld:

"Ondergetekende, O. (hierna verder aangeduid als klager), ouder/verzorger van de (strafrechtelijk minderjarige) R., geboren (…) dient hierbij een klacht in tegen medewerkers van de politieregio Utrecht, district Heuvelrug, n.a.v. een plaatsgehad hebbende aanhouding en de daaruit voortvloeiende vervolghandelingen op 05 en 06 september 1998, zoals gerelateerd in bovenstaand dossier.

(...) Er zijn in het betreffende onderzoek behalve veel (tactische) fouten ook een fiks aantal procedurele fouten gemaakt, met als gevolg dat er in verschillende fases in het opsporingsonderzoek sprake is geweest van het onrechtmatig gebruik van bevoegdheden. De klacht richt zich vooral en in hoofdzaak op deze laatste items.

Klager is zelf al meer dan 30 jaar werkzaam bij de politie.

(...)

DE FEITEN VOOR KLAGER:

1. (...)

2. Op zaterdag, 05 september 1998, omstreeks 02.20 uur, werd klager gebeld door een persoon, die zich bekend maakte als de heer S. van de politie Veenendaal. Hij deelde klager mede, dat hij hem moest bellen, omdat de (strafrechtelijk) minderjarige R. door de politie Veenendaal was aangehouden en was ingesloten in het bureau van politie te Veenendaal. De reden van de aanhouding was het feit, dat R. twee meisjes onzedelijk zou hebben betast op de camping Bo. te Q. Dit was volgens de heer S. gebeurd op vrijdag, 04 september 1998, rond 23.00 uur. Op de vraag van klager waarvoor R. was aangehouden, deelde de heer S. klager mede, dat R. was aangehouden terzake van overtreding van artikel 239 Strafrecht. Op de vraag van klager aan de heer S., of R. ook nog voor andere feiten was aangehouden, antwoordde de heer S. ontkennend. Hij herhaalde nog eens, dat R. was aangehouden i.v.m. overtreding van artikel 239 Strafrecht en niet voor andere strafbare feiten.

Verder deelde de heer S. mede dat R. in de loop van zaterdag 05 september 1998 op het politiebureau te Veenendaal nader zou worden gehoord. Hij gaf klager het telefoonnummer van het bureau (...) en adviseerde hem in de loop van de dag contact op te nemen met het bureau. Hoewel niet van belang, wil klager hier opmerken dat hij zeer correct te woord werd gestaan door de heer S.

3. Op zaterdag, 05 september 1998, omstreeks 10.30 uur heeft klager telefonisch contact gehad met de heer K. van het politiebureau Veenendaal, die de zaak in behandeling had. Op door klager gestelde vragen deelde hij het volgende mede: het tijdstip van het incident was geweest vrijdag, 04 september 1998. omstreeks 23.30 uur, de melding was binnengekomen op zaterdag, 05 september 1998, rond 01.00 uur en de aanhouding was geschied op dezelfde datum, omstreeks 01.30 uur. Hij gaf verder aan, dat alleen de aangeefsters nog gehoord moesten worden. Daarnaast gaf hij uit zichzelf aan, dat de hele zaak in zijn ogen behoorlijk zwaar was aangezet. Met hem werd de afspraak gemaakt, dat hij in de loop van de dag telefonisch contact met klager op zou nemen.

4. Op zaterdag, 05 september 1998, omstreeks 15.00 uur, deelde de heer K. telefonisch aan klager mede dat R. in verzekering was gesteld en nog een nacht moest blijven i.v.m. tegenstrijdige verklaringen. En passant liet hij klager ook weten, dat R. was aangehouden terzake van overtreding van artikel 246 Strafrecht en in verzekering was gesteld terzake van overtreding van dit artikel en artikel 247 Strafrecht. Hij gaf daarbij tevens nog aan, dat de OvJ een en ander verder uitgezocht wilde hebben.

5. (...)

6. Op zondag, 06 september 1998, omstreeks 15.00 uur, werd klager door de heer K. telefonisch medegedeeld, dat R. in vrijheid was gesteld en kon worden afgehaald. Dezelfde dag, omstreeks 16.30 uur, werd R. door klager en zijn echtgenote opgehaald van het bureau van politie te Veenendaal en vervolgens mee naar huis genomen. Daarbij heeft klager ook nog even kort gesproken met de heer K., doch nauwelijks inhoudelijk op deze zaak.

(…)

GRONDEN Klacht:

8. Op zaterdag, 05 september 1998, omstreeks 02.20 uur werd klager door de heer S. van de politie Veenendaal dus telefonisch op de hoogte gesteld van het feit dat R. was aangehouden voor het onzedelijk betasten van twee meisjes op vrijdag, 04 september 1998, rond 23.00 uur. Tot tweemaal toe werd door de heer S. daarbij aan klager medegedeeld, dat de aanhouding had plaatsgevonden op grond van artikel 239 Strafrecht. De heer S. sprak daarbij in het geheel niet over geweld of een andere feitelijkheid of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid. Dit kon volgens klager niets anders zijn dan overtreding van artikel 239, lid 3 Strafrecht, zijnde schennis van de eerbaarheid op een niet openbare plaats, indien een ander daarbij zijns ondanks tegenwoordig is. Dit kwam bij klager heel geloofwaardig over, omdat dit volledig paste in twee hem bekend zijnde arresten terzake van de HR. (…)

Zoals pas naderhand bleek uit het proces-verbaal van aanhouding terzake, was de heer S. zelf daadwerkelijk betrokken geweest bij de aanhouding van R., zodat van een eventuele vergissing naar de mening van klager geen sprake kan zijn.

Het sluit ook naadloos aan bij de verklaring van de overigens niet door de politie gehoorde getuige V., (...), die zelf direct bij de aanhouding aanwezig was en er ook getuige van is geweest. Hij deelde klager naderhand mede, dat hij na de aanhouding van R. als leider had gesproken met één van de twee ter plaatse aanwezige politieambtenaren. Deze had hem ondubbelzinnig medegedeeld, dat R. was aangehouden en zou worden overgebracht naar het politiebureau te Veenendaal, waar hij volgens de mededeling van die politieambtenaar aan hem tot uiterlijk zaterdag 05 september 1998 te 15.00 uur zou moeten blijven. Anders gezegd: R. was dus inderdaad kennelijk aangehouden voor een strafbaar feit, waarvoor geen voorlopige hechtenis was toegestaan!

Het zal op grond hiervan dan ook duidelijk zijn, dat klager onaangenaam verrast was toen hij in de loop van zaterdag, 05 september 1998 van de heer K. vernam, dat R. niet was aangehouden terzake van overtreding van artikel 239 Strafrecht, maar van artikel 246 Strafrecht.

Hier is naar de mening van klager dus óf gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 226 i.v.m., artikel 225 Strafrecht in combinatie met de artikelen 152 en 153 Strafvordering, (er is door de heer S. en een collega van hem een proces-verbaal van aanhouding (zijnde een zogenaamde authentieke akte!) opgemaakt voor een ander feit dan waarvoor de verdachte R. blijkens mededelingen aan klager in eerste instantie was aangehouden), dan wel heeft de heer S. naar klager toe gehandeld in strijd met het bepaalde in (...) het Integriteitsstatuut van de Nederlandse Politie. Immers hij heeft naar klager toe gelogen c.q. heeft de heer S. hem niet juist en correct gerapporteerd.

9. In het proces-verbaal van aanhouding (...) staat vermeld, dat verdachte R. op heterdaad werd aangehouden terzake feitelijke aanranding (wat dit ook moge zijn, maar hier wordt door klager later nog uitgebreid op teruggekomen), nadat door twee afzonderlijke aangeefsters was verklaard, dat zij door R. onzedelijk waren betast. (...)

10. Zoals in punt 9 al is aangegeven, was R. blijkens het proces-verbaal van aanhouding op heterdaad aangehouden terzake van feitelijke aanranding. In het zogenaamde loopproces-verbaal (zie A.4.;N.o.) wordt zelfs gesproken over een klacht en een aangifte terzake aanranding. Beide feiten komen met deze benamingen niet expliciet voor in het Wetboek van Strafrecht. Feitelijke aanranding als zodanig bestaat helemaal niet en onder aanrandingsdelicten vallen ook belediging en smaad. Het zal duidelijk zijn, dat die laatste twee in het onderhavige geval niet van toepassing zijn. Hier wordt dan ook klaarblijkelijk bedoeld feitelijke aanranding van de eerbaarheid wat op enkele andere plaatsen in het dossier ook zo is aangegeven. Zoals het nu echter in het dossier staat vermeld, is er dus sprake geweest van een aanhouding van een verdachte terzake van overtreding van niet bestaand feit. Op dit punt was de aanhouding van R. naar de mening van klager derhalve ook onrechtmatig.

(...)

12. Bij de aanhouding van R. is er verder naar de mening van klager gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 5, lid 2 EVRM. Volgens dit artikel namelijk moet een ieder die gearresteerd is onverwijld en in een taal die hij verstaat op de hoogte worden gebracht van de redenen van zijn arrestatie en van alle beschuldigingen, die tegen hem zijn ingebracht. Een soortgelijke (of eigenlijk nog iets verder gaande!) bepaling is ook opgenomen in artikel 9, lid 2 IVBPR, luidende: Iedere gearresteerde dient bij zijn arrestatie op de hoogte te worden gebracht van de redenen van zijn arrestatie en dient onverwijld op de hoogte te worden gebracht van de beschuldigingen die tegen hem zijn ingebracht. Op grond van het bepaalde in artikel 93 Grondwet hebben beide verdragsbepalingen verbindende kracht. Bij de aanhouding is R. echter door de aanhoudende politieambtenaren alleen medegedeeld, dat hij wel wist waarvoor hij was aangehouden zonder dat door hun verder ook maar enige beschuldiging werd genoemd. Zoals reeds aangegeven onder 8 vond de aanhouding van R. plaats in het bijzijn van genoemde V. Hij bevestigde naderhand tegenover klager, dat er door de betreffende politieambtenaren bij de aanhouding van R. geen enkele beschuldiging was genoemd.

(...)

15. Zoals in het vorige item al is aangegeven, is het doel van de aanhouding het geleiden van de verdachte naar een plaats van verhoor. Op grond van het bepaalde in artikel 61, lid 2 Strafvordering mag in geen geval de verdachte langer dan zes uren voor het verhoor worden opgehouden, met dien verstande dat de tijd tusschen middernacht en negen uur voormiddags niet wordt meegerekend. De beslissende vraag die hier speelt is: wat is er wettelijk geregeld m.b.t de verdachte die op een plaats van verhoor aangekomen, nog niet terstond kan worden gehoord? Het antwoord op deze vraag is te vinden in de Circulaire van de Minister van Justitie van 29 december 1928 (...) aan de Procureurs-Generaal, betreffende art. 57 en volgende Wetboek Strafvordering. (…)

De circulaire is helder hierover. In de derde alinea van onder af staat namelijk, dat in dat geval de verdachte in een wachtlokaal of dergelijke gelegenheid zal moeten worden ondergebracht, tenzij hij zelf - bijv. in den tijd van de nachtrust - een bed in een lokaal voor inverzekering bestemd, mocht verkiezen. R. is door de betreffende opsporingsambtenaren, zonder hier zelf om te vragen of er door de betreffende opsporingsambtenaren naar gevraagd te zijn, ingesloten in één van de cellen van het cellencomplex aan het bureau van politie te Veenendaal. Hij zal daar ook nooit om vragen, omdat hij duidelijk lijdt aan een lichte vorm van claustrofobie. Dat is voor hem ook de reden geweest om aan de dienstdoende politieambtenaren te verzoeken of het deurtje van het doorgeefluik in de cel kon worden opengezet, omdat hij het 'Spaans benauwd' had in de cel. Dit werd hem echter categorisch geweigerd!

Klager is op dit punt ook de mening toegedaan, dat de insluiting van R. in de cel in het zogenaamde cellencomplex op het bureau van politie te Veenendaal (zijnde een lokaal voor inverzekering bestemd) zonder meer onrechtmatig is geweest.

16. Voorafgaande aan de insluiting van R. in die cel op het politiebureau Veenendaal heeft hij een insluitingsfouillering moeten ondergaan. Het betreft hier een zogenaamde administratieve fouillering. Daarbij zijn onder andere enkele sieraden, wat geld en de veters uit zijn schoenen ingenomen. De basis voor deze fouillering is te vinden in art. 9, lid 4 Politiewet 1993. Dit luidt: Bij algemene maatregel van bestuur of krachtens algemene maatregel van bestuur bij ministeriële regeling worden regels gegeven omtrent maatregelen waaraan rechtens van hun vrijheid beroofde personen met het oog op hun insluiting kunnen worden onderworpen, voorzover dit noodzakelijk is in het belang van hun veiligheid of de veiligheid van anderen etc. De uitwerking hiervan is geregeld in artikel 28 Ambtsinstructie, luidende: De ambtenaar onderzoekt de ingeslotene direct voorafgaand aan de insluiting op het politie- of brigadebureau, door het aftasten en doorzoeken van diens kleding op de aanwezigheid van voorwerpen die tijdens de insluiting een gevaar voor de veiligheid van de betrokkene of voor anderen kunnen vormen. De eerste vraag hierbij is, of R. als aangehouden verdachte wel een rechtens van zijn vrijheid beroofde persoon was. Wanneer zou worden uitgegaan van de toelichting op artikel 50 Strafvordering, zou R. inderdaad kunnen worden aangemerkt als een rechtens van zijn vrijheid beroofde verdachte.

Zoals echter al is opgemerkt, is de basis voor de insluitingsfouillering te vinden in (artikel 9, lid 4 van) de Politiewet 1993. En in deze wet wordt expliciet een duidelijk onderscheid gemaakt tussen een aangehouden verdachte of een rechtens van zijn vrijheid beroofde verdachte. Dit kan namelijk worden afgeleid uit het bepaalde in artikel 8, lid 4 Politiewet 1993, luidende: De officier van justitie of de hulpofficier van justitie voor wie aangehouden of rechtens van hun vrijheid beroofde verdachten of veroordeelden worden geleid, is bevoegd te bepalen etc. Anders gezegd: Op grond van de Politiewet 1993 heeft een aangehouden verdachte dus duidelijk een andere status dan een rechtens van zijn vrijheid beroofde persoon.

Hieruit volgt naar de mening van klager, nog geheel los van de vraag of R. überhaupt wel in de cel op het bureau van politie had mogen worden ingesloten, dat mitsdien ook de insluitingsfouillering waaraan hij is onderworpen, onrechtmatig is geweest.

17. (...) Verder is in dit bevel aangegeven, dat als grond voor het bestaan van het belang van het onderzoek blijkt uit de omstandigheden, dat verhoor van getuigen en nader verhoor van verdachte noodzakelijk is. Even los van de in het bevel tot inverzekeringstelling omschreven en ten laste gelegde artikelen heeft klager hier op voorhand geen moeite mee. Dit geldt echter wel voor het feit dat R. na zijn tweede verhoor op zondag 06 september 1998, omstreeks 10.11 uur en na het opnemen van de verklaringen van getuigen D. en X op dezelfde datum om respectievelijk 12.42 uur en 13.13 uur, eerst op zondag, 06 september 1998 te 15.00 uur in vrijheid is gesteld en (volgens pagina 09 van het dossier proces-verbaal althans) is overgedragen aan de ouderlijke macht. In werkelijkheid hebben klager en zijn echtgenote R. pas opgehaald en overgedragen gekregen op het bureau van politie te Veenendaal op zondag, 06 september 1998, omstreeks 16.30 uur! Dit is mogelijk een 'slip-of-de-pen'. Veel belangrijker in dit verband is echter, wat het wettelijk vereiste onderzoeksbelang is geweest, waardoor R. na het tweede verhoor én het opnemen van deze laatste twee getuigenverklaringen toch nog tot zondag, 06 september 1998, te 15.00 uur in verzekering gesteld is gebleven. Immers de in het bevel tot inverzekeringstelling genoemde omstandigheden (verhoor van getuigen en nader verhoor van verdachte) waren op dat moment namelijk niet meer van toepassing. Klager is op grond hiervan dan ook de mening toegedaan dat R. het laatste gedeelte van zijn inverzekeringstelling onrechtmatig heeft ondergaan.

18. Door de betrokken opsporingsambtenaren zijn in deze zaak verschillende getuigen en twee benadeelden gehoord. De strafvorderlijke status van beide partijen is gelijk: het zijn beiden getuigen. Het verhoor van getuigen door politieambtenaren is in het Wetboek van Strafvordering niet geregeld. In de opsporingsfase behoort het verhoor van getuigen in strafzaken op grond van artikel 172 Strafvordering tot één van de taken van de rechter-commissaris. Desondanks worden in de praktijk van alle dag door politieambtenaren met grote regelmaat getuigen gehoord. Dit lijkt dus tegenstrijdig, maar het is het toch niet. De basis hiervoor is te vinden in het zogenaamde 'De Auditu-Arrest' en het 'Van horen zeggen Arrest.' Hierin is door de Hoge Raad namelijk bepaald dat een politieambtenaar ook bevoegd is een getuige te horen. Het zal echter duidelijk zijn (en dit wordt ook zo aan de politie-instituten van het LSOP gedoceerd!), dat voor de politieambtenaren in dit verband dezelfde verplichtingen gelden als voor de rechter-commissaris bij het verhoor van getuigen. Eén van de belangrijkste verplichtingen in dit verband is geregeld in artikel 173 Strafvordering. Dit luidt: Geene vragen worden gedaan welke de strekking hebben verklaringen te verkrijgen, waarvan niet gezegd kan morden dat ze in vrijheid zijn afgelegd. Om nu te waarborgen dat zulks ook daadwerkelijk geschiedt is in artikel 172, 2e alinea Strafvordering het volgende opgenomen: Indien dit tot recht verstand van eene verklaring of om andere redenen gewenst is..., doet de rechter-commissaris ook de vraag naar aanleiding waarvan de verklaring is afgelegd in het proces-verbaal opnemen. Als dit dus al voor de rechter-commissaris geldt, is dat zeker ook van toepassing op politieambtenaren.

In de processen-verbaal van verhoor van de getuigenverklaringen zijn in het betreffende dossier van deze zaak echter niet eenmaal de aan de getuige gestelde vragen opgenomen. Nu dat niet heeft plaatsgevonden, dienen deze processen-verbaal van het verhoor van deze getuigen naar de mening van klager ook als onrechtmatig verkregen verklaringen te worden aangemerkt.

19. Een klein onderdeel van de klacht in deze zaak betreft de wijze van opmaken van één van de processen-verbaal, te weten het proces-verbaal van verhoor van getuige X (…). Onder aan de verklaring is namelijk kennelijk met een pen een wijziging aangebracht in het betreffende proces-verbaal. Op grond van bepalingen in Strafvordering dient in het proces-verbaal van een eventuele bijvoeging, doorhaling of aanpassing door de betreffende opsporingsambtenaar in de linkermarge een aantekening te worden gemaakt. Deze aantekening moet de opsporingsambtenaar ook paraferen. Dit heeft in dit geval niet plaatsgevonden. Klager wil dit in combinatie met de andere genoemde feiten en omstandigheden hier niet onvermeld laten, omdat het naar de mening van klager mede aangeeft hoe bij de aanpak en afhandeling van deze zaak contra R. door de betreffende opsporingsambtenaren is omgegaan met ook voor hen geldende voorgeschreven procedures en/of wettelijke voorschriften.

20. In het zogenaamde loopproces-verbaal (…) is aangegeven, dat verdachte R. op zondag, 06 september 1998, te 15.00 uur in vrijheid is gesteld. Nu dit proces-verbaal is opgemaakt door de heer K. kan klager niet anders concluderen dan dat R. door de heer K. in vrijheid is gesteld. Op grond van het bepaalde in artikel 57, lid 5 Strafvordering kan, zodra het belang van het onderzoek dit toelaat, (aantekening klager: alleen!) de OvJ de invrijheidstelling van de verdachte gelasten. Ook hier geldt naar de mening van klager, dat bij de invrijheidstelling van R. onrechtmatig is gehandeld, immers de heer K. heeft van een strafvorderlijke bevoegdheid gebruikt gemaakt, die hem rechtens niet toekomt."

6. Een afschrift van de brief van 1 februari 1999 werd ontvangen door de hoofdofficier van justitie te Utrecht. Deze gaf bij brief van 18 februari 1999 verzoeker (vader) te kennen geen reden te zien om inhoudelijk op de klachten te reageren, nu de klachten in de klachtbehandeling van de districtchef van district Heuvelrug, conform de daarvoor bedoelde klachtenregeling, aan de orde konden worden gesteld. De hoofdofficier van justitie gaf verder aan dat eventuele klachten over de toepassing van strafvorderlijke bevoegdheden zonodig in de strafzaak betreffende R. aan de orde zouden worden gesteld. Volgens de hoofdofficier van justitie was er voor het openbaar ministerie geen rol weggelegd, nu de zaak ter berechting was overgedragen aan het parket Haarlem. De hoofdofficier van justitie deelde tenslotte nog mee in beginsel geen redenen te hebben om aan de kwaliteit van de rechtmatigheidstoetsing door de hulpofficieren in de regio Utrecht te twijfelen.

7. Districtchef Sa. van het regionale politiekorps Utrecht reageerde bij brief van 15 maart 1999 onder meer als volgt op de klacht van verzoeker (vader):

"Naar aanleiding van een door u ingediende klacht over het optreden van de politie in het district Heuvelrug, bericht ik u het volgende.

Op 5 september 1998 is uw zoon R. in Q aangehouden terzake vermoedelijke overtreding van een zedendelict. In deze zaak zijn aangevers, getuigen en uw zoon gehoord. Contra uw zoon is proces-verbaal opgemaakt dat op 8 september 1998 is ingezonden naar de officier van justitie in het arrondissement Utrecht.

Omdat uw zoon minderjarig is, is het proces-verbaal doorgestuurd naar het arrondissement Haarlem, waarbinnen de woonplaats van de verdachte valt. Op dit moment is de zaak nog "onder de rechter" en kan er in feite geen oordeel worden gegeven over de diverse juridische aspecten van de klacht. De vraag of de aanhouding rechtmatig was; of het feit strafbaar is of er sprake was van een aanhouding op heterdaad, over het verhoor van de verdachte enzovoorts, zoals u aangeeft in de klachtonderdelen 8 tot en met 20, wordt door de magistratuur beantwoord. U zult daar te zijner tijd over worden bericht door de officier van justitie in het arrondissement Haarlem, mr. (…).

Op voorhand neem ik echter de vrijheid om u de rapportage van de klachtbehandelaar aan te reiken in wiens oordeel over de onderdelen van de klacht ik mij kan vinden.

Wat de vraag betreft of in de zaak tegen uw zoon R. de politie in het district Heuvelrug aan de behoorlijkheidsvereisten heeft voldaan, ben ik van mening dat dat zeker het geval is. Er is voldaan aan het vereiste van redelijkheid en rechtszekerheid. Bovendien is de zaak zorgvuldig behandeld; er is consistent en consequent gewerkt.

Tijdens zijn verblijf aan het politiebureau in Q en in Veenendaal is uw zoon correct bejegend, bent u op de hoogte gehouden van de stand van zaken, is de persoonlijke levenssfeer gerespecteerd en is uw zoon onbevooroordeeld behandeld.

Met betrekking tot uw persoonlijke beleving in een vader-zoon relatie kan ik mij voorstellen dat u alles in het werk stelt om uw zoon te helpen en bij te staan. Naar mijn opvatting heeft u enigszins subjectief naar de zaak gekeken en ben ik van mening dat de politie de zaak zeker niet heeft opgeblazen of disproportioneel heeft behandeld.

Voorzover ik daartoe bevoegd ben, ben ik van mening dat de klacht ongegrond is.

Ik hoop u hiermede voldoende te hebben geïnformeerd en ik verwacht dat u binnen afzienbare tijd definitief een reactie kunt tegemoet zien in de rechtszaak van de officier van justitie in het arrondissement Haarlem."

8. Als bijlage bij zijn brief had districtchef Sa. de rapportage van klachtbehandelaar L. van 26 februari 1999 gevoegd. In deze rapportage staat onder meer het volgende vermeld:

"De zoon, R., was met vrienden een weekend op een camping te Q en stond op het punt om een opleiding te gaan volgen (...).

Tijdens het verblijf van de verdachte aan het politiebureau te Veenendaal is de verdachte zeer behoorlijk, correct en humaan behandeld. Op geen enkel moment heeft de verdachte zich daarover beklaagd.

Het heeft er alle schijn van dat de verdachte zelfs privileges zijn toegekend, door zo min mogelijk in de celruimte te verblijven en hem extra te voorzien van drinken.

(...)

Klachtonderzoek

Met betrokkenen is - voor zover van toepassing - de klachtbrief puntsgewijs doorgenomen. Het cursief gedrukte geeft een korte samenvatting van het klachtonderdeel. Aansluitend de reactie van de betreffende verbalisant(en).

Nummer 8

Klager zegt dat zijn zoon R. is aangehouden op grond van artikel 239 wetboek van strafrecht, waarvoor geen voorlopige hechtenis is toegelaten en niet op grond van artikel 246 van het wetboek van strafrecht waarvoor wel voorlopige hechtenis is toegelaten.

In het proces-verbaal van aanhouding staat dat de verdachte is aangehouden terzake artikel 246 wetboek van strafrecht. Klager meent dat er sprake is van het plegen van valsheid in geschrifte door de verbalisanten S. en Kr. of dat de verbalisant S. ten opzichte van klager heeft gelogen of niet juist en correct gerapporteerd.

Door de verbalisanten wordt mede gedeeld dat zij naar aanleiding van de melding ter plaatse zijn gegaan naar de camping te Q en aldaar te woord werden gestaan. Op grond daarvan zijn zij tot aanhouding overgegaan van de verdachte terzake aanranding. Volgens de verbalisanten is aan klager O., toen die in kennis werd gesteld van de aanhouding van zijn zoon, het artikelnummer niet genoemd. Verbalisant S. beweert namelijk dat hij de bijpassende artikelnummers niet paraat heeft en dus ook geen nummer genoemd kan hebben. Overigens is het irrelevant of er een artikelnummer door de telefoon is genoemd; immers komt het aan op de inhoud van het proces-verbaal en of de feiten correct zijn en op juridische merites zijn beoordeeld.

Door mij, rapporteur, wordt bij dit klachtpunt nog opgemerkt dat door klager aan de integriteit van de verbalisanten wordt getwijfeld. Deze aantijging neem ik als zeer ernstig op en ik verwacht tenminste excuses van klager indien hij in het ongelijk wordt gesteld op dit punt. Met name de officier van justitie in het arrondissement Haarlem zal hier een uitspraak over moeten doen.

(…)

Nummer 10

Klager is van mening dat de benaming (feitelijke) aanranding in het proces-verbaal niet bestaat en derhalve de verdachte is aangehouden terzake een niet bestaand feit.

De aanhouding van de verdachte is derhalve onrechtmatig, meent de klager.

Aanranding is een algemeen begrip, waarbij het een ieder bekend is waar het om gaat. Alle bestanddelen van het delict zijn omschreven in het proces-verbaal. Het gaat om de inhoud en omschrijving van het delict achter deze aanduiding. In het bedrijfsprocessen systeem wordt het feit in het kort aangeduid, omdat er niet meer posities beschikbaar voor zijn. Naar mijn mening is van onrechtmatigheid van aanhouding dan ook geen sprake.

(…)

Nummer 12

Volgens klager is aan de aangehouden verdachte niet medegedeeld waarvoor hij was aangehouden c.q. waarvan hij werd beschuldigd.

Door de verbalisanten wordt verklaard dat zij wel degelijk tegen de verdachte hebben medegedeeld waarvoor hij was aangehouden, namelijk aanranding. Daarbij is geen artikelnummer van het wetboek van strafrecht genoemd. Ook de hulpofficier van justitie, voor wie de verdachte is geleid, heeft hem mede gedeeld waarvoor hij was aangehouden.

Nummer 13

Klager beklaagt zich er over dat er niet een zg. "sfeerproces-verbaal" is opgemaakt, om aan te geven in welke emotionele toestand de verdachte verkeerde.

Het opmaken van een "sfeerproces-verbaal" wordt allang niet in alle gevallen gedaan. Bij ernstige zedenzaken gebeurt dit in de regel wel. Eveneens in 1 op 1 situaties, zoals incest en in de gevallen waarbij kleine kinderen zijn betrokken. In de onderhavige geval was het volgens verbalisanten en de betreffende hulpofficier van justitie, absoluut niet noodzakelijk om een afzonderlijk proces-verbaal op te maken omtrent de emotionele constitutie van de verdachte.

Op diverse pagina's worden persoonlijke zaken van de verdachte weergegeven, die niet rechtstreeks met het delict te maken hebben. Daarmee wordt recht gedaan aan het feit om een zo'n compleet mogelijk beeld van de persoon van de verdachte weer te geven, ten behoeve van de zorgvuldigheid en de rechtszekerheid.

Nummer (...) 15 en 16 (geclusterde klachtonderdelen)

Klager is van mening dat de aangehouden verdachte door de verbalisanten moet worden geleid naar een plaats van verhoor en niet ter insluiting moet worden overgebracht.

Naar de mening van klager dient de verdachte niet te worden ingesloten en zeker niet nadat de verdachte kenbaar had gemaakt dat hij last had van claustrofobie. Klager beroept zich daarbij op een circulaire van de Minister van 29 december 1928.

Zoals in geheel Nederland te doen gebruikelijk is, is de aangehouden verdachte overgebracht naar een plaats van verhoor, zijnde het politiebureau te Q. Aldaar is hij voorgeleid aan de hulpofficier van justitie Ka., die getoetst heeft of de aanhouding wel wetmatig en rechtmatig was. De toetsing op rechtmatigheid en wetmatigheid heeft plaatsgevonden. De toetsing zelve behoeft niet in het proces-verbaal te worden opgenomen; wel de beslissing die de hulpofficier van justitie op grond daarvan heeft genomen. Na de verdachte een kort verhoor te hebben afgenomen is de aangehouden verdachte overgebracht naar het politiebureau te Veenendaal.

In Veenendaal heeft er een insluitingsfouillering plaatsgevonden en geen fouillering op basis van het wetboek van strafrecht, omdat de grond voor een strafvorderlijke fouillering ontbrak. Deze fouillering is volstrekt legitiem, omdat de aangehouden verdachte tevens van zijn vrijheid is beroofd. Na deze fouillering is de verdachte, in de nachtelijke uren, ingesloten op een plaats waar hij de nachtrust kon genieten en zoals te doen gebruikelijk is dat een celruimte. De verdachte heeft op geen enkele wijze kenbaar gemaakt dat hij last had van claustrofobie. Indien hij dit kenbaar had gemaakt dan had hij ingesloten kunnen worden in een speciale cel met permanent toezicht. Deze voorziening is op het politiebureau in Veenendaal aanwezig. Ook de tweede nacht van de insluiting, van zaterdag op zondag, heeft de verdachte geen enkel bezwaar gemaakt tegen het doorbrengen van de nacht in een celruimte. Overigens heeft hij, op de momenten dat de verdachte niet werd verhoord, de tijd doorgebracht in een zg. ophoudkamer. Hem zijn zeker geen privileges onthouden.

Het verwijzen naar een archaïsche regel uit 1925 (moet zijn 1928; N.o.), dat de verdachte in een wachtlokaal zal moeten worden ondergebracht, is weinig gastvrij. Het genieten van nachtrust op een stoel in een wachtlokaal in de nachtelijke uren kan niet als aantrekkelijk worden gekwalificeerd.

In beginsel worden alle in de (randen van de) nachtelijke uren aangehouden verdachten, die niet onmiddellijk kunnen worden verhoord, ingesloten in de celruimte van het politiebureau te Veenendaal.

Op verzoek van de aangehouden verdachte is in eerste instantie getracht om een tante te informeren over de aanhouding, omdat de vader van de verdachte ziek is. Omdat dit in de nachtelijke uren, na herhaalde pogingen niet gelukt is, is uiteindelijk de vader toch 's nachts telefonisch in kennis gesteld.

Nummer 17

(…)

De klacht omtrent het heenzenden van de verdachte om 15.00 uur, terwijl het laatste verhoor gestart is om 13.13 uur, is onredelijk. De afloop van het onderzoek en het heenzenden (start laatste verhoor om 13.13 uur en heenzending om 15.00 uur) sluit naadloos op elkaar aan. De verdachte is absoluut niet onnodig langer aan het bureau opgehouden. Er is maximaal zorgvuldig mee omgegaan. Nadat de verdachte was heengezonden zijn de ouders gebeld, die vanuit IJmuiden naar Veenendaal moesten komen. Gedurende hun reistijd vanuit IJmuiden naar Veenendaal, ongeveer anderhalf uur, is de verdachte R. in een ophoudkamer geplaatst. De politie was immers nog verantwoordelijk voor de minderjarige verdachte, in afwachting van de komst van zijn ouders. Dit is zeer zorgvuldig en bewust door de verbalisant K. gedaan.

Nummer 18

De klager is van mening dat in het proces-verbaal van verhoor van de verdachte ook de vraag van de verhorende ambtenaar vermeld dient te worden.

Het opnemen van vraag en antwoord in een proces-verbaal is gebruikelijk bij studioverhoren van minderjarigen/kinderen. In een enkel geval wordt het gedaan indien getwijfeld wordt aan de objectiviteit van de verhorende ambtenaar of indien er sprake zou kunnen zijn van suggestieve vraagstelling met antwoord tendenties. In het betreffende geval was de noodzaak absoluut niet aanwezig om het model van vraag en antwoord toe te passen in het verhoor en dit ook zo letterlijk op te nemen in het proces-verbaal. De verbalisant K. stond objectief in het onderzoek en heeft een ruime ervaring op het gebied van rechercheonderzoeken.

(…)

Nummer 19

De klager meldt dat een wijziging in het verhoor van de getuige X niet in de linker marge is geparafeerd door getuige en verhorende ambtenaar.

Het is juist dat een wijziging in een verklaring gerenvooieerd moet worden door de gehoorde en de verhorende ambtenaar. Dit is verzuimd en dus een omissie. Door dat verzuim zijn de beginselen van een goede procesorde echter niet verstoord, omdat de verdachte door dit verzuim op geen enkele wijze is benadeeld. Op geen enkel moment in het onderzoek is de verdachte benadeeld of onbehoorlijk behandeld.

Nummer 20

De klager is van mening dat de verdachte alleen in vrijheid kan worden gesteld door de officier van justitie en niet door de verbalisant K., die daartoe niet bevoegd is.

Omtrent de aanhouding en inverzekeringstelling is telefonisch overleg gepleegd met de officier van justitie in het arrondissement. Dit contact is gelegd door de hulpofficier van justitie, die de verdachte in verzekering heeft gesteld. Met de betreffende officier van justitie is de zaak doorgenomen en afgesproken dat na afronding van het onderzoek, de verdachte namens de officier van justitie kon worden heengezonden. Deze taak is uitgeoefend door de hulpofficier van justitie, B., die de verdachte in verzekering heeft gesteld. Van een onrechtmatige handeling door de verbalisant K. is dus geen sprake. (...)

Conclusie

Mijn conclusie is dat ik u adviseer om de klacht van O. te IJmuiden aan de hand van het feitenmateriaal en aan de hand van de persoonlijke beleving van klager, verbalisanten en adviseurs, op alle onderdelen ongegrond te verklaren."

9. Bij brief van 29 maart 1999 stelde de officier van justitie te Haarlem verzoeker (zoon) in kennis van zijn sepotbeslissing. In deze brief staat onder meer het volgende vermeld:

"Op mijn parket is een proces-verbaal binnengekomen, waarin u als verdachte bent aangemerkt.

Inmiddels heb ik besloten u daarvoor niet (verder) te vervolgen. De reden hiervoor is dat naar mijn oordeel: het een feit van betrekkelijk geringe aard/omvang betreft."

10. Bij brief van 23 april 1999 diende verzoeker O., in reactie op de klachtbehandeling door de politie, een herzieningsverzoek in bij de korpsbeheerder. In dit verzoek staat onder meer het volgende vermeld.

"VERZOEK HERZIENING:

Klager vraagt bij deze om herziening van de afdoening m.b.t. de door hem op 01 februari 1999 ingediende klacht tegen medewerkers van de Politieregio Utrecht, district Heuvelrug, n. a. v. een plaatsgehad hebbende aanhouding en de daaruit voortvloeiende vervolghandelingen op 05 en 06 september 1998, zoals gerelateerd in het aangegeven dossiernummer.

INLEIDING:

(...) Voor het gemak houdt klager bij dit herzieningsverzoek de nummering aan, zoals door hem gebruikt in de ingediende klacht en zoals die ook integraal is overgenomen door de klachtbehandelaar van de Politieregio Utrecht, district Heuvelrug. (…)

Klacht EN KLACHTAFHANDELING:

8. Verbalisant S. heeft volgens de klachtbehandelaar beweerd, dat hij de bijpassende artikelnummers (aantekening klager: van feitelijke aanranding van de eerbaarheid) niet paraat heeft en dus naar klager toe ook geen nummer genoemd kan hebben'. Van het nachtelijke telefoongesprek tussen klager en de heer S. was de echtgenote van klager getuige, omdat zij naast klager in bed lag en wakker was geworden van de telefoon. In het gesprek met de klachtbehandelaar heeft zij duidelijk aangegeven, dat zij klager in dat telefoongesprek (aantekening klager: met de heer S.) tot tweemaal toe heeft horen vragen, of het inderdaad om een bepaald artikelnummer ging (zij dacht artikel 230) en dat daarop kennelijk ook tot tweemaal toe bevestigend werd geantwoord. Maar nog los daarvan: op het moment van het telefonisch informeren van klager was R. reeds voorgeleid bij de HovJ, de heer Ka., wiens taak het was de wet- en rechtmatigheid van de aanhouding te toetsen. Zie voor een toetsings-/beslissingsmodel HovJ bijlage 2 van de ingediende klacht. Daarin worden onder meer genoemd de specifieke factoren, zeg maar de bestanddelen van het betreffende artikelnummer, in dit geval dus artikel 246 Strafrecht. Het kan er bij klager gewoon niet in, dat wel getoetst is op de bestanddelen van artikel 246 Strafrecht zonder dat dit artikel hierbij met name zou zijn genoemd. Of anders gezegd: als de heer S. het artikelnummer zelf niet paraat zou hebben gehad, dan moet dit artikelnummer volgens klager toch met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid genoemd zijn door de betreffende HovJ. De bewering van de heer S. op dit punt lijkt volgens klager dan ook twijfelachtig.

(...)

10. De klachtbehandelaar geeft aan, dat “aanranding een algemeen begrip is waarbij het een ieder bekend is waar het om gaat”. Klager vind deze redenatie (...) wel erg simplistisch. (...) De redenatie van de klachtbehandelaar, dat “in het bedrijfsprocessensysteem (BPS) het feit in het kort word aangeduid omdat er niet meer posities beschikbaar voor zijn” is onvolledig en in dit verband ook onjuist. Een maximum aantal posities geldt namelijk alleen voor het voorblad van het proces-verbaal, waarover klager echter geen opmerkingen heeft gemaakt. (...)

11. Klager heeft bij dit punt aangegeven, dat op het moment van aanhouding er geen feiten of omstandigheden (bekend) waren, die rechtvaardigden, dat er in alle objectiviteit gesproken kon worden van 'geweld of een andere feitelijkheid of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid'. Uit de rapportage van de klachtbehandelaar maakt klager op, dat er in het onderhavige geval sprake zou zijn geweest van een 'andere feitelijkheid'. Alvorens klager ingaat op de door de klachtbehandelaar aangegeven zaken die een en ander zouden moeten aantonen, wil klager ook hier eerst de feiten (en/of omstandigheden) op een rij zetten:

De twee meisjes - M. en A. - verklaarden volgens het door de aanhoudende verbalisanten opgemaakte proces-verbaal (…) beiden tegenover hen, 'dat zij door een jongeman onzedelijk waren betast. Zij verklaarden beiden door die jongen (R.) bij hun borsten gepakt te zijn en hij zou hen tevens bij hun achterste gepakt hebben. Zij hadden beiden aangegeven dit niet te willen en hadden de handen van die jongen weggedrukt c.q. weggeslagen. Dit had echter niet mogen baten'.

Meer feiten en/of omstandigheden (de bekende objectieve, concrete en specifieke factoren, zoals bedoeld in het door klager bij de ingediende klacht gevoegde beslissingsmodel HovJ (…) waren op dat moment voor de aanhoudende verbalisanten dus kennelijk niet bekend. Als deze feiten en/of omstandigheden immers wel bekend zouden zijn geweest, dan hebben zij als opsporingsambtenaren op grond van het bepaalde in artikel 152 Strafvordering namelijk de verplichting ten spoedigste proces-verbaal op te maken van het door hen opgespoorde strafbare feit of 'van hetgeen door hen tot opsporing is verricht en bevonden'. Nu zulks niet bij proces-verbaal in het opgemaakte dossier is gerelateerd, kan naar de mening van klager dus zonder enige terughoudendheid geconcludeerd worden, dat er voor de aanhoudende verbalisanten verder geen (belastende) feiten en/of omstandigheden bekend waren (geworden).

In dit verband wil klager opnieuw verwijzen naar het naslagwerk 'Heterdaad'. Volgens de auteur moeten de feiten en omstandigheden een zekere mate van aannemelijkheid en waarschijnlijkheid bezitten om tot een redelijk vermoeden te kunnen komen. Dit geldt met name wanneer het politieoptreden aanvangt naar aanleiding van een telefonische melding of (anonieme) getuigenverklaringen. In dat soort gevallen is het enige dat de politieambtenaar zelf heeft waargenomen, het feit dát er een melding is binnengekomen of een bepaalde verklaring is afgelegd. Voor de verdenking is dit op zichzelf nog niet relevant, maar geldt alleen de inhoud van de betreffende melding of verklaring. De opsporingsambtenaar zal hier dus eerst moeten zien uit te vinden in hoeverre de gemelde feiten aannemelijk zijn.

Daarom ook was er hier naar de mening van klager op dat moment geen sprake van feiten of omstandigheden, waaruit dit 'geweld of de andere feitelijkheid' zou kunnen blijken, zodat hier in feite dus overblijft overtreding van artikel 239 Strafrecht, zoals aan klager in eerste instantie ook tot tweemaal toe telefonisch door de heer S. is doorgegeven. Nu de aanhoudende verbalisanten volgens het proces-verbaal van aanhouding en het proces-verbaal van bevinding (…) R. hebben aangehouden terzake van overtreding van artikel 246 Strafrecht, kan niet anders geconcludeerd worden dan dat dit niet was gebaseerd op feiten of omstandigheden (de hiervoor aangegeven drie factoren), maar kennelijk voornamelijk op aannames. (…)

12. Volgens de klachtbehandelaar zouden 'de (aanhoudende) verbalisanten én de hulpofficier van justitie verdachte (R.) wel degelijk hebben medegedeeld, waarvoor hij was aangehouden, namelijk aanranding'. Klager gaat de discussie op dit punt niet aan, hoewel het voor hem wel opmerkelijk blijft, dat zowel R. als de bij de aanhouding aanwezige getuige V. blijven volharden bij hun verklaringen, dat een en ander door de aanhoudende opsporingsambtenaren niet aan R. is medegedeeld.

Maar laten we er gemakshalve eens van uitgaan dat R. door de betreffende opsporingsambtenaren inderdaad wel zou zijn medegedeeld dat hij was aangehouden terzake van aanranding. Ook dan zal toch volstrekt duidelijk zijn, dat alleen deze mededeling niet in overeenstemming is met het doel en de strekking van het bepaalde in artikel 5, lid 2 EVRM en artikel 9, lid 2 IVBPR, zoals aangegeven in de ingediende klacht. In deze artikelen staat immers expliciet, dat de gearresteerde onverwijld op de hoogte moet worden gebracht van alle beschuldigingen, die tegen hem zijn ingebracht. De klachtbehandelaar gaat ook hier in zijn rapportage verder niet op in.

(...)

15. De klachtbehandelaar geeft op dit punt aan, dat R. is 'ingesloten op een plaats waar hij de nachtrust kon genieten en zoals te doen gebruikelijk is dat een celruimte'. Ook met deze zienswijze kan klager gewoon niet uit de voeten. (...)

De klachtbehandelaar weerlegt in zijn rapportage verder ook niet dat R. niet zelf de celruimte in het cellencomplex aan het bureau van politie te Veenendaal als plaats van insluiting zou hebben verkozen. Anders gezegd: R. had op grond van het bepaalde in deze Circulaire dus niet in het lokaal voor inverzekering bestemd mogen worden ingesloten. Klager handhaaft zijn klacht op dit punt dan ook, dat de insluiting in dat lokaal onrechtmatig is geweest.. (...)

16. (...) De insluitingsfouillering is, zoals daarin is aangegeven, gebaseerd op de Politiewet 1993 (met name artikel 9, lid 4). In artikel 8, lid 4 Politiewet 1993 wordt onderscheid gemaakt tussen een aangehouden of rechtens van hun vrijheid beroofde verdachten'. Op grond van de Politiewet 1993 heeft een aangehouden verdachte dus kennelijk een andere status dan een rechtens van zijn vrijheid beroofde persoon, anders zou het 'dubbel' in dit artikel staan. Als de klachtbehandelaar hier dus aangeeft, dat de aangehouden verdachte tevens een van zijn vrijheid beroofde verdachte is, dan gaat hij naar de mening van klager volledig voorbij aan de bepalingen bij of krachtens de Politiewet 1993. Hij gaat in zijn redenering kennelijk uit van hetgeen hieromtrent is bepaald in de toelichting op artikel 50 van het Wetboek van Strafvordering. Dit is hier echter niet van toepassing, omdat zoals in de ingediende klacht en ook hiervoor al is opgemerkt, de insluitingsfouillering is geënt op de Politiewet 1993. Ook op dit punt handhaaft klager zijn mening, dat de insluitingsfouillering van R. onrechtmatig was. (…)

De klachtbehandelaar geeft hierbij tevens aan, 'dat de afloop van het onderzoek en het heenzenden naadloos op elkaar aansluiten en dat de verdachte (R.) absoluut niet onnodig langer aan het bureau is opgehouden'. Hij onderbouwt dat echter met geen enkel argument. Het verhoor van getuige D. (ongeveer 2 A-viertjes) heeft blijkens de processtukken zo'n half uur in beslag genomen (…). Het verhoor van getuige X (ook zo'n 2 A-viertjes) zal dus ongeveer net zolang hebben geduurd. Als we het ruim nemen, waren alle verhoren dus afgerond op zondag, 06 september 1998, omstreeks 14.00 uur. Hierdoor werd er naar de mening van klager niet meer voldaan aan het vereiste van het onderzoeksbelang in het uitgereikte bevel tot inverzekeringstelling. Desondanks is R. volgens het loopproces-verbaal (…) eerst op zondag, 06 september 1998, te 15.00 uur in vrijheid gesteld.

Verder geeft de klachtbehandelaar naar de mening van klager op dit punt een wel heel eigen interpretatie m.b.t. het in vrijheid stellen (de klachtbehandelaar spreekt in zijn rapportage trouwens over heenzenden wat toch apert iets anders is dan in vrijheid stellen!) van verdachte (R.), in combinatie met het overdragen aan de ouderlijke macht op zondag 06 september 1998, te 15.00 uur, zoals gerelateerd in het loopproces-verbaal (…). In de ingediende klacht is al aangegeven, dat R. eerst door klager en zijn echtgenote is opgehaald op zondag, 06 september 1998, omstreeks 16.30 uur, zodat wat in het betreffende proces-verbaal is gerelateerd gewoon onjuist is. R. bevond zich overigens, voordat hij aan klager en zijn echtgenote werd overgedragen in de eerder genoemde ophoudkamer. Voor alle duidelijkheid: deze ophoudkamer was op dat moment door middel van een sleutel afgesloten en werd in het bijzijn van ons als ouders door verbalisant K. geopend. Desondanks geeft de klachtbehandelaar in zijn rapportage aan, dat R. op zondag, 06 september 1998, te 15.00 uur in vrijheid is gesteld en niet langer onnodig aan het bureau van politie te Veenendaal is opgehouden. Gelet op het vorenstaande zal het toch duidelijk zijn, dat hier niet kan worden gesproken van de invrijheidstelling én het overdragen van R. aan de ouderlijke macht op zondag, 06 september 1998, te 15.00 uur.

18. Ook bij dit punt geeft de klachtbehandelaar weer een volledig verkeerde voorstelling van zaken, als hij aangeeft dat volgens klager 'in het proces-verbaal van verhoor van de verdachte ook de vraag van de verhorende ambtenaar vermeld dient te worden'. Klager heeft in de door hem ingediende klacht immers aangegeven, dat dit juist geldt voor het verhoor van getuigen en benadeelden. Het zal duidelijk zijn, dat dit anderen zijn dan de door de klachtenbehandelaar aangehaalde verdachte. Hetgeen door de klachtbehandelaar op dit punt dan ook verder wordt aangehaald in zijn rapportage, wordt door klager als niet relevant beschouwd. In de ingediende klacht is een en ander door klager naar zijn mening voldoende gemotiveerd en ook goed onderbouwd. (...)

19. Klager wil hierbij niet ontkennen, dat de omissie m.b.t. het niet renvooieren van de wijziging in de verklaring van getuige X op zich niet nadelig is geweest voor R.

Klager heeft dat in de door hem ingediende klacht ook niet beweerd. Een feit blijft echter, dat hier is gehandeld in strijd met een voor de betreffende opsporingsambtenaar geldende voorgeschreven procedure en/of wettelijk voorschrift. Het komt dan ook op z'n zachtst gezegd wel heel vreemd over, dat de ingediende klacht op dit punt ook ongegrond wordt verklaard.

20. De klachtbehandelaar geeft hier kort samengevat aan, dat 'omtrent de aanhouding en inverzekeringstelling telefonisch overleg is gepleegd met de (aantekening klager: welke?) officier van justitie in het arrondissement door de inverzekeringstellende hulpofficier van justitie. Na het doornemen van de zaak zou met deze officier zijn afgesproken, dat na afronding van het onderzoek, de verdachte namens de officier van justitie kon worden heengezonden, 'welke taak zou zijn uitgeoefend door de hulpofficier van justitie B.' Het maakt in principe niet eens zoveel uit door wie een verdachte, die in verzekering is gesteld, feitelijk in vrijheid wordt gesteld. Het gaat er wel om, dat deze invrijheidstelling op grond van het bepaalde in artikel 57, lid 5 Strafvordering geschiedt op last van de officier van justitie. Het zal duidelijk zijn, dat een en ander ook zo in het proces-verbaal zal moeten worden opgenomen. Achteraf kan de klachtbehandelaar in zijn rapportage wel aangeven, dat deze taak namens de officier van justitie is uitgeoefend door genoemde hulpofficier van justitie B., uit het proces-verbaal blijkt hiervan gewoon niets. Klager kan op grond van het vorenstaande daardoor niet anders concluderen (mede gelet op het bepaalde in artikel 152 Strafvordering) dan dat de invrijheidstelling van R. is geschied door de heer K. zelf. En zoals in de door klager ingediende klacht al is aangegeven, komt deze strafvorderlijke bevoegdheid verbalisant K. rechtens niet toe.

Wat klager in dit verband ook opvalt, is dat noch in het opgemaakte proces-verbaal, noch in de rapportage van de klachtbehandelaar de naam wordt genoemd van de betreffende officier van justitie in het Arrondissement Utrecht, met wie en/of wanneer de hulpofficier van justitie B. overleg over deze zaak heeft gehad. Hiermee wil klager overigens geenszins suggereren, dat dit overleg er niet is geweest. In het vorige korps van klager was het echter een vaste regel, dat in het dossierproces-verbaal de naam van de geconsulteerde officier van justitie werd genoemd. Klager is alleen daarom ook al benieuwd wie deze officier van justitie is geweest.

EINDOPMERKINGEN:

A. (...)

B. Wat klager vooral heel erg tegenvalt van de klachtbehandelaar is, dat door hem aan een bepaald facet van deze zaak in zijn rapportage geen enkele aandacht is geschonken. In het gesprek dat klager en zijn echtgenote met hem hadden, gaf de echtgenote van klager namelijk aan dat zij bij deze zaak vooral geschrokken was van een opmerking van een medewerkster van de Raad voor de Kinderbescherming Utrecht, die R. in het kader van de vroeghulp aan het bureau van politie te Veenendaal bezocht. Het betreft hier mevrouw Ba., bereikbaar onder telefoonnummer: (…). Zij heeft naar aanleiding van deze zaak namelijk op maandag 07 september 1998 telefonisch contact opgenomen met de echtgenote van klager om te vragen hoe het nu met R. ging. Zij deelde daarbij mede, dat zij aanvankelijk behoorlijk was geschrokken, omdat haar in eerste instantie door een medewerker van de politie Veenendaal telefonisch was medegedeeld, dat R. was aangehouden wegens 'pedofilie'. Naderhand was haar uit het contact met de heer K. van de politie Veenendaal wel duidelijk geworden, dat het hier om feitelijke aanranding der eerbaarheid ging, maar toch. De klachtbehandelaar vond dat als 'projectleider of aanspreekpunt(?)' m.b.t. het 'Integriteitsstatuut van de Nederlandse Politie' binnen zijn korps een zeer ernstige zaak, zoals hij klager en zijn echtgenote mededeelde. Op zijn verzoek gaf klager hem dan ook de naam én het telefoonnummer van deze medewerkster, omdat hij een en ander per se wilde uitzoeken. Na de ontvangst van zijn rapportage bleek hierin echter niets over dit onderwerp te zijn opgenomen. Dat verbaasde klager ten zeerste. Vervolgens heeft klager telefonisch contact opgenomen met de betreffende medewerkster. Zij gaf daarbij aan dat zij inderdaad door de klachtbehandelaar over het vorenstaande was benaderd. Zij verklaarde klager dat zij hem precies het verloop had verteld, zoals hiervoor door klager is aangegeven."

11. Bij brief van 18 mei 1999 rapporteerde klachtbehandelaar L. de herzieningscommissie naar aanleiding van het door verzoekers ingediende herzieningsverzoek. In deze rapportage staat onder meer het volgende vermeld:

"Algemene opmerkingen klachtbehandelaar:

• het is niet aan de klachtbehandelaar om te reageren op de juridische beoordeling van het opgemaakte proces-verbaal. Dit komt immers het openbaar ministerie toe en eventueel de rechter. Het proces-verbaal is op zijn juridische merites inmiddels beoordeeld en het oordeel van het openbaar ministerie te Haarlem was dat zij besloten heeft om niet tot (verdere) vervolging over te gaan. De reden hiervoor was naar het oordeel van de officier van justitie dat het een feit betrof van betrekkelijk geringe aard en omvang.

(...)

• De behandeling van de verdachte is tijdens het onderzoek zonder meer correct te noemen. Subjectief bezien heeft hij privileges gekregen, die niet aan iedere verdachte worden toegekend, zoals het ophouden in verhoorkamers op het moment dat hij niet aan een verhoor was onderworpen. Ook de verdachte heeft zich tijdens het verblijf aan het politiebureau te Veenendaal correct gedragen. De zaak is op een uiterst integere wijze afgehandeld, waarbij ouders tijdig op de hoogte zijn gebracht van de aanhouding en de voortgang van het onderzoek. Na afloop van het onderzoek zijn de ouders tijdig in kennis gesteld en is de verdachte absoluut niet onnodig aan het bureau opgehouden. Kortheidshalve verwijs ik naar hetgeen vermeld staat onder nummer 17.

Reaktie op een aantal punten in het herzieningsverzoek:

Punten 8,9,10,11 en 12 :

geen reactie c.q. volsta ik met hetgeen in het rapport is geschreven

Het proces-verbaal is op zijn juridische merites beoordeeld door het openbaar ministerie te Haarlem, waaraan conclusies zijn verbonden.

Punt 13:

het opmaken van een z.g. sfeerproces-verbaal wordt opgemaakt bij ernstige (zeden)delicten. Wel worden in het proces-verbaal van verhoor feitelijkheden of omstandigheden vermeld, die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van het delict door het openbaar ministerie dan wel de rechter. In het proces-verbaal van verhoor zijn daar een paar zaken van opgenomen. Zie verklaring verdachte R.

Punten 14,15,16,17,18,19 en 20 :

geen reactie c.q. wordt volstaan met hetgeen vermeld staat in het rapport.

Eindopmerkingen van klager:

Gedurende de tijd dat de verdachte aan het politiebureau te Veenendaal is geweest is hij correct behandeld en zijn hem zeker geen privileges onthouden. In de tijd dat hij niet aan een verhoor werd onderworpen, bevond hij zich in de ophoudkamers en niet in het cellencomplex.

Uit niets blijkt dat de onderzoekers dadergericht en eenzijdig te werk zijn gegaan; het tegenovergestelde is eerder waar. Men wist dat men te maken had met een zoon van een politieman; men heeft hem beschermd op de camping om te voorkomen dat agressors zich op hem zouden werpen en aan het bureau is de zaak objectief bekeken.

Mevrouw Ba. is opgetreden als medewerker van de Raad voor de Kinderbescherming in deze zaak. Zij is per fax op de hoogte gesteld van de inverzekeringstelling van de verdachte R. Toen zij de fax ontving wist zij niet exact wat het betreffende artikel behelsde. Zij heeft toen contact opgenomen met de meldkamer van de politie te Utrecht om te vragen wat het betreffende artikel inhield waarop geantwoord werd dat het een zedenzaak betrof waarbij minderjarigen waren betrokken. Nimmer is gezegd dat het een zaak van pedofilie betrof.

Na mijn bezoek aan de klager in IJmuiden waar hij mij dit had mede gedeeld, heb ik een en ander onmiddellijk en wel dezelfde dag geverifieerd bij mevrouw Ba. en zij bevestigde per telefoon exact zoals het gesprek met de meldkamer was gelopen en zoals hierboven weergegeven is.

Dat de klager O. persisteert bij het weergeven van een onjuiste weergave van deze situatie, zegt meer iets over de integriteit van klager dan van de medewerkers in de politie regio Utrecht.

Het integriteitststatuut is destijds aan alle medewerkers uitgereikt en aan het thema integriteit is regiobreed veel aandacht geschonken.

Op de overige opmerkingen is nader commentaar overbodig."

12. Op 29 oktober 1999 werden verzoekers naar aanleiding van het herzieningsverzoek door de leden van de herzieningscommissie gehoord. In het verslag van de hoorzitting staat onder meer het volgende vermeld:

"De voorzitter opent de hoorzitting (...).Hij geeft kort aan dat in het herzieningsverzoek klachtelementen zitten die betrekking hebben op de bejegening van R. (zoon) en dat andere onderdelen van het verzoek betrekking hebben op het contact van O. (vader) met de politie. De commissie zal zowel R. als O. als klager aanmerken (...) Verder geeft de voorzitter aan dat de veelheid aan puur strafvorderlijke geschilpunten aan het desbetreffende openbaar ministerie is voorgelegd en dat de commissie hieromtrent geen advies zal uitbrengen (...).

De voorzitter vraagt wat R. van de klacht vindt.

R. zegt dat hij dit alles liever niet had, omdat de hele geschiedenis weer bij hem boven komt. Hij zegt dat hij slecht slaapt. Hij is echter wel van oordeel dat de klacht, ook wat hem betreft, reëel is.

De voorzitter schetst kort dat contact was opgenomen met de politie en dat hij door hen werd aangehouden en vraagt hoe e.e.a. feitelijk is gegaan.

R. zegt dat hij gedronken had en hem aardig had zitten. Hij was in zijn tent gaan liggen en was verder rustig. De politiemensen kwamen bij hem en zeiden dat hij moest meekomen. Hij moest in de auto stappen. Er werden weinig woorden gesproken. Hij werd toen naar een politiebureau gebracht waar hij te woord werd gestaan door een hulpofficier van justitie.

De voorzitter vraagt of hij eerst naar het bureau Veenendaal werd gebracht.

R. zegt dat hij eerst een kwartier in het ene bureau is geweest en daarna werd overgebracht naar een ander bureau omdat hij eerst zijn roes moest uitslapen.

De voorzitter vraagt of er gezegd is wat er ging gebeuren.

R. geeft aan dat gezegd is dat ze de volgende morgen wel verder zouden zien en dat hij eerst maar moest gaan slapen in de cel. Hij werd toen eerst een halfuur in een glazen hok gezet en daarna werd hij naar een cel gebracht. Hij heeft toen slecht geslapen. Hij geeft aan dat hij claustrofobisch is. Verder heeft hij na zitten denken.

De voorzitter vraagt of hij tegen de politie gezegd heeft dat hij claustrofobisch was.

R. bevestigt dit. De politie zei tegen hem dat het maar voor even was.

De voorzitter vraagt of hij er toen nog verder een punt van heeft gemaakt.

R. zegt dat hij dat op dat moment niet heeft gedaan, omdat er al genoeg heisa was.

De voorzitter vraagt wat er de volgende dag gebeurde.

R. zegt dat hij vroeg wakker was en dat hij naar buiten wilde. Er kon geen raam open en hij werd gek in het hok. Hij gaf dit via een microfoon te kennen. De politie zei toen dat er straks wel iemand zou komen. Ongeveer 09.30 uur werd hij uit zijn cel gehaald om te douchen. Daarna werd hij door de heer K. gehoord. Vervolgens moest hij weer in de verhoorruimte blijven. De gordijnen gingen dicht. Hij kreeg wel een boekje te lezen.

De voorzitter vraagt wanneer er een beslissing over zijn vrijheid werd genomen.

R. zegt dat dit in de middag was. Ze zeiden tegen hem dat hij nog even moest blijven en dat ze niet wisten hoe lang. Hij zegt dat dit mogelijk tegen hem werd gezegd door een brigadier. Deze brigadier was al eerder bij hem geweest. Deze had toen tegen hem gezegd: "Weet je wel wat je gedaan hebt" en bovendien een intimiderende houding aangenomen.

De voorzitter vraagt waar hij in het politiebureau verbleef.

R. zegt dat hij meestal niet in de cel zat, maar in een soort ophoudkamer. Er was geen luchtruimte beschikbaar. 's Avonds moest hij wel naar de cel. Hij zegt dat hij heeft gevraagd of het hok een stukje open mocht. Dit mocht niet. Hij mocht ook zijn ouders niet bellen. Er werd gezegd dat zij al onderweg waren. Hij zegt dat hij nog een keer door de heer K. is gehoord. Dit was een aardige man en deze vertelde hem later ook dat hij naar huis mocht. Hij schat dat dit ongeveer een uur na dit laatste verhoor was."

13. Bij brief van 7 februari 2000 ontvingen verzoekers het standpunt van de korpsbeheerder op het herzieningsverzoek van 23 april 1999, met daarin opgenomen het advies van de herzieningscommissie. In deze brief staat onder meer het volgende vermeld:

"Uw herzieningsverzoek ontving ik op 27 april 1999. Ik heb uw verzoek voor advies voorgelegd aan de onafhankelijke Herzieningscommissie Klachten Politie Regio Utrecht die het in haar vergadering op 4 april en op 29 oktober heeft besproken. Mede door personele verschuivingen heeft het advies enige tijd op zich laten wachten. Op deze plaats wil ik mijn excuses aanbieden dat mijn beslissing de termijn ruimschoots heeft overschreden. Ik hoop dat u hiervoor begrip kunt opbrengen. Het advies van de commissie heeft mij op 20 december jl. bereikt. Vervolgens heb ik contact gehad met het parket in Haarlem, aangezien over een aantal juridische aspecten door hen een standpunt zou moeten worden ingenomen. Dit standpunt heeft mij op 7 februari jl. bereikt en is als bijlage bijgevoegd.

Samenvatting van de relevante feiten

Op grond van de ter beschikking staande gegevens kom ik tot de volgende samenvatting van de feiten.

Op zaterdag 5 september 1998 omstreeks 00.55 uur heeft de politie een melding ontvangen afkomstig van personen op de camping Bo. te Q. Ter plaatse gekomen, zijn de dienstdoende agenten aangesproken door een tweetal meisjes die verklaarden dat zij kort daarvoor onzedelijk waren betast door een jongeman. Hij zou hen tegen hun zin bij hun borsten en billen hebben vastgepakt. De ouders van de meisjes zijn bij deze melding aanwezig geweest en de agenten hebben met hen afgesproken dat zij de volgende morgen aangifte zouden komen doen op het politiebureau. Op aanwijzen van de meisjes is uw 17-jarige zoon R., verblijvend op de genoemde camping, omstreeks 01.35 uur aangehouden. Hij is vervolgens overgebracht naar het politiebureau te Q waar een voorgeleiding heeft plaatsgevonden voor een hulpofficier van justitie waarna hij is overgebracht naar het bureau in Veenendaal. Daar is hij voor de nacht ingesloten. U bent door de politie telefonisch op de hoogte gebracht.

De volgende dag heeft een nader onderzoek plaatsgevonden. R. is over de vermoedelijk door hem gepleegde gedragingen omstreeks 09.30 uur gehoord. Vervolgens is een tweetal aangiften opgenomen respectievelijk omstreeks 12.00 uur en 12.30 uur. De meisjes bleken minderjarig te zijn. Op last van een hulpofficier van justitie is R. in verzekering gesteld, U werd hierover ingelicht. Tevens is de Raad voor de Kinderbescherming geïnformeerd.

Het onderzoek is voortgezet en R. is ook voor de nacht van zaterdag op zondag ingesloten. Op zondag omstreeks 10.10 uur is R. nogmaals gehoord. Op zondagmiddag omstreeks 15.00 uur is het onderzoek afgerond en is hij in vrijheid gesteld.

(...)

Namens de districtschef van het district Heuvelrug heeft inspecteur L. onderzoek gedaan naar de klachten en hieromtrent gerapporteerd op 26 februari 1999.

(...)

Het verzoek om herziening:

Op 27 april 1999 heeft u een verzoek tot herziening van de beslissing van de districtschef ingediend met de volgende klachtonderdelen:

1. U bent van mening dat uw zoon aanvankelijk terzake artikel 239 WvSr is aangehouden doch dat later in het proces-verbaal een ander artikel, art. 246 WvSr, is vermeld.

2. (...)

3. U bent van mening dat de in het proces-verbaal gehanteerde benaming onjuist is en dat derhalve de aanhouding heeft plaatsgevonden op basis van een niet bestaand strafbaar feit.

4. (...)

5. U bent van mening dat de verbalisanten uw zoon bij diens aanhouding niet hebben medegedeeld waar hij van werd verdacht. In ieder geval is hij niet op de hoogte gebracht van alle beschuldigingen die tegen hem waren ingebracht.

6. (...)

7. (...)

8. U bent van mening dat de insluiting in een cel onrechtmatig is geweest. R. was overgebracht voor verhoor en hij mocht derhalve niet worden ingesloten in een cel. De opmerkingen van de klachtbehandelaar omtrent de ingediende klachten zijn niet relevant, badinerend en denigrerend. Bovendien bent u van mening dat er onvoldoende rekening mee is gehouden met het feit dat uw zoon had aangegeven claustrofobisch te zijn.

9. U bent van mening dat de insluitingsfouillering onrechtmatig is geweest omdat uw zoon niet 'rechtens van zijn vrijheid beroofd' was zoals in de Politiewet bedoeld.

10. (...)

11 .U bent voorts van mening dat de inverzekeringstelling feitelijk te lang heeft geduurd nu deze is voortgezet nadat uw zoon en de getuigen waren gehoord.

12. U bent van mening dat in de verklaringen van de getuigen ook de gestelde vragen hadden moeten worden opgenomen. De reactie van de klachtbehandelaar op dit klachtonderdeel is naar uw oordeel volstrekt irrelevant.

13. U bent van mening dat onterecht is nagelaten expliciet melding te maken van een later aangebrachte wijziging in het proces-verbaal. De fout is door de klachtbehandelaar erkend, maar uw klacht is toch ongegrond geoordeeld.

14. U bent van mening dat uit het proces-verbaal niet blijkt dat uw zoon op last van de officier van justitie in vrijheid is gesteld. Nergens wordt de naam van een officier van justitie genoemd.

Eindopmerkingen.

A. (...)

B. U heeft gesteld dat de politie een medewerkster van de Raad voor de Kinderbescherming aanvankelijk had medegedeeld dat hun zoon was aangehouden wegens pedofilie. De klachtbehandelaar zou dit uitzoeken. Hij is hier echter niet op teruggekomen.

C. (...)

D. (...)

Ik heb ten aanzien van het verzoek als volgt overwogen:

(...)

Ten aanzien van R.:

1. Is hij op een correcte wijze aangehouden?

2. Is voldoende rekening gehouden met zijn claustrofobische klachten en is de plaatsing in de wachtruimte en de cel op behoorlijke wijze geschied?

3. Heeft de politie zich overigens correct jegens hem gedragen?

Ten aanzien van u:

4. Bent u door de politie correct geïnformeerd omtrent de aanhoudingsgrond?

5. Is het klachtonderzoek op behoorlijke wijze geschied?

Ad 1. Ik heb vastgesteld dat de klacht enerzijds en de verklaringen van de betrokken agenten anderzijds elkaar tegenspreken voor wat betreft de vraag of de reden van aanhouding is medegedeeld. Beide betrokken agenten verklaren uitdrukkelijk te hebben medegedeeld waarom de aanhouding plaatsvond. R. echter is van mening dat dit niet is gebeurd. Ik acht het primair niet noodzakelijk exact aan te geven welk artikel van het Wetboek van Strafrecht vermoedelijk is overtreden teneinde van een behoorlijke bejegening op dit punt te kunnen spreken. Het is naar mijn oordeel afdoende wanneer de betrokkene weet voor welke feitelijke gedragingen hij of zij wordt aangehouden. Ik heb vastgesteld dat de aanhouding relatief kort na het incident heeft plaatsgevonden. Voorts heb ik vastgesteld dat R. heeft verklaard dat hij, direct voorafgaand aan de aanhouding, door een groep jongeren was bedreigd in verband met zijn gedrag en dat hij door de moeder van een van de meisjes was aangesproken en was beschuldigd van verkrachting. Deze moeder zou hem ook hebben gezegd dat zij de politie had gewaarschuwd. R. heeft voorts verklaard dat de politieagenten hem vertelden dat hij moest meekomen en dat "hij wel wist waarom". Het is mij niet gebleken dat R., in reactie op hetgeen hem door de agenten werd gezegd, heeft aangegeven dat hij niet wist waarom hij werd aangehouden. Gegeven de omstandigheden zou ik dat ook zeer onwaarschijnlijk vinden.

Bovenstaande overwegend ben ik van oordeel dat dit onderdeel van de klacht ongegrond moet worden geoordeeld.

Ad 2. Het is mij niet gebleken dat R. uitdrukkelijk gemeld heeft dat hij wegens claustrofobie niet in een cel mocht worden ingesloten. R. heeft verklaard dat hij het wel heeft genoemd, maar er verder geen punt van heeft gemaakt. Ik heb vastgesteld dat hij feitelijk zonder problemen is gaan slapen. Overigens heb ik niet kunnen vaststellen dat de betreffende agenten uit het gedrag van R. konden opmaken dat insluiting niet verantwoord zou zijn. Daarbij neem ik tevens in overweging dat R. aanvankelijk kennelijk onder invloed van alcohol was. Dat R. de insluiting als bijzonder onaangenaam heeft ervaren, hoefde geen aanleiding te zijn om bijzondere afwijkende voorzieningen te treffen. Het is mij niet gebleken, en R. heeft ook niet gesteld, dat de wijze van insluiting c.q. plaatsing in de ophoudkamer op enigerlei andere wijze onbehoorlijk is geweest. Dit klachtelement acht ik dan ook ongegrond.

Ad 3. (...)

Ad 4. Ik heb vastgesteld dat u kort na de aanhouding van R. telefonisch bent benaderd door één van de agenten die de aanhouding hadden verricht. U klaagt erover dat u feitelijk onjuist bent geïnformeerd en dat aanvankelijk een ander artikel van het Wetboek van Strafrecht is genoemd dan waarvoor R. in verzekering is gesteld. Ik acht het aannemelijk dat in het gesprek het artikel 239 van het Wetboek van Strafrecht is genoemd. Ik heb echter niet kunnen vaststellen door wie het artikel is genoemd. U heeft verklaard dat het goed mogelijk is dat u dit als eerste heeft genoemd en dat het door de agent is beaamd. De betreffende agent heeft aangegeven dat hij geen artikelnummers paraat heeft en slechts over de feitelijke gebeurtenissen heeft gesproken. Ik neem in overweging dat het onderzoek in feite nog moest beginnen en dat de feiten zoals deze aan u zijn medegedeeld noodzakelijkerwijs globaal zijn gebleven. Ik ben van oordeel dat deze feiten globaal gezien redelijkerwijs ook zouden kunnen leiden tot een vermoeden van overtreding van artikel 246/247 van het Wetboek van Strafrecht. Voorts overweeg ik dat de betreffende agent niet bekend was met uw bijzondere deskundigheid en daarmee dus ook geen rekening kon houden. Ik heb niet kunnen vaststellen dat de politie aan u feitelijk onjuiste informatie heeft verstrekt in het voornoemde eerste telefoongesprek. Naar mijn oordeel kan dan ook niet worden gezegd dat het telefonisch informeren onbehoorlijk of onzorgvuldig is geschied. Ik onthoud mij ten aanzien van dit punt van een oordeel.

Ad 5. Ik heb vastgesteld dat de primaire klachten van zowel u en R. overeenkomstig de geldende klachtenregeling zijn onderzocht. De grond van het herzieningsverzoek betreffende de wijze waarop de primaire klachten zijn onderzocht, is ook inhoudelijk van aard. U bent van oordeel dat klachten zijn gebagatelliseerd, dat er denigrerende en badinerende opmerkingen over klachten zijn gemaakt en dat er deels een apert onjuiste voorstelling van zaken wordt gegeven. Allereerst merk ik op dat de meeste onderdelen van het herzieningsverzoek, ook wat deze secundaire klachten betreft, betrekking hebben op strafvorderlijke twistpunten, onder meer de vraag of bevoegdheden ten principale rechtens juist zijn toegepast. Ik kan omtrent deze twistpunten geen oordeel uitspreken, omdat mijn oordeel 'slechts' de behoorlijkheid van het optreden c.q. de bejegening van de betrokkenen betreft. (...)

Voorts vindt u het denigrerend dan wel badinerend dat een door u aangehaalde en nog rechtsgeldige circulaire in het onderzoek als een "archaïsche regel" wordt opgevat. Ik ben van oordeel dat niet kan worden ontkend, dat de heer L. dit klachtonderdeel vrij informeel en op vooral praktische gronden afdoet. Ik acht het ook begrijpelijk dat het gebruik van de term 'archaïsch' bij u de indruk heeft gewekt dat er niet serieus naar de klacht is gekeken. Ik stel echter vast dat wel degelijk een serieuze overweging heeft plaatsgevonden en dat een gemotiveerd oordeel over het klachtonderdeel is gegeven. Dit alles overwegend acht ik de klacht hieromtrent ongegrond.

Ten slotte valt het u tegen en vindt u het hypocriet dat de klachtbehandelaar het verwijt dat de politie aanvankelijk naar de Kinderbescherming had aangegeven dat R. vast zat wegens pedofilie, niet in zijn rapportage heeft opgenomen. Ik heb vastgesteld dat hieromtrent aanvankelijk in de primaire klachtbrief niets is opgenomen, doch dat u hieromtrent in uw toelichting op de klachtbrief kennelijk een opmerking heeft gemaakt. Uit het samengestelde dossier heb ik opgemaakt dat de heer L. de kwestie ook heeft besproken met mevrouw Ba. Zij heeft tegenover hem ontkend dat het woord 'pedofilie' zou zijn gebruikt, maar zei dat gesproken was over een zedenzaak waarbij minderjarigen betrokken waren. Dit zou op deze wijze aan haar zijn medegedeeld door medewerkers van de politiemeldkamer. Ik heb vastgesteld dat de heer L. het betreffende klachtonderdeel kennelijk wel heeft onderzocht, maar niet heeft opgenomen in zijn rapportage en dat hieromtrent in het afdoeningsbericht niets is opgenomen. Ik acht dit op zich onzorgvuldig. Ik heb echter ook vastgesteld dat zowel de betrokken politieambtenaren als mevrouw Ba. zelf, tegenover de klachtbehandelaar hebben aangegeven dat niet is gesproken over pedofilie. Aangezien u niet uit eigen wetenschap heeft verklaard, acht ik het niet aannemelijk geworden dat de politie gesproken heeft over pedofilie. Dit klachtonderdeel acht ik derhalve ongegrond.

Conclusie

Ik verklaar op bovengenoemde overwegingen het herzieningsverzoek ongegrond.

Voor zover het klachtonderdelen betreft die aan het Openbaar Ministerie zijn voorgelegd, verwijs ik u naar de bijgevoegde brief van de hoofdofficier van justitie te Haarlem."

14. De herzieningscommissie had - met toestemming van verzoekers - de klachtonderdelen over de toepassing van strafvorderlijke aspecten voorgelegd aan de officier van justitie te Haarlem. Het standpunt van de hoofdofficier van justitie van 2 februari 2000 werd door de korpsbeheerder als bijlage bij haar standpunt gevoegd. In deze brief staat onder meer het volgende vermeld:

"Hierbij reageer ik op uw verzoek een standpunt te formuleren t.a.v. enkele onderdelen van de klacht van de heer O. inzake de aanhouding van zijn zoon R., voor zover dit de verantwoordelijkheid van de officier van justitie te Haarlem betreft. Van een verslag van de feiten zal ik afzien nu u reeds van de dossiergegevens op de hoogte bent.

Verzoeker meent dat geen sprake kon zijn van een aanhouding op heterdaad. Deze stelling kan ik niet volgen. Gelet op de bij de politie binnengekomen meldingen, was een redelijke verdenking van een gepleegd strafbaar feit aanwezig. Niet is nodig dat de strafbaarheid van het feit onomstotelijk vast staat. Het gaat om een redelijk vermoeden van een strafbaar feit. De politie heeft direct na de melding moeite gedaan om de dader te pakken te krijgen. Ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit omvat ook de toestand waarin het feit bekend wordt aan anderen dan de dader (de politie). Na ontdekking van het feit is de zoon van verzoeker op heterdaad aangehouden. Verzoeker stelt dat de melding anderhalf uur na de pleegdatum aan de politie is gedaan. Wat daar van zij, de aanhouding op heterdaad was rechtmatig gelet op het korte tijdsbestek tussen het plegen van het feit en de aanhouding en het aanwezig zijn van een redelijke verdenking.

Ingeval van ontdekking op heterdaad bestaat de bevoegdheid tot aanhouding voor elk strafbaar feit. Of inderdaad sprake is geweest van een strafbaar feit, en hoe dit kan worden gekwalificeerd (in casu wel of geen 246 Sr), moet uit nader onderzoek blijken. Voor de vraag of op heterdaad kon worden aangehouden is daarom ook minder relevant, en zeker niet allesbepalend, of voorlopige hechtenis is toegestaan voor het feit waarvan de zoon van verzoeker werd verdacht. Dit komt eerst aan de orde in de beoordeling van de inverzekeringstelling.

De inverzekeringstelling was eveneens rechtmatig, gelet op de stand van zaken van het onderzoek op het moment dat het bevel werd gegeven. Immers had toen reeds het verhoor plaatsgevonden van een van de aangeefsters waaruit wel degelijk mocht worden afgeleid dat een verdenking bestond c.q. bleef bestaan ter zake overtreding van artikel 246 Sr. Naar mijn oordeel is de vrijheidsbeneming derhalve niet onrechtmatig geweest. Ik verwijs in dit verband nog naar hetgeen de rechtbank te Haarlem hieromtrent heeft overwogen in zijn twee beschikkingen van 16 september 1999 op een verzoek tot schadevergoeding ex artikel 89 en 591a Sv die ik hierbij als bijlage heb gevoegd.

Verzoeker heeft gesteld dat de invrijheidstelling van zijn zoon had dienen te geschieden op last van de officier van justitie. Het is juist dat de officier van justitie de invrijheidstelling van een verdachte kan gelasten zodra het onderzoek zulks toelaat. Deze bevoegdheid komt evenwel tevens de hulpofficier van justitie toe, artikel 58 lid 3 Sv. Een last van de officier van justitie is dus niet vereist.

Ik ga er vanuit dat u dit schrijven zult kenbaar maken aan verzoeker in het kader van diens herzieningsverzoek. Daarom heb ik ervan afgezien verzoeker afzonderlijk bericht te doen toekomen."

15. Als bijlage zond de hoofdofficier van justitie te Haarlem twee uitspraken van de rechtbank te Haarlem. Op 16 september 1999 gaf de rechtbank (enkelvoudige raadkamer) een beschikking naar aanleiding van een door verzoekers ingediend verzoekschrift strekkende tot toekenning van een vergoeding van schade geleden ten gevolge van ondergane verzekering ex artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en een door verzoekers ingediend verzoekschrift strekkende tot toekenning van de gemaakte kosten van rechtsbijstand ex artikel 591a Sv. De rechtbank wees beide verzoeken af en overwoog daarbij onder meer als volgt:

"De rechtbank is van oordeel dat de toen bestaande verdenking van de feiten waarvoor verzoeker in verzekering is gesteld, ook thans aanwezig is. Verzoeker heeft - naar aanleiding van de beide tegen hem gedane aangiften - immers bekend dat hij één van de twee (minderjarige) meisjes - kort samengevat - twee keer aan haar borsten heeft betast.

Derhalve is zijn vrijheidsbeneming in verband met voormelde verdenking, mede bezien in het licht van de door verzoeker tijdens zijn vrijheidsbeneming afgelegde (deels) bekennende verklaring en de in de raadkamer afgelegde verklaring, dat er dingen zijn gebeurd die niet horen, ook achteraf bezien niet onrechtmatig is geweest."

16. Bij brief van 28 februari 2000 schreef verzoeker (vader) de raad voor de kinderbescherming onder meer het volgende:

"Ik heb in het verleden al enige malen telefonisch contact met u gehad over mijn zoon R. (…).

U heeft hem in september 1998 in het politiebureau van Veenendaal bezocht in het kader van vroeghulp i.v.m. een 'zedenzaak'.

U heeft naar mij toe aangegeven en ook meerdere malen herhaald, dat u hem heeft bezocht, omdat u in verband met zijn inverzekeringstelling door de Politie Regio Utrecht in eerste instantie door een medewerker van het bureau Veenendaal van de Politie Regio Utrecht telefonisch was medegedeeld dat het zou gaan om een 'aangehouden pedofiel'. Bij telefonische navraag was u naderhand weliswaar al vrij snel gebleken, dat het om een andere zaak ging. Dat neemt echter niet weg dat de aanvankelijke melding zou zijn zoals hiervoor door mij is aangegeven.

Omdat medewerkers van de Politie Regio Utrecht in mijn optiek op meerdere punten fouten hebben gemaakt in de aanpak van deze zaak en die zaak mijns inziens ook behoorlijk hebben 'opgeblazen', heb ik een schriftelijke klacht ingediend. Daarbij heb ik overigens niet gewezen op de hiervoor aangegeven melding. Pas in het gesprek met de klachtbehandelaar van de Politie Regio Utrecht kwam dit ter sprake, omdat mijn echtgenote door deze kwalificatie diep was en ook nu nog steeds diep is geschokt. Het vorenstaande wordt trouwens ook bevestigd door de inhoud van een deel van de rapportage van de herzieningscommissie. (…)

Daarin is verder expliciet aangegeven, dat u in een onderhoud met de klachtbehandelaar, de heer L., heeft ontkend, dat het woord 'pedofiel' zou zijn gebezigd. Naar mij toe heeft u echter laten weten, dat dit wel degelijk het geval was. De conclusie lijkt dan ook gerechtvaardigd, dat de heer L. op dit punt niet juist heeft gerapporteerd, net zoals hij dat volgens mij op nog een aantal andere punten niet juist heeft gedaan. Ik vind dit ongepast en ben ook voornemens over een en ander een vervolgklacht in te dienen bij de Nationale Ombudsman.

De reden waarom ik u deze brief schrijf zal wel duidelijk zijn. Ik wil u hiermee namelijk vriendelijk verzoeken mij schriftelijk te bevestigen dat door een medewerker van de Politie Regio Utrecht naar u toe in het kader van de vroeghulp wel degelijk de term 'pedofiel' is gebruikt. Ik zou het ook op prijs stellen, als u daarbij tevens in het kort uw zienswijze op de hele gang van zaken aangeeft, zoals reeds verwoord in het door u opgestelde rapport en u in het telefonisch onderhoud naar mij toe heeft medegedeeld. U heeft mij daarin namelijk laten weten, dat u de hele aanpak van deze zaak door de Politie Regio Utrecht behoorlijk overtrokken vond."

17. Bij brief van 29 juni 2000 reageerde raadsonderzoeker Ba. op verzoekers brief van 28 februari 2000. In deze reactie staat onder meer het volgende vermeld:

"Hierbij bevestig ik de ontvangst van uw verzoek tot medewerking met betrekking tot uw klacht contra Politie Regio Utrecht.

Middels dit schrijven wil ik met betrekking tot mijn telefonisch onderhoud met dhr. L., klachtbehandelaar van Politie Regio Utrecht het volgende schriftelijk vastleggen:

In de periode waarop uw klacht van toepassing was, ben ik, Ba., raadsonderzoeker strafzaken, telefonisch benaderd door dhr. L.. Aan dhr. L. heb ik doorgegeven dat ik tijdens mijn weekenddienst een melding doorkreeg van een medewerker van de cellengang Paardenveld dat een minderjarige in verzekering is gesteld onder verdenking van "pedofilie". Tevens heb ik aan dhr. L. aangegeven dat ik gelijk erna telefonisch contact heb gehad met de (dienstdoende) verbalisant van politiebureau Veenendaal. Deze liet weten dat er echter geen sprake zou zijn van "pedofilie" maar van "ontucht met een minderjarige."

18. Bij brief van 7 april 2000 stelde verzoeker (O.) - in verband met zijn voornemen om een klacht bij Nationale ombudsman in te dienen - twee vragen aan het arrondissementsparket te Utrecht. Hij vroeg of de Circulaire van het parket van 14 september 1994 (Aanwijzing in verband met de nieuwe wettelijke regeling van de inverzekeringstelling) in september 1998 nog van kracht was. Voorts vroeg hij of er over de invrijheidstelling op 6 september 1998 van R. overleg had plaatsgevonden met een officier van justitie binnen het parket te Utrecht en zo dit het geval was, met welke officier van justitie.

19. In reactie op dit schrijven liet de officier van justitie Oo. te Utrecht verzoeker (O.) bij brief van 8 mei 2000 onder meer het volgende weten:

"Ten aanzien van uw eerste vraag (...) kan ik u antwoorden dat de aan u toegezonden circulaire van 14 september 1994 nog van kracht was in september 1998.

Ten aanzien van de tweede vraag in uw brief verwijs ik u naar de inhoud van het proces-verbaal dat tegen uw zoon is opgemaakt. Uit het proces-verbaal zal moeten blijken of er overleg is geweest met een officier van justitie en zo ja, met wie. Ik kan de informatie niet op een andere manier achterhalen."

20. Bij brief van 17 mei 2000 stelde verzoeker (O.) de officier van justitie Oo. een tweetal nadere vragen. Verzoeker vroeg onder meer het volgende vermeld:

"1. In het betreffende proces-verbaal is nergens aangegeven, dat er met betrekking tot deze zaak overleg heeft plaatsgevonden met een officier van justitie van uw parket. Is op grond hiervan mijn conclusie dan juist, dat over deze zaak in het geheel geen overleg heeft plaatsgevonden? (...)

2. Diende er op grond van de destijds van kracht zijnde circulaire van 14 september 1994 in deze zaak nu wel of geen overleg plaats te vinden over de inverzekeringstelling en óf de invrijheidstelling van mijn zoon R.?"

21. Bij brief van 6 september 2000 reageerde officier van justitie Oo. op verzoekers (O.) vragen. In zijn brief staat onder meer het volgende vermeld:

"Op de door u gestelde vragen in eerstgenoemde brief kan ik geen antwoord geven aangezien ik niet betrokken ben geweest bij de zaak tegen uw zoon. In zijn algemeenheid kan ik aangegeven dat een hulpofficier van justitie zodra het belang van het onderzoek dit toelaat en zo mogelijk na overleg met de officier van justitie de invrijheidstelling van de verdachte gelast."

B. Standpunt verzoekers

1. Het standpunt van verzoekers staat samengevat weergegeven onder Klacht en komt naar voren onder punt A.

2. Verzoekers wendden zich op 28 september 2000 tot de Nationale ombudsman met een verzoekschrift waarin onder meer het volgende is vermeld:

"I. Klacht EN KLACHTAFHANDELING:

1. Op zaterdag, 05 september 1998, omstreeks 02.20 uur, werd klager gebeld door de heer S. van de politie Veenendaal. Hij deelde klager mede dat R. was aangehouden en ingesloten in het bureau van politie te Veenendaal. De reden van de aanhouding was het feit dat R. twee meisjes onzedelijk zou hebben betast op de camping Bo. te Q. Dit was volgens de heer S. gebeurd op vrijdag, 04 september 1998, rond 23.00 uur. Op de vraag van klager waarvoor R. was aangehouden, deelde de heer S. klager mede dat R. was aangehouden ter zake van overtreding van artikel 239 Strafrecht. Op de vraag van klager aan de heer S., of R. ook nog voor andere feiten was aangehouden, antwoordde de heer S. ontkennend. Daarbij is de heer S. door klager ook nog nadrukkelijk gevraagd, of er sprake is geweest van geweld, of bedreiging of iets anders, maar ook daarop antwoordde de heer S. ontkennend. Hij herhaalde nog eens, dat R. was aangehouden i.v.m. overtreding van artikel 239 Strafrecht en niet voor andere strafbare feiten.

2. Op zaterdag, 05 september 1998, omstreeks 15.00 uur, werd klager door de heer K. van de politie Veenendaal telefonisch medegedeeld dat R. was aangehouden ter zake artikel 246 Strafrecht en in het belang van het onderzoek in verzekering was gesteld i.v.m. artikel 246/247 Strafrecht. Dezelfde dag, omstreeks 10.30 uur, had klager al telefonisch contact gehad met de heer K. Hij had klager toen medegedeeld, dat het tijdstip van het incident was geweest, vrijdag 04 september 1998, omstreeks 23.30 uur. Na een binnengekomen melding bij de meldkamer van de Politie Regio Utrecht op zaterdag 05 september 1998, rond 01.00 uur was R. op dezelfde datum omstreeks 01.30 uur aangehouden. Daarbij werd door de heer K. overigens niet aangegeven voor welk feit R. was aangehouden, terwijl klager daar toen ook verder niet naar heeft gevraagd.

3. Klager vond het opmerkelijk, dat hem door de heer S. van de politie Veenendaal tot twee keer toe (de echtgenote van klager, die bij het telefoongesprek aanwezig was, houdt vol dat klager het zelfs drie keer had gevraagd!) nadrukkelijk was medegedeeld, dat R. was aangehouden ter zake artikel 239 Strafrecht, terwijl dit dus achteraf artikel 246 Strafrecht blijkt te zijn. In verband hiermede heeft klager op 10 september 1998 telefonisch contact opgenomen met de toegevoegde advocaat van R., (…). Het kostte klager overigens enkele dagen om de betreffende advocaat op te sporen, omdat deze R. tijdens zijn inverzekeringstelling aan het bureau van politie te Veenendaal niet had bezocht en zijn naam in eerste instantie ook niet bekend was. Klager heeft de advocaat een en ander uitgelegd en hem verzocht een kopie van het proces-verbaal op te vragen bij het Arrondissementsparket Utrecht en dit klager toe te sturen. Aan dit verzoek heeft de advocaat voldaan.

(…)

9. Na lezing van het proces-verbaal (…) heeft klager op 01 februari 1999 een uitgebreide officiële schriftelijke klacht ingediend bij de korpschef van de Politie Regio Utrecht, District Heuvelrug. Klager was (en is ook nu nog steeds!) na bestudering van het hele dossier en de verder hier nog in te voegen relevante stukken namelijk van mening, dat kort samengevat het onderzoek in deze zaak op bepaalde punten eenzijdig dadergericht en ook niet zorgvuldig is uitgevoerd. Tevens zijn door enkele medewerkers van de Politie Regio Utrecht - volgens klager althans - op bepaalde punten bevoegdheden onrechtmatig toegepast.

(…)

13. Bij brief, d.d. 15 maart 1999, ontving klager een reactie op zijn klacht van de chef van het District Heuvelrug van de Politie Regio Utrecht. Daarin was door deze districtschef aangegeven, dat, voor zover hij daartoe bevoegd was, de klacht (in zijn geheel) ongegrond was verklaard.

(…)

15. Bij brief, d.d. 29 maart 1999, ontving R. van de OvJ van het Arrondissementsparket Haarlem het bericht, dat besloten was R. niet (verder) te vervolgen om reden dat er naar zijn/haar oordeel sprake was van 'een feit van betrekkelijk geringe aard/omvang'.

(…)

V. GRONDEN VOOR DIT KLACHTSCHRIFT:

46. Gemakshalve houdt klager hier de volgorde aan van de reactie op het herzieningsverzoek van de korpsbeheerder én het nagenoeg identieke advies van de HCK (beide verder aangeduid als herzieningsbescheiden) te beginnen bij een samenvatting van de relevante feiten. (…)

47. Verder wordt in de herzieningsbescheiden aangegeven, dat 'het onderzoek op zondagmiddag omstreeks 15.00 uur is afgerond en R. in vrijheid is gesteld'. Dit is onjuist. Immers zowel uit het rapport van KB, d.d. 26 februari 1999, (…) als ook uit de punten 17 van de door klager ingediende klacht én het herzieningsverzoek blijkt overduidelijk, dat R. eerst op zondag 06 september 1999, omstreeks 16.30 uur in vrijheid is gesteld.

(...)

50. Bij 'De primaire klacht (1 februari 1999)' wordt onder sub 7 in de herzieningsbescheiden opnieuw een verkeerde voorstelling van zaken gegeven, nu daar is opgenomen, dat de klacht van klager was dat 'R. niet had mogen worden ingesloten, omdat hij last had van claustrofobie'. Klager heeft wel in punt 15 van zijn ingediende klacht én het herzieningsverzoek aangegeven, dat R. niet in de cel mocht worden geplaatst op grond van de door klager aangehaalde en nog steeds rechtsgeldige - wat in beide herzieningsbescheiden ook niet wordt tegengesproken! - Circulaire van de Minister van Justitie van 29 december 1928, afd. 2 A, no. 283, aan de Procureurs Generaal, betreffende artikel 57 en volgende Wetboek van Strafvordering. Daarin is namelijk expliciet aangegeven, dat zulks niet is toegestaan, 'tenzij de verdachte dit zelf zou verkiezen'. Hierop heeft klager aangegeven dat R. daar nooit om zou vragen, omdat hij lijdt aan een lichte vorm van claustrofobie. Het zal duidelijk zijn, dat dit ook apert iets anders is dan nu in de herzieningsbescheiden is aangegeven. (...)

51. Bij 'Het verzoek om herziening' in de herzieningsbescheiden onder 8 wordt wederom een niet juiste voorstelling van zaken gegeven, als daar wordt opgemerkt, dat klager volgens het herzieningsverzoek 'van mening was dat er onvoldoende rekening is gehouden met het feit, dat R. had aangegeven claustrofobisch te zijn'. In het door klager ingediende herzieningsverzoek heeft hij in sub 15 van dit verzoek de discussie over dit item zelfs expliciet afgesloten! Dus ook dit is iets heel anders dan nu in de herzieningsbescheiden wordt aangegeven.

(…)

54. Bij de behandeling van Ad 1 in de herzieningsbescheiden wordt allereerst aangegeven dat het 'primair niet noodzakelijk wordt geacht exact aan te geven welk artikel van het Wetboek van Strafrecht vermoedelijk is overtreden teneinde van een behoorlijke bejegening op dit punt te kunnen spreken'. De essentie hiervan ontgaat klager geheel. Klager heeft dit bij punt 12 van de door hem ingediende klacht én het herzieningsverzoek ook niet zo aangegeven en zeker zo niet bedoeld. Wel heeft hij aangegeven, dat de gearresteerde onverwijld op de hoogte moet worden gebracht van alle beschuldigingen die tegen hem zijn ingebracht op grond van de door klager aangehaalde artikelen uit de twee Verdragen (artikel 5, lid 2 EVRM en artikel 9, lid 2 IVBPR). In dit verband wil klager ook nog wijzen op een toelichting hierover in het algemeen bekende Vademecum Strafzaken. Daarin is aangegeven, dat artikel 5, lid 2 EVRM ruim moet worden uitgelegd. Men moet snel en toereikend op de hoogte worden gesteld van de reden van de arrestatie. De informatieplicht strekt er toe dat de verdachte zodanig wordt geïnformeerd dat hij de juridische en feitelijke grondslag van zijn arrestatie begrijpt. Dat impliceert niet dat de verdachte direct van alle details van de reden van de arrestatie bij de aanhouding op de hoogte moet worden gesteld. Onder omstandigheden kan dit een verloop van enkele uren met zich mee brengen. In de zaak contra R. is een en ander gewoon niet gebeurd! (…)

55. Verder wordt bij dit punt aangegeven 'dat R. heeft verklaard dat de aanhouding relatief kort na het incident heeft plaatsgevonden… en dat hij door de moeder was beschuldigd van verkrachting. De moeder zou R. ook hebben gezegd dat zij de politie had gewaarschuwd. Voorts had hij verklaard, dat de politieagenten hem vertelden dat hij moest meekomen en dat "hij wel wist waarom". R. wist en weet dat hij de meisjes eerder op de avond - hoewel toch min of meer uitgedaagd door een vriend van de meisjes - onzedelijk had betast en dat dit uiteraard een strafbaar feit was. Hij en/of klager hebben dat ook nimmer ontkend! Maar dit betekent toch nog niet - en hij blijft dat ook tot op de dag van vandaag ontkennen - dat hij de meisjes met geweld of een andere feitelijkheid of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid heeft aangerand. Daarbij zijn ook van belang de eerder gemaakte opmerkingen hieromtrent bij sub 49 van het klaagschrift, dat de verschillende medewerkers van de Politie Regio Utrecht in eerste instantie klaarblijkelijk waren uitgegaan van feitelijke aanranding met geweld of bedreiging met geweld. Zijn in dit verband gemaakte opmerking houdt toch ook niet in dat hij daarmee de beschuldigingen van een moeder van één van de meisjes bekent dat hij haar dochter zou hebben verkracht. Dat de aanhoudende politieambtenaren bij of vlak na de aanhouding van R. geen concrete beschuldigingen hebben aangegeven is op zich ook niet eens zo verwonderlijk.(...)

Waar hij in dit verband wel veel waarde aan hecht is de verklaring van de eerder door klager in sub 8 van zijn bij de korpschef van de Politie Regio Utrecht ingediende klacht genoemde getuige, V., die, zoals toen reeds aangegeven bij de aanhouding van R. aanwezig was. Hij is echter helaas niet door de politie is gehoord ook niet achteraf, nadat de klacht was ingediend. Op verzoek van klager heeft deze getuige omtrent het gebeurde alsnog een 'eigen' verklaring opgesteld. Daaruit blijkt onder meer heel duidelijk, dat de betreffende aanhoudende politieambtenaren bij de aanhouding van R. geen enkele beschuldiging hebben genoemd en zeker geen aanranding. (…)

Uit het geheel kan klager gewoon niet anders concluderen dan dat R. in strijd met het bepaalde in de aangehaalde Verdragen na zijn arrestatie c.q. aanhouding niet op de hoogte is gebracht van alle beschuldigingen die tegen hem waren ingebracht. Klager komt verderop in dit klachtschrift trouwens nog een keer terug op de door getuige V. opgestelde verklaring.

(...)

58. Op Ad 4 in de herzieningsbescheiden wil klager wel dieper ingaan. Klager is realistisch genoeg om zich te kunnen voorstellen, dat niet elke politieambtenaar de artikelen van Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht - Misdrijven tegen de zeden - uit zijn hoofd kent c.q. paraat heeft. Verder wil klager ook met de korpsbeheerder én de HCK beamen, 'dat het onderzoek in feite nog moest beginnen en dat de feiten zoals aan klager medegedeeld noodzakelijkerwijze globaal zijn gebleven'. Waar in de herzieningsbescheiden echter volledig aan wordt voorbijgegaan is hetgeen klager hieromtrent in sub 14 van zijn ingediende klacht én nog veel sterker in sub 8 van het herzieningsverzoek heeft aangegeven, namelijk dat voordat klager telefonisch werd geïnformeerd de aangehouden R. was geleid voor een HOvJ. Het is zijn taak een aanhouding en dus ook die van R. te toetsen aan de hand van een aantal criteria volgens hiervoor vastgestelde beslissingsmodellen (...)

Bij het inwinnen van informatie volgens zo'n beslissingsmodel of stappenplan moet de betreffende hulpofficier (uiteraard) ook de verbalisanten horen omtrent het voorval c.q. de reden tot de aanhouding. Daarbij zal dus ook het aspect 'geweld of een andere feitelijkheid of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid' aan de orde dienen te komen, zulks in relatie tot artikel 246 Strafrecht. Zoals klager in het herzieningsverzoek al heeft aangegeven - mede gelet op zijn eigen praktijkervaring als HOvJ - kan het er bij klager gewoon niet in dat in deze zaak wel getoetst is op alle bestanddelen van artikel 246 Strafrecht zonder dat het bewuste artikel hierbij ter sprake is gebracht!

In elk geval zal het uit het bovenstaande duidelijk zijn, dat er in de contacten tussen de aanhoudende politieambtenaren en de betreffende HOvJ over het bestanddeel 'geweld of een andere feitelijkheid of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid' n.a.v. de aanhouding van R. gesproken moet zijn. Zoals door klager hiervoor al is beaamd, moest in het beginstadium van het onderzoek de informatie naar klager toe noodzakelijkerwijs globaal blijven. Maar dit rechtvaardigt volgens klager toch niet, dat als hij tot tweemaal toe - en volgens de echtgenote van klager zelfs tot driemaal toe - aan de heer S. van de Politie Regio Utrecht nadrukkelijk vraagt of er sprake is geweest van geweld of bedreiging met geweld of iets anders dit ook twee keer door de heer S. pertinent wordt ontkend, terwijl door hem naar klager toe ook tweemaal is aangegeven, dat de aanhouding had plaatsgevonden op grond van artikel 239 Strafrecht.

(…)

60. Bij Ad 5 in de herzieningsbescheiden is terecht aangegeven, dat er volgens klager onder meer 'deels een apert onjuiste voorstelling van zaken wordt gegeven'. Dit betreft volgens het herzieningsverzoek onder meer de misleidende informatie van de KB over het aantal beschikbare posities binnen het bedrijfsprocessensysteem - BPS (sub 10 verzoek), een in dit soort zaken op te maken sfeerproces-verbaal m.b.t. de emotionele toestand van de slachtoffers, waarbij volgens de KB de toestand van de verdachte centraal zou staan (sub 13 verzoek), de onjuiste bewering van de KB dat er volgens klager een fouillering op basis van het Wetboek van Strafrecht - dit kan nota bene helemaal niet! - zou hebben plaatsgevonden (sub 16 verzoek) en de onjuiste bewering van de KB, dat volgens klager in het proces-verbaal van verhoor van de verdachte ook de vraag van de verhorende ambtenaar vermeld diende te worden (sub 18 verzoek). Een en ander wordt in de herzieningsbescheiden ook niet weersproken. Ondanks dat deze zaken naar de mening van klager geen betrekking hebben op juridische aspecten of strafvorderlijke twistpunten - het aantal beschikbare posities binnen BPS heeft daar bijvoorbeeld gewoon helemaal niets mee te maken en bij de andere door klager aangegeven zaken bij dit punt is slechts bij enkele aspecten marginaal min of meer sprake van kleine juridische raakvlakken maar zeker geen strafvorderlijke twistpunten - wordt in de herzieningsbescheiden aangegeven, dat over al deze twistpunten geen oordeel kon worden uitgesproken. Het lijkt er volgens klager veel meer op, dat de HCK én de korpsbeheerder hierover geen oordeel wilden uitspreken, omdat dit wellicht de klacht van klager zou bevestigen, dat er door de KB inderdaad een deels onjuiste voorstelling van zaken was gegeven. Een en ander betekent echter wel, dat hier door de betreffende KB in strijd met het bepaalde in punt 2.2 van sub 2 van artikel 4 van het Integriteitsstatuut van de Nederlandse Politie niet juist én niet correct is gerapporteerd. Dit geldt - in veel mindere mate weliswaar - ook voor de klacht over de inhoud van de brief, d.d. 15 maart 1999, van de chef van het district Heuvelrug van de Politie Regio Utrecht aan klager (…), die het dus op de aangegeven punten onjuiste rapport van de KB kennelijk klakkeloos heeft overgenomen. Op zijn minst kan volgens klager geconcludeerd worden, dat op dit punt onzorgvuldig is gehandeld.

61. Voor wat betreft de herzieningsbescheiden wil klager hier en bij de volgende punten vooral uitgebreid ingaan op de alinea, die handelt over de al dan niet door (een) medewerker(s) van de Politie Regio Utrecht gedane mededeling aan mevrouw Ba. van de RvK te Utrecht n.a.v. zijn inverzekeringstelling, dat R. zou zijn ingesloten ter zake 'pedofilie', zoals door klager is aangegeven in het door hem ingediende herzieningsverzoek. In de herzieningsbescheiden is daarover kort samengevat het volgende aangegeven: 'blijkens het samengestelde dossier heeft de heer L. (de KB) de kwestie besproken met mevrouw Ba. Tegenover hem had zij ontkend, dat het woord 'pedofilie' zou zijn gebruikt. Zij zou volgens de heer L. gezegd hebben, dat gesproken was over een zedenzaak waarbij minderjarigen betrokken waren'. De heer L. heeft dat onderdeel wel onderzocht, maar hieromtrent niets opgenomen in zijn rapportage. Op zich wordt dat in de herzieningsbescheiden onzorgvuldig geacht. Vervolgens is aangegeven, dat door de korpsbeheerder én de HCK 'echter ook is vastgesteld, dat zowel de betrokken politieambtenaren als mevrouw Ba. zelf, tegenover de KB hebben aangegeven dat niet is gesproken over pedofilie'. Van belang hierbij is het door de KB opgemaakte rapport, d.d. 18 mei 1999 voor de HCK (…).

63. Pas bij brief d.d. 29 juni 2000 ontving klager de reactie van mevrouw Ba. (…).

Daarin geeft zij een heel andere verklaring over het telefonisch onderhoud dat zij met de KB heeft gevoerd over de door klager aangegeven kwestie van het al dan niet bezigen van de term 'pedofilie' in verband met de inverzekeringstelling van R. op 05 september 1998. Letterlijk vermeldt zij in de bewuste brief namelijk: 'Aan dhr. L. heb ik doorgegeven dat ik tijdens mijn weekenddienst een melding doorkreeg van een medewerker van de cellengang Paardenveld dat een minderjarige in verzekering is gesteld onder verdenking van "pedofilie". Anders gezegd: ook hier is door genoemde KB onjuist en incorrect gerapporteerd en mitsdien ook zonder meer in strijd met het eerder aangehaalde Integriteitsstatuut. Was dit naar de mening van klager al kwalijk bij het opstellen van zijn rapportage i.v.m. de door klager op 02 februari 1999 ingediende klacht, veel kwalijker is het hier. Immers met het rapport van 18 mei 1999 (…) trekt hij de integriteit van klager op een niet mis te verstane wijze in twijfel, daar waar juist zijn integriteit in het geding is! Vooral zijn in dit verband gemaakte opmerking 'Dat klager persisteert bij het weergeven van een onjuiste weergave van deze situatie, zegt meer iets over de integriteit van klager dan van de medewerkers in de Politie Regio Utrecht vindt klager niet alleen buitengewoon grievend, maar ook een politieambtenaar onwaardig. Op dit punt verwacht klager dan ook tenminste schriftelijke excuses en rehabilitatie van de zijde van de Politie Regio Utrecht. (...)

64. Hoewel klager naar aanleiding van het bovenstaande per se niet wil beweren, dat hierdoor de beide rapportages van de KB in hun geheel als onjuist en/of incorrect moeten worden gekwalificeerd, zal anderszins toch duidelijk zijn dat alles wat in dit verband door de verschillende politieambtenaren van de Politie Regio Utrecht is gezegd en gerapporteerd niet per definitie een juiste weergave is van de feiten en omstandigheden, zoals aangegeven. In het bijzonder wil klager in dit verband weer wijzen op de eerder aangehaalde verklaring van getuige V. (…). Hij geeft hier - net als R. hierover heeft verklaard - namelijk nadrukkelijk aan, dat door de betreffende aanhoudende politieambtenaren bij de aanhouding van R. - waarbij hij zoals al is aangegeven bij sub 8 van de door klager ingediende klacht aanwezig was - niet is gezegd voor welk feit of welke feiten R. was aangehouden, terwijl de aanhoudende politieambtenaren dat tegenspreken. Tevens blijkt uit deze verklaring ook zonder meer dat de heer S. getuige V. bij de aanhouding van R. heeft medegedeeld, dat R. maar één nacht aan het politiebureau zou moeten doorbrengen, wat dus achteraf ook wordt tegengesproken. Deze laatste opmerking van de getuige V. is voor klager weer wel een duidelijke indirecte bevestiging van wat hij zelf heeft aangegeven in sub 8 van zijn klacht én het herzieningsverzoek, dat R. klaarblijkelijk moet zijn aangehouden voor een ander feit dan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, anders kan de betreffende politieambtenaar zulks niet verklaren. Maar ook dit wordt door de betreffende politieambtenaren tegengesproken.

(…)

68. Op blad 2 geeft genoemde officier verder aan, dat 'de inverzekeringstelling van R. eveneens rechtmatig was, gelet op de stand van zaken van het onderzoek op het moment dat het bevel werd gegeven, etc...' Met alle respect weer, maar ook dit heeft klager zo niet bestreden. Klager heeft bij sub 17 van de door hem ingediende klacht én het herzieningsverzoek alleen aangegeven, dat als onderzoeksbelang in het aan R. uitgereikte bevel tot inverzekeringstelling was opgegeven 'verhoor van getuigen en nader verhoor van verdachte'. Deze verhoren waren uiterlijk op 06 september 1998, omstreeks 14.00 uur afgerond, zodat dat onderzoeksbelang op dat moment niet meer bestond. Desondanks is R. volgens pagina 09 van het dossier proces-verbaal eerst om 15.00 uur in vrijheid gesteld. In feite is hij dus nog een uur in verzekering gesteld gebleven zonder dat er sprake was van het aangegeven onderzoeksbelang. Om deze reden heeft klager in zijn klacht ter zake ook aangegeven, dat R. het laatste uur van zijn inverzekeringstelling onrechtmatig heeft ondergaan. (...)

69. Het wordt bijna eentonig, maar ook voor wat betreft de invrijheidstelling van R. uit zijn inverzekeringstelling geeft deze OvJ een niet geheel juiste weergave van de klacht. In de door klager ingediende én het herzieningsverzoek is in de eerste plaats bij sub 20 aangegeven, dat volgens pagina 09 van het dossier proces-verbaal R. in vrijheid was gesteld door de hoofdagent K. zelf en dat hem deze strafvorderlijke bevoegdheid rechtens niet toekomt. Dat de HOvJ deze bevoegdheid eveneens toekomt op grond van het bepaalde in artikel 58, lid 3 Strafvordering, is uiteraard ook bij klager bekend.

Blijkens het in deze zaak opgemaakte proces-verbaal is daarvan echter geen sprake geweest! De KB kan achteraf wel rapporteren, dat 'de taak van heenzending van R. zou zijn uitgeoefend door de HOvJ B., nadat omtrent de aanhouding en inverzekeringstelling van R. telefonisch overleg had plaatsgevonden met de zaakofficier van in justitie in het Arrondissement door de inverzekeringstellende hulpofficier'. (Opmerking klager: deze formulering van de KB op zich is al heel opmerkelijk, omdat het hier namelijk om een en dezelfde hulpofficier gaat!) Daarnaast blijft het voor klager opvallend dat de naam van de betreffende OvJ niet in het proces-verbaal en ook niet in de rapportage van de KB wordt genoemd. Bij het alsnog noemen van de naam van de betreffende zaakofficier worden alle bij klager eventuele twijfels weggenomen. Maar noch de HCK, noch de OvJ in het Arrondissementsparket Haarlem vonden het kennelijk noodzakelijk dit in hun reacties aan te geven.

Uit de reactie van laatstgenoemde OvJ zou overigens de indruk kunnen ontstaan dat de bevoegdheid om een verdachte uit zijn inverzekeringstelling heen te zenden zonder voorwaarden aan elke HOvJ toekomt. Dit is echter geenszins het geval, want het wettelijke uitgangspunt hierbij is dat voor het voorgeleiden bij de OvJ of het heenzenden van een inverzekeringgestelde verdachte namelijk altijd overleg nodig is met een OvJ. In veel arrondissementen zijn hierover echter beleidsafspraken gemaakt, waarbij de bevoegdheid van de OvJ voor wat betreft de invrijheidstelling (en heenzending) van verdachten voor bepaalde zaken op voorhand zijn gemandateerd aan de HOvJ's. In verband hiermede heeft klager navraag gedaan bij het Arrondissementsparket Utrecht, waarbij bleek dat ook hier een dergelijke regeling van kracht was. Op verzoek van klager werd de vigerende Circulaire, nummer 3240/94, d.d. 14 september 1994 hem toegezonden met daarbij onder meer de richtlijnen over de gedelegeerde bevoegdheid tot invrijheidstelling door de HOvJ in dat ressort. (…)

Volgens het bepaalde in punt 4 op pagina 4 van deze Circulaire diende in de zaak contra R. zonder meer overleg te worden gepleegd met de parketsecretaris (c.q. een OvJ).

(...)

71. Bij brief d.d. 08 mei 2000 van het Arrondissementsparket Utrecht (dus na ongeveer een maand), werd klager bericht, dat genoemde Circulaire in september 1998 nog wel van kracht was. Op de vraag, of er in deze zaak contact was geweest met een OvJ gaf de betreffende OvJ, mevrouw Oo., aan, dat 'uit het proces-verbaal zal moeten blijken of er overleg is geweest met een officier van justitie en zo ja, met wie' De gevraagde informatie kon deze OvJ niet op een andere manier achterhalen. Een opvallend gegeven in deze brief is voor klager overigens, dat de OvJ mevrouw Oo. niet expliciet in haar brief aangeeft dat met betrekking tot deze zaak (helemaal) geen overleg noodzakelijk was met een OvJ, iets wat men toch wel had kunnen verwachten, als er door de medewerkers van de Politie Regio Utrecht geheel conform de rechtsregels en/of (beleids)afspraken zou zijn gehandeld en er geen overleg nodig zou zijn geweest! (…)

72. Als reactie op deze laatste brief heeft klager bij brief, d.d. 17 mei 2000 naar de OvJ, mevrouw Oo. aangegeven, dat in het betreffende proces-verbaal juist nergens is aangegeven, dat er overleg heeft plaatsgevonden met een OvJ. Gelet op de reactie van de OvJ mevrouw Oo. kan klager niet anders concluderen dan dat er in deze zaak kennelijk geen overleg heeft plaatsgevonden met enige OvJ (of een parketsecretaris) van het Arrondissementsparket Utrecht. Om eventuele interpretatieverschillen hierover op voorhand weg te nemen heeft klager mevrouw de OvJ mevrouw Oo. expliciet gevraagd of zij de bovenstaande conclusie van klager deelde en zo niet, waarom niet. Verder heeft klager in deze brief gevraagd, of er over de inverzekering- en/of invrijheidstelling van R. nu wel of geen overleg diende plaats te vinden met een OvJ. (…)

Voor de volledigheid wil klager in dit verband nog opmerken dat er alleen in het rapport van de KB (…) onder sub 20 is aangegeven, dat er in deze zaak tussen de HOvJ, B., en de officier van justitie in het Arrondissementsparket (Utrecht) - opmerking klager: hoewel door de KB in zijn rapport gesproken wordt over 'de' officier van justitie, wordt de naam van deze officier verder niet genoemd! - overleg heeft plaatsgevonden over de aanhouding, inverzekeringstelling en heenzending van R. Echter dit is ten eerste een verklaring c.q. verantwoording achteraf en dan ook nog van een derde en ten tweede zal het voor een ieder duidelijk zijn dat het rapport van de KB geen deel uitmaakt van het contra R. opgemaakte proces-verbaal.

(...)

75. Bij brief, d.d. 06 september 2000 ontving klager van de OvJ mevrouw Oo. van het Arrondissementsparket Utrecht eindelijk een reactie op de door hem gestelde vragen. In de zeer korte brief gaf zij het volgende aan: 'Op de door u gestelde vragen in eerstgenoemde brief kan ik geen antwoord geven aangezien ik niet betrokken ben geweest bij de zaak tegen uw zoon.' Verder gaf zij aan, dat in zijn algemeenheid een HOvJ zodra het belang van het onderzoek dit toelaat en zo mogelijk na overleg met de OvJ de invrijheidstelling van een verdachte gelast. (…)

76. Klager gaat nu verder met de behandeling van de verslagen van het verhoor van hem en zijn zoon R. bij de HCK.

(…)

78. Het antwoord op de vraag 'over het noemen van het betreffende artikel door de heer S.' is niet geheel duidelijk. Het is wel juist, dat klager zich ook nu nog steeds niet meer precies kan herinneren of hij dan wel de heer S. het eerst artikel 239 Strafrecht heeft genoemd. Klager is daarin heel eerlijk geweest, zoals hij zich ook steeds fair heeft opgesteld in de hele procedure. En dat is iets wat blijkens dit klachtschrift bepaald niet gezegd kan worden van enkele medewerkers van de Politie Regio Utrecht.

Klager heeft hier echter wel nadrukkelijk aan toegevoegd, dat de heer S. tot tweemaal toe op zijn vragen heeft bevestigd dat R. was aangehouden ter zake artikel 239 Strafrecht. Maar dat is (toevallig?) weer niet in het verslag opgenomen!

79. Ook het antwoord op 'de vraag of de heer S. een feitelijke beschrijving heeft gegeven van wat er gebeurd was' is in het verslag niet compleet. De heer S. heeft klager tijdens het telefoongesprek inderdaad een korte feitelijke beschrijving van het gebeurde gegeven en op zijn vragen geantwoord: R. heeft gisteravond omstreeks 23.00 uur twee meisjes onzedelijk betast. Hij is door de politie aangehouden en ingesloten in het politiebureau van Veenendaal. Er is geen sprake geweest van geweld, of bedreiging met geweld of iets anders. Met het weglaten van deze aanvullingen ontstaat er duidelijk een heel ander beeld van de nu in het verslag aangegeven bevestiging van klager c.q. kan er in elk geval een heel ander beeld ontstaan.

(…)

83. Het meest kwalijke vindt klager echter dat een deel van zijn verklaring helemaal niet is opgenomen in het verslag van zijn verhoor op de hoorzitting bij de HCK. Zoals uit het verslag blijkt heeft klager aangegeven, dat het onderzoek volgens hem onzorgvuldig heeft plaatsgevonden. Daarbij is tevens aangegeven dat het onderzoek eenzijdig dadergericht is uitgevoerd. Ter ondersteuning daarvan heeft klager gewezen op de verklaring van getuige X in het dossier, die niet door hem was ondertekend. Klager heeft de commissie aangegeven waarom hij deze verklaring niet had getekend. Dat had hij onder meer niet gedaan, omdat de verhorende verbalisant K. botweg weigerde iets in deze verklaring op te nemen, wat volgens de getuige in deze zaak wel degelijk relevant was, maar volgens de verbalisant niet. Dat was het feit, dat op de bewuste avond van het incident één van die meisjes bij de komst van R., getuige D. en getuige X bij het toiletgebouw op de camping Bo. volgens getuige X tegen een hek was gaan staan, haar jas had geopend en met gespreide benen getuige X had uitgenodigd haar 'een beurt te geven' of iets dergelijks. Klager heeft voor de HCK ook getoond hoe dat ongeveer moet zijn toegegaan. Dit geeft uiteraard een heel andere kijk op de zaak en het toont in elk geval aan, dat één van de meisjes kennelijk aanzienlijk minder preuts was dan zij in haar verklaring tegenover de politie heeft voorgegeven. Dit is toch ook min of meer ontlastend voor R. en volgens klager in elk geval objectief gezien relevant, omdat dit mede een goed beeld geeft van de sfeer en omstandigheden terplaatse. Verbalisant K. vond het echter niet nodig dat deze aanvulling in het proces-verbaal werd opgenomen. Dit is dan ook één van de redenen geweest, waarom klager heeft aangegeven dat het onderzoek door de Politie Regio Utrecht tegen zijn zoon eenzijdig dadergericht is geweest. (...)

Een en ander is voor klager in elk geval een reden geweest getuige X te vragen alsnog een verklaring omtrent het ontbrekende gebeuren op die camping op de bewuste avond op te stellen, waaraan door hem ook is voldaan. Daaruit blijkt duidelijk wat door klager hierover is aangegeven. (…)

87. De KB blijft ook in deze rapportage (…) vasthouden, dat de verdachte (R.) bepaalde privileges heeft gekregen, 'zoals het ophouden in verhoorkamers op het moment dat hij niet aan een verhoor was onderworpen" is deels ook zeker het geval geweest, voor zover het de tijd betreft tussen 05 september 1998 te 15.00 uur en ongeveer 20.00 uur. Gelet op de door klager in zijn klacht én het herzieningsverzoek bij sub 15 aangehaalde en nog steeds rechtsgeldige Circulaire van de Minister van Justitie van 29 december 1928 had hij tot 05 september 1998 te 15.00 uur - het moment van ingaan van zijn inverzekeringstelling - echter niet in de celruimte, zijnde een lokaal voor inverzekeringstelling bestemd, ingesloten mogen worden tussen ongeveer 02.00 - 09.30 uur. En daar is in het geval van R. wel degelijk sprake van geweest! Vandaar ook dat klager in het herzieningsverzoek heeft aangegeven dat de rapportage van de klachtbehandelaar op dit punt gewoon misleidend was en ook hier is. Er wordt door de KB alleen gewezen op de privileges die hem zijn verleend en niet op andere 'privileges' - waar hij op grond van die Circulaire wettelijk gewoon recht op had!! - en die hem zijn onthouden. Hoewel het verder weliswaar niet van belang is, wil klager overigens m.b.t. de aangegeven ophoudruimte, waarin R. mocht verblijven, nog wel even aanvullen dat het een volledig inpandige en afgesloten ruimte betrof, niet veel groter dan een cel, met alleen maar kunstlicht."

3. Als bijlage bij dit verzoekschrift zonden verzoekers onder meer een verklaring van getuige X van 25 maart 2000. In deze verklaring staat onder meer het volgende vermeld:

"Allereerst wil ik aan de orde stellen, waarom ik mijn verklaring destijds niet getekend heb. Zelf wilde ik er op dat moment niets mee te maken hebben, maar de grootste reden is, dat ik meerdere malen Dhr. K. van politie Veenendaal erop moest wijzen dat hij iets vergat in de verklaring te zetten. Namelijk op de avond in kwestie omstreeks vijf à tien minuten voordat het hele verhaal zich begon af te spelen, liep ik met R. bij de toiletten, waar ik aangesproken werd door een meisje van circa een jaar of zestien à zeventien van de groep gabbers op de camping Bo. Deze leunde achterover een hekje heen met een half open jas en gespreide benen en vroeg mij "Hoi wat zie jij er lekker uit, wil jij mij even een beurt geven" waarop ik antwoordde, dat ik daar van mijn leven niet aan moest denken en zonder er verder op door te gaan ben ik met R. doorgelopen om het toiletgebouw heen op zoek naar de herentoiletten. Dit was op vrijdag 04 september 1998 rond ongeveer 23.00 uur en zo'n 2 à 3 uur later kwam de politie op de camping om R. mee te nemen.

Dhr. K. weigerde om dit stukje erin te zetten; hij draaide er telkens omheen. Bijvoorbeeld: "Ja, dat zetten we er zo wel in" of "dat is nu nog niet van belang". Na Dhr. K. hier meerdere malen op te hebben gewezen, gaf ik de moed op en heb mijn verklaring ook niet getekend.

Ik vind het nog steeds vreemd dat Dhr. K. bleef weigeren om hierover iets in mijn verklaring op te nemen. Ik vond het namelijk wel degelijk van belang. Hiermee bedoel ik niet dat R. juist gehandeld had eerder die avond, maar het geeft echter wel heel duidelijk aan dat het bewuste meisje er wel duidelijk om vroeg qua lichaamshouding en haar manier van spreken.

Deze brief is een aanvulling op mijn verklaring aan Dhr. K. "

4. Voorts zonden verzoekers als bijlage de door getuige X op 6 september 1998 tegenover politieambtenaar K. afgelegde verklaring mee. In deze verklaring staat onder meer het volgende vermeld:

"Op vrijdag, 4 september 1998, ben ik samen met een groep (...) aangekomen op de camping Bo. te Q. (...) Daar kwamen wij omstreeks 20.00 uur aan.

Die avond, rond 23.00 uur, liep ik samen met R. in de richting van de toilettenblokken. Daar kwamen wij een vrouw tegen die mij aansprak. Zij klaagde er over dat wij veel lawaai maakten en de boel kapot maakten in de toiletten. Ik zei tegen haar dat wij dat niet waren maar dat ik er wel heen wilde lopen om even te kijken. Ik zag dat er twee jongens en drie meisjes in de toiletten waren. Ik kende hen op dat moment niet.

Ik heb hen aangesproken op hun gedrag en hen verteld dat wij daar niet voor op wilden draaien. Ik ben toen terug gegaan naar de tenten. R. bleef achter. Ik heb toen D. gehaald. Ik was bang dat er wat ging gebeuren want de andere twee jongens waren stomdronken. Ik wist dat R. ook aangeschoten was. Ik weet dat hij vieux en bier heeft gedronken.

Ik ben toen samen met D. naar de toiletten gelopen. Ik zag dat R. op een hek zat en gezellig zat te praten met de anderen. Ik wilde R. meenemen naar onze tenten. Tot mijn verbazing zag ik dat D. ook zich mengde in deze groep. Ik ben terug gegaan naar de tenten.

Toen ik wegliep, draaide ik mij nog even om. Ik zag dat R. met zijn hand aan een borst van een van de meisjes zat. D. heeft dit kennelijk niet gezien want die stond te praten met een van de jongens of meisjes.

Ik zag dat het meisje niet reageerde. Zij werd niet zichtbaar kwaad en ook niet afgeweerd. Zij bleef bij R. staan. Ik ben toen direct naar onze tenten gegaan. D. en R. bleven daar.

Later op de avond liep ik samen met R. en D. over de camping. Ik had gehoord dat er 'smerige kanker-IJmuidenaren' werd geroepen. Ik zag een paar personen weglopen. Wij zijn achter hen aangegaan om te kijken wie dat nou waren. Wij kwamen uit op een veldje alwaar een jongen op ons af kwam. Ik zag dat het een van de jongens was die ook bij de toiletten stond. Ik zag dat hij een loden pijp in zijn handen had.

Hij vertelde ons dat hij iemand zocht met een blauwe jas en blond stekeltjeshaar. Ik zag dat R. inmiddels weggelopen was. Het werd mij duidelijk dat hij R. zocht. Ik ben toen achter R. aangegaan en D. is achtergebleven.

Ik ben toen samen met R. naar onze tenten gegaan. Hij vertelde op dat moment niet wat er aan de hand was. Later vertelde hij mij wel dat hij aan een meisje had gezeten.

Even later in de avond/nacht hadden wij plotseling een grote groep jongens en meisjes om onze tenten staan. Zij hadden allerlei wapens bij zich. Ook was er een leider bij die samen met onze leiding de boel heeft gesust. Het was duidelijk dat zij R. moesten hebben. Zij wilden hem afmaken.

R. is even later gaan praten met een paar van de groepen. Hij had daar afspraken mee gemaakt. Even later kwam de politie die R. heeft meegenomen.

Op zaterdagavond, 5 september 1998, hebben wij de jongens van de andere groep op een biertje getrakteerd in de kantine van de camping. Laat in de avond gingen wij met onze groep een wandeling maken over de camping. Halverwege de reis naar onze tenten, het was donker, kwamen wij weer een stel jongens tegen van de andere groep. Zij wilden D. hebben. Hij werd beschuldigd van het feit dat hij had staan kijken en niets had gedaan toen R. aan een meisje zat. Ik zag dat D. van een jongen een klap op zijn neus kreeg. D. werd heel kwaad. Twee van onze leiders bemoeiden zich ermee en werden bedreigd met messen door andere jongens van de groep.

Teruggekomen bij onze tenten wilden wij revanche nemen, echter de leiding van ons hield dit tegen. Afgelopen nacht, rond 03.30 uur, is een leider van de andere groep bij ons gekomen. Hij heeft zijn excuses aangeboden. Hij heeft beloofd dat de jongens van zijn groep niet meer zou komen.

Ik onderteken deze verklaring niet. Ik vind dat het een probleem van R. is en ik heb geen zin om hiervoor bij de rechter te moeten komen. Meer heb ik niet te verklaren."

5. Als bijlage zonden verzoekers ook twee op respectievelijk 5 en 6 september 1998 tegenover betrokken ambtenaar K. afgelegde verklaringen van R. In de verklaring van 5 september staat onder meer het volgende vermeld:

"Ik begrijp dat ik niet tot antwoorden verplicht ben. Ik wil het volgende verklaren.

Ik ben nog nooit in aanraking geweest met de politie. (...)

Die avond (vrijdag, 4 september 1998; N.o.), liep ik samen met twee maten richting het toilettenhok van de camping. Daar werden wij aangesproken door een mevrouw. Zij vertelde ons dat er veel overlast was van jeugd in het toilettenblok. De spullen werden regelmatig vernield. Deze mevrouw was vrij tenger en had kort bruin haar. Ik ken haar verder niet.

Na dit gesprek liepen we verder. Bij de toiletten aangekomen, zag ik bij de damesafdeling dat er twee jongens en drie meisjes uit de toiletten kwamen. Wij kwamen in gesprek met elkaar. Volgens mij waren deze twee jongens aardig bezopen. Ik had ook aardig wat gedronken. Ik had vanaf de middag twee flesjes en 1 blikje bier, een groot glas vieux en berenburger op. Ik had niet veel gegeten.

Het gesprek gaat op een gegeven moment over vrouwen, een van de jongens zei tegen mij dat hij een echte vrouw had. Hij bedoelde daarmee zijn vriendin die bij hem was. Hij wees een van de twee meisjes aan. Ik ging met mijn linkerhand in de richting van de borsten van het meisje. Het was mijn bedoeling om mijn hand voor de borst te houden en niet om het aan te raken. Aangezien ik aardig wat op had raakte ik met mijn hand haar borst. Het meisje vond dit niet leuk en liet dit woordelijk merken aan mij. Zij zei tegen mij: 'Moet dat nou, hou even op', of woorden van gelijke strekking.

Haar vriendin zei toen: ' Hoe weet je nou dat zij een echte vrouw is?' Ik zei toen dat ik dat voelde aan de schouderbladen en ik pakte het zelfde meisje bij haar schouder. Het meisje zei volgens mij: 'Ja ja, nou weten we het wel.'

Het gesprek ging toen gewoon verder. Zij vertelden ons dat zij uit de buurt van Rotterdam kwamen. Het gesprek draaide even later weer uit op vrouwen. Mijn vriend stond op dat moment met een van de jongens te praten op vier meter afstand. Mijn andere vriend was al lang weer terug naar de tenten. We hadden een jolige bui met elkaar en het gesprek was leuk. Tijdens het gesprek ging het weer over hoe je kan zien dat het een vrouw is. Ik deed het toen nog een keer voor en pakte met mijn linkerhand weer een borst van hetzelfde meisje. Ik bemerkte dat zij dit niet leuk vond. Zij maakte mij nu duidelijk dat ik moest stoppen en dat het vervelend begon te worden. Het meisje heeft mij niet geslagen of zo. Het ging niet op een kwaaie manier of zo.

Haar vriendin heb ik volgens mij niet bij de borsten gepakt. Ik heb haar volgens mij alleen bij haar schouderblad gepakt, ook heb ik deze meisjes niet hun billen aangeraakt. Ik kan mij dat niet herinneren.

Toen het mij duidelijk was dat het niet leuk meer was wat ik gedaan had, ben ik er ook mee gestopt. Wij stonden daar met z'n allen nog wat bij elkaar te praten. Ondanks dat het gebeurd was, bleef het gezellig. Daarna zijn we weer naar onze tenten gegaan.

Mijn vrienden die er bij waren heten X en D.

X had niet gezien dat ik de meisjes betast had. Volgens mij heeft D. wel het een en ander gezien. Dat weet ik niet zeker.

Even later op de avond, stond er een groep van ongeveer 30 man bij onze tenten. Zij zochten een jongen met stekeltjeshaar en een blauwe jas. Zij moesten hem hebben omdat deze jongen een vriendin van een van de jongens had aangeraakt. Ik begreep dat het over het voorval van eerder op de avond ging. De jongens waren redelijk dronken op dat moment. Ik zag dat 1 van de jongens in de groep een stalen buis bij zich had. Het betrof de vriend van het meisje.

De leiding van ons was er ook bij. Ik moest in de tent blijven want de groep wilde mij in elkaar slaan. Ik ben op een gegeven moment zelf naar de groep toegelopen. Ik ben toen naar die vriend gegaan en heb gezegd dat ik met hem wilde praten. Hij had die ijzeren staaf inmiddels niet meer in zijn handen. Wij zijn toen naar de toiletten gelopen en ik heb hem uitgelegd wat er gebeurd is. Ik heb toen ook aan hem mijn excuses aangeboden.

De twee meisjes waren er ook bij alleen die stonden op de achtergrond. Ik mocht van de vriend niet naar deze meisjes gaan. De leiding van beide groepen zijn bij elkaar gekomen en hebben afgesproken dat ik de volgende morgen naar de campingbeheerder zou gaan om het uit te leggen en mijn excuses aan te bieden. Ook zou ik dan de volgende dag naar huis gaan. Ik ging daar mee akkoord.

Ongeveer een uur voordat de politie kwam, kwam de moeder van het meisje naar onze groep. Zij wilde mij spreken. Zij begon mij te verwijten dat ik haar dochter verkracht had. Zij was behoorlijk kwaad. Zij zei ook dat zij aangifte ging doen. Even later werd ik aangehouden door de politie.

Ik heb geen meisjes verkracht op de camping. Hetgeen wat ik gedaan heb zie ik niet als een verkrachting, maar wat ik gedaan heb is in ieder geval niet goed te praten."

In de verklaring van 6 september staat onder meer het volgende vermeld:

" Over de leeftijd van de meisjes die ik heb betast wil ik het volgende vertellen. Ik was er van uit gegaan dat deze twee meisjes van mijn leeftijd waren. Ik dacht dat zij ongeveer 16 à 17 jaar oud waren. Zo zagen ze er in ieder geval uit. D. zei voor de grap dat de jongens, die bij deze meisjes waren, niet mochten drinken omdat zij 12 jaar oud waren. Dit was als geintje bedoeld. Een van de meisjes zei toen terug dat zij 'ook' 17 jaar oud waren. Hieruit begreep ik dat zij ook van die leeftijd moesten zijn.

Als ik geweten had dat de twee meisjes 14 jaar oud waren, had ik het niet gedaan. Ik zoek meer de meisjes van mijn eigen leeftijd. Als ik ontdek dat meisjes meer dan 3 jaar jonger zijn, dan haak ik meestal af. Daar ligt voor mij de grens. Die avond was ik absoluut niet van plan om meisjes te gaan versieren. Ook de twee meisjes waar ik over praat waren volgens mij niet te versieren.

Wat er vrijdagavond gebeurd is, praat ik absoluut niet goed. Ik heb een stomme fout gemaakt. Het valt niet goed te praten. Ik had teveel gedronken en van mijzelf ben ik al behoorlijk vrij. Als ik teveel drank op heb dan word ik losser en weet ik niet helemaal meer wat ik doe. Vandaar dat ik te ver ben gegaan bij die twee meisjes. Als ik nuchter was geweest en ik had per ongeluk een meisje op de verkeerde plek aangeraakt, dan had ik zeker direct mijn excuses aangeboden.

U zegt mij dat ik die avond de twee meisjes tegen hun wil vastgehouden heb. Dat is absoluut niet waar. Toen zij tegen mij zeiden dat ik weg moest gaan en er mee moest stoppen, heb ik dat ook gedaan. Ik ben wel zo stom geweest om het daarna nog een keer te doen, maar ik blijf er bij dat ik hen niet vastgehouden heb. Dat is zeker niet waar."

6. Bij brief van 4 april 2001 gaven verzoekers nog een nadere toelichting op de klacht. In deze brief staat onder meer het volgende vermeld:

"1. De insluiting in een politiecel en de daaraan gekoppelde fouillering van R.

In de allereerste plaats wil klager hiervoor graag verwijzen naar de uitvoerige toelichting in de punten 15 en 16 van het door hem ingediende herzieningsverzoek (…) en vervolgens ook naar de bijlagen 2 en 3 van de hierboven aangehaalde memo, d.d. 29 maart 2001.

Het zal volgens klager op grond van de aangehaalde en nog immer rechtsgeldige Circulaire van de Minister van Justitie van 29 december 1928, nummer 823 duidelijk zijn, dat zijn zoon R. na de aanhouding als 'opgehouden verdachte voor verhoor' gewoon niet ingesloten had mogen worden in de politiecel aan het bureau van politie te Veenendaal, tenzij R. dat volgens deze Circulaire zelf zou verkiezen, wat - zoals aangegeven - dus niet is gebeurd en wat R. ook zelf ook nooit zou hebben verzocht vanwege zijn lichte vorm van claustrofobie!

De stellingname van klager in deze is dat nu R. na zijn aanhouding in feite niet ingesloten had mogen worden in een politiecel, er op hem mitsdien ook niet de zogenaamde insluitingsfouillering had mogen worden toegepast. Naar de mening van klager blijkt indirect uit bijlage 3 van de aangehaalde memo, dat er sprake is van drie categorieën verdachten, te weten opgehouden of ingesloten, of in verzekering gestelde verdachten. In de verdere toelichting hiervan is naar de mening van klager geheel terecht aangegeven, dat de insluitingsfouillering op grond van artikel 9, lid 4 Politiewet 1993 (geciteerd) is geschreven met het oog op de standaardprocedure bij de insluiting in een politiecel. Anders gezegd: ook volgens klager dus niet voor de insluiting op andere plaatsen en/of voor de aangegeven opgehouden verdachten welke status R. toen ook had! R. had naar de stellige mening van klager als opgehouden verdachte alleen een insluitingsfouillering mogen ondergaan als hij zelf om insluiting in een politiecel zou hebben verzocht!

Klager wil in dit verband nogmaals met nadruk wijzen op de hiervoor belangrijke twee categorieën verdachten, die de Politiewet 1993 (in artikel 8, lid 4) onderscheidt, te weten aangehouden of rechtens van hun vrijheid beroofde verdachten.

(...)

2. Overleg met de zaakofficier m.b.t. aanhouding en inverzekeringstelling van R.

Klager heeft bij zijn toelichting op 28 maart jl. ten kantore van het bureau Nationale ombudsman aangegeven, dat hij nog steeds grote twijfels had en heeft of er in de zaak contra R. wel sprake zou zijn geweest, dat 'omtrent de aanhouding en inverzekeringstelling van R. telefonisch overleg had plaatsgevonden tussen de zaakofficier van justitie in het Arrondissement Utrecht en de inverzekeringstellende hulpofficier zoals door de klachtbehandelaar is aangegeven en gerapporteerd.

(...)

Hieronder treft u een opsomming aan van al die zaken, die naar de mening van klager zonder meer in aanmerking komen om in het onderzoek door de ombudsman te worden betrokken, te weten:

a. (...)

b. De klachtbehandelaar gaat in hetzelfde punt 10 van het herzieningsverzoek ook verder in het geheel niet in op de door klager betwiste onjuiste vermelding in het zogenaamde loopproces-verbaal nu daar was opgenomen 'klacht was gedaan ter zake van aanranding', wat, zoals door klager expliciet was aangegeven, gewoon niet kon en kan. (...)

c. (...)

h. Het wordt bijna eentonig, maar de klachtbehandelaar gaat in zijn eerste rapport (…) gewoon door met het onjuist rapporteren. Immers bij sub 18 geeft hij opnieuw een volledig verkeerde voorstelling van zaken, als hij aangeeft dat volgens hem 'volgens klager in het proces-verbaal van verhoor van de verdachte ook de vraag van de verhorende ambtenaar vermeld dient te worden'. In sub 18 van de door klager ingediende klacht bij de politie (…) en sub 18 van het door klager ingediende herzieningsverzoek (…) heeft klager duidelijk en ook niet voor tweeërlei uitleg vatbaar aangegeven dat dit juist geldt voor het verhoor van getuigen en benadeelden. In zijn tweede rapport (…) geeft de klachtbehandelaar een schriftelijke reactie op het ingediende herzieningsverzoek en heeft hij dus kennelijk ook kennisgenomen van zijn volledig onjuiste bewering op dit punt. Hij weerlegt de stellingname van klager ook niet, maar besteedt er verder opnieuw geen enkele aandacht aan. Ook dit punt is uiteraard niet ter sprake gekomen op de zitting van de Rechtbank van het Arrondissementsparket Haarlem op 02 september 1999. (...)

i. Als laatste wil klager hier nog kort aanhalen de omissie in het opgemaakte proces-verbaal door medewerkers van de Politie Regio Utrecht m.b.t. het niet renvooieren van de wijziging in de verklaring van getuige X (…) zoals aangegeven in punt 19 van de klacht bij de politie en het herzieningsverzoek (...). Hier is duidelijk gehandeld in strijd met een wettelijk voorschrift, wat ook door de klachtbehandelaar volledig wordt onderschreven, terwijl dit onderdeel van de klacht desondanks ongegrond wordt verklaard. De reden daarvan lijkt klager duidelijk. Immers in zijn eerste rapportage (…) geeft de klachtbehandelaar het volgende aan: 'Door dat verzuim zijn de beginselen van een goede procesorde echter niet verstoord, omdat de verdachte door dit verzuim op geen enkele wijze is benadeeld.'. Deze mening van de klachtbehandelaar kan klager niet delen, tenzij in het betreffende proces-verbaal zou zijn opgenomen waarom deze verklaring niet door getuige X was getekend. De reden hiervan is te lezen in de naderhand door getuige X. opgestelde verklaring (…). Daaruit blijkt heel duidelijk, dat de verhorende politieambtenaar K. botweg een aantal malen weigerde bepaalde in de ogen van deze getuige maar ook in de ogen van klager relevante informatie in dit proces-verbaal van verhoor op te nemen. Informatie ook die op bepaalde punten tenminste deels ontlastend zou kunnen zijn t.a.v. R.

De klachtbehandelaar kan dus wel beweren, dat door dit verzuim de verdachte op geen enkele wijze is benadeeld, het hier bovenstaande logenstraft dit echter. Los van de wettelijke verplichting, (...) om deze (deels) 'ontlastende' informatie verplicht in het proces-verbaal op te nemen, getuigt een en ander naar de mening van klager in elk geval niet van integer handelen door verbalisant K. met welk doel juist genoemd Integriteitsstatuut is opgesteld."

C. Standpunt korpsbeheerder

1. Bij brieven van 12 juli 2001 (door de Nationale ombudsman ontvangen op 23 juli 2001) en 10 september 2001 reageerde de korpsbeheerder op de klacht van verzoekers.

Haar standpunt luidt onder meer als volgt:

"Klachtelement 1: De zoon zou bij zijn aanhouding op 5 september 1998 niet onverwijld op de hoogte zijn gesteld van de reden van zijn arrestatie en van de beschuldigingen die tegen hem waren ingebracht.

Zoals in eerste aanleg reeds is gesteld door de districtschef is zowel door de behandelend ambtenaren als door de hulpofficier van justitie onverwijld meegedeeld waarvoor betrokkene was aangehouden. Hem is daarbij tevens duidelijk gemaakt welke beschuldiging aan zijn adres was gericht. Ik acht dit klachtonderdeel dan ook ongegrond.

Klachtelement 2: De zoon zou direct na zijn aanhouding op 5 september 1998 ongevraagd zijn ingesloten in een cel die voor inverzekeringstelling is bestemd.

Ten aanzien van het insluiten in een politiecel is op het beschikbare dossier niets toe te voegen. Het betreffende bureau beschikt over ophoudkamers en cellen. Beide typen ruimte zijn bestemd voor in verzekering gestelde verdachten alsmede voor verdachten, die opgehouden worden voor verhoor. De eerstgenoemde ruimte wordt gebruikt in verhoorsituaties en bij kortstondig verblijf. Het tweede type ruimte wordt in alle overige gevallen gebruikt. Ik acht dit klachtonderdeel dan ook ongegrond.

Klachtelement 3: De zoon zou direct na zijn aanhouding op 5 september 1998 alvorens hij werd ingesloten in de cel, zijn gefouilleerd.

Bij de zoon heeft een veiligheidsfouillering plaatsgevonden. Naar mijn oordeel is hieromtrent in het beschikbare dossier voldoende helderheid verschaft.

Op basis van de Politiewet is de politie bevoegd personen, die rechtens van hun vrijheid zijn beroofd, in verband met hun insluiting te fouilleren. Ik acht dit klachtonderdeel dan ook ongegrond.

Klachtelement 4: De zoon zou op 6 september 1998 langer dan voor het onderzoek nog noodzakelijk was van zijn vrijheid zijn beroofd, door hem pas om 16:30 uur over te dragen aan de ouderlijke macht, terwijl omstreeks 14:00 uur de verhoren waren afgerond en het proces-verbaal vermeldt dat hij om 15:00 uur in vrijheid was gesteld.

De zoon van klager is tussen 15:00 uur en 16:30 uur - alhoewel hij formeel niet meer in verzekering was gesteld - in het politiebureau gebleven in afwachting van de komst van zij ouders, die vanuit IJmuiden hun zoon in Veenendaal kwamen ophalen.

In deze periode is de zoon van klager niet van zijn vrijheid beroofd, maar op telefonische afspraak tussen verbalisanten en klager is hij in afwachting van de komst van zijn ouders als gast in het politiebureau verbleven. Ik acht dit klachtonderdeel dan ook ongegrond.

Klachtelement 5: Verzoekers klagen er ook over dat een met naam genoemde ambtenaar van het regionale politiekorps Utrecht de vader op 5 september 1998, naar aanleiding van de aanhouding van zijn zoon, verkeerd heeft voorgelicht over de reden van de aanhouding.

Op dit punt acht ik voldoende informatie te hebben verschaft in mijn schrijven van 7 februari 2000.

Klachtelement 6: Tevens klagen verzoekers erover dat ambtenaren van het regionale politiekorps Utrecht in het kader van de inverzekeringstelling (en dus ook de invrijheidstelling) van de zoon geen contact hebben gehad met een officier van justitie, althans dat daarvan uit het proces-verbaal niets is gebleken.

Alhoewel formeel naast de officier van justitie ook de hulpofficier van justitie bevoegd is op grond van artikel 58 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering tot het in vrijheid stellen van in verzekering gestelde verdachten, heeft de betrokken hulpofficier van justitie, B., inzake de inverzekeringstelling van de zoon, overleg gepleegd met een officier van justitie. B. kan zich de naam van de betrokken officier van justitie echter niet meer herinneren. Ik acht dit klachtonderdeel ongegrond.

Klachtelement 7: Verder klagen verzoekers erover dat een met naam genoemde ambtenaar van het regionale politiekorps Utrecht tijdens de klachtbehandeling in strijd met de waarheid heeft aangegeven dat een medewerkster van de Raad voor de Kinderbescherming zou hebben ontkend dat een andere politieambtenaar het woord “pedofilie” tegenover haar heeft gebezigd.

In zijn rapportage van 18 mei 1999 geeft klachtbehandelaar L. aan, dat Ba. hem heeft gezegd nimmer door de politie te zijn aangereikt dat er sprake was van “pedofilie”. In het schrijven van 29 juni 2000 wordt door haar aangegeven, dat door de politie wel het woord “pedofilie” is gebruikt. De typering “pedofilie” is - indien deze door de politie zou zijn gebruikt - verkeerd gebruikt, aangezien het niet juist omschrijft voor welk delict betrokkene was aangehouden. Ik acht dit klachtonderdeel in die zin dan ook deels gegrond.

Klachtelement 8a: In zijn advies van 18 mei 1999 zou de klachtbehandelaar onder meer niet zijn ingegaan op klachtonderdeel 10 (over de aanduiding aanranding) van het door verzoekers ingediende herzieningsverzoek.

De klacht in eerste aanleg van O. had een omvang, dat de behandeling van ieder aspect van de klacht een bijna onmogelijke zaak was. Om die reden heeft de klachtbehandelaar L. in samenspraak met de districtchef ervoor gekozen om op de meest wezenlijke klachtelementen te reageren. Overigens is artikel 247 van het Wetboek van Strafrecht een klachtdelict en is artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht ambtshalve vervolgbaar. Verder heeft de klachtbehandelaar in zijn rapportage van 15 maart 1999 cursief de klachtpunten telkens kort verwoord.

Klachtelement 8b: De klachtbehandelaar zou een verkeerde voorstelling van zaken geven als hij in zijn rapportage van 15 maart 1999 aangeeft dat "volgens klager in het proces-verbaal van verhoor van de verdachte ook de vraag naar de verhorende ambtenaar vermeld dient te worden", terwijl dit getuigen en benadeelden dienen te zijn en onvolledig rapporteert als hij er vervolgens in zijn advies van 18 mei 1999 niet meer op ingaat.

De klachtbehandelaar heeft in zijn rapportage van 15 maart 1999 cursief de klachtpunten telkens kort verwoord. Daarbij heeft hij abusievelijk het woord “verdachte” genoemd in plaats van de door de klager bedoelde getuigen en benadeelden.

Overigens bestaat in de huidige rechtspraktijk niet de juridische noodzaak om ieder verhoor in “vraag en antwoord” vorm te redigeren. Ik acht dit klachtonderdeel dan ook deels gegrond.

Klachtelement 9: Ten slotte klagen verzoekers erover dat ambtenaren van het regionale politiekorps Utrecht geen volledig proces-verbaal hebben opgemaakt, door een relevant onderdeel van de verklaring van de met naam genoemde getuige X niet op te nemen (waardoor deze getuige zich genoodzaakt zag de ondertekening van zijn verklaring te weigeren).

De getuige X heeft op 6 september 1998 tegenover verbalisant K. een verklaring afgelegd. Deze verklaring is in een ambtsedig proces-verbaal vastgelegd. Deze getuige heeft zijn verklaring niet ondertekend om hem moverende redenen. Deze redenen staan vermeld in het proces-verbaal (…). Ik acht dit klachtonderdeel ongegrond."

2. Op 17 oktober 2001 ontving de Nationale ombudsman een reactie van de korpsbeheerder op de bij opening van het onderzoek - op 14 mei 2001 - gestelde vragen. In deze reactie staat onder meer het volgende vermeld:

“1. (In antwoord op de vraag of er, ten aanzien van de situatie dat een verdachte in de nachtelijke uren niet meteen kan worden verhoord, er huishoudelijke regels bestaan:) Ten aanzien van de situatie dat een verdachte in de nachtelijke uren niet onmiddellijk kan worden verhoord bestaat in de politie regio Utrecht een `huishoudelijk reglement arrestanten'

2. (In reactie op de vraag aan welke fouillering R. werd onderworpen:) De verdachte is, zoals ik u reeds eerder meldde, onderworpen aan een veiligheidsfouillering op grond van de `Huisregels Cellencomplex district Heuvelrug'.

3. (In antwoord op de vraag op welk tijdstip het laatste verhoor werd afgerond:) Het laatste verhoor van de verdachte is aangevangen om 10:11 uur en afgerond om 14:00 uur.

4. De dienstdoende hulpofficier van justitie heeft in deze zaak contact opgenomen met een officier van justitie van het arrondissement Utrecht, doch kan zich de naam van de piketofficier niet meer herinneren. Dit geldt evenzeer voor de invrijheidstelling conform artikel 57 lid 5 van het Wetboek van Strafrecht.

5. (In reactie op het verzoek aan te geven welke informatie voorhanden was op het moment dat er telefonisch contact met de vader werd opgenomen, welke feiten en omstandigheden over het gebeuren bekend waren, die niet expliciet in het proces-verbaal zijn vermeld:) De twee verbalisanten werden door de meldkamer naar camping Bo. in Q gestuurd. Op genoemde camping werden de politiefunctionarissen door een tweetal meisjes, in het bijzijn van hun ouders, aangesproken. Beide meisjes gaven te kennen, dat zij op de camping onzedelijk waren betast door een jongeman. Deze jongeman zou eveneens op deze camping verblijven. Op aanwijzing van omstanders en de beide meisjes kon de verblijfplaats van deze jongen op de camping worden achterhaald. Deze informatie is diezelfde nacht telefonisch doorgegeven aan de ouders van de verdachte.

6. De klacht van klager O. (...) is door de voormalige districtchef, de heer Sa., op alle onderdelen ongegrond verklaard. Er bestond derhalve geen reden of aanleiding om maatregelen te treffen.

3. Als bijlage bij door de Nationale ombudsman op 17 oktober 2001 ontvangen brief van de korpsbeheerder bevonden zich onder meer de twee volgende mutaties:

Een mutatie van 5 september 1998, 01:00 uur. In deze mutatie staat onder meer het volgende vermeld:

"camping Bo., melder vangt coll. op. dochters mogelijk zojuist onzedelijk betast. 1 persoon aangehouden te 01.36 uur"

En een mutatie van 5 september 1998, gemuteerd door betrokken ambtenaren S. en K., om 02:35 uur. In deze mutatie staat onder meer het volgende vermeld:

"FEITELIJKE AANRANDING

Op het terrein van camping Bo., (…) te Q vond omstreeks 00.00 uur een feitelijke aanranding plaats. Ve (verdachte; N.o.) heeft in de nabijheid van een toiletgebouw beide AAB's diverse malen onzedelijk betast aan borsten en billen. Werden tevens door de ouders te woord gestaan en men gaf aan van dit feit aangifte te willen doen. Vervolgens werd door ons op het terrein van de camping Ve aangehouden (op aanwijzing AAB). Voorgeleiding vond plaats te Q.

Ve ingesloten in cel 3 Veenendaal. Vader Ve. werd van het e.e.a in kennis gesteld.

AAB verblijven dit weekend op genoemde camping (…). Men belt in de loop van de ochtend naar bureau Veenendaal. Hun mededelen waar/hoe laat zich te vervoegen voor het doen van de aangifte.

Ve maakt deel uit van een groep zeilers. Een contactpersoon daarvan is telefonisch bereikbaar onder nummer (…). pv aanhouding en ambtelijk verslag opgemaakt."

D. reactie verzoekers

Op 15 november 2001 ontving de Nationale ombudsman de reactie van verzoekers op het standpunt van de korpsbeheerder. In deze reactie staat onder meer het volgende vermeld:

"Alvorens inhoudelijk te reageren wil klager ter voorkoming van eventuele onduidelijkheden eerst de hiervoor aangegeven en bijgevoegde bescheiden benoemen. Het gaat daarbij om:

a. Brief, d.d. 12 juli 2001, welke wordt aangehaald als brief 1;

b. Brief, d.d. 10 september 2001, welke wordt aangehaald als brief 2;

c. Brief, d.d. 15 oktober 2001, welke wordt aangehaald als brief 3.

Voor de overzichtelijkheid wil klager nu puntsgewijs ingaan op de door de verschillende scribenten aangegeven argumenten en deze, waar nodig, van zijn commentaar voorzien. Hierbij wordt zoveel mogelijk aangesloten op de gebruikte nummering van de scribenten. (...)

Brief 1 en/of brief 2:

1. Bij dit punt wordt weliswaar met stelligheid aangegeven, dat de in deze betrokken politieambtenaren de zoon van klager (verder aangeduid als R.) "onverwijld zouden hebben medegedeeld, waarvoor hij was aangehouden en waarbij hem tevens duidelijk zou zijn gemaakt welke beschuldiging aan zijn adres was gericht", klager blijft dit `betwisten. Immers onafhankelijk van elkaar verklaren de zoon van klager, klager zelf n.a.v. de gegeven telefonische informatie omtrent de aanhouding van R. en getuige V., dat in elk geval door de aanhoudende politieambtenaren hieromtrent niets anders is medegedeeld dan dat R. wel wist waarvoor hij was aangehouden, terwijl klager enige malen door de aanhoudende politieambtenaar S. expliciet was medegedeeld, dat R. was aangehouden ter zake overtreding van artikel 239 Strafrecht.

Klager wordt hierin ook bevestigd door de bij brief 1 gevoegde kopieën uit het BedrijfsProcessenSysteem (BPS) over het incident. Immers in de betreffende meldingmutatie BPS staat expliciet vermeld "dochters mogelijk zojuist onzedelijk betast", terwijl in de feitelijke mutatie staat "Ve heeft in de nabijheid van een toiletgebouw beide AAB's diverse malen onzedelijk betast aan borsten en billen ". Dit sluit bovendien naadloos aan op het gerelateerde in het aanhoudingsproces-verbaal en het hierbij behorende proces-verbaal van bevinding van de aanhoudende politieambtenaren. Immers noch uit deze twee mutaties uit BPS, noch uit beide processen-verbaal blijkt dat er sprake zou zijn geweest van 'geweld of een andere feitelijkheid c.q. bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid'. En zoals bekend, is dit juist één van de elementaire bestanddelen van artikel 246 Strafrecht, waarvoor R. dus zou zijn aangehouden.

De scribent én de betreffende politieambtenaren kunnen nu wel aangeven dat aan R. wel duidelijk zou zijn gemaakt 'welke beschuldiging aan zijn adres was gericht' maar dit kan volgens klager m.b.t. de aangegeven essentiële bestanddelen van artikel 246 Strafrecht gewoon niet het geval zijn geweest. Want hoe kunnen de betreffende politieambtenaren immers met overtuiging volhouden, dat R. bij zijn aanhouding én voorgeleiding bij de hulpofficier van justitie was medegedeeld dat hij was aangehouden voor genoemd artikel met alle daarbijbehorende beschuldigingen (zoals bedoeld en eerder door klager in deze procedure aangegeven in artikel 5, lid 2 EVRM en artikel 9, lid 2 IVBPR), terwijl uit de hiervoor aangegeven en in dit verband ook cruciale stukken nergens blijkt, dat er sprake zou zijn geweest van 'geweld of een andere feitelijkheid c.q. bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid'

Zoals klager eerder in de procedure al uitvoerig heeft aangegeven (verzoeker verwijst hier naar punt 11. van zijn herzieningsverzoek, zie hierboven onder A.10, pagina 21;N.o.) is hier kennelijk meer uitgegaan van aannames dan van keiharde feiten. Aannames overigens, die ook blijken uit de bijgevoegde mutaties uit BPS over het plaatsgevonden incident. Want daar waar de betreffende melding aangeeft "dochters mogelijk onzedelijk betast", staat in het proces-verbaal van bevinding van de aanhoudende politieambtenaren: "Hier zouden wij (=de politieambtenaren) aangesproken worden bij de centrale ingang van de camping door de ouders van een meisje, die onzedelijk betast zou zijn. Dus niet mogelijk betast, maar keihard zou zijn betast! Hetzelfde geldt voor de andere BPS-mutatie, waarin staat: "Ve heeft beide AAB 's diverse malen onzedelijk betast aan borsten en billen", terwijl dit uit voornoemd proces-verbaal van aanhouding en bevinding geenszins blijkt (en trouwens ook niet uit de naderhand in dit verband opgemaakte processen-verbaal). Zie hiervoor in het bijzonder sub 29 van de/het klacht(schrift) en met name het daar aangehaalde product 28, waaruit volgens de Arrondissementsrechtbank Haarlem 'slechts' blijkt dat "R. één van de twee (minderjarige) meisjes - kort samengevat - twee keer aan haar borsten had betast'.

In dit verband wil klager, in aansluiting op het bovenstaande, maar ook ter verduidelijking nog het een en ander aanvullen op het hiervoor aangegeven punt 11 van (het herzieningsverzoek, hierboven onder A.10., pagina 21; N.o.) (...). Beide processen-verbaal van aangifte contra R. zijn opgenomen in BPS. Dit processensysteem werkt voor wat betreft de processen-verbaal van aangifte van de meeste strafbare feiten uit het Wetboek van Strafrecht met gestandaardiseerde tekstblokken. Dit geldt ook voor de aangifte ter zake van overtreding van artikel 246 Strafrecht contra R. (…)

De standaard tekst in BPS ter zake artikel 246 Strafrecht luidt: "Ik doe aangifte van feitelijke aanranding der eerbaarheid. Ik ben door geweld / andere feitelijkheden / bedreiging met geweld of andere feitelijkheden, gedwongen tot het plegen / dulden van ontuchtige handelingen.", ergo alle bestanddelen van het bewuste artikel. De bedoeling hiervan is uiteraard, dat de betreffende verbalisant dat deel van de tekst weghaalt dat niet van toepassing is. Zoals aangegeven in de aangifte van aangever H. is daarin door verbalisant K. alleen opgenomen 'geweld of bedreiging met geweld'.

Anders gezegd: voor de betreffende verbalisant stond op grond van de bij de aangifte verkregen informatie kennelijk vast, dat er in deze geen sprake was van 'andere feitelijkheden of bedreiging met andere feitelijkheden'. Om deze reden heeft deze verbalisant dit dus klaarblijkelijk willens en wetens uit de standaard aangiftetekst verwijderd! Echter in de betreffende aangifte is - zoals eerder aangegeven, maar zie ook sub 11 (van het herzieningsverzoek, hierboven onder A.10., pagina 21; N.o.) verder nergens opgenomen, waaruit het zogenaamde door R. gebruikte 'geweld of de bedreiging met geweld' zou hebben bestaan. Oftewel: er is hiervan gewoon geen sprake geweest! (...)

In de aangifte van aangever Z., opgenomen door de inspecteur B., die blijkens opgave van betrokkenen c.q. scribenten van de Politie Regio Utrecht tevens recherchechef is, is in de door hem opgenomen aangifte de hiervoor aangegeven standaardtekst '...door geweld / andere feitelijkheden / bedreiging met geweld of andere feitelijkheden, gedwongen tot het plegen / dulden van ontuchtige handelingen' zelfs in z'n geheel verwijderd! Dit is door hem dus kennelijk ook heel bewust en ook willens en wetens gedaan. Anders gezegd: voor deze verhorende inspecteur / recherchechef, van wie op grond van deze hoedanigheden toch zonder reserves aangenomen mag worden, dat hij terdege op de hoogte is van de in deze vereiste wettelijke bestanddelen van artikel 246 Strafrecht, stond dus kennelijk onomwonden vast, dat er voor wat betreft de tegenover hem gedane aangifte door vader Z. kennelijk (en volgens klager ook geheel terecht!) geen sprake is geweest van 'geweld of andere feitelijkheden c.q. bedreiging met geweld of andere feitelijkheden'.

Oftewel: het betasten van de borsten en/of billen van zijn dochter zonder deze bestanddelen viel volgens deze inspecteur/recherchechef in feite dus alleen onder de bestanddelen van artikel 239 Strafrecht, zonder dat hij dat zelf overigens zo expliciet vermeldt. Klager verwijst hiervoor graag naar de bespreking over dit specifieke punt m.b.t. artikel 239 van het Wetboek van Strafrecht op pagina 389 van het Handboek voor de politie van Stapel & De Koning.(…)

En laat dit nu toevallig ook het artikelnummer zijn, dat verbalisant S. tegenover klager heeft genoemd en ook heeft herhaald, toen hij klager 's nachts telefonisch informeerde over de aanhouding van R.!

(...)

2. Bij dit punt wordt alleen aangegeven dat het betreffende politiebureau beschikt over ophoudkamers en cellen met ook een toelichting hoe en waarvoor deze cellen worden gebruikt. Met alle respect, maar dit betreft niet het door klager betwiste punt. Waar het klager hier wel om gaat is dat R. is ingesloten in het cellencomplex, zijnde een plaats (lokaal) voor inverzekeringstelling bestemd, daar waar R. op grond van de nog steeds rechtsgeldige Circulaire van de Minister van Justitie van 29 december 1928, afd. 2a, no. 823 niet ingesloten had mogen worden, tenzij hij hier zelf om zou hebben gevraagd c.q. dit mocht verkiezen. En dat heeft R. zeker niet gedaan!

3. Bij dit punt wordt naar de mening van klager een (deels) onjuiste voorstelling van zaken gegeven. Waar het klager hier in de eerste plaats om gaat is dat nu R. op grond van de hiervoor aangegeven Circulaire niet ingesloten had mogen worden in het cellencomplex hij volgens klager mitsdien ook niet gefouilleerd had mogen worden.

Daarnaast geeft de betreffende scribent aan: "Bij de zoon heeft een veiligheidsfouillering plaatsgevonden. Naar mijn oordeel is hieromtrent in het beschikbare dossier voldoende helderheid verschaft." Klager verwijst hiervoor graag naar Memo 2, d.d. 04 april 2001, waarin een en ander uitvoerig is toegelicht. In het geval van R. moet naar de mening van klager voor wat betreft zijn insluiting met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zijn toegepast een zogenaamde insluitingsfouillering (wat trouwens ook wordt beaamd én aangegeven door de klachtbehandelaar (…). Mocht er echter eventueel sprake zijn geweest van een veiligheidsfouillering zoals expliciet aangegeven door de betreffende scribent, dan kan klager zijn mening op dit punt niet delen, dat er voldoende helderheid zou zijn verschaft in het beschikbare dossier. Voor de toepassing van een veiligheidsfouillering moet immers worden voldaan aan de gestelde criteria van artikel 8, lid 3 van de Politiewet 1993 en nergens uit het dossier blijkt klager dat bij c.q. voor de insluiting van R. sprake was van: 'feiten of omstandigheden (waaruit) blijkt, dat een onmiddellijk gevaar dreigt voor hun leven of veiligheid, die van de ambtenaar zelf of van derden en dit onderzoek noodzakelijk is ter afwending van dit gevaar'. (...)

4. In dit punt wordt opnieuw een niet geheel volledige samenvatting gegeven van wat klager duidelijk en expliciet heeft aangegeven, namelijk dat de (nadere) verhoren van R. én getuigen op 06 september 1998 uiterlijk al om 14.00 uur waren afgerond. Hiermee waren de gronden voor de inverzekeringstelling van R. dus niet meer aanwezig, zodat hij daarop in vrijheid gesteld had kunnen en volgens klager ook had moeten worden en niet eerst om 15.00 uur, zoals in het opgemaakte proces-verbaal is vermeld. Daarnaast is R. vervolgens tussen 15.00 en 16.30 uur - alhoewel hij formeel om 15.00 uur in vrijheid was gesteld - in het politiebureau gebleven in afwachting van de komst van de ouders. Hierover wordt bij dit punt aangegeven, dat R. "niet van zijn vrijheid is beroofd, maar op telefonische afspraak tussen de verbalisanten en klager, in afwachting van de komst van zijn ouders, als gast in het politiebureau is verbleven".

Dit zou op het eerste gezicht best aannemelijk kunnen zijn, maar een feit is én blijft, dat R. tot aan de komst van klager en zijn vrouw op het politiebureau in Veenendaal was geplaatst in een opvangkamer. (…) Deze kamer was d.m.v. een sleutel afgesloten en werd in de aanwezigheid van klager en zijn vrouw door rechercheur K. geopend. Met alle respect: men kan in alle redelijkheid toch niet volhouden, dat R. als 'gast' op het politiebureau verbleef, terwijl hij was ingesloten in een volledig afgesloten opvangkamer! Bij punt 2 geeft de scribent nota bene zelf aan, dat "Het betreffende politiebureau beschikt over ophoudkamers en cellen. Beide typen ruimte zijn bestemd voor in verzekering gestelde verdachten alsmede voor verdachten die opgehouden worden voor verhoor. In het geval van R. was op dat moment van beide gevallen duidelijk geen sprake meer van en toch wordt nu met stelligheid beweerd, dat hij op deze wijze opgesloten hier als gast zou zijn verbleven? Dat is volgens klager wel een heel bijzondere interpretatie van ergens als gast verblijven. Er is overigens inderdaad telefonisch overleg geweest tussen klager en de heer K. van de Politie Regio Utrecht over het ophalen van R. Daarbij is echter per se niet de afspraak gemaakt dat R. in afwachting van de komst van klager en zijn vrouw zou worden opgesloten in een volledig afgesloten opvangkamer!

5. Voor wat betreft de reactie bij dit punt omtrent het verkeerd voorlichten van klager door de heer S. van de Politie Regio Utrecht verwijst klager graag naar punt 1 van deze brief. Nogmaals: hoe kan de heer S. tegenover klager met feiten onderbouwd volhouden, dat er sprake zou zijn geweest van (feitelijke) aanranding (van de eerbaarheid), nu noch uit de mutaties in BPS noch uit het proces-verbaal van aanhouding én het naar aanleiding daarvan opgemaakte proces-verbaal van bevinding blijkt dat er sprake was geweest van 'geweld of een andere feitelijkheid c.q. bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid'. Dit geldt nog meer wanneer een en ander wordt afgezet tegen het gegeven dat onafhankelijk van elkaar door zowel R., klager, als getuige V. is verklaard dat door de heer S. van de Politie Regio Utrecht, respectievelijk één van de aanhoudende politieambtenaren was aangegeven dat R. tot uiterlijk 05 september 1998 te 15.00 uur aan het politiebureau van Veenendaal zou moeten blijven.

Dit kan naar de mening van klager gewoon niet anders betekenen dan dat R. is aangehouden geweest voor een feit, waarop geen voorlopige hechtenis is toegelaten. (…)

6. Bij dit punt is, zoals eerder in de procedure aangegeven, dat er (aantekening klager: alleen) omtrent de inverzekeringstelling van R. overleg heeft plaatsgevonden met 'een' officier van justitie. Daar waar de betreffende klachtbehandelaar bij sub 20 van product 13 expliciet aangeeft, dat er over deze zaak telefonisch overleg is gepleegd met 'de' (dus een bepaalde officier), wordt er nu plotseling van gemaakt, dat het 'een' officier van justitie zou zijn. En nu blijkt ineens ook dat de betreffende hulpofficier zich de naam van deze officier van justitie niet meer kan herinneren.

Hierover kan klager kort zijn: Ingevolge het bepaalde in artikel 152 Strafvordering geldt voor politieambtenaren, dat 'zij ten spoedigste proces-verbaal opmaken van... of van hetgeen door hen tot opsporing is verricht en bevonden.' Het consulteren van een officier van justitie m.b.t. een inverzekeringstelling van een verdachte valt zonder meer onder dit laatste. Dit blijkt trouwens ook uit de brief van de officier van justitie, mevrouw mr. Oo. van het Arrondissementsparket Utrecht, d.d. 08 mei 2000, waarin zij nadrukkelijk aangeeft: "Uit het proces-verbaal zal moeten blijken of er overleg is geweest met een officier en zo ja, met wie." (…) Echter, zoals eerder door klager is aangegeven, blijkt uit het betreffende proces-verbaal nergens dat er (telefonisch) contact is geweest met een officier van justitie en ook niet met welke officier. Als dit ook nog eens wordt afgezet met wat door klager in de laatste zinnen bij punt 5 van product 8 is vermeld, dan kan klager tot geen andere conclusie komen, dat de door de scribent gegeven uitleg bij dit punt hoogst twijfelachtig is. Dit geldt vooral ook, nu de bevoegdheid tot het in verzekering stellen van R. is uitgevoerd door de inspecteur/recherchechef B., van wie op grond van deze hoedanigheden redelijkerwijs toch aangenomen én verwacht mag worden dat hij exact weet hoe de door de officier van justitie, Mr. Oo. in zijn Arrondissement aangegeven werkwijze is. Klager heeft in zijn inmiddels 34-jarige loopbaan als politieambtenaar trouwens niet eerder meegemaakt, dat er in een opsporingsonderzoek overleg is geweest tussen een politieambtenaar en een officier van justitie met betrekking tot de toepassing van een dwangmiddel (i.c. de inverzekeringstelling van R.) zonder dat de naam van deze officier in het opgemaakte proces-verbaal is vermeld! In het korps, waar klager werkt is het naast het expliciet vermelden van de naam van de officier van justitie in het betreffende loop- c.q. dossierproces-verbaal ook nog gebruikelijk, dat bij het zenden van het proces-verbaal naar het Arrondissementsparket een zogenaamd standaard begeleidingsformulier uit BPS wordt gevoegd, waarin - in het geval er in de zaak overleg heeft plaatsgevonden met een officier van justitie - nog eens ten overvloede de naam van de betreffende officier wordt ingevuld. (…)

7. Klager is bij dit punt meer dan teleurgesteld in de uitleg en toelichting m.b.t. het al dan niet gebruiken van het woord 'pedofilie' door de politie en ook de laakbare rol, die de klachtbehandelaar hierin heeft gespeeld. Immers uit de brief van de betreffende medewerkster van de Raad voor de Kinderbescherming Utrecht, d.d. 29 juni 2000 (…) blijkt in tegenstelling tot wat de klachtbehandelaar in het door hem opgemaakte rapport ter zake heeft gerapporteerd (…) overduidelijk dat door een medewerker van de Politie Regio Utrecht wel degelijk het woord 'pedofilie' is gebruikt m.b.t. de in verzekering gestelde R. en ook dat zij dit exact zo naar de klachtbehandelaar heeft aangegeven. Het is voor klager echt teleurstellend als de betreffende scribent hier slechts aangeeft: "De typering 'pedofilie' is - indien deze door de politie zou zijn gebruikt - verkeerd gebruikt, aangezien het niet juist omschrijft voor welk delict betrokkene was aangehouden.' Anders gezegd: de scribent geeft hiermee niet toe, dat het betreffende woord door een medewerker van de Politie Regio Utrecht is gebruikt, maar slechts dat, als het zou zijn gebruikt, het verkeerd zou zijn. In feite komt het er indirect op neer dat de scribent twijfelt aan de integriteit van de betreffende medewerkster van de Raad voor de Kinderbescherming, daar waar hier juist de integriteit van de klachtbehandelaar van de Politie Regio Utrecht in het geding is!

(...)

8a. In dit punt gaat de scribent - net zoals de klachtbehandelaar trouwens - niet inhoudelijk in op de door klager gemaakte opmerkingen m.b.t. klachtonderdeel 10 "over de aanduiding aanranding. In het rapport van de klachtbehandelaar staat gewoon een aantal pertinente onjuistheden. Dat betreft bij dit item het door de klachtbehandelaar gerapporteerde, dat er niet meer posities beschikbaar zouden zijn binnen BPS en dat om deze reden 'aanranding' in het zogenaamde loopproces-verbaal was opgenomen i.p.v. 'feitelijke aanranding der eerbaarheid', bedoeld en omschreven in artikel 246 Strafrecht. Maar zoals onder meer aangegeven in Memo 2, d.d. 10 april 2001, onder punt 3, sub a t/m g is dit slechts één van de items, waarover door de klachtbehandelaar apert onjuist is gerapporteerd. Dit is door klager in de procedure ook expliciet aangegeven. Het zou volgens klager in de gegeven situatie dan ook niet meer dan logisch zijn geweest, als door beide personen hierover nu eindelijk eens opheldering zou worden gegeven, i.c. door hen zou worden beaamd, dat er in deze inderdaad onjuist en mitsdien dus in strijd met het bepaalde in artikel 2, sub 2.2 van het Integriteitsstatuut van de Nederlandse Politie was gerapporteerd. Maar én de klachtbehandelaar én nu ook de betreffende scribent zien blijkbaar verder geen reden hierop nader in te gaan. Hiervoor is volgens klager maar één verklaring te bedenken: het kan door beiden kennelijk niet weerlegd worden, maar ze wensen dat echter niet met zoveel woorden toe te geven.

De gegeven uitleg bij dit punt m.b.t. artikel 246 Strafrecht (ambtshalve vervolgbaar) en 247 (klachtdelict) Strafrecht heeft klager nimmer betwist. Waar klager wel nadrukkelijk op heeft gewezen is, dat er in het opgemaakte loopproces-verbaal was opgenomen, dat er een 'klacht was gedaan ter zake van aanranding.' En zoals de scribent hier ook zelf aangeeft, is dit dus beslist onjuist. Maar daar gaat de scribent - net zoals de klachtbehandelaar trouwens opnieuw volledig aan voorbij.

8b. Het verweer op dit punt is ook buitengewoon twijfelachtig nu hier is aangegeven, dat "de klachtbehandelaar abusievelijk het woord 'verdachte' heeft genoemd in plaats van de door klager bedoelde getuigen en benadeelden. Immers waarom heeft de klachtbehandelaar hierin tot nu toe steeds volhard, terwijl hij door klager in het herzieningsverzoek hierop nota bene expliciet is gewezen? In zijn tweede rapport voor de herzieningscommissie (…) onder punt 13 geeft de klachtbehandelaar zelfs onder meer aan: Wel worden in het proces-verbaal van verhoor feitelijkheden of omstandigheden vermeld, die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van het delict door het openbaar ministerie dan wel de rechter. In het proces-verbaal van verhoor zijn daar een paar zaken van opgenomen. En nu komt het: als voorbeeld hiervan noemt de klachtbehandelaar de verklaring van verdachte R., en dus niet de door klager aangegeven getuigen en benadeelden. En nu zou hier plotseling abusievelijk verdachte zijn genoemd? Met alle respect, maar dat kan er bij klager echt niet in!

(...)

9. Bij dit punt wordt slechts de algemene opmerking geplaatst, dat 'de verklaring van getuige X in een ambtsedig proces-verbaal is vastgelegd en dat de getuige zijn verklaring niet heeft ondertekend om hem moverende redenen, die vermeld staan in het proces-verbaal (…).' Dat wordt door getuige X echter met klem tegengesproken. Het was naar de mening van klager dan ook beter geweest als in deze navraag was gedaan bij de betreffende rechercheur, waarom in de naderhand door getuige X op schrift gestelde aanvullende verklaring de daarin aangegeven omstandigheden niet in zijn bij de politie afgegeven verklaring zijn opgenomen. Want voor alle duidelijkheid: getuige X is thans ook een politieambtenaar, die zonodig bereid is zijn aanvullende verklaring eveneens in een ambtsedig proces-verbaal vast te leggen. In dat geval zouden er dus twee ambtsedige processen-verbaal zijn, die elkaar op dit punt echter volledig tegenspreken! Maar in alle redelijkheid: waarom zou getuige X in deze een onjuiste aanvullende verklaring geven? Hij heeft daar zelf immers geen enkel belang bij!

Brief 3:

1. Bij dit punt wordt t.a.v. van de situatie, dat een verdachte in de nachtelijke uren niet onmiddellijk kan worden verhoord door de betreffende scribent verwezen naar het bij de Politie Regio Utrecht in gebruik zijnde 'Huishoudelijk Reglement Arrestanten'. Klager heeft in dit reglement hieromtrent echter niets concreets kunnen terugvinden.

2. Ook hier wordt nu weer expliciet aangegeven, dat R. is onderworpen aan een 'veiligheidsfouillering' op grond van de 'Huisregels Cellencomplex district Heuvelrug', daar waar volgens het rapport van de klachtbehandelaar (…) een zogenaamde 'insluitingsfouillering' had plaatsgevonden. In artikel 9 van deze huisregels zijn inderdaad bepalingen opgenomen m.b.t. de fouillering, echter in dat artikel gaat het naar de mening van klager om een 'fouillering tijdens het verblijf in het cellencomplex door de arrestantenverzorger' en dus niet om een fouillering, voorafgaande aan de insluiting. In artikel 4, lid l van het onder bij deze brief onder sub 1 genoemde Huishoudelijk Reglement staat bovendien expliciet aangegeven: 'Deze (veiligheids) fouillering geschiedt alleen door een ambtenaar die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak'. Het zal ongetwijfeld duidelijk zijn dat een arrestantenverzorger hiertoe niet behoort. Het lijkt er trouwens heel sterk op dat de betreffende scribenten langzamerhand zelf niet meer weten welke fouillering er voorafgaande aan de insluiting van R. in het cellencomplex heeft plaatsgevonden.

3. Bij dit punt geeft de scribent aan dat het laatste verhoor van R. is "aangevangen op zondag 6 september 1998 om 10.11 uur en afgerond om 14.00 uur." Het wordt bijna eentonig, maar ook dit klopt niet. Immers uit het opgemaakte proces-verbaal blijkt namelijk dat het verhoor van R. is gedaan door rechercheur K. Ook zijn op deze zondag achtereenvolgens door deze rechercheur gehoord de getuige D., aanvang verhoor: 12.42 uur en getuige X, aanvang: 13.13 uur. (…). Gelet op het tijdstip van aanvang van het verhoor van getuige D. was het laatste verhoor van R. derhalve uiterlijk omstreeks 12.40 uur afgelopen.

4. Klager verwijst hiervoor allereerst graag naar zijn commentaar bij punt 6 van brief 1. Verder is in het eerste rapport van de klachtbehandelaar (…) hierover aangegeven: "Omtrent de aanhouding en inverzekeringstelling is telefonisch overleg gepleegd met de officier van de justitie in het arrondissement. Met de betreffende officier van justitie is de zaak doorgenomen en afgesproken, dat na afronding van het onderzoek, de verdachte namens de officier van justitie kon worden heengezonden." Even ter aanvulling op punt 6 van brief 1: indien een en ander inderdaad op de hiervoor aangewezen wijze zou zijn gebeurd, dan had ook dit zonder meer zo in het proces-verbaal moeten worden gerelateerd, wat - zoals reeds aangegeven - dus niet is gebeurd! Hoewel in de beide aangegeven bescheiden dus expliciet is aangegeven dat er alleen voor wat betreft de inverzekeringstelling van R. telefonisch contact is geweest met een officier van justitie, staat in deze brief bij dit punt nu plotseling, althans zo komt dat bij klager in elk geval over, dat er ook apart telefonisch overleg zou zijn geweest over de invrijheidstelling van R., conform artikel 57, lid 5 van het Wetboek van Strafrecht (aantekening klager: bedoeld wordt natuurlijk Strafvordering). Klager kan het zo langzamerhand eigenlijk niet meer volgen."

E. Nadere reactie korpsbeheerder

1. In antwoord op de door de Nationale ombudsman gestelde vragen, berichtte de korpsbeheerder bij brief van 18 februari 2002 onder meer als volgt:

"In antwoord op de door u gestelde vragen inzake het onderzoek O., deel ik u het volgende mede.

T.a.v. klachtonderdeel 4 vraagt u

a. Wellicht kunt u verduidelijken door wie verzoeker tot het door u genoemde tijdstip werd verhoord.

b. Kunt u aangegeven waarom verzoeker om 15.00 uur in vrijheid is gesteld, terwijl het laatste verhoor reeds om 14.00 uur was beëindigd.

c. Kunt u aangegeven dat verzoeker tot 16.30 uur als "gast" verbleef op het politiebureau. Kunt u aangegeven waar "gasten" van het politiebureau verblijven en onder welke omstandigheden. Werd verzoeker in een afgesloten ruimte geplaatst?

De verdachte R. is verhoord door K., hoofdagent van politie in het district Heuvelrug. De verhoren van de verdachte R. zijn allemaal door K. afgenomen. Op zondag 6 september 1998 zijn in het kader van het onderzoek achtereenvolgens gehoord:

1 R., als verdachte (tweede verhoor), aanvang 10.11 uur

2 D., als getuige, aanvang 12.42 uur

3. X, als getuige, aanvang 13.13 uur

Nadat de verklaringen van de getuigen waren afgelegd, kon definitief het verhoor van de verdachte als afgerond worden beschouwd en dat was op zondag 6 september 1998 om 14.00 uur.

In de tijd tussen 14.00 uur en 15.00 uur. zijnde het tijdstip van invrijheidstelling, heeft de verbalisant K. diverse administratieve en logistieke handelingen verricht.

Ook heeft hij toen overleg gepleegd met de hulpofficier van justitie over de stand van zaken van het onderzoek.

Naar mijn mening is R. absoluut niet langer aan het politiebureau opgehouden dan strikt noodzakelijk was voor de afronding van het onderzoek.

Na afloop van het onderzoek zijn de ouders van de verdachte, die in IJmuiden wonen, telefonisch in kennis gesteld dat zij hun zoon konden ophalen.

De reistijd IJmuiden - Veenendaal bedraagt ongeveer anderhalf uur.

In afwachting van de komst van de ouders van de minderjarige verdachte is deze geplaatst in een ophoudkamer, nabij de meldkamer/serviceafdeling. In overleg en met instemming van de verdachte R. is hij in afwachting van de komst van zijn ouders geplaatst in een ophoudkamer. De deur is wel dicht gedaan, maar niet afgesloten. Tijdens zijn verblijf in de ophoudkamer is hij voorzien van lectuur en van drinken. Bij aankomst van de ouders waren zij in de gelegenheid om nog openstaande vragen te stellen aan de verbalisant K. De politie was immers nog verantwoordelijk voor de minderjarige verdachte.

De ophoudkamer is gesitueerd op een afstand van ongeveer 3 meter van de meldkamer/serviceafdeling en is voorzien van een glazen deur en een glazen wand.

Bovendien is deze ruimte voorzien van een bel en is er direct akoestisch contact met de meldkamer/serviceafdeling.

Het alternatief om R. op straat te zetten of rond te laten lopen door het politiebureau is uiteraard niet overwogen, om vorengenoemde redenen.

De behandeling na de in vrijheidstelling aan het politiebureau kan als zeer humaan worden bestempeld.

T.a.v. klachtonderdeel 9 vraagt u:

Een reactie van de heer K. op de verklaring van de heer X die hij 25 maart jl. heeft opgesteld.

De heer K. is om een reactie gevraagd op de verklaring van X d.d. 25 maart 2000.

Hij heeft het volgende hierover opgemerkt. Ongeveer anderhalf jaar na afsluiting van het onderzoek legt de heer X een verklaring af. De verklaring die is afgelegd tijdens het onderzoek op 6 september 1998 maakt deel uit van het dossier en daarin is ook vermeld waarom de getuige X zijn verklaring niet wenst te ondertekenen. De opmerkingen die de heer X maakt in zijn verklaring van 25 maart 2000 komen de verbalisant volstrekt onbekend voor. De heer K. had zich, gelet op de gebruikte terminologie, zeker kunnen herinneren indien hij deze punten had aangevoerd tijdens het verhoor op 6 september 1998. Volgens de heer K. zijn de uitspraken van de heer X in zijn verklaring van 25 maart 2000 pertinent leugens.

Tot slot vraagt u om een afschrift van de gemuteerde insluitingsfouillering van R.

In de bijlage vindt u een afschrift van deze mutatie. Uit deze mutatie blijkt tevens dat de betrokken verbalisant, de heer Kr., de fouillering heeft uitgevoerd."

2. In de door de korpsbeheerder als bijlage meegezonden mutatie staat onder meer het volgende vermeld:

"INSCHRIJVINGSFORMULIER

Politie Regio Utrecht, district Heuvelrug/Q

Mutatie: : (…)

Dt/td mutatie : zaterdag 05-SEP-98 02;27 uur

Ingesloten voor : DISTRICT HEUVELRUG

Reden aanh/insl : 246 Wetboek van Strafrecht

Naam : R.

geboortedatum : (…)

woondadres : (…) IJMUIDEN

Dt/td insluiting : 05-SEP-98 02;27 Celnummer: (…)

Ingesloten door : S.

Voorgeleid aan : Ka. dt/td: 05 SEP-98 01:55

Aangehouden door : Kr. dt/td: 05 SEP-98 01:35

Aankomst bureau : dt/td: 05 SEP-98 01:50

FOUILLERING

Gefouilleerd door : Kr.

Waardevolle goed. : geldbedrag F. 75,- (vijfenzeventig gulden)"

F. Nadere reactie verzoeker O.

Bij brief van 30 april 2002 deelde verzoeker O. onder meer nog het volgende mee:

"Naar aanleiding van uw brief ter zake, d.d. 02 april jl. en onder verwijzing naar de daarbij gevoegde bescheiden van de Politie Regio Utrecht n.a.c. de c.q. het door mij (verder aangeduid als klager) ingediende klacht(schrift), (…), bericht ik u het volgende.

(...)

In zijn reactie van 14 november 2001 heeft klager er al op gewezen dat voor wat betreft de fouillering van R. voorafgaande aan zijn insluiting in het cellencomplex van het politiebureau Veenendaal meerdere malen anders wordt gerapporteerd. Eerst zou er sprake zijn geweest van een insluitingsfouillering (…). Dan weer van een veiligheidsfouillering (…). En nu dus volgens de bijlage bij de laatste brief d.d. 18 februari 2002 van de korpsbeheerder van de Politie Regio Utrecht opnieuw van een insluitingsfouillering. Het heeft er naar de mening van klager dan ook kennelijk alle schijn van dat de betreffende scribenten zelf maar naar eigen idee invullen hoe hij of zij denkt welke fouillering had moeten plaatsvinden, daarbij vooral rekening houdend met hoe een en ander formeel is geregeld en vastgelegd. (...)

En daarbij dan ook nog de toelichting dat rechercheur K. diverse "administratieve en logistieke handelingen" heeft verricht in de tijd tussen 14.00 uur en 15.00 uur, zodat R. absoluut niet langer aan het politiebureau is opgehouden dan strikt noodzakelijk was voor de afronding van het onderzoek. Voor klager is dit te gek voor woorden: volgens het aan R. uitgereikte bevel tot inverzekeringstelling had zijn inverzekeringstelling plaatsgevonden op grond van het onderzoeksbelang "(nader) verhoor van verdachte en getuigen". Niets meer en niets minder!

Het zal dan toch ook volstrekt duidelijk zijn, dat daartoe in elk geval niet behoren 'administratieve en logistieke handelingen', zoals nu wordt aangegeven als rechtvaardigingsgrond voor het langer dan noodzakelijk ophouden van R.!

Verder wil klager hier nadrukkelijk wijzen op de passage in de laatste brief van de korpsbeheerder van de Politie Regio Utrecht m.b.t. het al dan niet slotvast afgesloten zijn van de toegangsdeur van de opvangkamer waarin R. verbleef voordat hij door klager en zijn vrouw werd opgehaald van het politiebureau te Veenendaal. Op pagina 11, onder punt 17 in de laatste alinea van het herzieningsverzoek (…) is door klager conform de feiten expliciet en letterlijk opgenomen dat de toegangsdeur van de bewuste opvangkamer "door middel van een sleutel" was afgesloten op het moment dat R. door klager en zijn vrouw op zondag 06 september 1998, omstreeks 16.30 uur werd opgehaald. Door geen van de scribenten - en dat zijn er inmiddels wel een paar geweest - is dit daarna ook maar op enig moment in de procedure bestreden, met name ook niet door de klachtbehandelaar in zijn tweede rapport (…) n.a.v. dit herzieningsverzoek. Dat is volgens klager ook niet meer dan logisch, omdat dit de realiteit was. Maar nu bij de betrokken politieambtenaren en/of hun meerdere klaarblijkelijk het vermoeden toeneemt, dat dit eigenlijk wettelijk nergens op stoelde, komt de scribent van de brief nu plotseling met de opmerking dat de betreffende deur helemaal niet slotvast afgesloten zou zijn geweest.

(...)

Aanvullende opmerking van de echtgenote van klager n.a.v. dit punt:

'"Ondergetekende, (mevrouw O.; N.o.), wonende (…) IJmuiden, verklaart hierbij naar eer en geweten, dat de toegangsdeur van de opvangkamer in het politiebureau van Veenendaal was afgesloten op het moment dat R. door ons als ouders op 06 september 1998, omstreeks 16.30 uur werd opgehaald. Eerder die dag om plm. 15.00 uur hadden wij de telefonische melding gekregen van meneer K. van de politie Veenendaal, dat R. door ons kon worden opgehaald. Wij zijn hierop direct met de auto van IJmuiden naar het politiebureau van Veenendaal gereden waar we omstreeks 16.30 uur aankwamen. We werden opgevangen door meneer K. en hij bracht ons naar de opvangkamer. We konden R. vanuit de gang van het bureau via de ramen in de wand en deur van de opvangkamer zien zitten; hij zat op dat moment iets te lezen. Rechercheur K. pakte een sleutelbos en met één van de sleutels opende hij de toegangsdeur van de opvangkamer. Het is gewoon een keiharde leugen nu er achteraf wordt beweerd dat die toegangsdeur niet was afgesloten!"

Aanvullende opmerking van R. n.a.v, dit punt:

"Ondergetekende, R., wonende (…) IJmuiden, verklaart hierbij dat de toegangsdeur van de opvangkamer in het politiebureau van Veenendaal op zondag, 06 september 1998, omstreeks 16.30 uur was afgesloten. Dat was het tijdstip, dat mijn ouders op het politiebureau van Veenendaal waren gekomen om mij op te halen na dat achteraf vreselijke incident. Rechercheur K. opende de toegangsdeur van die opvangkamer met een sleutel en eerst toen kon ik met mijn ouders worden verenigd. Er is mij door de heer K. niet gevraagd of de toegangsdeur slotvast mocht worden afgesloten. Ik heb er achteraf ook best wel enig begrip voor dat die toegangsdeur werd afgesloten. Maar ik kan gewoon niet begrijpen dat er politieambtenaren zijn, die op dit moment verklaren en volhouden, dat de betreffende toegangsdeur niet was afgesloten. Het is namelijk niet waar!"

(…)

Klager weet - mede vanwege het gestelde in de vorige alinea - verder niet goed wat hij aan moet met de gegeven uitleg van rechercheur K. en de opmerking van zijn kant, dat de verklaring van getuige X een pertinente leugen zou zijn. Klager is niet bij het verhoor van getuige X aanwezig geweest en kan in dit verband alleen maar wijzen op wat deze hem hierover bij thuiskomst heeft verteld en wat hij naderhand in zijn schriftelijke verklaring heeft bevestigd. Willen de medewerkers van het Bureau van de Nationale Ombudsman hierover dus meer duidelijkheid hebben, dan komt het klager voor dat deze getuige hierover persoonlijk maar moet worden benaderd. Klager voelt zich hiertoe in elk geval niet geroepen. Het zal waarschijnlijk toch uitdraaien op het bekende ja-nee 'spelletje', iets waar klager gewoon geen zin meer in heeft in dit stadium van de procedure. Want zoals klager al eerder in de procedure heeft gerapporteerd, is getuige X momenteel zelf een beëdigd politieambtenaar, die naar klager toe heeft aangegeven zijn eerdere schriftelijke verklaring een wettelijke status te willen geven door het opmaken van een ambtsedig proces-verbaal. Maar klager vraagt zich hier nogmaals hardop af: waarom zou getuige X op dit punt niet de waarheid spreken?

(...)

Wat heeft zich volgens getuige X feitelijk afgespeeld tijdens het verhoor? Hij wilde in zijn verklaring tegenover rechercheur K. per se opgenomen hebben, wat zich direct voorafgaande aan het bewuste incident had afgespeeld, omdat hij - getuige X - het meer dan aanstootgevende en zeer uitdagende gedrag van de betreffende meisjes (i.c. de latere slachtoffers) zonder meer in het belang vond in het geval er een eventuele rechtszaak tegen R. zou volgen. Hij heeft naar klager toe meerdere keren aangegeven de tegenover de politie afgelegde verklaring niet te hebben getekend, omdat rechercheur K. niet bereid zou zijn de verklaring op dit punt aan te vullen. Getuige X was in zijn gegeven toelichting naar klager toe vooral erg teleurgesteld in rechercheur K., omdat deze tijdens het verhoor naar hem toe juist meermalen zou hebben aangegeven hier later wel op terug te komen, terwijl hij zich achteraf dus niet aan die toezegging heeft gehouden. En alleen om deze reden zou getuige X zijn verklaring niet hebben ondertekend. Want nogmaals: waarom zou getuige X hierover moeten of zelfs willen liegen? De op dat moment in de ogen van getuige X nog van belang geachte gebeurtenissen direct voorafgaande aan het bewuste incident heeft (hebben; N.o.) door het ontbreken hiervan in de afgelegde verklaring tegenover rechercheur K. voor R. in dit verband geen enkele (meer)waarde meer! Zijn zaak is immers al lang door de officier van justitie in het Arrondissement Haarlem dus zelfs zonder deze door hem 'gewenste en van belang geachte' aanvulling geseponeerd! Getuige X heeft naar klager toe slechts aangegeven de schriftelijke verklaring enkel en alleen te hebben opgesteld vanwege zijn in deze gekrenkte rechtsgevoel. Dit in het bijzonder, omdat hem tijdens het verhoor door rechercheur K. over het bewuste incident meerdere malen het opnemen van die door hem voor de algehele beeldvorming relevant geachte aanvulling was toegezegd en dat dit naderhand door hem gewoon niet was nagekomen! (...)

Klager wil in dit verband wellicht ten overvloede niet onvermeld laten, dat er over één door hem aangezwengeld item in de procedure in elk geval duidelijkheid is gekomen. Uit de bijgevoegde stukken bij de betreffende brief van de korpsbeheerder van de Politie Regio Utrecht blijkt namelijk, dat er voor de insluiting van R. sprake is geweest van een insluitingsfouillering en dat deze blijkens het in dit verband opgemaakte insluitingsformulier kennelijk is uitgevoerd door de politieambtenaar Kr."

Achtergrond

1. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden ( hierna: EVRM)

Artikel 5, tweede lid:

"Een ieder die gearresteerd is moet onverwijld en in een taal die hij verstaat op de hoogte worden gebracht van de redenen van zijn arrestatie en van alle beschuldigingen die tegen hem zijn ingebracht."

2. Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, gesloten te New York op 19 december 1966 (hierna: IVBPR)

Artikel 9, tweede lid:

"Iedere gearresteerde dient bij zijn arrestatie op de hoogte te worden gebracht van de redenen van zijn arrestatie en dient onverwijld op de hoogte te worden gebracht van de beschuldigingen die tegen hem zijn ingebracht."

3. In C.P.M. Cleiren en J.F. Nijboer (red.), Tekst & Commentaar Strafvordering, Deventer 2001, staat als toelichting op artikel 5, tweede lid EVRM onder meer het volgende vermeld:

"b) inhoudelijke eisen informatieverstrekking (...) Vindt de arrestatie binnen een strafrechtelijke context plaats, dan betekent dit dat de verdachte moet weten terzake van welk strafbaar feit hij wordt verdacht en waarom hij hiervan wordt verdacht. Welke informatie de verdachte precies moet ontvangen kan echter niet in zijn algemeenheid gesteld worden; dit hangt af van de concrete situatie."

4. Circulaire van de Minister van Justitie van 29 december 1928, afd. 2A, no. 823, aan de Procureurs-Generaal bij de Gerechtshoven, betreffende artikel 57 en volgende Wetboek van Strafvordering

Deze circulaire vermeldt onder meer:

"Een verder vraagpunt blijft de verblijfplaats van den verdachte, die op een plaats van verhoor aangekomen nog niet terstond kan worden verhoord. Hij zal in een wachtlokaal of dergelijke gelegenheid moeten worden ondergebracht, tenzij hij zelf - bijv. in den tijd van de nachtrust - een bed in een lokaal voor inverzekeringstelling bestemd, mocht verkiezen."

5. Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar

Artikel 28, eerste lid:

"De ambtenaar onderzoekt de ingeslotene direct voorafgaand aan de insluiting op het politie- of brigadebureau, door het aftasten en doorzoeken van diens kleding op de aanwezigheid van voorwerpen die tijdens de insluiting een gevaar voor de veiligheid van de betrokkene of voor anderen kunnen vormen."

6. Politiewet 1993

Artikel 8:

"De officier van justitie of de hulpofficier van justitie voor wie aangehouden of rechtens van hun vrijheid beroofde verdachten of veroordeelden worden geleid, is bevoegd te bepalen dat deze aan hun lichaam zullen worden onderzocht, indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat gevaar dreigt voor hun leven of veiligheid of dat van de ambtenaar zelf en dit onderzoek noodzakelijk is ter afwending van dit gevaar."

Artikel 9, eerste en vierde lid:

"1. Bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt, in overeenstemming met Onze Minister van Defensie voor zover het de Koninklijke marechaussee betreft, een ambtsinstructie voor de politie en voor de Koninklijke marechaussee vastgesteld.

(...)

4. Bij algemene maatregel van bestuur of krachtens algemene maatregel van bestuur bij ministeriële regeling worden regels gegeven omtrent maatregelen waaraan rechtens van hun vrijheid beroofde personen met het oog op hun insluiting kunnen worden onderworpen, voor zover dit noodzakelijk is in het belang van hun veiligheid of de veiligheid van anderen. De algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld op voordracht van Onze Ministers van Justitie, en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in overeenstemming met Onze Minister van Defensie voor zover het de Koninklijke marechaussee betreft."

7. Commentaar op het Wetboek van strafvordering, A.L. Melai c.s. (red.), aantekening 11 bij artikel 57 ( suppl. 127, februari 2002)

In dit commentaar staat onder meer vermeld:

"11. De opdracht tot invrijheidstelling

Volgens het vijfde lid dient de officier van justitie de invrijheidstelling te gelasten zodra het belang van het onderzoek dit toelaat ofwel zodra de grond voor inverzekeringstelling vervalt. Het principe dat hieraan ten grondslag ligt is dat niemand langer van zijn vrijheid mag worden beroofd dan nodig is en dat de verdachte in vrijheid dient te worden gesteld, zodra de grond voor toepassing van het dwangmiddel vervallen is.

(...)

Uit de hier besproken bepaling mag overigens niet worden afgeleid dat alleen de officier van justitie de invrijheidstelling kan gelasten. Volgens artikel 58 lid 3 heeft immers ook de hulpofficier van justitie die bevoegdheid."

8. Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv)

Artikel 57:

"1. De officier van justitie of de hulpofficier voor wie de verdachte wordt geleid, of die zelf de verdachte heeft aangehouden, kan, na hem verhoord te hebben, in het belang van het onderzoek bevelen dat hij tijdens het onderzoek ter beschikking van de justitie zal blijven en daarvoor op een in het bevel aangeduide plaats in verzekering zal worden gesteld.

2. De verdachte is bevoegd zich bij het verhoor door een raadsman te doen bijstaan. De raadsman wordt bij het verhoor in de gelegenheid gesteld de nodige opmerkingen te maken.

3. Van het verhoor wordt proces-verbaal opgemaakt door de officier of de hulpofficier die het bevel verleent. Dit proces-verbaal wordt bij de processtukken gevoegd.

4. De hulpofficier geeft van zijn bevel onverwijld kennis aan de officier van justitie.

5. Zodra het belang van het onderzoek dit toelaat, gelast de officier van justitie de invrijheidstelling van de verdachte."

Artikel 58:

"1. Het bevel tot inverzekeringstelling wordt slechts verleend in geval van een strafbaar feit waarvoor voorloopige hechtenis is toegelaten.

2. Het bevel tot inverzekeringstelling is slechts gedurende ten hoogste drie dagen van kracht. Bij dringende noodzakelijkheid kan het bevel door de officier van justitie eenmaal voor ten hoogste drie dagen worden verlengd.

3. Zodra het belang van het onderzoek dit toelaat, gelast de hulpofficier de invrijheidstelling van de verdachte. In het andere geval stelt hij de officier van justitie voor de inverzekeringstelling te verlengen. De officier van justitie kan bevelen dat de verdachte ten einde te worden gehoord voor hem wordt geleid."

Artikel 153:

"1. Het proces-verbaal wordt door hen opgemaakt op hun ambtseed of, voor zover zij die niet hebben afgelegd, door hen binnen tweemaal vier en twintig uren beëdigd voor een hulpofficier van justitie die daarvan een verklaring op het proces-verbaal stelt.

2. Het wordt door hen persoonlijk opgemaakt, gedagtekend en ondertekend; daarbij moeten tevens zoveel mogelijk uitdrukkelijk worden opgegeven de redenen van wetenschap."

9. Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr)

Artikel 239:

"Met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft schennis van de eerbaarheid:

1°. op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd;

2°. op een andere dan onder 1° bedoelde openbare plaats, toegankelijk voor personen beneden de leeftijd van zestien jaar;

3°. op een niet openbare plaats, indien een ander daarbij zijns ondanks tegenwoordig is."

Artikel 246:

"Hij die door geweld of een andere feitelijkheid of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid iemand dwingt tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen, wordt, als schuldig aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie."

10. Commentaar op het Wetboek van Strafrecht, T.J. Noyon, G.E. Langemeijer en J. Remmelink, (red.) aantekening 3 bij artikel 239 (suppl. 108 (april 2000))

In dit commentaar staat onder meer vermeld:

"Bij artikel 239 heeft men te maken met het tonen van het menselijk lichaam of bepaalde delen daarvan door en aan reëel aanwezige mensen."

11. Aanwijzing in verband met de nieuwe wettelijke regeling van de inverzekeringstelling van 17 augustus 1994, Stcrt. 1994, 191 (oud)

Deze aanwijzing vermeldt onder meer:

"Praktische gang van zaken

Na de aanhouding en inverzekeringstelling van een verdachte vindt spoedig overleg plaats met de officier van justitie over de vraag of de verdachte na de inverzekeringstelling - al dan niet met een dagvaarding - in vrijheid kan worden gesteld, dan wel of de inverzekeringstelling zal worden verlengd, dan wel of in de eerste fase van de inverzekeringstelling aansluitend bewaring zal worden gevorderd."

12. Circulaire van 14 september 1994, nummer 3240/94 van het arrondissementsparket te Utrecht

Deze circulaire houdt onder meer het volgende in:

"Praktische gang van zaken

Na aanhouding en inverzekeringstelling van een verdachte vindt zo spoedig mogelijk overleg plaats met de officier van justitie over de vraag of de verdachte na de inverzekeringstelling - al dan niet met een dagvaarding (in het kader van bijvoorbeeld het DAMOKLES-project) - in vrijheid kan worden gesteld, dan wel of de inverzekeringstelling dient te worden verlengd, dan wel of in de eerste fase van de inverzekeringstelling aansluitend de bewaring moet worden gevorderd. In de laatste twee gevallen wordt vervolgens spoedig door de officier van justitie aan de rechter-commissaris het verzoek gedaan tijd en plaats van het verhoor van de verdachte te bepalen, zoals bedoeld in artikel 59a lid 2 Sv. Het verzoek wordt (tevens) bij de voorgeleidingsstukken gevoegd.

In het geval de officier van justitie besluit de inverzekeringstelling te verlengen zonder dat de officier van justitie het noodzakelijk acht dat de verdachte in verband met de verlenging aan hem wordt voorgeleid (hetgeen zich in het algemeen slechts voor zal doen indien verlenging noodzakelijk is omdat de verdachte anders niet tijdig in bewaring gesteld kan worden) kan de hulpofficier van justitie - in beginsel - namens de officier van justitie het bevel inverzekeringstelling ondertekenen.

4. Invrijheidstelling door hulpofficier van justitie

Voorts zij nog vermeld dat in de circulaire d.d. 23 september 1976 van mijn ambtsvoorganger, (…) geregeld was in welke gevallen aan de hulpofficier van justitie de bevoegdheid tot invrijheidstelling is gedelegeerd. In verband met de invoering van het DAMOKLES-project, op grond waarvan de hulpofficier van justitie over daarin genoemde zaken overleg dient te plegen met de DAMOKLES-secretaris op het parket wordt de circulaire van 23 september 1976 hierbij ingetrokken. Voor die districten, waarin het DAMOKLES-project (nog) niet draait en voor de "niet-DAMOKLES-uren" kan evenwel de oude regeling aangehouden worden. Deze regeling luidt - kort gezegd -:

De hulpofficier van Justitie is gemachtigd om namens de officier van justitie een verdachte in vrijheid te stellen in die gevallen waarin geen enkele twijfel bestaat omtrent de te nemen beslissing. Met andere woorden: het moet als onbetwijfelbaar kunnen worden beschouwd, dat de officier van justitie in het individuele geval, ware hij in de beslissing gekend, de invrijheidstelling zou hebben gelast."

Instantie: Regiopolitie Utrecht

Klacht:

Wijze van optreden: verzoekers zoon niet onverwijld op de hoogte gesteld van reden arrestatie, gefouilleerd; in klachtrapportage verkeerde voorstelling van zaken gegeven; geen volledig proces-verbaal opgemaakt.

Oordeel:

Niet gegrond

Instantie: Regiopolitie Utrecht

Klacht:

Ingesloten in cel die voor inverzekeringstelling is bestemd, naam van officier van justitie met wie overleg is geweest niet vastgelegd, in rapportage niet ingegaan op klachtonderdeel.

Oordeel:

Gegrond

Instantie: Regiopolitie Utrecht

Klacht:

Langer dan noodzakelijk van zijn vrijheid beroofd, verkeerd voorgelicht over reden van aanhouding, woord 'pedofilie' gebezigd.

Oordeel:

Geen oordeel