Gebrek aan transparantie en onzorgvuldigheden bij korps Gelderland-Midden

Op deze pagina

    Nieuwsbericht

    Hoewel allochtone politiemedewerkers te maken hebben met discriminatie, is niet aannemelijk geworden dat de etnische afkomst van drie ex-medewerkers van het politiekorps Gelderland-Midden een doorslaggevende rol heeft gespeeld bij problemen rond hun loopbaan of dienstverband. De korpsleiding is echter onvoldoende zorgvuldig en transparant geweest. De signalen van deze medewerkers zijn een indicatie voor dieper liggende problemen, die vragen om extra alert handelen van de korpsleiding. Dit concludeert de Nationale ombudsman, Alex Brenninkmeijer, in een vandaag gepresenteerd onderzoek in vervolg op de klachten van de ex-medewerkers.

    De drie klachten die de Nationale ombudsman heeft ontvangen zijn afzonderlijk onderzocht. In geen van de zaken is direct sprake van discriminatie. Ook de Commissie Gelijke Behandeling, die nauw bij het onderzoek was betrokken, komt tot die conclusie.

    Eén klacht ging over het niet-aanwijzen van betrokkene als sectiecommandant Mobiele Eenheid en het ontnemen van verantwoordelijkheden in het kader van het zogenaamde POEMA-project voor allochtonen. De ombudsman merkt op dat er sprake was van conflicten in de leiding, vooringenomenheid en onduidelijkheid over bevoegdheden. De korpsleiding had betrokkene als sectiecommandant van de Mobiele Eenheid moeten aanwijzen, omdat zijn direct leidinggevenden zijn kwaliteiten onderkenden en omdat er toezeggingen zijn gedaan. De taken bij het POEMA-project hadden hem niet zo abrupt mogen worden ontnomen.

    In de tweede zaak concludeert de ombudsman dat de problemen rond de loopbaan van de betrokkene hoofdzakelijk voortkwamen uit een verschil in verwachtingen bij hem en bij het korps. De korpsleiding heeft niet onjuist gehandeld, maar is er niet in geslaagd om een talentvolle medewerker en toekomstig leidinggevende voor het korps te behouden.

    De derde zaak betreft de handelwijze van het korps bij een veiligheidsonderzoek dat jegens een tolk was ingesteld. Het korps heeft grotendeels zorgvuldig gehandeld, maar had geen informatie aan derden mogen verstrekken zonder betrokkene daarover te informeren.

    De diepere oorzaken van discriminatie

    Ook al is er in de drie onderzochte zaken geen sprake van expliciete discriminatie, toch is er volgens Brenninkmeijer wel reden tot zorg. Onzorgvuldige bevorderingsprocedures en niet transparant loopbaanbeleid kunnen leiden tot willekeur. En dat kan ruimte bieden - eventueel onbewust - voor vooroordelen. En onder het personeel kan twijfel rijzen over de gelijkheid van behandeling. Brenninkmeijer beveelt aan de richtlijnen voor bevordering vast te leggen en bekend te maken bij het personeel. Hij raadt de korpsleiding aan om ook een klachtprocedure speciaal gericht op klachten van medewerkers over discriminatie in te voeren.

    Gelderland-Midden kan leren van deze zaken over gebrek aan zorgvuldigheid en transparantie. Een organisatiecultuur is wenselijk waarin behoorlijke behandeling van medewerkers vanzelfsprekend is. De overheersende invloed van het huidige, autochtone leiderschap en denkwijzen kan verrijkt worden met deskundigheid vanuit allochtone kant, bijvoorbeeld via advisering of intervisie. De korpsleiding moet ook de volle bereidheid hebben om open te staan voor onafhankelijk extern onderzoek en reflectie.