1998/070

Rapportnummer
1998/070
Rapport
Op 9 oktober 1997 ontving de Nationale ombudsman door tussenkomst van de Gemeentelijke ombudsman Utrecht een verzoekschrift, gedateerd 27 september 1997, van de heer C. te Utrecht met een klacht over een gedraging van het dagelijks bestuur van het hoogreemraadschap De Stichtse Rijnlanden te Nieuwegein. Naar deze gedraging werd een onderzoek ingesteld. Op grond van de door verzoeker verstrekte gegevens werd de klacht als volgt geformuleerd:Verzoeker klaagt erover dat het dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden zijn beroepschrift tegen de afwijzende beslissing van 20 juni 1997 op zijn verzoek om kwijtschelding van de ingezetenenomslag 1997 en verontreinigingsheffing 1997 nog niet heeft afgehandeld.

Achtergrond

Zie BIJLAGE.

Onderzoek

In het kader van het onderzoek werd het dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben. Tevens werd hem een aantal specifieke vragen gesteld. Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. Het hoogheemraadschap berichtte dat het verslag hem geen aanleiding gaf tot het maken van opmerkingen. Verzoeker gaf binnen de gestelde termijn geen reactie.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:1. De feiten1.1. Bij beschikkingen van 20 juni 1997 besliste het dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden afwijzend op de verzoeken van verzoeker om kwijtschelding van de verontreinigingsheffing en ingezetenenomslag over het belastingjaar 1997.1.2. Verzoeker stelde bij brief van 29 juni 1997 beroep tegen bovengenoemde besluiten in bij het dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden.

1.3. Bij brief van 17 juli 1997 bevestigde het hoogheemraadschap de ontvangst van het beroepschrift van verzoeker, onder mededeling dat hij ernaar streefde genoemd beroepschrift binnen acht weken af te handelen. Hierbij tekende het hoogheemraadschap aan dat de behandeling door het grote aantal reacties langer kon duren.1.4. Tot op het moment waarop de Nationale ombudsman verzoekers klacht ontving - 9 oktober 1997 - had verzoeker van het hoogheemraadschap nog geen beslissing ontvangen.2. Het standpunt van verzoekerHet standpunt van verzoeker is kort samengevat weergegeven in de klachtsamenvatting onder

Klacht

.3. Het standpunt van het dagelijks bestuur van het hoogheemraadschapIn reactie op de klacht van verzoeker deelde het dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap op 10 december 1997 onder meer mee dat de afhandeling van verzoekers brief van 29 juni 1997 op korte termijn zou gaan plaatsvinden. Over de oorzaak van de lange behandelingsduur merkte het hoogheemraadschap het volgende op:"...Tot op heden hebben wij inzake de ingezetenenomslag en verontreinigingsheffing 1997 11.283 kwijtscheldingsverzoeken ontvangen. (In 1996 ontvingen wij nog 4.406 kwijtscheldingsverzoeken.) Van deze 11.283 verzoeken zijn inmiddels 11.078 verzoeken behandeld. Op de daaruit voortvloeiende beschikkingen hebben wij tot op heden 443 reacties ontvangen. Van deze reacties zijn inmiddels 165 reacties afgehandeld. Het gaat dan om gevallen, waarin sprake is geweest van het alsnog verstrekken van in eerste instantie niet verstrekte gegevens of van ambtelijke vergissingen. De resterende 278 reacties ('beroepschriften') zullen uiterlijk in het eerste kwartaal van 1998 allen zijn afgehandeld. Deze reacties zijn geadministreerd in een geautomatiseerd registratiesysteem. Afhandeling zal plaatsvinden op basis van datum van binnenkomst. Vooralsnog ligt echter de prioriteit bij de behandeling van de nog resterende kwijtscheldingsverzoeken en bezwaarschriften. Behalve de hierboven genoemde kwijtscheldingsverzoeken hebben wij in 1997 namelijk zo'n 20.000 bezwaarschriften ontvangen. Op dit moment moeten nog zo'n 4.000 bezwaarschriften beantwoord worden. Prioriteitstelling is daarom noodzakelijk..." 4. De reactie van het hoogheemraadschap op het verslag Het hoogheemraadschap berichtte bij brief van 18 februari 1998 op

10 december 1997 een beslissing op het beroep van verzoeker te hebben genomen.

Beoordeling

1. Verzoeker klaagt erover dat het hoogheemraadschap op het moment dat hij zich tot de Nationale ombudsman wendde – 27 september 1997 - nog niet had beslist op zijn beroepschrift van 29 juni 1997 tegen de afwijzende beslissingen van 20 juni 1997 op zijn verzoek om kwijtschelding van de verontreinigingsheffing en de ingezetenenomslag over het belastingjaar 1997.2. Het hoogheemraadschap liet tijdens het onderzoek van de Nationale ombudsman weten dat er in 1997 sprake was van een grote toename van het aantal kwijtscheldingsverzoeken ten opzichte van 1996. Bovendien had het in 1997 een zeer groot aantal bezwaarschriften ontvangen. Het hoogheemraadschap berichtte prioriteit te verlenen aan de beantwoording van de resterende kwijtscheldingsverzoeken en bezwaarschriften. Ten aanzien van de resterende beroepschriften merkte het hoogheemraadschap op dat het verwachtte deze uiterlijk in het eerste kwartaal van 1998 te hebben afgehandeld.3. Artikel 123, tweede lid van de Waterschapswet (zie

Achtergrond

onder 1.) bepaalt dat de heffing en de invordering van de waterschapsbelastingen geschieden met toepassing van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de Invorderingswet 1990. Op grond van de Leidraad Invordering 1990, die is gebaseerd op artikel 26, eerste lid van de Invorderingswet 1990, dient de directeur binnen 8 weken na ontvangst van het beroepschrift te beslissen op het beroep tegen de beslissing op het kwijtscheldingsverzoek (zie

Achtergrond

onder 3.). Gelet op het bovenstaande geldt voor de behandeling door waterschappen van beroepen tegen beslissingen op verzoeken om kwijtschelding van waterschapsbelastingen een beslistermijn van 8 weken. Het hoogheemraadschap vermeldt deze termijn overigens ook in de brief van 17 juli 1997, waarin het de ontvangst van het beroepschrift aan verzoeker bevestigt.4. Verzoekers beroepschrift van 29 juni 1997 was op de dag waarop verzoeker zich tot de Nationale ombudsman wendde – 27 september 1997 - nog niet door het hoogheemraadschap afgehandeld. Pas op 10 december 1997 is op het beroepschrift beslist, waarmee de behandelingsduur op zo'n 5 maand komt. Daarmee is de voor dit beroepschrift geldende beslistermijn van 8 weken ruimschoots verstreken.

In dit geval dient te worden uitgegaan van de termijn van 8 weken, omdat van een schriftelijke mededeling aan verzoeker door het waterschap van verlenging met een termijn van 4 weken als bedoeld onder

Achtergrond

onder 4. niet is gebleken. Overigens kan hieraan worden toegevoegd dat in dit geval de beslistermijn ook was verstreken in het geval dat er wel zou zijn verlengd met 4 weken. De door het hoogheemraadschap aangevoerde omstandigheden kunnen wel als verklaring dienen voor overschrijding van de geldende beslistermijn, maar zijn niet toereikend als rechtvaardiging van een zo lange behandelingsduur. De onderzochte gedraging is niet behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van het dagelijks bestuur van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden te Nieuwegein is gegrond.                           

BIJLAGE

Achtergrond

1.       Waterschapswet (Wet van 6 juni 1991, Stb. 444) Artikel 123, eerste en tweede lid:"1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:a.       (...) b.       Algemene wet: de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Stb. 1959, 301) 2.       Onverminderd het overigens in dit hoofdstuk bepaalde geschieden de heffing en de invordering van de waterschapsbelastingen met toepassing van de Algemene wet en de Invorderingswet 1990 (Stb. 221) als waren die belastingen rijksbelastingen."2. Invorderingswet 1990 (Wet van 30 mei 1990, Stb. 221) Artikel 26, eerste lid:"Bij ministeri le regeling worden regels gesteld krachtens welke aan de belastingschuldige die niet in staat is anders dan met buitengewoon bezwaar een belastingaanslag geheel of gedeeltelijk te betalen, gehele of gedeeltelijke kwijtschelding kan worden verleend."3. De Leidraad Invordering 1990 (Resolutie van de Staatssecretaris van Financi n van 25 juni 1990) verklaart (onder artikel 26 6, aantekening 3) hoofdstuk 6 van het Voorschrift Algemene wet bestuursrecht (Awb), welke bepalingen betrekking hebben op de behandeling van bezwaarschriften, van overeenkomstige toepassing op het administratief beroep, met dien verstande dat het beroepschrift moet worden ingediend binnen 10 dagen na dagtekening van de kennisgeving waarbij op het verzoek om kwijtschelding is beslist en de directeur binnen 8 weken na ontvangst van het beroepschrift op het beroep dient te beslissen. De directeur heeft de mogelijkheid tot verlenging van deze termijn. Voor de mogelijkheid tot verlenging verwijst de Leidraad onder genoemde aantekening naar hoofdstuk 6 2.7., eerste alinea, van het Voorschrift Awb.4. Het Voorschrift Algemene wet bestuursrecht (Awb) (Besluit van de Staatssecretaris van Financi n van 21 juli 1997, nr. AFZ/2526 M, Stcrt. 1997, 138) stelt onder hoofdstuk 62.7. dat de inspecteur, indien hij niet binnen 6 weken op het bezwaarschrift kan beslissen, de beslistermijn met ten hoogste 4 weken kan verlengen. Hij doet hiervan schriftelijk mededeling aan belanghebbende. In overleg met belanghebbende is verder uitstel mogelijk.

Instantie: Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden Nieuwegein

Klacht: Beroepschrift tegen afwijzing verzoek om kwijtschelding ingezetenenomslag 1997 en verontreinigingsheffing 1997 nog niet afgehandeld. Oordeel:
Gegrond