grote onderzoeken 1996/600

Opvolging aanbevelingen toezicht IND in asielprocedure

De staatssecretaris reageerde bij brief van 24 maart 1997. Zij deelde in die brief onder meer mee dat zij de aanbeveling op het punt van het maken en gebruiken van een videoband overnam met de kanttekening dat de afsluitende vragen in het nader gehoor naar haar opvatting geen toelichting behoefden. Voorts deelde de staatssecretaris mee dat zij de aanbeveling op het punt van het maken van bandopnamen van het nader gehoor niet overnam. De aanbeveling om de communicatie tussen de contactambtenaar en de beslissingsambtenaar te verbeteren, nam zij wel over. Tot slot deelde de staatssecretaris mee dat zij geen aparte regeling zou instellen voor de behandeling van klachten over contactambtenaren. Klachten over het nader gehoor vallen onder de reguliere verantwoordelijkheid voor klachtafhandeling op districtsniveau en dienen naar haar mening te worden ingediend bij de informatielijn van het betrokken district.

 Naar aanleiding van de reactie van de staatssecretaris wees de Nationale ombudsman er bij brief van 22 april 1997 op dat uit het onderzoek naar voren was gekomen dat toelichting op de afsluitende vraagstelling tijdens het nader gehoor wel wenselijk was en vroeg hij de staatssecretaris haar bezwaar daartegen toe te lichten.
Voorts liet de Nationale ombudsman weten dat hij zijn aanbeveling handhaafde om bandopnamen te maken van het nader gehoor. Hij deed de suggestie om tenminste te overwegen om door middel van een steekproef ervaring op te doen met dit instrument.
Verder vroeg de Nationale ombudsman de staatssecretaris om aan te geven in hoeverre in het nieuw in te voeren samenwerkingsverband, waarbij contactambtenaren en beslissingsambtenaren onder één unit vallen, op structurele wijze overleg zou plaatsvinden tussen de genoemde ambtenaren.
Tenslotte gaf de Nationale ombudsman de staatssecretaris in overweging om de klachtenprocedure zodanig in te richten dat ook klachten die niet worden ingediend bij de informatielijn van het betrokken district als zodanig worden behandeld, bijvoorbeeld door het hanteren van een klachtenformulier.

De staatssecretaris reageerde bij brief van 5 juni 1997. In de brief deelde zij mee dat in de te vervaardigen videoband melding zal worden gemaakt van de afsluitende vraagstelling tijdens het nader gehoor. Voorts kondigde zij aan dat de geopperde steekproef ten aanzien van het maken van bandopnamen van het nader gehoor zou worden gehouden. Zij bevestigde dat tussen de contactambtenaar en de beslissingsambtenaar die binnen dezelfde eenheid vallen gestructureerd overleg zal plaatsvinden. Tot slot gaf zij aan geen aanleiding te zien tot het invoeren van een klachtenformulier.

Bij brief van 2 juli 1997 wees de Nationale ombudsman de staatssecretaris erop dat herhaaldelijk is gebleken dat het herkennen van klachten problematisch kan zijn, met name wanneer die naar voren worden gebracht in het kader van aanvullingen op het nader gehoor, in bezwaarschriften of in herzieningsverzoeken. De Nationale ombudsman verzocht de staatssecretaris dit probleem nogmaals te bezien.

Bij brief van 6 november 1997 gaf de staatssecretaris nog aan waaruit het opleidingstraject had bestaan voor een nieuwe groep contactambtenaren en deelde zij mee dat voorbereidingen waren getroffen voor het maken van de instructievideo. Voorts gaf zij aan dat de rechtshulpverleners zouden worden geïnformeerd over de klachtenprocedure. Zij merkte daarbij op dat een juist gebruik van de procedure het naar voren brengen van klachten op andere manieren overbodig maakt. Tot slot liet de staatssecretaris weten dat de proef met het maken van geluidsbandopnamen zou plaatsvinden in het asielzoekerscentrum te Haarlem.

Lees voor