2005/230

Rapport

De gemachtigde van verzoekers verzocht op 19 augustus 2003 de Belastingdienst om de aan hen opgelegde en onherroepelijk vaststaande aanslag successierecht ambtshalve te verminderen. Op 12 en 18 maart 2004 vond telefonisch overleg plaats tussen de gemachtigde en de Belastingdienst/Rijnmond. Bij beschikking van 4 mei 2004 kwam de Belastingdienst aan het verzoek tegemoet. De beschikking vermeldde echter een onjuist bedrag. Op 12 oktober 2004 gaf de Belastingdienst een gecorrigeerde beschikking af. Het bedrag van de vermindering werd kort na 12 oktober 2004 aan verzoekers uitbetaald.

Verzoekers vroegen de Belastingdienst om een rentevergoeding in verband met de lange behandelingsduur van het verzoek. De Belastingdienst kende uitsluitend een rentevergoeding toe over de periode van 4 mei 2004 tot het moment van uitbetalen. Voor het overige wees de Belastingdienst het verzoek om rentevergoeding af.

Verzoekers klaagden erover dat de Belastingdienst niet bereid was hun een rentevergoeding te betalen over de periode van 19 augustus 2003 tot 4 mei 2004.

De Nationale ombudsman overwoog dat de staatssecretaris van Financiën in het Voorschrift Algemene wet bestuursrecht nadere regels heeft gegeven voor de afgiftetermijn van een beschikking op aanvraag door de Belastingdienst. Op grond van deze regels had de Belastingdienst binnen een termijn van maximaal acht weken op het verzoek moeten beslissen tenzij bijzondere omstandigheden een langere termijn zouden rechtvaardigen. Naar het oordeel van de Nationale ombudsman waren de door de Belastingdienst aangevoerde omstandigheden geen bijzondere omstandigheden die een langere termijn rechtvaardigden. Nu de werkelijke behandeling een periode van ruim acht maanden had geduurd, had de Belastingdienst daarin aanleiding moeten zien tot het toekennen van een rentevergoeding.

De Nationale ombudsman oordeelde dat de Belastingdienst het redelijkheidsvereiste had geschonden door geen rente te vergoeden over de periode van 19 augustus 2003 tot 4 mei 2004 voor zover deze de maximale behandelingsduur van acht weken overschreed. De Nationale ombudsman achtte de klacht gegrond.

De Nationale ombudsman deed de aanbeveling over de betrokken periode alsnog een rentevergoeding toe te kennen. De aanbeveling is opgevolgd.

Instantie: Belastingdienst/Holland Noord/kantoor Zaandam

Klacht:

Geweigerd rentevegoeding te betalen in verband met lange behandelingsduur verzoek vermindering aanslag successierecht.

Oordeel:

Gegrond