Rapport 2012/039

Datum: 20-03-2012

Samenvatting

In de avond van 8 december 2009 werden verzoekers gebeld door politieambtenaar X, met het dringende verzoek naar het politiebureau te komen. Aldaar deelde X hen mee dat hun dochter was overleden en dat haar vriend als verdachte was aangehouden. Hij werd al snel weer in vrijheid gesteld, omdat sprake zou zijn geweest van zelfdoding. Een aantal dagen na het overlijden werd X benaderd door de peetvader van de dochter van verzoekers, met de vraag of zij wilde bemiddelen in de teruggave van spullen van de dochter. X wilde helpen en heeft contact gelegd met de familie van de vriend. Omdat verzoekers niet alle spullen terugkregen van de vriend, hebben zij uiteindelijk een deurwaarder ingeschakeld. Toen deze aan de deur ging bij de vriend en haar de toegang werd geweigerd, benaderde zij X, met het verzoek mee te gaan naar de woning en opnieuw te bemiddelen in de kwestie. X gaf aan dat dit niet haar taak was en vertelde waar haar bemiddeling eerder uit had bestaan. Verzoekers verwijten dat X zich heeft gemengd in een civiel conflict. Haar handelen had er volgens verzoekers toe geleid dat zij pas via de rechter alle spullen van hun dochter van de vriend terug kregen. Ze dienden een claim in bij de politie tegen politieambtenaar X. gelijktijdig diende zij een klacht in over het optreden van X. De claim werd afgewezen en de klacht buiten behandeling gelaten.

De Nationale ombudsman oordeelde dat politieambtenaar X niet heeft gehandeld in strijd met het vereiste van professionaliteit. De Nationale ombudsman oordeelde verder dat de korpsbeheerder de klacht die verzoekers hadden ingediend, wel als klacht hadden moeten behandelen, nadat de claim was afgewezen. In zoverre was er gehandeld in strijd met het vereiste van fair play.

Aanleiding

De heer en mevrouw A. (hierna verzoekers) werden op de avond van 8 december 2009 gebeld door mevrouw X, ambtenaar van de politie Limburg Zuid, met het dringende verzoek om naar het politiebureau te komen. X vertelde verzoekers aldaar dat B., hun meerderjarige dochter, die dag was overleden en dat de vriend met wie zij samen-woonde, was aangehouden als verdachte. De volgende dag werd deze in vrijheid gesteld. Hij was niet langer verdachte, omdat er sprake zou zijn geweest van zelfdoding.

Op 12 december 2009 heeft de peetvader van B. namens verzoekers contact gelegd met X, met het verzoek om te bemiddelen in de teruggave van spullen van B. met (de familie van) de vriend van de dochter. Toen verzoekers in een later stadium een deurwaarder inschakelden om alle spullen van hun dochter terug te krijgen, ontstond er onenigheid over de rol die X had gespeeld in de bemiddeling bij de teruggave van spullen van B. Verzoekers stelden dat het handelen van X hen heeft belemmerd om de spullen van B. terug te krijgen en dat zij daardoor schade hadden geleden. Verzoekers stelden X op 30 oktober 2010 persoonlijk aansprakelijk. Gelijktijdig dienden zij een klacht in over het handelen van X. De politie deelde hen schriftelijk mee dat hun klacht niet in behandeling werd genomen vanwege de claim die zij hadden ingediend. De claim werd door de politie afgewezen. Een daaropvolgende schriftelijke reactie van verzoekers op de afwijzing van hun claim en het niet in behadeling nemen van hun klacht bleef onbeantwoord.

Verzoekers dienden een klacht in bij de Nationale ombudsman over het feit dat de politie weigerde hun klacht te behandelen. De politie liet de Nationale ombudsman weten dat de zaak, een civiele kwestie, was afgehandeld en dat er geen reactie meer zou volgen op de klacht. De Nationale ombudsman heeft daarop een onderzoek ingesteld en is daarbij uitgegaan van de volgende klachtformulering:

Klacht

Verzoekers klagen over de wijze waarop politieambtenaar X van het regionale politiekorps Limburg Zuid zich na het overlijden van hun dochter heeft gemengd in de teruggave van haar spullen.

Ook klagen verzoekers erover dat de korpsbeheerder hun klacht hierover niet in behandeling heeft genomen.

Bevindingen

Standpunt verzoekers

Verzoekers zijn van mening dat politieambtenaar X zich actief heeft bemoeid in het voorkomen dat verzoekers de spullen van hun dochter zouden terugkrijgen. Ze voelen zich door X onmenselijk behandeld. Het heeft hen belemmerd in de verwerking van het verlies van hun dochter. Aangaande het terugkrijgen van de spullen en de rol van politieambtenaar X daarbij lieten verzoekers het volgende weten:

Bij het aanzeggen van de dood door X op het politiebureau, werd aan het einde van het gesprek door X gevraagd of verzoekers nog persoonlijke spullen van hun dochter wilden hebben. X zou daar dan voor zorgen. X vroeg ook nog wat er met de bebloede kleding van B. diende te gebeuren. Verzoekster was overdonderd door deze vraag, maar antwoordde dat zij de fotoalbums en sieraden terug wilde, evenals enkele erfstukken.

Vanwege overige privéomstandigheden, hebben verzoekers de peetvader van B. gevraagd zorg te dragen voor de teruggave van de spullen. De peetvader is op 12 december 2009 bij de moeder van de vriend thuis langsgegaan om spullen op te halen. Hij kreeg slechts de jas en een tas (met daarin portemonnee met bankpasjes, schoolpas, paspoort, telefoon, identiteitskaart en 3 fotoalbums) mee. Verder was alles weggegooid, omdat het huis volgens de wens van B. etherisch moest worden gereinigd.

Op 24 december 2009, de dag dat verzoekers de as van hun dochter hebben verstrooid, vertelde de moeder van de vriend de peetvader dat hij de sieraden kon ophalen. Bij het ophalen werd hem verteld dat er verder niets meer aan spullen was. Volgens verzoekers ontbraken er echter belangrijke spullen. Om die reden heeft verzoeker die dag met X gebeld en haar geconfronteerd met het feit dat zij zou zorgdragen voor de teruggave van de spullen. Verzoeker werd toen teruggebeld door de chef van X, die verzoeker meedeelde dat zijn verzoek een civiele zaak betrof waarin de politie niets kon betekenen. Verzoeker werd verzocht het onderzoeksteam niet meer lastig te vallen.

Omdat de vriend en zijn moeder weigerden om de overige spullen van B. terug te geven, hebben verzoekers een deurwaarder ingeschakeld om beslag te laten leggen. De deurwaarder liet verzoekers weten dat zij op 15 april 2010 bij de vriend was langs geweest, maar dat hij haar geen toegang verleende tot zijn woning. Op de mededeling van de deurwaarder dat zij de volgende keer met de politie zou komen, reageerde de vriend volgens de deurwaarder met de opmerking dat de politie al verschillende malen was langs geweest en dat ook verzoeker een keer is mee geweest. In het bijzijn van de politie, in het bijzonder mevrouw X, is hun toen toegang tot de woning verschaft. Zij hadden toen de gelegenheid om de spullen mee te nemen en verzoeker heeft dit ook gedaan, aldus de vriend. De deurwaarder liet verzoekers weten X te benaderen om dit te verifiëren.

Verzoeker heeft daarop op 26 april 2010 met X gebeld om te weten te komen wat zij hierover aan de deurwaarder heeft verklaard. X vertelde verzoeker dat ze aan de deurwaarder had uitgelegd wat ze eerder met de peetvader had besproken over de teruggave van spullen, dat verzoekers alleen fotoboeken en sieraden wilden en dat verzoekers geen belangstelling hadden in de kleding. Toen verzoeker X vertelde dat dit iets ander was dan de beleving van de peetvader (die hetgeen hij met X had besproken notarieel had laten vastleggen), reageerde X dat ze zich daar niet mee kon bemoeien. Verzoeker hield X voor dat hem te kennen was gegeven dat hij haar niet meer mocht lastig vallen in de zaak, maar dat X zelf contact heeft gehad met de deurwaarder. Daarmee heeft zij zich bemoeid met zaken waar zij niets mee te maken heeft, aldus verzoeker. X vertelde verzoeker dat als haar werd gevraagd hierover een verklaring af te leggen, zij dat ambtshalve zou doen.

Op 21 oktober 2010 is tijdens een zitting van de rechtbank Maastricht bij overeenkomst tussen verzoekers en de vriend van B. vastgesteld dat de resterende spullen van B. via de peetvader zouden worden teruggegeven. Tijdens deze zitting voerden verzoekers verweer op de stelling van de vriend dat verzoekers eerder tegen X hadden verklaard dat zij uitsluitend aanspraak maakten op de teruggave van fotoalbums en sieraden. Op de vraag van de rechter wanneer verzoekers dit was gevraagd, antwoordden verzoekers dat dit was tijdens het aanzeggen van de dood. De rechter verklaarde volgens verzoekers dat dit een wederrechtelijke en onmenselijke opmerking (van X) was en dat zij dit nooit had mogen vragen. Verzoekers vinden deze opmerking voldoende voor een civiele vordering tegen X. De opmerking van de rechter is niet schriftelijk vastgelegd in het proces-verbaal van de zitting. Verzoeker heeft daarom zijn advocaat benaderd om hetgeen verklaard is te ondertekenen. Volgens de advocaat waren dit niet de juiste bewoordingen van de rechter. De rechter zou ook geen inhoudelijk standpunt hebben ingenomen, maar alleen hebben opgemerkt dat de politie wellicht verkeerd had gehandeld en dat verzoeker daarover een klacht zou moeten indienen bij de politie. De rechter heeft volgens de advocaat enkel opgemerkt dat hij zich kan voorstellen dat het handelen van de politie voor verzoekers zeer pijnlijk was. De advocaat wenste de verklaring niet te ondertekenen.

Verklaring peetvader

De peetvader heeft zijn contacten met X en de familie van de vriend medio 2010 notarieel laten vastleggen. De officiële verklaring was hij kwijtgeraakt, maar hij kon nog wel de oorspronkelijke tekst overleggen. Daarin stond dat hij op 12 december 2009 na een telefonisch gemaakte afspraak door bemiddeling van X naar het huis van de moeder van de vriend is geweest om spullen op te halen. Op het verzoek van verzoekers en hemzelf, en door bemiddeling van X zou de peetvader daar de fotoalbums, sieraden, handtas en geboortetegels gaan ophalen. Verder zou hij ook aangeven welke spullen zij nog meer terug wilden hebben. De moeder van de vriend heeft de handtas met inhoud meegegeven, evenals fotoalbums, leren jack en geboortetegels. De moeder vertelde de peetvader dat het huis etherisch was gereinigd en dat de kleding was weggegooid. Dit omdat de moeder van X had vernomen dat de verzoekers geen prijs stelden op de kleding. De sieraden kon hij later ophalen, hetgeen is gebeurd op 24 december 2009.

Standpunt korpsbeheerder politie Limburg Zuid

In reactie op het onderzoek van de Nationale ombudsman gaf de korpsbeheerder uitleg waarom de klacht van verzoekers niet was behandeld. Na ontvangst van de klacht bleek dat verzoekers X persoonlijk aansprakelijk hadden gesteld. Met het oog op een eventuele civiele procedure, wilde X geen uitspraken doen in de klachtzaak. Verzoekers hadden eerder te kennen gegeven geen belang te hebben bij een (bemiddelings-)gesprek met de leider van het opsporingsonderzoek. Op grond hiervan en op grond van het feit dat de klachtaspecten nadrukkelijk verstrengeld waren met de civielrechtelijke aspecten, werd de klacht niet in behandeling genomen en werden verzoekers daarover ook geïnformeerd. De claim werd door de politie afgewezen.

In reactie op de klacht over politieambtenaar X liet de korpsbeheerder weten dat hij van oordeel was dat X zich met betrekking tot de bemiddeling door X in zowel sociaal als professioneel opzicht correct heeft gemanifesteerd ten aanzien van de betrokken partijen. De korpsbeheerder verwees naar de bijgevoegde verklaring van politieambtenaar X en haar chef, de heer C. In deze gezamenlijke verklaring wordt allereest stilgestaan bij de omstandigheden van het opsporingsonderzoek. In overleg met de officier van justitie was besloten het onderzoek naar het overlijden van de dochter na enkele dagen te beëindigen. Er was sprake van zelfdoding. De familie kon zich hier totaal niet in vinden en heeft de media gezocht.

Ten aanzien van de klacht over X merkten C en X verder op dat uit het onderzoek was gebleken dat de relatie tussen de dochter en de ouders uiterst bekoeld was. Verzoekers wensten geen contact met de vriend. Hij en zijn familie mochten geen afscheid nemen en evenmin op de crematie komen. Op zaterdag 12 september 2009 werd X namens verzoekers gebeld door de peetvader. Hij vroeg of er bemiddeld kon worden over persoonlijke spullen. Het ging om sieraden en fotoalbums. De moeder van de vriend liet weten dat de woning was schoongemaakt en dat de persoonlijke spullen in haar woning waren, waaronder kleding. De peetvader gaf te kennen dat er geen belangstelling was voor de kleding. Vervolgens vroeg de peetvader aan X of zij wilde bemiddelen in de teruggave van fotoalbums, omdat daarin het geboortekaartje van de dochter zat, welke de familie wilde gebruiken voor de crematie. X heeft contact gelegd met de moeder van de vriend. Zij ging akkoord met het teruggeven van de fotoalbums. X heeft de nummers van de moeder van de vriend en de peetvader uitgewisseld, zodat zij een afspraak konden maken voor de teruggave van de spullen. Later nam de peetvader contact op met X om te vertellen dat hij conform afspraak de fotoalbums had gekregen en dat hij een gesprek met de vriend had gehad, die hem een heel andere kijk op de zaak had gegeven. Tevens kon hij de volgende week bij de vriend langs voor de rest van de spullen. Op 4 maart 2010 werd X gebeld door de moeder van de vriend dat zij een tweede aangetekende brief hadden ontvangen van verzoekers. Zij vroeg aan X wat verzoekers hadden gezegd over de kleding van hun dochter. X heeft daarop gerefereerd aan de opmerking van de peetvader, dat ze alleen de sieraden en de fotoalbums wilden en niet de kleding. Later werd X benaderd door een deurwaarder. Deze liet weten dat ze namens verzoekers beslag wilde gaan leggen op spullen in de woning van de vriend. Ze vroeg of X mee wilde gaan. X heeft geantwoord dat zij geen hulpofficier van justitie is. X heeft aan de deurwaarder uitgelegd welke rol zij eerder had en heeft gerefereerd aan de contacten met de peetvader. In overleg met C is bepaald dat X niet naar de woning zou gaan. X had als familierechercheur een voor beide partijen gelijkwaardige rol en kon geen stelling innemen. Op 26 april 2010 werd X benaderd door verzoeker, met de vraag wat zij tegen de deurwaarder had gezegd. X heeft verzoeker meegedeeld dat er sprake was geweest van contacten met de moeder van de vriend en de peetvader, namens de familie en dat die beide partijen met elkaar in gesprek waren geweest.

 

Verklaring politieambtenaar X

In het kader van het onderzoek is politieambtenaar X een verklaring afgenomen over haar visie op de klacht. Voor zover van belang heeft zij het volgende verklaard:

Vanwege haar jarenlange ervaring was X als familierechercheur gevraagd bij het onderzoek naar het overlijden van de dochter van verzoekers. X verklaarde dat een familierechercheur niet inhoudelijk op de hoogte is van een zaak, maar vooral functioneert als direct aanspreekpunt voor de nabestaanden. De familierechercheur is ook de aanzegger van het slechte nieuws. X heeft veel moeite gedaan om verzoekers, die in Duitsland wonen, op de dag van het overlijden van hun dochter te bereiken. Uiteindelijk heeft ze hen te pakken gekregen en hen gevraagd naar het bureau te komen. Daar heeft ze hen de dood van hun dochter aangezegd. X heeft ook verteld dat de vriend was aangehouden. X heeft verzoekers laten weten dat zij hun aanspreekpunt was, de familie had geen behoefte aan slachtofferhulp. X ontkende ten stelligste dat er op het moment van het aanzeggen van de dood is gesproken over de teruggave van spullen. X verklaarde de details van de zaak niet eens te kennen en toen ook niet eens te weten van bebloede kleding. Het zou niet humaan zijn om bebloede kleding terug te geven aan nabestaanden. Volgens X is dit nog nooit gebeurd. Op het moment dat de peetvader X op 12 december 2009 belde, werd zij voor het eerst geconfronteerd met de vraag over de teruggave van spullen. Eerder is daar beslist niet over gesproken, aldus X.

Over het contact met de moeder van de vriend in maart 2010 liet X nog weten dat de moeder ook had gevraagd of zij wilde getuigen als het tot een rechtszaak zou komen. Dat wilde X liever niet, maar als zij zou worden opgeroepen, zou zij naar waarheid verklaren.

In een e-mail van 16 april 2010 schrijft de advocaat van verzoekers hen dat de vriend van B. aan de deurwaarder heeft verklaard dat verzoeker eerder in de woning is geweest, in bijzijn van X. Daarover verklaarde X dat zij nog nooit in de woning was geweest en dat zij verzoeker, voor zover zij zich kon herinneren, enkel had gezien bij het aanzeggen van den dood. X verklaarde de vriend alleen te hebben gezien toen hij verdachte was en naderhand nog een keer, toen hij met zijn moeder naar het politiebureau kwam. X verklaarde dat haar bemiddeling al met al niet veel verder is gegaan dan het tot stand brengen van het contact tussen de peetvader en de moeder van de vriend. X is op 26 april 2010 nog een keer gebeld door verzoeker. Op den duur belde hij te pas en te onpas. Verzoeker wilde weten wat zij met de deurwaarder had besproken. Verzoeker zou hebben gezegd dat zij zich had gemengd in een civiele zaak. X verklaarde dat het inderdaad goed zou kunnen dat zij gezegd heeft dat als het tot een rechtszaak zou komen en zij zou worden opgeroepen, ze naar waarheid zou verklaren. X verklaarde afsluitend dat het haar enorm heeft geraakt dat verzoekers over haar een klacht hebben ingediend. X had als familierechercheur niet eerder zo'n moeizaam, teleurstellend en bijzonder contact gehad met nabestaanden.

Overige stukken

De korpsbeheerder verstrekte in het kader van het onderzoek een journaal de acties die zijn uitgevoerd in het onderzoek na het overlijden van de dochter van verzoekers. Daarin staat onder meer dat verzoekers na het identificeren van hun overleden dochter op 10 december 2009 aan de betrokken politieambtenaren (niet zijnde X) te kennen hebben gegeven dat zij behoefte hadden aan enkele spullen van hun dochter, te weten fotoboeken en wat sieraden die erfstukken waren. In het journaal staat dat de betrokken politiemedewerkers dit aan X zouden doorgeven. Verder vermeldt het journaal over de contacten tussen X en verzoekers, de peetvader en de deurwaarder. Het journaal komt op die punten overheen met hetgeen X heeft verklaard.

Reacties op het verslag van bevindingen

Het verslag van bevindingen werd aan verzoekers, de korpsbeheerder en X voorgelegd.

In reactie hierop lieten verzoekers, voor zover van belang, weten dat zij zeer beperkt contact met X hebben gehad, ondanks dat zij later begrepen dat een familierechercheur nabestaanden zou moeten begeleiden, informeren over (de voortgang van) het onderzoek en een band met hen zou moeten op bouwen. Het was hun helemaal niet duidelijk dat X familierechercheur was. Het bevreemdde verzoekers dat X als familierechercheur ook contacten had met de vriend van hun dochter en zijn familie. Dit werkt volgens verzoeker belangenverstrengeling in de hand. Bij de herkenning van hun dochter werd er niet door verzoekers gevraagd naar spullen van hun dochter, de politie vroeg of wat zij op 8 december 2009 hadden verklaard, alles was wat ze aan spullen wilden hebben. Verzoekers betwisten dat zij een bekoelde relatie met hun dochter hadden. Zij hadden elkaar weliswaar maanden niet gezien, maar er was in de maanden voor haar overlijden wel degelijk contact geweest. Verzoekers gaven verder aan eerst geen contact met slachtofferhulp te wensen, maar dat zij daar later op terug zijn gekomen. Verzoekers lieten verder weten dat hun geen bemiddelingsgesprek is aangeboden. Verzoekers blijven erbij dat X als familierechercheur onprofessioneel heeft gehandeld. Haar handelen heeft ertoe bijgedragen dat ze pas na een jaar via de rechter alle spullen van hun dochter van de vriend terug kregen.

De korpsbeheerder en X konden zich vinden in de weergave van hun standpunt.

Beoordeling

Voorafgaand aan de beoordeling overweegt de Nationale ombudsman dat de klacht over de bemiddeling van X slechts een klein onderdeel is van een veel groter geheel, het trieste overlijden van de dochter van verzoekers. De klacht is ingediend binnen een context waarin verzoekers zich niet gesteund voelden door de politie en grote twijfels hadden over de uitkomst van het opsporingsonderzoek.

Ten aanzien van de klacht over de bemiddeling in de teruggave van persoonlijke spullen

Het vereiste van professionaliteit houdt in dat de overheid er voor zorgt dat haar medewerkers volgens hun professionele normen werken. De burger mag van hen bijzondere deskundigheid verwachten.

Bij de beoordeling van de klacht overweegt de Nationale ombudsman allereerst dat het achteraf niet meer met voldoende zekerheid is vast te stellen op welk moment verzoekers en X voor het eerst hebben gesproken over (de bemiddeling in) de teruggave van spullen. De verklaringen daarover staan lijnrecht tegenover elkaar. Verzoekers voeren aan dat X hen daarover bij het aanzeggen van de dood heeft bevraagd. Verzoekers gaven toen te kennen fotoalbums en sieraden terug te willen. X zelf ontkende dit ten stelligste. Haar verklaring vindt steun in de verklaring van collega's in het journaal van de politie, waaruit blijkt dat verzoekers pas bij de identificatie van hun dochter (twee dagen na het aanzeggen van de dood) zelf om fotoalbums en sieraden vroegen. De vraag is ook waarom de peetvader X vervolgens nog zou benaderen met het verzoek om te bemiddelen in de teruggave van spullen, als X dit zelf eerder al zou hebben aangeboden. De waarheid blijft op dat punt echter in het midden.

Over de feitelijke bemiddeling door X concludeert de Nationale ombudsman dat het initiatief voor bemiddeling bij de teruggave van spullen telkens bij anderen lag. Vier dagen na het overlijden van B. werd X door de peetvader benaderd en maanden later door de deurwaarder. Niet is gebleken dat X zichzelf actief heeft opgeworpen om te bemiddelen in de teruggave van spullen. Verder heeft de bemiddeling van X naar het oordeel van de ombudsman ook niet veel meer ingehouden dan het tot stand brengen van het contact tussen verzoekers (via de peetvader) en (de familie van) de vriend. De verklaringen van de peetvader en X stemmen op die punten overeen. Wat er over de kleding van B. is afgesproken blijft als enige onopgehelderd.

De Nationale ombudsman is voldoende overtuigd van het feit dat X uit hulpvaardigheid en met goede bedoelingen is ingegaan op het verzoek van de peetvader om te bemiddelen. Verzoekers hadden een moeizame verstandhouding met de vriend van hun overleden dochter en zij wilden spullen met emotionele waarde hebben voor de crematie. Toen de deurwaarder haar later benaderde, heeft X uitgelegd waar haar eerdere bemiddeling uit had bestaan, maar ook te kennen gegeven dat zij niet met de deurwaarder mee zou gaan naar de woning van de vriend om beslag te leggen op overige spullen, omdat dit buiten haar taak en bevoegdheid lag. Naar het oordeel van de Nationale ombudsman heeft X zich juist terecht buiten het conflict tussen verzoekers en de familie van de vriend van hun overleden dochter gehouden, door duidelijk te zijn over haar rol en geen partij te kiezen. Alles overziend is er niet gehandeld in strijd met het vereiste van professionaliteit.

De gedraging is behoorlijk.

Ten aanzien van de klacht over het niet in behandeling nemen van de klacht

Het beginsel van fair play houdt voor overheidsinstanties in dat zij burgers de mogelijkheid geven hun procedurele kansen te benutten. De overheid zorgt daarbij voor een eerlijke gang van zaken.

In hoofdstuk 9 van de Awb zijn regels neergelegd voor de klachtbehandeling door bestuursorganen. Op grond van artikel 9:1 van de Awb heeft iedereen het recht om te klagen over de manier waarop (een persoon die valt onder de verantwoordelijkheid van) een bestuursorgaan zich in een bepaalde aangelegenheid jegens hem heeft gedragen. Het bestuursorgaan is verplicht de klacht in behandeling te nemen, tenzij een van de in artikel 9:8 van de Awb neergelegde uitzonderingen van toepassing is. Zo is een bestuursorgaan op grond van artikel 9:8 lid 1 onder e van de Awb niet verplicht een klacht te behandelen indien deze betrekking heeft op een gedraging die door het instellen van een procedure aan het oordeel van een andere rechterlijke instantie dan een administratieve rechter onderworpen is, dan wel onderworpen is geweest. Uit de Memorie van Toelichting op dat artikel valt op te maken dat het daarbij onder andere gaat om een procedure bij de burgerlijke rechter.

De motivering van de korpsbeheerder om de klacht niet te behandelen, snijdt naar het oordeel van de Nationale ombudsman geen hout. Er was geen sprake van een gedraging die onderworpen was of was geweest aan het oordeel van de burgerlijke rechter. De korpsbeheerder had de klacht, na de afhandeling van de claim gewoon moeten behandelen. Het is weliswaar te betreuren dat verzoekers kennelijk eerder niet bereid waren om met de politie in gesprek te gaan, maar dat doet aan de verplichting om de klacht (verder) te behandelen niet af. Er is gehandeld in strijd met het beginsel van fair play.

De gedraging is niet behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de beheerder van het regionale politiekorps Limburg-Zuid over de bemiddeling in de teruggave van spullen, is niet gegrond.

De klacht over de klachtbehandeling is gegrond wegens schending van het vereiste van fair play.

De Nationale ombudsman,

dr. A.F.M. Brenninkmeijer

 

Achtergrond

Art. 9:8 Algemene wet bestuursrecht -1. Het bestuursorgaan is niet verplicht de klacht te behandelen indien zij betrekking heeft op een gedraging:
e. die door het instellen van een procedure aan het oordeel van een andere rechterlijke instantie dan een administratieve rechter onderworpen is, dan wel onderworpen is geweest; of

 


Zoek in rapporten

Formaat: 2011/049

Rapport tekst

Text Size

Printervriendelijke versie
Lees voor