Rapport 2007/303

Datum: 10-12-2007

Samenvatting

De broer van verzoekster werd aangemerkt als verdachte van diefstal met geweld. De officier van justitie gaf op 8 januari 2005 aan het regionale politiekorps Limburg Zuid het bevel om de broer van verzoekster buiten heterdaad aan te houden. Ambtenaren van het regionale politiekorps Limburg Zuid traden begin 2005 enkele malen de woning van verzoekster binnen ter aanhouding buiten heterdaad van haar broer. De broer werd op of na 1 maart 2005 op een ander adres aangehouden dan op het woonadres van verzoekster.

Verzoekster klaagde bij de Nationale ombudsman erover dat de politie op 18 januari 2005, op 18 februari 2005 en op 1 maart 2005 haar woning binnentrad zonder dat zij daarvoor toestemming had gegeven.

De Nationale ombudsman achtte het binnentreden op 18 januari en 18 februari behoorlijk. De klacht over het binnentreden op 1 maart 2005 miste volgens de Nationale ombudsman feitelijke grondslag omdat vast kwam te staan dat de politie verzoekster haar woning niet 1 maart 2005 had binnengetreden.

Bij de beantwoording van de vraag of het binnentreden op 18 januari 2005 behoorlijk was, betrok de Nationale ombudsman het feit dat verzoekster had verklaard dat zij toestemming voor het binnentreden had gegeven.

Ten aanzien van het binnentreden op 18 februari 2005, overwoog de Nationale ombudsman het volgende. De politie kreeg het bevel van de officier van justitie om de broer van verzoekster, buiten heterdaad, aan te houden. De hulpofficier van justitie gaf een machtiging tot binnentreden af waarin de woning van verzoekster specifiek was aangeduid. Voorts achtte de Nationale ombudsman van belang dat de politie op 18 februari 2005 bij het binnentreden in het bezit was van die machtiging. Zij toonden die ook aan verzoekster. Al met al acht de Nationale ombudsman het binnentreden op 18 februari 2005 behoorlijk.

De Nationale ombudsman toetste aan het huisrecht.

Verzoekster klaagde ook over de wijze waarop de hoofdofficier van justitie in Maastricht haar klacht had afgehandeld en over de bejegening door de politie van haar en haar kinderen

Klacht

Verzoekster klaagt erover dat de officier van justitie in Maastricht een machtiging tot binnentreden in haar woning heeft afgegeven.

Verzoekster klaagt ook over de wijze waarop haar klacht van 18 maart 2005 door de hoofdofficier van justitie in Maastricht is afgehandeld.

Voorts klaagt verzoekster erover dat het regionaal politiekorps Limburg Zuid in haar woning is binnengetreden op:

- 18 januari 2005;

- 18 februari 2005 en op

- 1 maart 2005.

Tot slot klaagt verzoekster over de wijze waarop het regionaal politiekorps Limburg Zuid op 18 februari 2005 is binnengetreden. Verzoekster klaagt er met name over dat:

- een met naam genoemde ambtenaar de opmerking heeft gemaakt "als u zorgt dat wij uw broer vinden, dan vallen wij u niet meer lastig" of woorden van gelijke strekking;

- haar kinderen van zeven en veertien jaar uit hun bed werden gesommeerd omdat er onder hun matrassen moest worden gezocht.

Beoordeling

Algemeen

1. De broer van verzoekster werd aangemerkt als verdachte van diefstal met geweld; een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan (zie Achtergrond, onder 4.).

2. De officier van justitie gaf op 8 januari 2005 aan het regionale politiekorps Limburg Zuid het bevel om de broer van verzoekster buiten heterdaad aan te houden.

3. Ambtenaren van het regionale politiekorps Limburg Zuid traden begin 2005 enkele malen de woning van verzoekster (welke woning verder ook wordt aangeduid als Y3) binnen ter aanhouding buiten heterdaad van haar broer.

4. De broer werd op of na 1 maart 2005 op een ander adres aangehouden dan op het woonadres van verzoekster.

5. De raadsman van verzoekster diende op 18 maart 2005 een klacht in bij de korpsbeheerder. Hij klaagde namens verzoekster over de afgifte van een machtiging tot binnentreden in haar woning en over het feitelijk binnentreden. De raadsman achtte het binnentreden onrechtmatig en lichtte zijn klacht als volgt toe. Een aanwijzing dat een verdachte, waarvan de aanhouding kennelijk is bevolen, zich in een bepaalde woning, niet zijnde zijn eigen woning, bevindt, kon, aldus de raadsman, in beginsel de mogelijke grondslag bieden voor een machtiging tot binnentreden. De raadsman gaf daarbij aan dat het wel om een serieuze aanwijzing moet gaan, waarvan de inhoud is afgewogen tegen andere informatie omtrent de mogelijke verblijfplaats van de aan te houden verdachte.

In dit geval trad de politie, aldus de raadsman, stelselmatig op vier of vijf plekken tegelijk binnen. De raadsman stelde de vraag of de politie dan periodiek en dan weer op hetzelfde moment serieuze tips had dat de verdachte op vier of vijf verschillende plekken verbleef. Het heeft er volgens de raadsman alle schijn van dat hier sprake was van machtsmisbruik. Hij trok het bestaan van een tip dan ook ernstig in twijfel. Volgens verzoekster zou haar broer al maanden niet bij haar aan de deur zijn geweest. Al met al stelde de raadsman zich op het standpunt dat het erop leek dat de politie helemaal geen tips had over de verblijfplaats van de aan te houden verdachte. Volgens de raadsman bezocht de politie om de zoveel tijd een aantal adressen van familieleden in de ijdele hoop de verdachte per toeval tegen het lijf te lopen. Een en ander werd volgens de raadsman gevoed door de door betrokken ambtenaar P. na het binnentreden op 18 februari 2005 geplaatste woorden "Als u zorgt dat wij uw broer vinden, dan vallen wij u niet meer lastig". De raadsman klaagde namens verzoekster ook over deze uitlating. Tot slot klaagde de raadsman erover dat de kinderen van verzoekster uit hun bed werden gesommeerd omdat er onder hun matrassen moest worden gezocht.

6. Bij brief van 18 maart 2005 deelde de raadsman aan de hoofdofficier van justitie in Maastricht mee de inhoud van de klachtbrief d.d. 18 maart 2005 die gericht is aan de korpsbeheerder, ook te beschouwen als een brief die aan hem is gericht. Voorts verzocht de raadsman om een onderzoek naar de mate waarin enig strafrechtelijk onderzoek jegens betrokken ambtenaren, wenselijk en/of noodzakelijk is.

7. De hoofdofficier van justitie verzocht de korpschef van het regionale politiekorps Limburg Zuid naar aanleiding van de brief van 18 maart 2005 om een nader onderzoek.

8. Op 20 april 2005 deelde het regionale politiekorps Limburg Zuid de raadsman mee dat het korps het resultaat van dat onderzoek door de hoofdofficier van justitie zou afwachten alvorens het korps verder zou gaan met de interne klachtbehandeling.

9. Bij brief van 19 januari 2006 schreef de hoofdofficier van justitie de korpschef van het regionale politiekorps onder meer het volgende. Betrokken officier van justitie R. had op zaterdag 8 januari 2005 de aanhouding buiten heterdaad gelast van verzoeksters broer. Vervolgens werden drie pogingen ondernomen om de verdachte aan te houden. Zo zijn op 18 januari 2005 vijf woningen binnengetreden, waaronder de woning van verzoekster. De woningen waarin werd binnengetreden betroffen plaatsen waarvan redelijkerwijs kon worden aangenomen dat de verdachte zich daar zou bevinden. Betreffende informatie omtrent de mogelijke verblijfplaats werd verkregen door een ambtenaar van het regionale politiekorps die hiermee ambtshalve bekend was. Vervolgens werd, aldus de hoofdofficier van justitie, op 18 februari 2005 een tweede poging gedaan om de verdachte aan te houden. Toen werd wederom in een aantal woningen waaronder die van verzoekster binnengetreden. De informatie dat de verdachte zich mogelijk in de woning van verzoekster zou kunnen bevinden was volgens de hoofdofficier van justitie onder meer gebaseerd op informatie van de Criminele Inlichtingen Eenheid (verder CIE). Deze informatie werd als betrouwbaar aangemerkt. Bij de derde poging die op 1 maart 2005 plaatsvond, kon de verdachte worden aangehouden op een ander adres dan dat van verzoekster. De hoofdofficier van justitie gaf hierbij aan dat de informatie omtrent de vermoedelijke verblijfplaats van de verdachte wederom afkomstig was van de CIE.

De klacht van verzoekster dat de binnentredingen onrechtmatig waren, achtte de hoofdofficier van justitie niet gegrond.

Hij zag verder redenen om de korpsbeheerder in overweging te geven de klacht over de wijze waarop betrokken ambtenaar P. verzoekster had bejegend, niet gegrond te verklaren. Betrokken ambtenaar P. legde aldus de hoofdofficier van justitie immers in een op ambtseed opgemaakt stuk duidelijk uit hoe hij met verzoekster had gecommuniceerd. Hij achtte het optreden van P. behoorlijk.

10. Bij brief van 9 februari 2006 deelde de klachtencoördinator van het regionale politiekorps Limburg Zuid de raadsman mee dat het korps inmiddels de klacht ter beoordeling aan de hoofdofficier van justitie had voorgelegd. Het korps zag in de inhoud van de brief van de hoofdofficier van justitie reden om de klacht als afgehandeld te beschouwen.

I. Ten aanzien van de gedraging van de officier van justitie en het binnentreden door ambtenaren van het regionale politiekorps Limburg Zuid

Bevindingen

1. De Nationale ombudsman ziet redenen om de klacht dat de officier van justitie een machtiging tot binnentreden heeft afgegeven en de klacht dat ambtenaren van het regionale politiekorps Limburg Zuid op 18 januari 2005, 18 februari 2005 en 1 maart 2005 de woning van verzoekster zijn binnengetreden, tezamen te behandelen nu er sprake is van een onderlinge nauwe samenhang.

2. Verzoekster klaagt erover dat de officier van justitie in Maastricht een machtiging tot binnentreden in haar woning heeft afgegeven en dat ambtenaren van het regionale politiekorps Limburg Zuid op 18 januari 2005, op 18 februari 2005 en op 1 maart 2005 in haar woning zijn getreden zonder dat zij daarvoor toestemming heeft gegeven.

3. Ingevolge artikel 2 van de Algemene wet op het binnentreden (zie Achtergrond, onder 6.2.) is voor het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner in beginsel een schriftelijke machtiging vereist. Deze machtiging is niet vereist indien de officier van justitie een machtiging heeft verleend om ter aanhouding van een verdachte een woning zonder toestemming van de bewoner te doorzoeken (zie Achtergrond, onder 5.2.).

4. De minister acht de klacht niet gegrond.

De woning van verzoekster is op 18 januari 2005 en op 18 februari 2005 binnengetreden met als doel haar broer buiten heterdaad aan te houden in verband met een verdenking van een strafbaar feit. Het binnentreden op 18 januari 2005 heeft volgens de minister plaatsgevonden met toestemming van verzoekster. De minister acht de gedraging daarom rechtmatig. De minister merkt ten aanzien van het binnentreden op 18 januari 2005 ook op dat toen geen gebruik is gemaakt van de door de hulpofficier van justitie N. uitgeschreven machtiging. De minister verwijst hier naar het proces-verbaal van bevindingen dat op 24 mei 2005 door P., S. en L. is opgesteld. De minister stelt zich om die reden op het standpunt dat de gedraging op 18 januari 2005 niet kan worden aangemerkt als een gedraging jegens verzoekster in de zin van artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht.

Onverlet het voorgaande, merkt de minister het volgende op. De hulpofficier van justitie heeft op 18 januari 2005 en op 18 februari 2005 machtigingen afgegeven tot het binnentreden van de woningen Y4, Y3 en elke woning waarvan verondersteld kon worden dat de verdachte zich in die woning zou bevinden. Niet is gebleken dat op 18 januari 2005 en op 18 februari 2005 sprake was van een dringende noodzakelijkheid als bedoeld in artikel 5, derde lid, van de Algemene wet op het binnentreden. Gezien deze omstandigheid was de hulpofficier van justitie, aldus de minister, niet bevoegd een machtiging uit te schrijven voor het betreden van elke woning.

Nu de woning van verzoekster, te weten Y3, in beide machtigingen werd genoemd, is het binnentreden op 18 februari 2005 in haar woning met gebruikmaking van de machtiging tot binnentreden rechtmatig geweest. Voor zover de machtiging betrekking heeft op het betreden van elke woning, kan het afgeven daarvan, aldus de minister, niet als een gedraging jegens verzoekster worden aangemerkt.

De minister deelt tot slot mee dat hij de afgifte van die machtiging proportioneel acht. De ernst van de feiten waarvan de aan te houden broer werd verdacht alsmede het feit dat uit betrouwbare informatie bleek dat de verdachte zich mogelijk in de woning van verzoekster ophield, maken dat de afgifte van de machtiging als proportioneel kan worden aangemerkt.

5. Het standpunt van de korpsbeheerder naar aanleiding van de klacht over het binnentreden door ambtenaren van het regionale politiekorps Limburg Zuid, is als volgt. Hij acht de klacht niet gegrond. De officier van justitie heeft op 8 januari 2005 de aanhouding buiten heterdaad gelast van de broer van verzoekster. De politie heeft vervolgens op 18 januari en op 18 februari 2005 een vijftal woningen binnengetreden, waaronder die van verzoekster. In een van de gevallen is gebruik gemaakt van de machtiging tot binnentreden die door de hulpofficier van justitie is afgegeven. De korpsbeheerder acht het binnentreden op 18 januari 2005 en op 18 februari 2005 rechtmatig. De korpsbeheerder verwijst hiervoor naar de brief van de hoofdofficier van justitie van 19 januari 2006.

Tot slot geeft de korpsbeheerder aan dat de woning van verzoekster niet op 1 maart 2005 werd binnengetreden. Wel werd de gesignaleerde verdachte op 1 maart 2005 elders aangehouden.

6. N., hulpofficier van justitie van het regionale politiekorps Limburg Zuid, verstrekte op 17 februari 2005 de navolgende machtiging tot binnentreden:

REGIOPOLITIE LIMBURG -ZUID

District Maastricht

MACHTIGING TOT BINNENTREDEN IN EEN WONING

Ik,

(…) N., inspecteur van de regiopolitie te Maastricht, als zodanig hulpofficier van justitie gelet op de artikel 2 tot en met 12 van de Algemene wet op het binnentreden en 53, 54, 55 en 67 van het Wetboek van strafvordering geeft machtiging aan:

(…) P. en (…) S.

beiden brigadier van regiopolitie Limburg Zuid, beiden opsporingsambtenaar ingevolge artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering

zonder toestemming van de bewoner binnen te treden in de woning:

Adres: (Y4, N.o.) (woonadres van onderstaande verdachte)

Woonplaats : Maastricht

De woning wordt bewoond door:

(broer van verzoekster; N.o.)

geboren te Maastricht op (…) , wonende op genoemd adres en verdacht van overtreding van artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht

zonder toestemming van de bewoner binnen te treden in de woning:

Adres: (Y3, N.o.) (verblijfadres van verdachte)

Woonplaats : Maastricht

Het perceel voornoemd wordt bewoond:

(verzoekster; N.o.)

Ondergetekende bepaalt voorts dat

[X] voorts, dat zonder toestemming van de bewoners binnengetreden kan worden in iedere woning waarin bedoelde persoon zich bevindt of verondersteld wordt zich te bevinden.

[ ] bij dringende noodzakelijkheid in de woning of woningen tussen middernacht en 6 uur in de ochtend kan worden binnengetreden;

[ ] bij dringende noodzakelijkheid in geval van afwezigheid van de bewoner(s) in de genoemde woning of woningen kan worden binnengetreden;

[X] voor zover het doel van het binnentreden dat vereist degene die bevoegd is zonder toestemming van de bewoner binnen te treden zich door anderen kan doen vergezellen.

Deze machtiging is van kracht op de dag waarop zij is afgegeven tot 21 februari 2005 (ten hoogste drie daarop volgende dagen).

Afgegeven te Maastricht, 17 februari 2005

De hulpofficier van justitie,

(…) N."

7. Uit het proces-verbaal van bevindingen dat op 31 mei 2005 is opgesteld door hulpofficier van justitie N. blijkt dat hij in het kader van de aanhouding buiten heterdaad van de broer van verzoekster ook voor 18 januari 2005 een schriftelijke machtiging heeft afgegeven om de woningen Y4 en Y3 te betreden en elke woning waarvan verondersteld kon worden dat de verdachte zich in die woning zou bevinden.

8. Ten aanzien van het binnentreden op 18 januari 2005 geeft verzoekster de volgende weergave van de feiten. Ambtenaren hebben op 18 januari 2005 zeer vroeg in de ochtend aangebeld. Bij het openen van de deur zag verzoekster zich geconfronteerd met diverse geüniformeerde personen die vroegen of zij binnen mochten komen. Verzoekster werd toen meegedeeld dat zij in het bezit waren van een machtiging. Onder deze omstandigheden heeft protesteren tegen het binnentreden - aldus verzoekster - weinig zin en kan de gegeven toestemming ook zijn ingegeven door de getoonde machtiging.

9. Uit het verslag van het binnentreden op 18 februari 2005 blijkt het volgende.

Betrokken ambtenaren P. en S. hebben bij de woning van verzoekster aangebeld in verband met de aanhouding van haar broer. De deur is geopend door een van haar kinderen. P. heeft het kind gevraagd of haar moeder thuis was. Het kind heeft geantwoord dat verzoekster nog in bed lag. Betrokken ambtenaren hebben vervolgens bij de voordeur gewacht. Zij hebben toen boven in de woning een mannenstem gehoord. Kort hierop is verzoekster met een man genaamd A. bij de deur verschenen. Nadat P haar het doel van hun komst had meegedeeld, heeft verzoekster gezegd dat de betrokken ambtenaren niet tot haar woning werden toegelaten. Hierop is verzoekster meegedeeld dat de ambtenaren in het bezit waren van een machtiging tot binnentreden tegen de wil van de bewoner. Desgevraagd heeft P haar de machtiging laten lezen waarop verzoekster het volgende meedeelde: "En toch kom je niet binnen." Hierop zijn de betrokken ambtenaren tegen de wil van verzoekster binnengetreden via de openstaande voordeur. De betrokken ambtenaren hebben vervolgens rondgekeken naar de aan te houden verdachte. Deze werd niet aangetroffen.

In het verslag van het binnentreden op 18 februari 2005 staat verder het volgende. Voorafgaand aan het binnentreden heeft. P. zich niet gelegitimeerd omdat verzoekster alsmede A. hem als politieambtenaar en wijkagent kennen. Verder waren zij in uniform gekleed.

De betrokken ambtenaren zijn de woning om 7:40 uur binnengetreden en hebben deze om 7:50 uur verlaten.

Beoordeling

10. De Nationale ombudsman overweegt het volgende ten aanzien van het standpunt van de minister dat de gedraging op 18 januari 2005 niet kan worden aangemerkt als een gedraging jegens verzoekster in de zin van artikel 9:1 de Algemene wet bestuursrecht (verder Awb).

11. Artikel 9:4 Awb bepaalt dat het recht op klachtbehandeling volgens Hoofdstuk 9 Awb ontstaat indien de klacht schriftelijk wordt ingediend, het klaagschrift aan de in het tweede lid genoemde eisen voldoet en geen uitzondering als bedoeld in artikel 9:8 van toepassing is. Bovendien moet de klacht een gedraging betreffen die jegens de klager heeft plaatsgevonden.

12. In deze zaak is in de woning van verzoekster binnengetreden. Op 15 maart 2005 heeft verzoekster hierover geklaagd bij de hoofdofficier van justitie en bij het regionale politiekorps Limburg Zuid. De Nationale ombudsman stelt vast dat geen van de in artikel 9:8 Awb neergelegde omstandigheden zich voordeed. Voorts overweegt de Nationale ombudsman dat de gestelde gedragingen verzoekster direct betroffen nu op 18 januari 2005 in haar woning is binnengetreden. Het standpunt van de minister dat de gedraging geen gedraging is in de zin van artikel 9:1 van de Awb is om die reden niet houdbaar. De Nationale ombudsman is van oordeel dat het binnentreden op 18 januari 2005 is aan te merken als een gedraging jegens verzoekster.

13. Wat betreft de klacht over de officier van justitie is de Nationale ombudsman van oordeel dat die klacht feitelijke grondslag mist. Gedurende het onderzoek is immers vast komen te staan dat de officier van justitie enkel het bevel tot aanhouding buiten heterdaad van de verdachte heeft gegeven. Gebleken is dat niet de officier van justitie maar de hulpofficier van justitie N. met het oog op die aanhouding schriftelijke machtigingen heeft afgegeven om zonder toestemming van verzoekster haar woning te betreden.

De klacht over de officier van justitie mist feitelijke grondslag.

14. Ten aanzien van het binnentreden door ambtenaren van het regionale politiekorps Limburg Zuid, overweegt de Nationale ombudsman als volgt.

Het huisrecht houdt voor bestuursorganen in dat zij buiten de bij of krachtens de wet bepaalde gevallen niet binnentreden in een woning tegen de wil van de bewoner. Artikel 12, eerste lid van de Grondwet bepaalt dat het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner alleen is geoorloofd in de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens de wet zijn aangewezen. Ook het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden en het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten bevatten bepalingen die het huisrecht beschermen (zie Achtergrond, onder 1., 2. en 3.).

15. Ingevolge artikel 55, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (verder Sv.) kan iedere opsporingsambtenaar ter aanhouding van een verdachte elke plaats betreden.

Echter, op grond van artikel 2, eerste lid Awbi is een schriftelijke machtiging vereist voor het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. De hulpofficier van justitie was bevoegd tot het geven van deze machtiging doch - behoudens het geval van dringende noodzakelijkheid - uitsluitend voor ten hoogste vier afzonderlijk te noemen woningen (zie Achtergrond, onder 6.4.).

16. Ten aanzien van het binnentreden op 18 februari 2005, overweegt de Nationale ombudsman het volgende. Het regionale politiekorps Limburg Zuid heeft het bevel gekregen van de officier van justitie om de broer van verzoekster, buiten heterdaad, aan te houden. De hulpofficier van justitie heeft een machtiging tot binnentreden afgegeven waarin de woning van verzoekster specifiek is aangeduid. Voorts is van belang dat de betrokken ambtenaren op 18 februari 2005 bij het binnentreden in het bezit waren van die machtiging. Zij hebben die ook aan verzoekster getoond. Al met al acht de Nationale ombudsman het binnentreden op 18 februari 2005 niet in strijd met het huisrecht van verzoekster.

De onderzochte gedraging is in zoverre behoorlijk.

17. De klacht dat ambtenaren van het regionale politiekorps Limburg Zuid de woning van verzoekster op 1 maart 2005 hebben binnengetreden, mist feitelijke grondslag nu gedurende het onderzoek is vast komen te staan dat op 1 maart 2005 verzoekster haar woning niet is binnengetreden.

18. Bij de beantwoording van de vraag of het binnentreden op 18 januari 2005 behoorlijk was, is het volgende van belang.

In dit geval stelt de korpsbeheerder zich op het standpunt dat op 18 januari 2005 geen gebruik is gemaakt van een door N. uitgeschreven machtiging. Verzoekster heeft, aldus de korpsbeheerder, op 18 januari 2005 aan de betrokken ambtenaren toestemming verleend om haar woning te betreden. De raadsman van verzoekster heeft opgemerkt dat verzoekster bij het openen van haar deur zich geconfronteerd zag met diverse geüniformeerde personen die vroegen of ze binnen mochten komen. De raadsman heeft verder aangegeven dat verzoekster vervolgens kreeg meegedeeld dat zij in het bezit waren van een machtiging. Onder deze omstandigheden heeft zij, aldus de raadsman, niet geprotesteerd.

19. Een politieambtenaar die met toestemming van de bewoner een woning wenst binnen te treden, vraagt voorafgaand aan het binnentreden diens toestemming. De toestemming kan uitdrukkelijk of stilzwijgend worden gegeven maar moet in elk geval expliciet aan de ambtenaar blijken. Afwezigheid van bezwaar tegen het binnentreden is niet voldoende. Positieve toestemming moet zijn gevraagd en moet blijken aan de ambtenaar die wenst binnen te treden. Soms verleent de bewoner zijn of haar toestemming stilzwijgend. Uit de gedraging van zijn of haar beslissing om de betrokken ambtenaar binnen te laten, kan die stilzwijgende toestemming worden ontleend. De ambtenaar treedt dan met toestemming van de bewoner binnen (zie Achtergrond, onder 7.1. en 8).

De ambtenaar moet zich voorafgaand aan het binnentreden legitimeren en mededeling doen van het doel van het binnentreden. Indien twee of meer personen voor hetzelfde doel in een woning binnentreden, rusten deze verplichtingen slechts op degene die bij het binnentreden de leiding heeft. Slechts in het geval van de in de wet genoemde uitzondering, hoeft aan de genoemde verplichtingen niet te worden voldaan (zie Achtergrond, onder 1.2. en 6.1).

20. N. heeft in het proces-verbaal van d.d. 31 mei 2005 verklaard een machtiging te hebben afgegeven ten behoeve van het binnentreden op 18 januari 2005 in verzoeksters woning. Verzoekster heeft verklaard dat haar werd meegedeeld dat de betrokken ambtenaren in het bezit waren van een machtiging. Verder heeft zij verklaard dat zij vanwege die machtiging toestemming voor het binnentreden heeft gegeven. Gezien al deze feiten en omstandigheden, bestaat er onvoldoende reden om aan te nemen dat de toestemming van verzoekster als niet gegeven moet worden beschouwd.

De onderzochte gedraging is op dit punt behoorlijk.

II. Ten aanzien van de klachtbehandeling door de hoofdofficier van justitie

Bevindingen

1. Verzoekster klaagt over de wijze waarop de hoofdofficier van justitie in Maastricht met haar klacht van 18 maart 2005 is omgegaan. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat niet kan worden gesproken van een klachtbehandeling.

2. In artikel 65, zesde lid, van de Politiewet, zoals dat toen luidde, was bepaald dat de burgemeester van de gemeente, waar de gedraging waarover wordt geklaagd heeft plaatsgevonden, alsmede de hoofdofficier van de regio, waarbinnen de gemeente is gelegen waar de bedoelde gedraging heeft plaatsgevonden, een afschrift ontvangen van de klacht en in de gelegenheid worden gesteld over de klacht advies uit te brengen (tenzij reeds naar tevredenheid van de klager aan diens klacht tegemoet is gekomen) (zie Achtergrond, onder 9 en 10).

3. De minister acht de klacht niet gegrond.

Volgens de minister heeft verzoekster haar klacht bij brief van 18 maart 2005 eerst ingediend bij de korpsbeheerder van het regionale politiekorps Limburg Zuid. Het regionale politiekorps Limburg Zuid heeft de klacht behandeld. De minister stelt zich derhalve op het standpunt dat de klacht geen gedraging van de hoofdofficier van justitie in Maastricht betreft. Onverlet het voorgaande, deelt de minister met betrekking tot de betrokkenheid van het Openbaar Ministerie het volgende mee. De korpsbeheerder heeft op grond van artikel 65, zesde lid, van de Politiewet 1993 advies ingewonnen bij de hoofdofficier van justitie in Maastricht. De hoofdofficier van justitie heeft vervolgens op 7 april 2005 de politie verzocht om nadere informatie met betrekking tot de klacht. Op 29 augustus 2005 werd een eerste reactie ontvangen. Hierop heeft het arrondissementsparket het regionale politiekorps op 27 september 2005 gevraagd om toezending van de processen-verbaal met daarin de CIE-informatie. Deze processen-verbaal werden in januari 2006 ontvangen. Op 19 januari 2006 heeft de hoofdofficier van justitie aan de korpsbeheerder advies gegeven. Dit advies kon door de korpsbeheerder worden betrokken in de afhandeling van de klacht. De minister hanteert het standpunt dat de klacht niet gegrond is nu het, aldus de minister, geen gedraging van de hoofdofficier van justitie betreft.

4. De korpsbeheerder heeft de Nationale ombudsman het volgende bericht.

Uit de brief van de hoofdofficier van justitie van 19 januari 2006 blijkt dat de raadsman van verzoekster op 29 maart 2005 een klacht heeft ingediend bij de hoofdofficier van justitie. Deze klacht is eveneens aan de korpsbeheerder gericht waarna de klachtencoördinator van het regionale politiekorps Limburg Zuid de klacht op 31 maart 2005 heeft geregistreerd en waarna hij de ontvangst daarvan heeft bevestigd. Uit de brief van de hoofdofficier van justitie d.d. 7 april 2005 blijkt, aldus de korpsbeheerder, dat de hoofdofficier van justitie de klacht in behandeling heeft genomen. De korpsbeheerder merkt verder op dat de hoofdofficier van justitie het korps in zijn brief van 7 april 2005 heeft verzocht om nadere inlichtingen en processen-verbaal. Het regionale politiekorps Limburg Zuid heeft de interne klachtbehandeling vervolgens geschorst in afwachting van het advies van de hoofdofficier van justitie.

5. De Nationale ombudsman stelt het volgende vast.

De raadsman van verzoekster heeft op 18 maart 2005 de klacht ingediend bij de korpsbeheerder. Bij brief van eveneens 18 maart 2005 heeft de raadsman aan de hoofdofficier van justitie in Maastricht geschreven de inhoud van zijn klachtbrief aan de korpsbeheerder te beschouwen als ook een die aan de hoofdofficier van justitie is gericht. Hij heeft de hoofdofficier van justitie toen ook verzocht om een onderzoek naar de mate waarin enig strafrechtelijk onderzoek jegens de betrokken ambtenaren wenselijk of noodzakelijk is. De hoofdofficier van justitie heeft naar aanleiding van de klachtbrief niet richting de raadsman/verzoekster gereageerd en heeft aan de korpsbeheerder op grond van artikel 65 van de Politiewet zijn advies uitgebracht.

Beoordeling

6. Het beginsel van fair play houdt voor bestuursorganen in dat zij burgers de mogelijkheid geven hun procedurele kansen te benutten. Dit houdt onder meer in dat een bestuursorgaan burgers niet een inhoudelijke behandeling van klachten mag ontnemen. Het bestuursorgaan dient de klacht in behandeling te nemen, tenzij één van de in artikel 9:8 van de Algemene wet bestuursrecht genoemde omstandigheden zich voordoet (zie Achtergrond, onder 11.3).

7. Vaststaat dat de hoofdofficier van justitie de door de raadsman namens verzoekster geschreven brief niet als klacht heeft behandeld.

8. In tegenstelling tot de minister is de Nationale ombudsman van oordeel dat de klacht een gedraging van de hoofdofficier van justitie in Maastricht betreft. De raadsman van verzoekster heeft de hoofdofficier van justitie immers op 18 maart 2005 geschreven dat de klacht ook aan de hoofdofficier van justitie is gericht. Gedurende het onderzoek is niet gebleken dat de hoofdofficier van justitie verzoekster naar aanleiding van de brief d.d. 18 maart 2005 een reactie heeft verstuurd. Dat de door verzoekster veronderstelde gedraging van de officier van justitie (het verlenen van een machtiging tot binnentreden) niet door deze was verricht, vormde geen reden om de klacht niet in behandeling te nemen. Het had wel een reden kunnen zijn om de klacht ongegrond te verklaren. De Nationale ombudsman is van oordeel dat door het niet in behandeling nemen van verzoekster haar klacht de hoofdofficier van justitie in strijd heeft gehandeld met het beginsel van fair play.

De onderzochte gedraging is op dit punt niet behoorlijk.

9. De Nationale ombudsman ziet naar aanleiding van de klacht van verzoekster aanleiding om verder stil te staan bij de wijze waarop de hoofdofficier van justitie en het regionale politiekorps Limburg Zuid vorm hebben gegeven aan de interne klachtbehandeling. In het bijzonder vraagt de Nationale ombudsman hier aandacht voor het beginsel van hoor en wederhoor en de wijze waarop verzoekster na de behandeling van haar klacht is doorverwezen.

10. Wat betreft het beginsel van hoor en wederhoor, merkt de Nationale ombudsman het volgende op.

Het is aangewezen om (in beginsel) hoor en wederhoor toe te passen (zie Achtergrond, onder 11.4). Dit beginsel houdt in dat elk van de bij de klacht betrokken partijen de gelegenheid krijgt zijn standpunt naar voren te brengen, en dat vervolgens elke partij de mogelijkheid wordt geboden om te reageren op hetgeen de andere partij over de klacht naar voren heeft gebracht. Er kan van worden afgeweken als de zienswijze van de persoon op wie de gedraging betrekking heeft over de feitelijke toedracht van de gedraging geheel aansluit bij hetgeen de klager hierover naar voren heeft gebracht in de klacht. Het is de Nationale ombudsman niet gebleken dat bij de behandeling van verzoeksters klacht op enigerlei wijze invulling is gegeven aan dit beginsel.

11. Ten aanzien van de wijze waarop verzoekster is doorverwezen, staat de Nationale ombudsman hier wederom stil bij het beginsel van fair play. Dit beginsel houdt voor bestuursorganen in dat zij burgers de mogelijkheid geven hun procedurele kansen te benutten. Het beginsel is onder meer neergelegd in artikel 9:12, tweede lid, van de Awb, waarin is opgenomen dat de klager moet worden gewezen op een eventuele externe klachtvoorziening, zoals de Nationale ombudsman (zie Achtergrond, onder 11.5). Het artikel legt bestuursorganen zonder uitzondering deze plicht op. De brief van 9 februari 2006 geeft op onvoldoende wijze invulling aan het beginsel van fair play. Het regionale politiekorps Limburg Zuid had verzoekster moeten verwijzen naar de Nationale ombudsman als externe klachtinstantie.

III. Ten aanzien van de bejegening tijdens het binnentreden

Bevindingen

1. Verzoekster klaagt er ook over dat betrokken ambtenaar P. op 18 februari 2005 de opmerking "als u zorgt dat wij uw broer vinden, dan vallen wij u niet meer lastig" heeft gemaakt of woorden van gelijke strekking.

2. De korpsbeheerder acht de klacht niet gegrond. Hij acht deze geplaatste opmerking door betrokken ambtenaar P, gelet op de context waarin deze geplaatst werd, zakelijk en professioneel.

3. Gedurende het intern onderzoek door de korpsbeheerder en de hoofdofficier van justitie naar aanleiding van verzoeksters klacht, hebben de betrokken ambtenaren P., S. en L. een proces-verbaal d.d. 24 mei 2005 opgesteld. In dit proces-verbaal is onder meer het volgende weergegeven.

"Telefonisch gesprek met verdachte (…)

Tijdens onze aanwezigheid in woning Y5 belde verdachte (…) in op een gsm. Hij raakte in gesprek met (de halfbroer van verdachte; N.o.) die aan (de verdachte; N.o.) verzocht zich te gaan melden bij de politie. Hierna gaf (de halfbroer; N.o.) de telefoon over aan mij S. Ik, S., sprak met (de verdachte; N.o.) en deelde hem mede dat hij zou worden aangehouden en de politie naar hem op zoek was.

Uitlatingen brigadier P.

Gelet op de gespannen situatie op 18 februari 2005 hebben wij, (verzoekster; N.o.), getracht uit te leggen dat het uiteraard erg vervelend was dat de politie nu voor de tweede keer aan de deur stond. Verder hebben wij uitgelegd dat er telefonisch contact geweest was tussen de politie en haar broer (…) en dat hem was verzocht en met hem was afgesproken zich te komen melden bij de politie maar dat hij hieraan geen gevolg had gegeven.

Ik, P., heb (verzoekster; N.o.) geadviseerd om contact te leggen met haar broer zodat deze met ons contact kon opnemen. Verder heb ik haar verteld dat, hoe vervelend ook, niet uit te sluiten viel, dat wanneer er wederom informatie bekend zou worden dat haar broer zich in haar woning zou bevinden, de politie haar woning weer zou kunnen bezoeken. Haar werd door mij geadviseerd bij het contact met haar broer (…) hem te verzoeken zich te melden bij de politie."

4. Gedurende het onderzoek heeft verzoekster haar stelling gehandhaafd dat betrokken ambtenaar P. jegens haar de zin "Als u zorgt dat we uw broer vinden, dan vallen wij u niet lastig" heeft geuit. De raadsman heeft de Nationale ombudsman aangegeven dat de opmerking in het hierboven weergegeven proces-verbaal van 24 mei 2005 erg dicht in de buurt komt bij de opmerking die verzoekster heeft beschreven. Een advies om haar broer te vragen contact op te nemen met de politie, direct gevolgd door de opmerking dat niet valt uit te sluiten dat de politie nog vaker bij haar langskomt, valt aldus de raadsman, moeilijk anders uit te leggen dan als een dreigement dat de politie nog wel vaker langs zal komen als verzoekster er niet voor zorgt dat haar broer zich bij de politie meldt. De raadsman kenschetst de geuite opmerking, in tegenstelling tot de korpsbeheerder, derhalve niet als zakelijk en professioneel.

Beoordeling

5. Het verbod van vooringenomenheid houdt in dat bestuursorganen zich actief opstellen om iedere vorm van een vooropgezette mening of de schijn van partijdigheid te vermijden.

6. Door verzoekster te laten weten dat de binnentreding van 18 februari 2005 niet de laatste zou kunnen zijn in het geval haar broer zich niet zou melden, heeft ambtenaar P. de indruk gewekt er bij voorbaat van uit te gaan gegronde redenen te hebben voor toekomstige binnentredingen in haar woning. Door het plaatsen van een dergelijke opmerking kan de indruk van vooringenomenheid ontstaan. De politie dient dit te voorkomen. Gezien de aard van de taak van de politie in een geval als dit, is de opmerking echter niet zo onjuist dat deze als niet behoorlijk moet worden aangemerkt.

De onderzochte gedraging is behoorlijk.

IV. Ten aanzien van de bejegening van de kinderen

Bevindingen

1. Tot slot klaagt verzoekster erover dat haar kinderen van zeven en veertien jaar uit hun bed werden gesommeerd omdat er onder hun matrassen moest worden gezocht.

2. De korpsbeheerder acht de klacht niet gegrond. Hij geeft aan dat niet is gebleken dat een betrokken ambtenaar op 18 februari 2005 tijdens het zoeken naar de verdachte in de woning van verzoekster, haar minderjarige kinderen heeft gesommeerd uit hun bed te komen omdat er onder hun matrassen moest worden gezocht. De korpsbeheerder baseert zijn standpunt op de verklaring van P. d.d. 19 april 2006.

3. Deze verklaring houdt onder meer het volgende in.

Nadat hij de woning tegen de wil van verzoekster is binnengetreden, is hij naar de bovenverdieping gegaan. P. kan zich niet meer herinneren of hij onder de matrassen heeft gekeken. P. geeft ook aan dat geen enkel kind is gesommeerd dingen te doen of te laten doen teneinde de aanhouding van de verdachte te verrichten. Voor zover P. zich kan herinneren waren er op de bovenverdieping geen kinderen aanwezig. Verzoekster of een man genaamd A. bevonden zich toen op de bovenverdieping.

Beoordeling

4. In deze zaak lopen de lezingen van verzoekster en van betrokken ambtenaar P. uiteen. Volgens verzoekster heeft betrokken ambtenaar P. haar kinderen van zeven en veertien jaar uit hun bed gesommeerd omdat er onder hun matrassen moest worden gezocht. De betrokken ambtenaar ontkent dit. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de ene lezing aannemelijker maken dan de andere.

Om die reden onthoudt de Nationale ombudsman zich op dit punt van een oordeel over de onderzochte gedraging.

Wel merkt de Nationale ombudsman hierbij op dat de politieambtenaar niet bevoegd was ter aanhouding de woning te doorzoeken nu een machtiging daartoe van de officier van justitie als bedoeld in artikel 55a, tweede lid, Sv. ontbrak (zie Achtergrond, onder 5.2.).

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van de officier van justitie ten aanzien van het binnentreden is niet gegrond.

De klacht over de onderzochte gedraging van de hoofdofficier van justitie ten aanzien van de klachtbehandeling is gegrond, wegens strijd met het beginsel van fair play.

De klacht over de onderzochte gedraging van regionale politiekorps Limburg Zuid, is

niet gegrond ten aanzien van:

- het binnentreden op 18 januari 2005, 18 februari 2005 en 1 maart 2005;

- de opmerking van de betrokken ambtenaar.

De Nationale ombudsman onthoudt zich van een oordeel over de gedraging van het regionale politiekorps Limburg Zuid ten aanzien van de bejegening van de kinderen.

Onderzoek

Op 9 maart 2006 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van mevrouw L te Maastricht, ingediend door de heer mr. S.T. van Berge Henegouwen, advocaat te Maastricht, met een klacht over een gedraging van de (hoofd)officier van justitie in Maastricht en het regionale politiekorps Limburg Zuid.

Naar deze gedragingen, die wordt aangemerkt als een gedraging van de minister van Justitie en een gedraging van de beheerder van het regionale politiekorps Limburg Zuid, werd een onderzoek ingesteld.

In het kader van het onderzoek werd de minister van Justitie en de korpsbeheerder verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben.

Tijdens het onderzoek kregen de minister van Justitie, de korpsbeheerder en verzoekster de gelegenheid op de door ieder van hen verstrekte inlichtingen te reageren. Tevens werd de minister specifieke vragen gesteld.

Daarnaast werd de bij de klacht betrokken personen de gelegenheid geboden om commentaar op de klacht te geven. Een betrokken ambtenaar maakte van deze gelegenheid gebruik.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen.

De korpsbeheerder en betrokken ambtenaar N. deelden mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen.

De reactie van de minister van Justitie gaf geen aanleiding het verslag op een enkel punt te wijzigen of aan te vullen.

Verzoekster gaf binnen de gestelde termijn geen reactie.

Informatieoverzicht

De bevindingen van het onderzoek zijn gebaseerd op de volgende informatie:

1. Verzoekschrift van 8 maart 2006, met als bijlagen:

de brief d.d. 18 maart 2005 aan de hoofdofficier van justitie in Maastricht;

de brief van 18 maart 2005 aan de korpsbeheerder;

de brief d.d. 9 februari 2006 van het regionale politiekorps Limburg Zuid met als bijlage de brief d.d. 19 januari 2006 van de hoofdofficier van justitie in Maastricht.

2. Reactie betrokken ambtenaar P. van 28 april 2006.

3. Nadere toelichting d.d. 11 mei 2006 op het verzoekschrift van 8 maart 2006, met als bijlagen:

de brief van de raadsman van 21 februari 2006;

de brief van het regionale politiekorps Limburg Zuid van 21 maart 2006;

de brief van de raadsman van 30 maart 2006;

de brief van de hoofdofficier van justitie van 19 april 2006;

de brief van de raadsman van 24 april 2006;

de brief van de korpschef van 5 mei 2006.

4. Standpunt van de korpsbeheerder van 17 mei 2006, met onder andere als bijlagen:

een kopie van het proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 mei 2005 van betrokken ambtenaar P., S. en L.;

een kopie van een machtiging tot binnentreden d.d. 17 februari 2005;

een kopie van het verslag van binnentreden;

een kopie van een verklaring van P. d.d. 19 april 2006.

5. Standpunt van de minister van Justitie van 18 mei 2006 met als bijlage het proces-verbaal van 24 mei 2005.

6. Brief van de raadsman van verzoekster van 10 mei 2007.

7. Reactie van de minister van Justitie van 19 september 2007.

Bevindingen

Zie onder Beoordeling.

Achtergrond

1. Grondwet

1.1. Artikel 10

"Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer."

1.2. Artikel 12

"1. Het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens de wet zijn aangewezen.

2. Voor het binnentreden overeenkomstig het eerste lid zijn voorafgaande legitimatie en mededeling van het doel van het binnentreden vereist, behoudens bij de wet gestelde uitzonderingen.

3. Aan de bewoner wordt zo spoedig mogelijk een schriftelijk verslag van het binnentreden verstrekt. Indien het binnentreden in het belang van de nationale veiligheid of dat van de strafvordering heeft plaatsgevonden, kan volgens bij de wet te stellen regels de verstrekking van het verslag worden uitgesteld. In de bij de wet te bepalen gevallen kan de verstrekking achterwege worden gelaten, indien het belang van de nationale veiligheid zich tegen verstrekking blijvend verzet."

2. Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)

Artikel 8

"1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie."

3. Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten

Artikel 17

"1. Niemand mag worden onderworpen aan willekeurige of onwettige inmenging in zijn privé leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling, noch aan onwettige aantasting van zijn eer en goede naam.

2. Een ieder heeft recht op bescherming door de wet tegen zodanige inmenging of aantasting."

4. Wetboek van Strafrecht

Artikel 312, eerste lid

"Met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren."

5. Wetboek van Strafvordering

5.1. Artikel 55, tweede lid

"Zowel in geval van ontdekking op heterdaad als buiten dat geval kan iedere opsporingsambtenaar, ter aanhouding van de verdachte, elke plaats betreden."

5.2. Artikel 55a

"1. In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, kan iedere opsporingsambtenaar ter aanhouding van de verdachte elke plaats doorzoeken. Hij behoeft daartoe de machtiging van de officier van justitie, behoudens het geval van dringende noodzakelijkheid. In het laatste geval wordt de officier van justitie onverwijld van de doorzoeking op de hoogte gesteld.

2. Indien de officier van justitie aan een opsporingsambtenaar een machtiging heeft verleend ter aanhouding van de verdachte een woning zonder toestemming van de bewoner te doorzoeken, is voor het binnentreden in die woning door de betrokken opsporingsambtenaar geen machtiging als bedoeld in artikel 2 van de Algemene wet op het binnentreden vereist."

6. Algemene wet op het binnentreden (Awbi)

6.1. Artikel 1, eerste en vierde lid

"1. Degene die bij of krachtens de wet belast is met de opsporing van strafbare feiten of enig ander onderzoek, met de uitvoering van een wettelijk voorschrift of met het toezicht op de naleving daarvan, dan wel een bevoegdheid tot vrijheidsbeneming uitoefent, en uit dien hoofde in een woning binnentreedt, is verplicht zich voorafgaand te legitimeren en mededeling te doen van het doel van het binnentreden. Indien twee of meer personen voor hetzelfde doel in een woning binnentreden, rusten deze verplichtingen slechts op degene die bij het binnentreden de leiding heeft.

(…)

4. De persoon, bedoeld in het eerste lid, die met toestemming van de bewoner wenst binnen te treden, vraagt voorafgaand aan het binnentreden diens toestemming. De toestemming moet blijken aan degene die wenst binnen te treden."

6.2. Artikel 2

"1. Voor het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is een schriftelijke machtiging vereist, tenzij en voor zover bij wet aan rechters, rechterlijke colleges, leden van het openbaar ministerie, burgemeesters, gerechtsdeurwaarders en belastingdeurwaarders de bevoegdheid is toegekend tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. De machtiging wordt zo mogelijk getoond.

2. Onze Minister van Justitie stelt het model van deze machtiging vast.

3. Een schriftelijke machtiging als bedoeld in het eerste lid is niet vereist, indien ter voorkoming of bestrijding van ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of goederen terstond in de woning moet worden binnengetreden."

6.3. Artikel 3, eerste en derde lid

"1. Bevoegd tot het geven van een machtiging tot binnentreden zijn:

a. de advocaat-generaal bij het gerechtshof;

b. de officier van justitie;

c. de hulpofficier van justitie.

(…)

3. Degene die bevoegd is een machtiging te geven, gaat daartoe slechts over, indien het doel waartoe wordt binnengetreden het binnentreden zonder toestemming van de bewoner redelijkerwijs vereist."

6.4. Artikel 5 (geldend op 17 februari 2005)

"1. De machtiging wordt gegeven voor het binnentreden in één in de machtiging te noemen woning. Zo nodig kan in de machtiging worden bepaald dat zij tevens geldt voor ten hoogste drie andere afzonderlijk te noemen woningen.

2. Ten behoeve van de opsporing van misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, is de advocaat-generaal bij het gerechtshof of de officier van justitie bevoegd een machtiging te geven die betrekking heeft op een groter aantal woningen. Bij dringende noodzakelijkheid en indien het optreden van de advocaat-generaal of de officier van justitie niet kan worden afgewacht, komt de bevoegdheid tot het geven van een machtiging toe aan de hulpofficier van Justitie.

3. Ten behoeve van de aanhouding, de medebrenging of de gevangenneming van een in de machtiging te noemen of, wanneer zijn naam onbekend is, zo duidelijk mogelijk aan te wijzen persoon onderscheidenlijk van de inbeslagneming van een in de machtiging te noemen of, wanneer dat niet mogelijk is, zo duidelijk mogelijk te omschrijven goed is de advocaat-generaal bij het gerechtshof of de officier van justitie bevoegd een machtiging te geven die geldt voor iedere woning waarin bedoelde persoon onderscheidenlijk bedoeld goed zich bevindt of verondersteld wordt zich te bevinden. Bij dringende noodzakelijkheid en indien het optreden van de advocaat-generaal of de officier van justitie niet kan worden afgewacht, komt de bevoegdheid tot het geven van een machtiging toe aan de hulpofficier van justitie."

7. De toelichting bij de Algemene wet op het binnentreden in "Strafvordering Tekst en Commentaar" luidt onder meer:

7.1. Toelichting 5f bij artikel 1 Awbi

"De toestemming kan uitdrukkelijk of stilzwijgend worden verleend maar moet in elk geval expliciet aan de ambtenaar blijken. Hem wordt dus (…) een plicht opgelegd: hij moet nagaan of hij uit de bewoordingen of gedragingen kan concluderen dat hem toestemming wordt verleend. Alleen dan is die toestemming hem gebleken. Deze conclusie is voor toetsing achteraf vatbaar."

7.2. De toelichting bij artikel 5 Awbi

"Het artikel bepaalt allereerst dat de woning of woningen waarop de machtiging betrekking heeft, daarin worden aangeduid. Het artikel beperkt vervolgens ook het aantal woningen (niet: percelen of gebouwen) waarop de machtiging betrekking kan hebben. Het uitgangspunt van de wetgever is geweest dat daar waar mogelijk wordt volstaan met één machtiging voor één daarin aangeduide woning."

8. Stapel en De Koning, Handboek voor de politie, Algemeen wetgeving,

bespreking van de Algemene wet op het binnentreden, bladzijde 4 en 5

"5.4 Toestemming

(...)

De ambtenaar die wenst binnen te treden in een woning, dient voorafgaand aan het binnentreden toestemming te vragen. Met de (Awbi; N.o.) is het begrip 'met toestemming' ingevoerd. Voordien hanteerde men het begrip: 'tegen de wil van de bewoner'. In de praktijk werd dit begrip uitgelegd als: het ontbreken van een expliciete weigering.

(…)

Het voorgaande veroorzaakte de nodige onzekerheid over de vraag of al dan niet rechtmatig was binnengetreden. De rechterlijke beoordeling van het politieoptreden vindt immers altijd achteraf plaats en het kan zijn dat de bewoner wel bezwaar had tegen het binnentreden, maar als gevolg van onbekendheid met zijn rechten of een andere omstandigheid heeft nagelaten uitdrukkelijk de toegang te weigeren.

Dit was voor beide partijen bezwaarlijk: de bewoner bleef wellicht verstoken van zijn grondwettelijke rechten en de opsporingsambtenaar liep het risico dat het binnentreden door de rechter achteraf als onrechtmatig zou worden beschouwd (…).

Het begrip 'zonder toestemming' is in de wet opgenomen om aan deze onzekerheid een eind te maken. De ambtenaar die wenst binnen te treden in de woning, dient als regel aan de bewoner toestemming te vragen om in diens woning te mogen binnentreden. De bewoner zal zijn toestemming meestal uitdrukkelijk geven.

Soms zal de bewoner zijn toestemming stilzwijgend geven. Dat blijkt uit de gedraging van zijn beslissing om de ambtenaar binnen te laten. Ook dan treedt de ambtenaar met toestemming van de bewoner binnen. Het gaat erom dat de toestemming van de bewoner een voor de ambtenaar kenbare uiting moet zijn van zijn vrijelijk genomen beslissing om de ambtenaar binnen te laten. "

9. Politiewet 1993 (geldend op 18 maart 2005)

9.1. Artikel 2

"De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegde gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven."

9.2. Artikel 65, zesde lid

"Tenzij reeds naar tevredenheid van de klager aan diens klacht tegemoet is gekomen, wordt van de klacht onverwijld na de ontvangst ervan, afschrift gezonden aan de burgemeester van de gemeente waar de gedraging waarover wordt geklaagd, heeft plaatsgevonden, alsmede aan de hoofdofficier van justitie van de regio binnen welke de gemeente is gelegen waar de gedraging waarover wordt geklaagd, heeft plaatsgevonden. De burgemeester en de hoofdofficier van justitie worden in de gelegenheid gesteld over de klacht advies uit te brengen."

10. Wijziging van de Politiewet 1993 in verband met de aanpassing van de politieklachtregeling aan hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht (Tweede Kamer, vergaderjaar 2001-2002, 27 731, nr 5, pagina 17 en 18)

"Adviestaak burgemeester en hoofdofficier van justitie (artikel 65, zesde lid)

Op de daartoe strekkende vraag van de leden van de PvdA-fractie antwoorden wij dat het niet juist zou zijn om van de aangifte van een strafbaar feit gepleegd door een politieambtenaar welke door een burger is ingediend bij de hoofdofficier, automatisch, een afschrift te sturen aan de klachtadviescommissie. Het is immers nog altijd de burger zelf die beslist of hij een klacht over de politie wil indienen bij de korpsbeheerder. De korpsbeheerder is ingevolge artikel 9:8 Awb niet verplicht een klacht te behandelen over een gedraging terzake waarvan een opsporingsonderzoek of een vervolging gaande is. Het zou derhalve ook niet zinvol zijn van de aangifte van een strafbaar feit gepleegd door een politieambtenaar steeds automatisch afschrift te sturen aan de klachtadviescommissie. De korpsbeheerder zal overigens zonder meer wetenschap hebben van een strafrechtelijk onderzoek naar een ambtenaar binnen zijn korps. Wanneer de officier van justitie afziet van strafrechtelijke vervolging zal hij de aangever van zijn besluit in kennis stellen. Daarbij kan hij de burger wijzen op de mogelijkheid een klacht in te dienen over de betreffende politieambtenaar. Het lijkt ons, als gezegd, principieel onjuist wanneer de officier van justitie in dit geval automatisch de aangifte als klacht aanmerkt en ter behandeling doorstuurt naar de korpsbeheerder, zonder zich ervan te vergewissen of de burger daadwerkelijk een klacht wil indienen.

De leden van de PvdA-fractie hebben ons voorts gevraagd hoe lang de hoofdofficier van justitie zich kan buigen over zijn advies over de klacht en of de commissie de bevoegdheid krijgt om hem, na bijvoorbeeld zes weken, tot spoed te manen of in gebreke te stellen.

De korpsbeheerder is verantwoordelijk voor afdoening van de klacht binnen de daarvoor in artikel 66 van het wetsvoorstel gestelde termijnen. De hoofdofficier van justitie wordt in de gelegenheid gesteld over de klacht advies uit te brengen. De zorgvuldigheid gebiedt de korpsbeheerder terdege rekening te houden met een uitgebracht advies. Dit gaat echter niet zover dat de korpsbeheerder een eventueel advies van de hoofdofficier

van justitie dient af te wachten, ook wanneer hierdoor de wettelijk voorgeschreven maximale behandeltermijn wordt overschreden. Overeenkomstig artikel 3:6, eerste lid, van de Awb, kan de korpsbeheerder aangeven binnen welke termijn een advies wordt verwacht. In deze voor de politie specifieke situatie heeft de korpsbeheerder bijvoorbeeld de mogelijkheid een termijn van twee weken te stellen waarbinnen aangegeven dient te worden of advies wordt uitgebracht, en, indien de gezagsdrager inderdaad voornemens is advies uit te brengen, een termijn van nog eens twee weken om hem daartoe daadwerkelijk in de gelegenheid te stellen. Artikel 3:6, tweede lid van de Awb bepaalt vervolgens dat indien het advies niet tijdig wordt uitgebracht, het enkele ontbreken daarvan niet in de weg staat aan het nemen van het besluit. Het staat de commissie of de korpsbeheerder, al dan niet op verzoek van de commissie, natuurlijk vrij bij het OM te informeren naar de stand van zaken en de officier van justitie te wijzen op het mogelijke verstrijken van de behandeltermijn.

Zolang de officier niet heeft besloten tot het instellen van een opsporingsonderzoek of vervolging, staat aan voortgaande behandeling van de klacht door de commissie of de korpsbeheerder niets in de weg. Het spreekt voor zich dat een goede afstemming tussen het openbaar ministerie en het korps is geboden. Van de hoofdofficier van justitie mag verwacht worden dat hij zijn zienswijze zo spoedig mogelijk aan de korpsbeheerder bekend zal maken. Indien om enige reden de hoofdofficier van justitie niet op tijd een advies uitbrengt kan de korpsbeheerder ook besluiten de afhandeling van de klacht voor ten hoogste vier weken te verdagen. Van de verdaging wordt ingevolge artikel 9:11, tweede lid Awb schriftelijk mededeling gedaan aan de klager en degene op wiens gedraging de klacht betrekking heeft. Indien het advies dan nog altijd op zich laat wachten zal de korpsbeheerder een afweging moeten maken tussen enerzijds het belang van het advies van de hoofdofficier en anderzijds de termijnoverschrijding."

11. Algemene wet bestuursrecht

11.1. Artikel 9:2

"Het bestuursorgaan draagt zorg voor een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over zijn gedragingen en over gedragingen van bestuursorganen die onder zijn verantwoordelijkheid werkzaam zijn."

11.2. Artikel 9:4

"1. Indien een schriftelijke klacht betrekking heeft op een gedraging jegens de klager en voldoet aan de vereisten van het tweede lid, zijn de artikelen 9:5 tot en met 9:12 van toepassing.

2. Het klaagschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de gedraging waartegen de klacht is gericht.

3. Artikel 6:5, derde lid, is van overeenkomstige toepassing."

11.3. Artikel 9:8

"1. Het bestuursorgaan is niet verplicht de klacht te behandelen indien zij betrekking heeft op een gedraging:

a. waarover reeds eerder een klacht is ingediend die met inachtneming van de artikelen 9:4 en volgende is behandeld;

b. die langer dan een jaar voor indiening van de klacht heeft plaatsgevonden;

c. waartegen door de klager bezwaar gemaakt had kunnen worden,

d. waartegen door de klager beroep kan worden ingesteld, tenzij die gedraging bestaat uit het niet tijdig nemen van een besluit, of beroep kon worden ingesteld;

e. die door het instellen van een procedure aan het oordeel van een andere rechterlijke instantie dan een administratieve rechter onderworpen is, dan wel onderworpen is geweest of,

f. zolang terzake daarvan een opsporingsonderzoek op bevel van de officier van justitie of een vervolging gaande is, dan wel indien de gedraging deel uitmaakt van de opsporing of vervolging van een strafbaar feit en terzake van dat feit een opsporingsonderzoek op bevel van de officier van justitie of een vervolging gaande is.

2. Het bestuursorgaan is niet verplicht de klacht te behandelen indien het belang van de klager dan wel het gewicht van de gedraging kennelijk onvoldoende is.

3. Van het niet in behandeling nemen van de klacht wordt de klager zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van het klaagschrift schriftelijk in kennis gesteld. Artikel 9:12, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing."

11.4. Artikel 9:10

"1. Het bestuursorgaan stelt de klager en degene op wiens gedraging de klacht betrekking heeft, in de gelegenheid te worden gehoord.

2. Van het horen van de klager kan worden afgezien indien de klacht kennelijk ongegrond is dan wel indien de klager heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord.

3. Van het horen wordt een verslag gemaakt."

11.5. Artikel 9:12

"1. Het bestuursorgaan stelt de klager schriftelijk en gemotiveerd in kennis van de bevindingen van het onderzoek naar de klacht, zijn oordeel daarover alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.

2. Bij de kennisgeving wordt vermeld bij welke ombudsman en binnen welke termijn de klager vervolgens een verzoekschrift kan indienen."


Zoek in rapporten

Formaat: 2011/049

Rapport tekst

Text Size

Printervriendelijke versie
Lees voor