Nationale ombudsman trekt zich terug uit NPM

Nieuwsbericht
Foto van een gevangene in een cel

De Nationale ombudsman neemt niet langer deel aan het Nationaal Preventie Mechanisme (NPM). Het NPM is in 2011 opgericht om te voorkomen dat burgers die door de overheid van hun vrijheid zijn beroofd, vernederend en mensonterend worden behandeld. Het gaat hierbij om bijvoorbeeld gedetineerden en mensen die door psychische problemen zijn opgesloten zoals jongeren met gedragsproblemen en psychiatrische patiënten. De ombudsman vindt dat het NPM onvoldoende functioneert en wil daar geen verantwoordelijkheid voor dragen. De ombudsman vraagt aandacht voor de noodzaak om het functioneren van het NPM-netwerk te verbeteren.

Het NPM vloeit voort uit het OPCAT-verdrag van de Verenigde Naties waarbij Nederland is aangesloten. In Nederland is gekozen voor een netwerkstructuur met vier leden (drie inspecties en de Raad voor de Strafrechttoepassing en Jeugdbescherming) en vier toehoorders. De Inspectie Veiligheid en Justitie is belast met de coördinatie. De Nationale ombudsman was een van de toehoorders. Een goede samenwerking tussen de deelnemers van het netwerk zou het verschil moeten maken.

De ombudsman heeft kritiek op de structuur van het NPM en de onvoldoende onafhankelijkheid van de inspecties en hij vindt dat een heldere visie op de taak van het NPM ontbreekt. Deze punten belemmeren in zijn ogen een goed functioneren van het NPM. De ombudsman kan zich niet verenigen met de manier waarop het netwerk nu functioneert en wil daar geen verantwoordelijkheid voor dragen. Het NPM zou meer moeten zijn dan "de som der delen' en daarvan is nu geen sprake. Bovendien zijn er onvoldoende garanties om te voorkomen dat een minister of staatssecretaris zich inhoudelijk kan bemoeien  met of invloed kan uitoefenen op de prioritering van onderzoek dat in NPM-verband wordt uitgevoerd.