1999/424

Rapport
Op 20 mei 1999 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van mevrouw V. te Etten-Leur, met een klacht over een gedraging van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) te Gouda. Naar deze gedraging werd een onderzoek ingesteld. Op grond van de door verzoekster verstrekte gegevens werd de klacht als volgt geformuleerd:Verzoekster klaagt erover dat het LBIO te Gouda zich tussen september 1995 en het moment dat zij zich bij brief van 17 mei 1999 tot de Nationale ombudsman wendde, onvoldoende heeft ingespannen om de ten behoeve van haar minderjarige dochter verschuldigde alimentatie bij haar ex-echtgenoot te innen.

Achtergrond

Burgerlijk Wetboek (BW) Artikel 1:408:"1. Een uitkering tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding of tot voorziening in de kosten van levensonderhoud en studie, waarvan het bedrag in een rechterlijke beslissing, (…), is vastgelegd, wordt ten behoeve van de minderjarige aan de ouder die het kind verzorgt en opvoedt of aan de voogd onderscheidenlijk aan de meerderjarige betaald.2. Op verzoek van een gerechtigde als bedoeld in het eerste lid, (…) neemt het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen de invordering van de onderhoudsgelden op zich. De executoriale titel wordt daartoe door de onderhoudsgerechtigde in handen gesteld van dit Bureau. De overhandiging daarvan machtigt het Bureau tot het doen van de invordering, zo nodig door middel van executie.3. Kosten van invordering door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen worden verhaald op de onderhoudsplichtige, onverminderd de kosten van gerechtelijke vervolging en executie. Het verhaal van kosten vindt plaats door wijziging van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels.4. Tot invordering op verzoek van een onderhoudsgerechtigde wordt slechts overgegaan, indien de gerechtigde ter gelegenheid van de indiening van het verzoek aannemelijk heeft gemaakt dat binnen ten hoogste zes maanden voorafgaande aan de indiening van het verzoek de onderhoudsplichtige ten aanzien van ten minste n periodieke betaling tekort is geschoten in zijn verplichtingen. In deze gevallen geschiedt de invordering van bedragen die verschuldigd zijn vanaf een tijdstip van ten hoogste zes maanden voorafgaande aan de indiening van het verzoek.5. Alvorens tot invordering met verhaal van kosten over te gaan wordt de onderhoudsplichtige bij brief met bericht van ontvangst in kennis gesteld van het voornemen daartoe en de reden daarvoor, alsmede van het bedrag inclusief de kosten van invordering. De raad wordt bevoegd tot invordering over te gaan op de veertiende dag na de verzending van de brief.6. De invordering die op verzoek van de onderhoudsgerechtigde geschiedt, eindigt slechts, indien gedurende ten minste een half jaar regelmatig is betaald aan het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen en er geen bedragen meer verschuldigd zijn als bedoeld in het vierde lid, tweede volzin. De termijn van een half jaar wordt telkens verdubbeld, indien een voorgaande termijn van invordering ook op verzoek van de onderhoudsgerechtigde was aangevangen.7. Een invordering die geldt op het tijdstip van het meerderjarig worden van het kind, wordt ten behoeve van de meerderjarige voortgezet, tenzij deze op zijn verzoek wordt be indigd.8. De tenuitvoerlegging van een executoriale titel betreffende de betaling van de kosten van verzorging en opvoeding of levensonderhoud en studie geschiedt met inachtneming van de wijziging, bedoeld in het derde lid.9. Invorderingen die tien jaren nadat de minderjarige de leeftijd van een en twintig jaren heeft bereikt, nog niet door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen zijn verwezenlijkt, mogen worden be indigd. De onderhoudsgerechtigde wordt hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.10. Een betaling door de onderhoudsplichtige strekt in de eerste plaats in mindering van de kosten, bedoeld in het derde lid, vervolgens in mindering van eventueel verschenen rente en ten slotte in mindering van de verschuldigde onderhoudsgelden en de eventueel lopende rente.11. Het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen draagt zorg, dat de gelden die ten behoeve van het onderhoud van minderjarigen worden uitgekeerd, aan de daarop rechthebbenden worden uitbetaald. Indien uitbetaling plaatsvindt aan een gemeente als rechthebbende, wordt op de aan het Bureau uitgekeerde gelden een door Onze Minister van Justitie te bepalen deel in mindering gebracht ter bestrijding van de kosten welke met de invordering van de gelden zijn gemoeid.12. Artikel 243, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing." ONDERZOEK In het kader van het onderzoek werd het LBIO verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben. Vervolgens werd verzoekster in de gelegenheid gesteld op de verstrekte inlichtingen te reageren. Verzoekster maakte van die gelegenheid geen gebruik. Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. Het LBIO deelde mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen. Verzoeker gaf binnen de gestelde termijn geen reactie.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:A.       FEITEN1. Bij beschikking van 9 oktober 1992 bepaalde het gerechtshof te 's-Hertogenbosch dat verzoeksters voormalige echtgenoot, de heer O., maandelijks een bedrag van ƒ 250,- aan kinderalimentatie diende te voldoen.2. Verzoekster verzocht het LBIO om de kinderalimentatie vanaf september 1995 te innen.B.       STANDPUNT VERZOEKSTERHet standpunt van verzoekster staat samengevat weergegeven onder klacht. .        STANDPUNT LANDELIJK BUREAU INNING ONDERHOUDSBIJDRAGEN In reactie op de klacht liet de (plaatsvervangend) directeur van het LBIO op 29 juli 1999 het volgende weten:"Naar aanleiding van uw brief van 9 juli 1999, inzake de klacht van mevrouw V. te Etten-Leur jegens mijn bureau, antwoord ik u als volgt. Bijgaand doe ik u alle relevante dossierstukken toekomen, welke stukken betrekking hebben op adressencontroles, informatieverstrekking zowel schriftelijk als telefonisch en incasso-activiteiten van het LBIO. In verband met de toedracht in het dossier O. – V. zal ik de volgorde aanhouden van de bijlagen. Het LBIO ontving op 25 maart 1995 (...) via de Gemeentelijke Basisadministratie inlichtingen in verband met het juiste adres van de heer O. Op 10 oktober 1995 (...) berichtte de Gemeente Etten-Leur dat de uitkering krachtens de Algemene Bijstandswet die van mevrouw V., mede ten behoeve van haar dochter M., werd toegekend, met ingang van 1 september 1995 werd be indigd. Om die reden dient de kinderalimentatie vanaf die datum aan mevrouw V. zelf betaalbaar te worden gesteld. Op 6 november 1995 (....) maakte mevrouw V. het LBIO er telefonisch op attent dat zij vanaf september 1995 geen kinderalimentatie via mijn bureau ontving. Zij deelde tevens mee dat haar gewezen echtgenoot voor eigen rekening werkzaam is. In de brief van 20 december 1995 (...) werd mevrouw V. ervan in kennis gesteld dat haar gewezen echtgenoot werd verzocht zijn betalingen inzake de kinderalimentatie, aan het LBIO te verrichten. Tevens werd haar meegedeeld dat het LBIO een onderzoek zal instellen in verband met eventueel te treffen incassomaatregelen. Per gelijke post (...) werd de heer O. meegedeeld dat indien hij geen betalingen aan het LBIO verricht, het LBIO een incasso-opdracht aan de deurwaarder zal verstrekken. Op 20 december 1995 werd het LBIO via het Kadaster-netwerk meegedeeld dat de heer O. geen onroerende zaken op zijn naam heeft staan. Op 4 januari 1996 (...) deelde mevrouw V. het LBIO mee dat de beschikking inzake de kinderalimentatie van 9 oktober 1992 niet werd gewijzigd. Dit gegeven was van belang in verband met de eventuele incasso-opdracht aan de deurwaarder, waarbij bedoelde beschikking aan de betalingsplichtige ouder betekend dient te worden. Uit (...) blijkt dat de heer O. als medevennoot van X te Zevenbergen, bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Westelijk Noord-Brabant staat ingeschreven. Op 24 januari 1996 (...) werd het LBIO via het Kadaster-netwerk meegedeeld dat de heer O. (nu op een ander adres) geen onroerende zaken op zijn naam heeft staan. Op 14 maart 1996 (...) verzocht de gemeente Etten-Leur middels een door mevrouw V. ondertekende machtiging, om de kinderalimentatie vanaf 25 februari 1996 weer aan genoemde gemeente betaalbaar te stellen. Het verzoek werd herhaald op 21 mei 1996 (...). Op 16 juli 1996 werd een incasso-opdracht verstrekt aan gerechtsdeurwaarderskantoor G. te Zevenhoven (...), met het verzoek de beschikking inzake de kinderalimentatie aan de heer O. te betekenen en hem tevens bevel tot betaling voor zowel de achterstallige als de maandelijkse lopende alimentatie. Tevens werd de deurwaarder verzocht om overleg te plegen met het LBIO in verband met eventuele verdere executiemaatregelen. In verband met de betekening van de alimentatiebeschikking en het uitgebrachte bevel tot betaling door de deurwaarder 22 juli 1996 (…), nam de heer O. op 20 augustus telefonisch contact op met het LBIO, waarvoor ik u verwijs naar (...). Op 28 augustus 1996 (...) vond er telefonisch overleg met de deurwaarder plaats, waarbij deze aangaf zijn werkzaamheden voor het LBIO af te sluiten. Op dezelfde datum (...) vond er nogmaals telefonisch overleg met de deurwaarder plaats, waarbij hij adressen van collega-deurwaarders doorgaf. In de brief van 28 augustus 1996 (...) werd de deurwaarder verzocht om de in zijn bezit zijnde stukken voor het LBIO naar mijn bureau te zenden. In de brief van 29 augustus 1996 (...), werd de heer O. verzocht uitsluitsel te geven in verband met zijn gesprek met de gemeente Etten-Leur, inzake de door hem verschuldigde kinderalimentatie. In de brief van 9 december 1996 (...) deelde de gemeente Etten-Leur het LBIO mee dat de bijstandsuitkering van mevrouw V. (mede ten behoeve van haar dochter), met ingang van 1 oktober 1996 werd be indigd en de kinderalimentatie vanaf die datum weer aan haar zelf betaalbaar gesteld dient te worden. Door de gemeente werd aanspraak gemaakt op de kinderalimentatie voor de periode 25 februari 1996 tot en met 30 september 1996. In de brief van 23 december 1996 (...) werd de heer O. daarvan in kennis gesteld. Tevens werd hem verzocht om maandelijks ƒ 611,84 aan het LBIO over te maken (ƒ 278,11 lopende alimentatie, ƒ 278,11 ter aanzuivering van de achterstallige bijdrage en ƒ 55,62 opslagkosten), bij gebreke waarvan de deurwaarder opnieuw ingeschakeld zal worden. In de brief van 13 januari 1997 (...) verzocht de gemeente Etten-Leur het LBIO, naar aanleiding van de door de heer O. verstrekte gegevens in verband met zijn financi le omstandigheden, om de invordering van de kinderalimentatie over de bijstandsperiode van mevrouw V. van 14 april 1992 tot en met 31 augustus 1995 op te schorten. In de brief van 21 februari 1997 (...) deelde genoemde gemeente mijn bureau mee, af te zien van de verschuldigde kinderalimentatie voor de periode 1 januari 1995 tot en met 31 augustus 1995. Wel werd de aanspraak op de kinderalimentatie voor de perioden 14 april 1 992 tot en met 31 december 1994 en vanaf 25 februari 1996 tot en met 30 september 1996 gehandhaafd. In de brief van 25 maart 1997 (...) werd de heer O. van de beslissing van de Gemeente Etten-Leur in kennis gesteld en werd hem een herberekening van de achterstallige kinderalimentatie verstrekt. Tevens werd hij andermaal verzocht om betalingen aan het LBIO te verrichten, bij gebreke waarvan er wederom executiemaatregelen tegen hem getroffen zullen worden door tussenkomst van de deurwaarder. In de brief van 15 april 1997 (...) deelde de gemeente Etten-Leur mijn bureau mee alsnog geen aanspraak te willen maken op de verschuldigde kinderalimentatie over de periode 14 april 1992 tot en met 31 december 1994. De aanspraak op de kinderalimentatie voor de periode 25 februari 1996 tot en met 30 september 1996 bleef gehandhaafd. In de brief van 9 juni 1997 (...) werd de betalingsplichtige van deze beslissing in kennis gesteld, waarbij hem tevens het nieuwe openstaand saldo werd meegedeeld. Per gelijke post (...) werd de gemeente Etten-Leur ervan in kennis gesteld dat de heer O. van de door hen genomen beslissing op de hoogte werd gebracht. Op 10 juni 1997 (...) deelde de heer O. het LBIO telefonisch mee dat hij nog immer bezig was om bij de gemeente Etten-Leur kwijtschelding te verkrijgen voor de overige door hem verschuldigde kinderalimentatie. Omdat betalingen van betrokkene aan het LBIO uitbleven werd er door de afdeling Kinderalimentatie van mijn bureau die deze zaak behandelt, in verband met de beslissingen die de gemeente Etten-Leur had genomen, een nieuw onderzoek gestart naar de financi le omstandigheden van betrokkene. Op 17 juni 1997 (...) werd van het Gemeenschappelijk Administratiekantoor te Breda vernomen, dat de heer O. daar niet bekend was als uitkeringsgerechtigde. Op 17 juni 1997 werd van de Gemeentelijke Sociale Dienst te Zevenbergen vernomen dat hij daar geen uitkering ontving. Y te Breda deelde het LBIO op 17 juni 1997 (...) mee dat betrokkene niet in hun bestand voorkwam. Op 7 juli 1997 (...) deelde de Belastingdienst Ondernemingen Roosendaal het LBIO mee dat de vennootschap onder firma waarvan de heer O. vennoot is, een schuld heeft van ƒ 340.072,--. De Rijksdienst voor het Wegverkeer deelde het LBIO op 11 juli 1997 (...) mee dat betrokkene niet in het bezit is van een motorvoertuig. Via de Gemeentelijke Basisadministratie werd op 11 juli 1997 (...) vernomen dat de heer O. op 5 juni 1992 opnieuw in het huwelijk trad. Op 8 juli 1997 werd andermaal via de Kadaster-netwerken vernomen dat betrokkene geen onroerende zaken bezit. In verband met de huwelijkse staat van de heer O. werd het huwelijksgoederenregister van de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch op 2 september 1997 (...) en op 16 oktober 1997 (...) gevraagd of er tussen de echtelieden huwelijkse voorwaarden zijn opgemaakt. Hierop werd nimmer antwoord ontvangen. De afdeling Kinderalimentatie van het LBIO heeft daarna geen verder onderzoek ingesteld. In de brief van 20 oktober 1998 (...) werd mevrouw V. ingelicht omtrent de stand van zaken van dat moment. Tevens werd haar meegedeeld dat er een nieuwe deurwaarder werd ingeschakeld. Per gelijke post (...) werd een incasso-opdracht aan gerechtsdeurwaarder B. verstrekt. Voor de inhoud van die opdracht verwijs ik u naar de inhoud van die brief. Bij de brief aan de deurwaarder werden alle benodigde gegevens meegezonden. In de brief van 22 oktober 1998 (...) bevestigde de deurwaarder de incasso-opdracht van mijn bureau. De spontane mutatieopgave van 7 april 1994 (...) doe ik u eveneens toekomen. De Rijksdienst voor het Wegverkeer deelde het LBIO op 8 februari 1999 (...) andermaal mee dat de heer O. niet in het bezit is van een voertuig. Na die datum zijn er geen verdere dossiergegevens. Uit de dossierstukken blijkt dat er ondanks veel activiteiten zoals inlichtingen inwinnen, telefoongesprekken en informatieverstrekking, er minieme gerichte incasso-activiteiten zijn geweest om daadwerkelijk tot inning van de verschuldigde kinderalimentatie te komen. Het komt erop neer dat mijn bureau tot nog toe geen kinderalimentatie voor mevrouw V. heeft ge nd. Naar aanleiding van de incasso-opdracht aan deurwaarder G. heeft de afdeling van het LBIO die deze zaak behandelt geen initiatieven getoond om deze deurwaarder of een collega-deurwaarder aan te zetten om tot inning van de door de heer O. verschuldigde bedragen te komen. Daarnaast heeft de afdeling Kinderalimentatie ten onrechte teveel rekening gehouden met het feit dat de betalingsplichtige in onderhandeling was met de gemeente Etten-Leur, over kwijtschelding c.q. vermindering van de door hem verschuldigde kinderalimentatie die met voornoemde gemeente verrekend dient/diende te worden. Hierbij bleven de belangen van mevrouw V. op de achtergrond en werden haar belangen onvoldoende krachtdadig waargenomen. Ook de activiteiten en contacten met gerechtsdeurwaarderskantoor B. zijn minimaal gebleven. Ik concludeer dat het LBIO de incasso-activiteiten sterker met executiemaatregelen had dienen te ondersteunen. Ik acht de klacht van mevrouw V. terecht voor wat betreft het te lang uitstellen van een nieuwe opdracht aan de deurwaarder. De afdeling Kinderalimentatie van mijn bureau (PKA-2) die deze zaak behandelt, zal met spoed contact op te nemen met laatstgenoemde gerechtsdeurwaarder om vervolgacties te doen ondernemen. Overigens merk ik op, dat het resultaat van de executiemaatregel niet bij voorbaat vast staat, mede gezien het bedrijfsresultaat van de v.o.f. van de heer O."

Beoordeling

1. Verzoekster klaagt erover dat het LBIO te Gouda zich tussen september 1995 en het moment dat zij zich bij brief van 17 mei 1999 tot de Nationale ombudsman wendde, onvoldoende heeft ingespannen om de ten behoeve van haar minderjarige dochter verschuldigde alimentatie bij haar ex-echtgenoot te innen.2. Nadat het LBIO vanaf september 1995 was belast met de procedure tot inning van de kinderalimentatie, heeft het een aantal activiteiten ondernomen. Deze bestonden eruit dat er inlichtingen werden ingewonnen, telefoongesprekken werden gevoerd en informatie is verstrekt. Zoals het LBIO zelf heeft aangegeven, zijn er echter minieme gerichte incasso-activiteiten geweest om daadwerkelijk te komen tot inning van de verschuldigde kinderalimentatie. De incasso-activiteiten werden onvoldoende met executiemaatregelen ondersteund. Daarmee is het LBIO niet voldoende voortvarend opgetreden bij zijn pogingen om de alimentatie bij verzoeksters ex-echtgenoot te innen. De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van het Landelijk Bureau Inning Onderhouds-bijdragen is gegrond.

Instantie: Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen te Gouda

Klacht:

Zich onvoldoende ingespannen om alimentatie te innen.

Oordeel:

Gegrond