2005/294

Rapport

In het kader van het project Geluidsisolatie Schiphol fase 2 nam de minister van Verkeer en Waterstaat op 10 augustus 2000 ten aanzien van verzoekers woning het besluit tot het aanbrengen van geluidwerende voorzieningen. Blijkens de garantieverklaring van de aannemer die het werk had uitgevoerd gold voor hang- en sluitwerk een garantietermijn van een jaar na oplevering. Toen buiten deze garantietermijn in juni 2004 zich voor de derde keer problemen voordeden met het hang- en sluitwerk van een aluminium raam, nam verzoeker deze kosten zelf zijn rekening en vroeg hij Rijkswaterstaat om een vergoeding. Rijkswaterstaat wees het verzoek af omdat het Rijk na het verstrijken van de onderhoudstermijn niet meer aansprakelijk was. Verzoeker werd erop gewezen dat hij overeenkomstig de garantiebepalingen de aannemer aansprakelijk kon stellen. Deze wees de aansprakelijkheid af omdat de garantietermijn was verstreken en verzoeker de melding niet overeenkomstig de garantiebepalingen had gedaan.

Verzoeker klaagde over de afwijzing van zijn verzoek om schadevergoeding door Rijkswaterstaat.

Naar vast beleid toetst de Nationale ombudsman de afwijzing van een schadeclaim terughoudend. Indien de gronden en de overwegingen waarop de betwisting van de aansprakelijkheid berust, zo evident onjuist zijn dat het bestuursorgaan in redelijkheid niet tot zijn beslissing had kunnen komen, is er strijd met het redelijkheidsvereiste.

Wat betreft de gehoudenheid tot schadevergoeding overwoog Rijkswaterstaat dat uit het besluit tot aanbrenging van geluidwerende voorzieningen al volgde dat het Rijk in dit geval niet aansprakelijk was. Gelet op de terughoudende toetsing door de Nationale ombudsman moest worden geoordeeld dat in dit geval de gronden en de overwegingen waarop de betwisting van de aansprakelijkheid berust niet zo evident onjuist waren, dat Rijks­waterstaat in redelijkheid niet tot zijn beslissing had kunnen komen. De beslissing van Rijkswaterstaat om de aansprakelijkheid voor de schade aan verzoeksters woning af te wijzen, was dan ook niet genomen in strijd met het redelijkheidsvereiste.

Uit het onderzoek kwam naar voren dat volgens Rijkswaterstaat de garantietermijn die de aannemer op hang- en sluitwerk gaf niet een jaar, maar vijf jaar moest zijn. Met instemming nam de Nationale ombudsman kennis van het feit dat Rijkswaterstaat stappen onderneemt om aannemers aan te spreken op onvoorwaarde­lijke nakoming van de garantiebepalingen. Voor verzoeker betekende dit dat hij zich met zijn klacht opnieuw tot de aannemer kon wenden die in dit geval de klacht niet mocht afwijzen met als reden dat de garantieperiode inmiddels was verstreken.

Instantie: Rijkswaterstaat

Klacht:

Verzoek om vergoeding van kosten voor herstel van hang- en sluitwerk van een geluidwerende voorziening in het kader van het project Geluidsisolatie Schiphol fase 2 afgewezen.

Oordeel:

Niet gegrond