2003/366

Rapport

1. Verzoeker, een autobedrijf, klaagt erover dat een medewerker van de Dienst Wegverkeer (RDW) op 5 oktober 2001 onaangekondigd een bezoek heeft gebracht aan het autobedrijf in het kader van het uitoefenen van toezicht op de naleving van de uit de erkenning algemene periodieke keuring en erkenning bedrijfsvoorraad voortvloeiende verplichtingen.

2. Verzoeker klaagt er verder over dat de RDW zijn verzoek om een andere RDW-functionaris dan degene die op 5 oktober 2001 een bedrijfsbezoek heeft afgelegd, de herschouwingen in het autobedrijf te laten uitvoeren, niet heeft ingewilligd.

3. Verzoeker klaagt er ten slotte over dat zijn brieven van 13 maart 2002, gericht aan verschillende medewerkers van de RDW, zijn beantwoord met één brief door een medewerker die niet was aangeschreven.

Beoordeling

I. Ten aanzien van het onaangekondigd uitvoeren van herschouwingen

1. Op 5 oktober 2001 verrichtte de heer H., werkzaam als bedrijfsinspecteur bij de Dienst Wegverkeer (RDW) regio Noord, bij verzoeker, een autobedrijf, een herschouwing ter controle van de naleving van erkenningseisen en de voorschriften, zoals die in de Erkenningsregeling APK zijn opgenomen. De RDW had deze herschouwing niet van tevoren aangekondigd bij verzoeker. Tijdens deze herschouwing constateerde H. dat de keurmeester zijn pincode vast in de computer had opgeslagen, waardoor het voor anderen dan de keurmeester in theorie mogelijk werd gemaakt een auto na een algemene periodieke keuring af te melden bij de RDW. Dit is in strijd met artikel 40, tweede lid, en artikel 44, derde lid, onder a, van de Erkenningsregeling APK (zie achtergrond, onder 2.).

Aan de keurmeester werd een sanctie opgelegd.

2. Het onder 1. genoemde voorval vormde aanleiding voor verzoeker om een klacht in te dienen bij de Nationale ombudsman over het onaangekondigd afleggen van bedrijfsbezoeken door inspecteurs van de RDW ter controle van de naleving van de voorschriften ten aanzien van de erkenning apk, alsmede de erkenning bedrijfsvoorraad.

Verzoeker stelde zich op het standpunt dat bedrijfsbezoeken door inspecteurs van de RDW niet onaangekondigd mogen plaatsvinden. Het is uit bedrijfsorganisatorisch oogpunt ondoenlijk om te allen tijde een bedrijfsinspecteur onmiddellijk en direct te woord te staan, alsmede de betreffende bedrijfsinspecteur de benodigde medewerking te verlenen. Verzoeker is van mening dat de RDW geen recht heeft om onaangekondigd inspecties af te leggen en dat de RDW door dit toch te doen, zich schuldig maakt aan machtsmisbruik.

3. De RDW liet in reactie op de klacht op dit punt onder meer weten dat in artikel 54 van de Erkenningsregeling APK (zie achtergrond, onder 2.) is opgenomen dat, nadat een erkenning is verleend ten minste eenmaal per twee jaar door een daartoe aangewezen functionaris van de RDW, door middel van een herschouwing onderzocht wordt of de erkennninghouder alsmede de keuringsplaats nog voldoen aan de in hoofdstuk 2 opgenomen erkenningseisen, alsmede of de in hoofdstuk 6 opgenomen erkenningvoorschriften worden nageleefd. Deze controle kan tevens plaatsvinden in het kader van een steekproef. Het resultaat telt mee in een door de RDW vastgesteld en bekendgemaakt systeem van strafpunten.

De RDW deelde voorts onder meer mee dat in de aan alle erkenninghouders verstrekte toezichtbeleidsbrief van 1 maart 2000 (zie achtergrond, onder 4.) staat vermeld dat deze herschouwingen onaangekondigd zullen plaatsvinden. Daarnaast is in artikel 11 van de Regeling erkenning bedrijfsvoorraad (zie achtergrond, onder 3.) eveneens opgenomen dat het toezicht op het erkende bedrijf bestaat uit het uitvoeren van periodieke controles door de daartoe bevoegde ambtenaren. Indien het vermoeden bestaat dat het erkende bedrijf de in het kader van de erkenning geldende eisen en voorschriften niet nakomt, kunnen deze controles frequenter plaatsvinden. Ook hierbij is in de bekendgemaakte toezichtbeleidsbrief van 15 februari 1999 (zie Achtergrond, onder 5.) aangegeven dat de controles, binnen de normale kantoortijden, zonder vooraankondiging plaatsvinden. Verzoeker was er derhalve reeds langere tijd mee bekend dat een functionaris van de RDW ten behoeve van het toezicht op de naleving van de erkenningen onaangekondigd zou verschijnen, conform het bekendgemaakte beleid.

4. De Nationale ombudsman overweegt als volgt. Aan verzoeker is als autobedrijf door de RDW de erkenning verleend tot het verrichten van algemene periodieke keuringen en een erkenning verleend tot het voeren van een bedrijfsvoorraad (respectievelijk artikel 83, eerste lid, en artikel 62, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994 - WVW94 - , zie Achtergrond, onder 1.). Uit zowel de erkenning apk als de erkenning bedrijfsvoorraad vloeien verplichtingen voort, waaraan de erkenninghouder dient te voldoen en waarop door ambtenaren van de RDW toezicht wordt gehouden (zie de artikelen 64 en 86 WVW94, achtergrond, onder 1.). Ten aanzien van de erkenning apk geldt bijvoorbeeld dat de keurmeester en de keuringsplaats inclusief de daarin aanwezige apparatuur aan bepaalde vereisten dienen te voldoen; ten aanzien van de erkenning bedrijfsvoorraad is onder meer van belang dat de bedrijfsadministratie op orde en kloppend is. Artikel 52 van de Erkenningsregeling APK en artikel 11 van de Regeling erkenning bedrijfsvoorraad bepalen, kort gezegd, dat aan de toezichthoudende functionaris van de RDW alle medewerking dient te worden verleend (zie achtergrond, onder respectievelijk 2. en 3.). Daarnaast verschaft artikel 5:15 Algemene wet bestuursrecht (Awb) personen die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift (de `toezichthouders') een algemene bevoegdheid tot het betreden van plaatsen, terwijl op grond van artikel 5:20 Awb een ieder verplicht is aan een toezichthouder alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen (zie (achtergrond, onder 8.).

5. De bevoegdheid tot controle en inspectie vloeit derhalve rechtstreeks uit de wet voort. De WVW94, de Erkenningsregeling APK, noch de Awb vereisen een voorafgaande aankondiging van een dergelijke inspectie. Een aankondiging van een inspectie zou ook niet logisch zijn, daar het nut van een inspectie op de erkenningsvoorschriften en -vereisten reeds ligt besloten in de onverwachtheid van het bedrijfsbezoek. Aan een zinvolle controle van de wettelijke voorschriften en vereisten is derhalve een onaangekondigd bezoek inherent.

6. Verder is van belang dat de RDW zijn beleid dienaangaande heeft kenbaar gemaakt in twee zogenoemde toezichtbeleidsbrieven (zie achtergrond, onder 4. en 5.). Hierin is ten behoeve van de erkenninghouders uiteengezet wat het toezicht omvat en is tevens meegedeeld dat het toezicht onaangekondigd kan plaatsvinden. Op grond van de inhoud van de wet en de toezichtbeleidsbrieven kan iedere afzonderlijke erkenninghouder zich voldoende op de hoogte stellen van de gevolgen van en voorwaarden bij de verlening van een erkenning. Een autobedrijf dat over een erkenning beschikt, dient met de voorschriften en eisen rekening te houden en de organisatie, zo nodig, daarop aan te passen. Zulks is geen verantwoordelijkheid van de RDW.

De Nationale ombudsman erkent wel dat het bedrijfsorganisatorisch niet altijd mogelijk is aan een inspecteur onmiddellijk na binnenkomst de vereiste medewerking te verlenen. De Nationale ombudsman heeft echter geen reden om aan te nemen dat hiermee van de zijde van de RDW geen rekening wordt gehouden.

De onderzochte gedraging is op dit punt behoorlijk.

II. Ten aanzien van het verzoek om een andere bedrijfsinspecteur

1. Bij brief van 13 maart 2002 deelde verzoeker de RDW mee dat hij voortaan aan de heer H. de toegang tot het autobedrijf ontzegde. Verzoeker wenste de inzet van een andere RDW-functionaris dan de heer H., teneinde de herschouwingen in het bedrijf uit te voeren. De RDW ging niet op het verzoek in.

2. Ter onderbouwing van zijn stelling dat H. niet langer getolereerd kon worden als bedrijfsinspecteur voerde verzoeker onder meer aan dat H. zich hautain en asociaal had gedragen tijdens de herschouwing van 5 oktober 2001 en tijdens een horing op 9 oktober 2001, waardoor verzoeker zich benadeeld en gediscrimineerd voelde. Daarnaar gevraagd door de Nationale ombudsman welke concrete gedragingen verzoeker de heer H. verweet, deelde hij onder meer mee dat H. bij binnenkomst op 5 oktober 2001 geen respect toonde voor een nog wachtende klant en een klant die op dat moment werd geholpen door de bedrijfsleider, maar voordrong en eiste dat hij onmiddellijk te woord werd gestaan. Nadat de bedrijfsleider hem daarop had verzocht eerst een kop koffie te nemen zodat de klanten konden worden geholpen, had H. een discriminerende en machtswellustige houding aangenomen. Ook tijdens de horing op 9 oktober 2001 had H. zich hautain opgesteld.

3. De RDW stelde zich op het standpunt dat ten behoeve van een effectieve en efficiënte bedrijfsvoering bij de uitoefening van wettelijke taken de RDW bepaalt welke functionarissen uit hoofde van hun functie bedrijven bezoeken. De RDW wees daarbij op artikel 52 van de Erkenningsregeling APK (zie achtergrond, onder 2.), dat voorschrijft dat erkenninghouders alle medewerking dienen te verlenen aan toezichthoudende functionarissen van de RDW.

Naar aanleiding van de brief van 13 maart 2002 had er bij de RDW overleg plaatsgevonden. Uitkomst van dit overleg was geweest dat de herschouwing door de heer H. op een correcte wijze was uitgevoerd en dat er geen bezwaren aan de zijde van de RDW waren die ertoe noopten de herschouwing door een andere functionaris te laten uitvoeren. Wel had de RDW een RDW-medewerker aangewezen tot wie verzoeker of de heer H. zich kon wenden in geval van onregelmatigheden. Hiervan was geen gebruik gemaakt.

De RDW liet desgevraagd weten dat de regio's noord, zuid en west waren onderverdeeld in werkgebieden waar één bedrijfsinspecteur de schouwingen, herschouwingen en dergelijke tot zijn taak heeft. Slechts in geval van langdurige ziekte, dan wel gedurende acute situaties tijdens vakantie, opereren de bedrijfsinspecteurs bij uitzondering in het werkgebied van een collega. De herschouwing van 5 oktober 2001 had geen aanleiding gegeven om van de normale gang van zaken af te wijken.

4. De betrokken ambtenaar, de heer H., deelde tijdens het onderzoek van de Nationale ombudsman onder meer mee hij bij het betreden van het bedrijf op 5 oktober 2001 zich direct had bekendgemaakt bij de bedrijfsleider en had meegedeeld dat hij als bedrijfsinspecteur van de RDW een herschouwing kwam uitvoeren in het kader van de APK-Erkenning. De bedrijfsleider had aangegeven dat hij het erg druk had en dat H. even moest wachten. H. liet de Nationale ombudsman weten dat hij daarmee als bedrijfsinspecteur geen problemen had gehad, omdat een onaangekondigde herschouwing in de bedrijfsvoering ingepast diende te worden. Het overleg hierover was normaal verlopen, aan H. was een kop koffie aangeboden en hij had kunnen plaatsnemen in een ruimte waar de computer voor het afmelden van de gekeurde auto's ook stond opgesteld. Na verloop van tijd was de APK-keurmeester gekomen om samen met H. de herschouwing uit te voeren. De herschouwing had vervolgens in een prettige sfeer plaatsgevonden en er was geen sprake geweest van een gespannen situatie, aldus H.

H. ontdekte op enig moment dat de keurmeester zijn pincode had afgestaan aan het bedrijf, doordat de pincode vast in de computer was gezet, waardoor andere medewerkers dan de keurmeester - onbevoegd - een APK-afmelding kon uitvoeren, hetgeen een overtreding van artikel 40, tweede lid, van de Erkenningsregeling APK (zie Achtergrond, onder 2.) opleverde. Daarna had H. nog enkele andere overtredingen van de APK-regelgeving geconstateerd. De herschouwing had ook hierna op een normale wijze plaatsgevonden.

Na de herschouwing had H. telefonisch een afspraak gemaakt met de directeur, de heer G., voor een horing op 9 oktober 2001. Het betreffende telefoongesprek was niet al te prettig verlopen, omdat de heer G. vond dat een horing niet nodig was en dat hij van mening was dat het bedrijf het altijd op deze wijze goed deed.

De horing op 9 oktober 2001 had volgens H. in een gespannen sfeer plaatsgevonden, aangezien de heer G. nog steeds van mening was geweest dat hij en zijn bedrijf het altijd op deze wijze goed hadden gedaan, en dat wanneer de pincode vast in de computer staat, de beveiliging toch gehandhaafd bleef. Tijdens de gehele horing had H. zich correct gedragen; er was ook geen enkele aanleiding om zijn persoonlijke mening kenbaar te maken omdat de horing namens de RDW had plaatsgevonden. H. voegde nog toe dat het vanuit de RDW-organisatie niet is toegestaan om tijdens de horing mededelingen te doen anders dan de regelgeving voorschrijft.

De horing van de keurmeester had ook op een normale wijze plaatsgevonden en het was H. niet opgevallen dat de keurmeester problemen had gehad met de door H. uitgevoerde horing.

5. Verzoeker liet in reactie op de verklaring van de betrokken ambtenaar onder meer weten dat de herschouwing niet in een prettige sfeer was verlopen en dat H., ómdat hem was gezegd op zijn beurt te wachten, als represaille het bedrijf op overdreven wijze had doorgelicht om maar alles te vinden wat mogelijk was. Ook de horing op 9 oktober 2001 was, in tegenstelling tot hetgeen H. daarover had opgemerkt, niet prettig verlopen.

6. Het standpunt van de RDW, dat het niet aan het erkenninghoudende bedrijf is om te bepalen welke bedrijfsinspecteur de inspecties uitvoert, is in beginsel juist. Dit is alleen anders indien sprake is van zodanige feiten of omstandigheden dat niet in redelijkheid kan worden gevergd dat een bepaalde inspecteur herschouwt. Hierbij zal in beginsel sprake moeten zijn van enig verwijtbaar gedrag aan de zijde van de controleur.

7. Van vorenbedoelde feiten of omstandigheden is in het onderhavige geval niet gebleken. Verzoekers onderbouwing van zijn stelling dat het ondoenlijk was om H. nog langer in het bedrijf toe te laten, is niet voldoende om een andere toezichthouder voor verzoekers bedrijf aan te wijzen.

Hierbij heeft de Nationale ombudsman laten meewegen dat verzoeker reeds na één herschouwing, op 5 oktober 2001, de RDW schriftelijk heeft meegedeeld dat H. niet meer welkom was in het bedrijf. De Nationale ombudsman kan zich niet aan de indruk onttrekken dat het verwijt van verzoeker dat de RDW een onredelijk starre houding heeft aangenomen in de onderhavige kwestie, ook op verzoeker zelf van toepassing is geweest.

De onderzochte gedraging is op dit punt eveneens behoorlijk.

III. Ten aanzien van de beantwoording van verzoekers brieven

1. Indien een burger in korte tijd meerdere brieven stuurt aan een bestuursorgaan, dient op de verschillende brieven afzonderlijk gereageerd te worden. Het voorgaande betekent niet dat de beantwoording per se in evenzovele brieven dient te geschieden. Uitgangspunt is dat elke brief afzonderlijk aandacht krijgt. Hiertoe kunnen meerdere brieven in samenhang met elkaar worden bezien en met één antwoordbrief worden beantwoord.

2. Op 13 maart 2002 schreef verzoeker twee brieven. Eén brief was gericht aan het hoofd van regio Noord van de RDW. De andere brief was geadresseerd aan de algemeen directeur van de RDW.

Bij brief van 15 maart 2002 reageerde namens de algemeen directeur van de RDW, de manager van de afdeling juridische en bestuurlijke zaken van de RDW op beide brieven.

3. Aan het hoofd van regio Noord berichtte verzoeker op 13 maart 2002 onder meer dat hij vanwege de hautaine houding van H. diens toegang tot het bedrijf ontzegde, dat de RDW in strijd met onder meer de Grondwet handelde door bedrijfsbezoeken onaangekondigd te laten plaatsvinden en dat hij gerechtelijke stappen zou ondernemen tegen een eventuele oplegging van een sanctie en de daaruit voortvloeiende kosten (zie ook bevindingen, onder A.4a.). Uit de inhoud van de brief van 13 maart 2002 aan de algemeen directeur kan worden afgeleid dat verzoeker hem een afschrift stuurde van zijn brief aan het hoofd van regio Noord. Voor het overige kan worden gesteld dat de brief geen wezenlijke andere strekking had dan de brief aan het hoofd van regio Noord (zie ook bevindingen, onder A.4a.).

4. Gelet op de inhoud van de brieven van 13 maart 2002, konden de brieven van verzoeker met één brief worden beantwoord. Gebleken is dat in de brief van 15 maart 2002 op beide brieven van verzoeker wordt ingegaan. Dit blijkt reeds uit de aanvangszin “hierbij bevestig ik de ontvangst van uw bovengenoemde brieven.”.

5. Ten aanzien van de vraag wie de brieven kon en mocht beantwoorden en ondertekenen overweegt de Nationale ombudsman het volgende.

6. De RDW deelde dienaangaande mee dat, aangezien de brieven betrekking hadden op reeds aanhangige beroepsprocedures, dan wel andere juridische aangelegenheden, de behandeling en ondertekening was overgedragen aan de afdeling Juridische en Bestuurlijke zaken. De ondertekening had plaatsgevonden conform de geldende mandaatregeling Dienst Wegverkeer.

7. De Nationale ombudsman volgt het standpunt van de RDW en is van oordeel dat de behandeling en ondertekening van verzoekers brieven door het hoofd van de afdeling Juridische en Bestuurlijke Zaken is geschied conform het bepaalde in de artikel 1 en 6 van de Mandaatregeling Dienst Wegverkeer (zie achtergrond, onder 7.).

De onderzochte gedraging is ook op dit punt behoorlijk.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van de Dienst Wegverkeer is niet gegrond.

Onderzoek

Op 15 april 2002, aangevuld bij brief van 30 mei 2002, ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van A. te Harderwijk, met een klacht over een gedraging van de Dienst Wegverkeer (de RDW).

Naar deze gedraging werd een onderzoek ingesteld.

In het kader van het onderzoek werd de RDW verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben.

Daarnaast werd de betrokken ambtenaar de gelegenheid geboden om commentaar op de klacht te geven.

Tijdens het onderzoek kregen de RDW en verzoeker en verzoeker de gelegenheid op de door ieder van hen verstrekte inlichtingen te reageren.

Tevens werd de RDW en verzoeker een aantal specifieke vragen gesteld.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen.

Verzoeker en de RDW gaven binnen de gestelde termijn geen reactie.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:

A. feiten

1. Op 5 oktober 2001 verrichte de heer H., werkzaam als bedrijfsinspecteur bij de Dienst Wegverkeer (RDW) regio Noord, bij verzoeker, een autobedrijf, een herschouwing ter controle van de naleving van erkenningseisen en de voorschriften, zoals die in de Erkenningsregeling APK zijn opgenomen. De RDW had deze herschouwing niet van tevoren aangekondigd bij verzoeker. Tijdens de herschouwing constateerde H. dat de pincode van de keurmeester vast in de computer was opgeslagen, waardoor ook andere personen dan de keurmeester een auto na de algemene periodieke keuring kon afmelden bij de RDW.

2. Op 9 oktober 2001 vond een horing plaats naar aanleiding van de geconstateerde overtreding op 5 oktober 2001.

3. Bij beschikking van 6 november 2001 trok de RDW de keuringsbevoegdheid van de keurmeester voor een periode van zes weken in. De beschikking luidt onder meer als volgt:

“Onder verwijzing naar de Wegenverkeerswet 1994, de Erkenningsregeling-APK, en de toezichtbeleidsbrief van 1 maart 2000, deel ik u het volgende mede.

Tijdens de herschouwing op 5 oktober 2001 is gebleken dat u uw pincode met het pasnummer (…), vast in de computer hebt opgeslagen waardoor automatisch een APK goedkeur of een APK afkeur afgemeld kan worden in het APK-systeem. Hiermede heeft u uw pincode ten behoeve van de datacommunicatie toegankelijk gemaakt voor anderen.

Hiermede heeft u artikel 40, tweede lid, en artikel 44, derde lid, onder a van de Erkenningsregeling-APK overtreden.

Naar aanleiding van mijn voornemen uw keuringsbevoegdheid in te trekken bent u tijdens de horing op 9 oktober 2001 in de gelegenheid gesteld uw belangen in persoon toe te lichten.

Gelet op het belang van de verkeersveiligheid, de ernst van de geconstateerde overtreding, zoals ook vermeld in de toezichtbeleidsbrief, alsmede het feit dat uit de voornoemde horing of anderszins niet is gebleken dat er zodanige feiten of omstandigheden zijn op grond waarvan dient te worden afgezien van de intrekking van uw keuringsbevoegdheid, heb ik besloten op grond van artikel 87a, tweede lid, onder c, van de Wegenverkeerswet 1994, uw keuringsbevoegdheid voor de categorie tot en met 3500 kg in te trekken voor de duur van 6 weken.

Deze intrekking zal ingaan op 13 november 2001. Wanneer zich echter voor 13 november 2001 opnieuw gronden voordoen voor intrekking, zal een nieuwe intrekkingprocedure worden gestart. Indien dit zich onverhoopt mocht voordoen, zult u hiervan uiteraard nog schriftelijk op de hoogte worden gesteld.

Na ommekomst van genoemde periode van tijdelijke intrekking zal u weer gebruik kunnen maken van uw keuringsbevoegdheid.”

4a. Op 13 maart 2002 schreef verzoeker twee brieven aan de RDW. Eén brief was gericht aan de heer E., hoofd regio Noord van de RDW. Deze brief houdt onder meer het volgende in:

“Naar aanleiding van het bedrijfsbezoek op 2001-10-05 en de horing op 2001-10-09 uitgevoerd door H. en de daaruit voortgebrachte stappen door en onder uw verantwoording delen wij u het volgende mede.

A—Daar wij ons als bedrijf zijnde en nog meer de mensen achter dit bedrijf zich door de hautaine houding van en de daar uit voort vloeiende handelswijze van H. zich zeer sterk benadeeld en gediscrimineerd voelen, en daarom delen wij als directie van A. (verzoeker; N.o.) zijnde u mede dat wij de 'heer' H. de toegang tot zowel A. Harderwijk nr (…) als Nunspeet nr (…) ontzeggen, dit alles in het besef dat wij als directie niet de verantwoording willen en kunnen dragen voor zijn aanwezigheid.

B—Verder zijn wij van mening dat u en uw dienst artikel 1.3 Herschouwingen misbruikt en dat daardoor alle bedrijfsbezoeken onaangekondigd worden gedaan en dit is in strijd met de Grondwet der Nederlanden.

In geen enkel kamerstuk van de Staten Generaal of in een Ministerieel besluit wordt u dit recht specifiek toegekend, een recht dat zelfs de politie en belastingdienst niet toegekend is en daarom handelt uw dienst in strijd met onze grondwet.

Steekproeven op afmeldingen zijn logisch onverwachts, de rest zult u conform de Grondwet moeten aankondigen en daaraan zullen wij dan als bedrijf zijnde, mits er niet wederom sprake van machtsmisbruik is, alle medewerking aan verlenen, daar wij zoals ieder bonafide bedrijf geheel te goeder trouw zijn.

C—Woensdag 2002-03-06 belde een medewerkster van u M. ons met de mededeling dat over 5 dagen daarna u daadwerkelijk gestalte geeft aan uw voorneming tot sanctie van ons bedrijf A. te Harderwijk en dat 14-03-2002 tot 13-06-2002 [deze datums veronderstellen wij daar in dit juridisch gezien belachelijke telefoongesprek verder niks daarover meegedeeld werd] onze TOTALE erkenning intrekt, DUS ZOWEL BENZINE ALS DIESEL, dit alles binnen de termijn van zes weken juridische reactietijd op de uitspraak van de bestuursrechtbank te Zutphen.

Wij zullen deze zaak, zonder een voorlopige voorzieningsaanvraag, binnen deze 6 weken voorleggen aan de rechters van de Raad van State.

D—Alle kosten in tijdspanne voor de sanctie, in sanctie en na sanctie, directe en indirecte, materiele en in-materiele dit alles in de ruimste zin des woords zullen door ons nauwgezet gedocumenteerd worden en zullen op u beroepsmatig, persoonlijke aansprakelijkheid of in welke rechtsvorm ook geclaimd worden.

Dit is een gedeponeerde juridische schadeclaim op alle van toepassing zijnde artikelen van de Nederlandse Grondwet als zowel de Europese wetgeving, Europese verdragen en alle relevante documentatie van BV Raad van State als de Staten Generaal en alle verder ter zaken doende aanwijzingen.

E—Verder delen wij u mede dat als uw dienst acties of stappen onderneemt om ons als bedrijf zijnde specifiek te benadelen, het verhoogde aantal steekproeven van de afgelopen periode geeft ons reeds bedenkingen, dat wij dit natuurlijk niet accepteren.”

4b. De tweede brief, die verzoeker op 13 maart 2002 schreef, was gericht aan de heer Ha., algemeen directeur van de RDW en houdt onder meer het volgende in:

“Hierbij ingesloten een kopie van ons schrijven per 2002-03-13 aan uw regio hoofd dhr E., de inhoud heeft mijn inziens geen verdere uitleg nodig.

Voor de kosten en alle verdere schade zoals reeds verwoord in bijgevoegde brief, stellen wij u als directeur van de Dienst voor het Wegverkeer in de ruimste juridische mogelijkheden aansprakelijk en deponeren wij hiermede deze juridische schadeclaim.

Door bestudering van heel veel stukken van bv de Staten Generaal en ingewonnen informatie anderzijds, dit alles betreffende Apk-regelgeving, wegenverkeerswet 1994, ZBO, etc, etc, is duidelijk geworden dat heel veel artikelen en regels van uw dienst politieke grond missen, dus op onjuiste wijze tot stand zijn gekomen.

De gesprekken die wij eigenlijk als B.A.N. (Belangenbehartiging APK-Keuringstations Nederland; N.o.), zijnde met bv kamerleden en leden vaste kamercommissie reeds gevoerd hebben of volgens planning nog gaan voeren, geven een onthutsend beeld van niet juist geïnformeerde kamerleden.

Dit alles onder de volle verantwoording van u als persoon en uw dienst en de verantwoordelijke ambtenaren van het ministerie van Verkeer en Waterstaat.

Onze bedrijfssituatie maar eigenlijk de gehele branchesituatie lijkt ons geschikt om maar eens aan onze grondwet cq Europese wetgeving juridisch te laten toetsen en ook bv het feit dat de DW het TOTALE traject van deskundigenonderzoek, horing, sanctie-beleid, bezwaren in eigen beheer doet en zoals u in Automotive 14-2-2002 omschrijft als conform AWB, dit alles is in strijd met Europese regels cq Europese verdragen zoals de EHRM en de EVRM, en uw juridische afdeling weet dit door de keren dat de Raad van State uw dienst teruggefloten heeft, echter in de volgende rechtszaak doen uw juristen weer gewoon hetzelfde, van kwader trouw handelen mag ons inziens langzamerhand gesproken gaan worden.

Wij, als A. of B.A.N, zijnde, zullen dan ook in samenwerking met andere belanghebbende, afhankelijk van de ontwikkelingen in de komende nabije tijd, indien nodig juridische stappen ondernemen richting het Europese Parlement of het Europese Gerechtshof.”

5. Bij brief van 15 maart 2002 reageerde namens de algemeen directeur van de RDW, de manager afdeling juridische en bestuurlijke zaken van de RDW, de heer P., op verzoekers brieven van 13 maart 2002. De brief van 15 maart 2002 luidt onder meer als volgt:

“Onderwerp

Uw brieven van 13 maart 2002

(…)

Hierbij bevestig ik de ontvangst van uw bovengenoemde brieven. Van de inhoud heb ik kennis genomen.

Voor zover uw brief betrekking heeft op de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 5 maart 2002 inzake A. te Harderwijk tegen de RDW, deel ik u mede dat naar aanleiding van het door u aangekondigde hoger beroep bij de Afdeling rechtspraak van de Raad van State de berichten daaromtrent van de Afdeling worden afgewacht.

Met betrekking tot uw opmerking dat u een medewerker van de RDW, te weten de heer H., de toegang ontzegt tot zowel A. Harderwijk als Nunspeet in het kader van het toezicht op de erkenning met de keuringinstantienummers (…) respectievelijk (…), wijs ik u er met nadruk op dat u ingevolge artikel 52 van de Erkenningsregeling APK verplicht bent alle medewerking te verlenen aan de daartoe aangewezen functionaris van de Dienst Wegverkeer. Hieronder wordt in ieder geval verstaan dat u toegang verleent tot de keuringsruimte, inlichtingen verstrekt, bescheiden overlegt en de benodigde apparatuur verstrekt, alsmede aanwijzingen in acht neemt. Het niet meewerken aan dit wettelijk verplichte toezicht wordt als een grove ondermijning van dit toezicht gekwalificeerd, hetgeen direct leidt tot een intrekkingprocedure tot definitieve intrekking van de erkenning, zoals ook in de toezichtbeleidsbrief van 1 maart 2000 staat vermeld.”

6. Op 30 maart 2002 deelde verzoeker schriftelijk onder meer het volgende mee aan de heer P.:

“A- U geeft aan dat dit een antwoord is op onze brieven van 13-03-2002, daar wij echter op die dag meerdere brieven aan meerdere personen van de DW gericht hebben, waarvan u geen aangeschrevene was, is ons onduidelijk hoe wij dit antwoord moeten opvatten en achten wij dit schrijven daarom ook in strijd met de A.W.B. en vinden dit onbehoorlijk bestuur.

B- verder uw uitleg over art 52 over de medewerking verlenen aan een bezoek van een DW functionaris, daar wij in dit schrijven aan dhr E. regio noord ONOMSTOTELIJK hebben vastgelegd dat wij als bedrijven zijnde 100% medewerking hebben en zullen blijven verlenen, alleen de verantwoordelijkheid van de aanwezigheid van dhr H. bij onze bedrijven kunnen wij als directie NIET DRAGEN en daar uw dienst uit meer dan 1300 medewerkers bestaat, en u dus zonder problemen een andere functionaris kunt inzetten, is uw antwoord zeer op de spits drijvend van de gehele situatie, provocerend en discriminerend zijn termen die hier gebruikt mogen worden.”

B. Standpunt verzoeker

1. Het standpunt van verzoeker staat samengevat weergegeven onder Klacht.

2. Zijn verzoekschrift van 6 april 2002 houdt onder meer nog het volgende in:

A- De DW heeft zich het recht toegeëigend om ONAANGEKONDIGD ALLE schouwingen te doen met betrekking tot bv de APK, Ipg-erkenning.

Dat dit in de praktijk, waar planning de leidraad is voor een juiste en zo min mogelijk stress opleverende dagtaak is, en dat dit dus tot onacceptabele spanningen leidt moge duidelijk zijn.

Daar er in de stukken van de Staten Generaal en ministeriële stukken NERGENS SPECIFIEK is vastgelegd dat dit recht, wat zelfs de politie en de belastingdienst niet heeft, wel aan de DW zou zijn gegeven, handelt de DW bewust in strijd met de wet.

(…)

C- Aanwezigheid BI inspecteur bij onze bedrijven

In (de brief van 13 maart 2002; zie onder A.4a.: N.o.) leest u dat wij Dhr H. in zijn hoedanigheid van DW inspecteur de toegang ontzeggen van onze beide bedrijven, dit alles om verdere escalatie te voorkomen die ontstaan zijn door zijn hautaine houding jegens normaal hardwerkende monteurs en keurmeesters [dit eerlijke moge u duidelijk zijn uit (…) onze apk-steekproef resultaat van de afgelopen 8 jaar - 1 klein foutje van 1.4 punt in 1996] voelen zich door dhr H. gediscrimineerd en daar ik als eindverantwoordelijke niet de verantwoording over eventuele gevolgen van een huidige aanwezigheid van deze heer kan dragen is dit gemeld aan de regiomanager E.”

3. Het aanvullend verzoekschrift van 30 mei 2002 luidt voorts nog onder meer als volgt:

“Door ons schrijven van ons aan u van 2002-04-06 weet u dat wij dhr E. regio manager noord en dhr P., hoofd juridische afdeling van de DW, schriftelijk hebben meegedeeld dat wij de aanwezigheid van dhr H. op onzer bedrijven, na zijn hautaine en a-sociale optreden van 5 en 9 Oktober 2001 niet wenselijk achten daar wij niet de verantwoording voor eventuele escalatie kunnen en willen dragen, doch direct hebben wij dus ook schriftelijk vastgelegd dat wij aan iedere andere wel-menselijk oprechte en eerlijke collega van dhr H. alle medewerking zouden geven.

Tot grote verbazing van ieder normaal denkend mens doch helaas van onze kant maar een klein beetje verbazing, daar wij de ZBO DW zo langzamerhand wel kennen maar ze toch iets meer volwassenheid toegedacht hadden, werden wij donderdag 2002-05-23 doodleuk gebeld door de heer H. met de mededeling dat hij op 2002-06-04 tussen 9.00 en 10.00 wel zou langskomen voor de schouwing, toen wij hem meedeelden dat dat wat ons betreft, gezien zijn/hun opstelling en onze brieven daarover en dus ons standpunt wetende, niet zo verstandig was en dat het beter was als er iemand anders die dag zou komen en wij dan alle medewerking zouden verlenen, daar kwam echter de directe reactie terug dat -HIJ [dhr H.] kwam en NIEMAND anders en zoniet dan zouden wij dus als bedrijf een nog langere tijd NIET kunnen keuren. Dit gesprek is door ons stopgezet met de mededeling dat wij dhr P. zouden bellen ter oplossing van deze eerder door ons schriftelijke vermoede a-sociale en onmenselijke situatie.

Hoewel wij dhr P. diezelfde dag nog hebben gesproken en hij ons toezegde met dhr E. vd regio Noord te overleggen ter redelijke oplossing, belde dhr P. ons 2002-05-27 op met de mededeling dat dhr H. gewoon zou MOETEN komen en deelde hij mee dat mocht de boel escaleren tijdens dat bezoek van de heer H. dan zou de heer E. als het ware stand-by zijn in zijn kantoor te Zwolle.

Wat iemand die ongeveer 40km weg zit in de stand-by stand kan doen bij een door de DW opzettelijke gecreëerde escalatietoestand is ons niet duidelijk en kon ons ook door dhr P. niet duidelijk gemaakt worden.

Onder protest hebben wij dus aan dhr P. van de DW, dit geheel dus in tegenspraak met eerdere schrijvens die u in uw bezit heeft, toestemming MOETEN geven om dus specifiek dhr H. die herschouwing te laten uitvoeren, daar simpel het feit er is dat door het werkelijk a-sociale en misdadig CHANTAGE-middel van de heren der DW, wij geen andere keus hadden, daar na reeds 3 maanden onrecht ons aangedaan ons het water vooral sociaal aan de lippen staat.

Daar A—bewust escalatie door machtsmisbruik en B—chantage absoluut niet thuishoren in de verhouding tussen een zogenaamde ex-overheidsdienst en normaal hardwerkende eerlijke mensen in welke branche dan ook, zien wij gaarne van u dat u deze 2 klachten A en B tot op de bodem uitzoekt, daar wij ons op dit moment gewoon onmenselijk maar vooral MISDADIG behandeld voelen.”

C. Standpunt Dienst Wegverkeer

De RDW reageerde bij brief van 21 augustus 2002 onder meer als volgt op de klacht:

“Klacht 1

In artikel 54 van de Erkenningsregeling APK is opgenomen dat, nadat een erkenning is verleend ten minste een maal per twee jaar door een daartoe aangewezen functionaris van de Dienstwegverkeer, door middel van een herschouwing onderzocht wordt of de erkennninghouder alsmede de keuringsplaats nog voldoen aan de in hoofdstuk 2 opgenomen erkenningseisen, alsmede of de in hoofdstuk 6 opgenomen erkenningvoorschriften worden nageleefd. Deze controle kan tevens plaatsvinden in het kader van een steekproef. Het resultaat telt mee in een door de Dienst Wegverkeer vastgesteld en bekendgemaakt systeem van strafpunten.

In de aan alle erkenninghouders verstrekte toezichtbeleidsbrief van 1 maart 2000 staat vermeld dat deze herschouwingen onaangekondigd zullen plaatsvinden. Daarnaast is in artikel 11 van de Regeling erkenning bedrijfsvoorraad eveneens opgenomen dat het toezicht op het erkende bedrijf bestaat uit het uitvoeren van periodieke controles door de daartoe bevoegde ambtenaren. Indien het vermoeden bestaat dat het erkende bedrijf de in het kader van de erkenning geldende eisen en voorschriften niet nakomt, kunnen deze controles frequenter plaatsvinden. Ook hierbij is in de bekendgemaakte toezichtbeleidsbrief van 15 februari 1999 aangegeven dat de controles, binnen de normale kantoortijden, zonder vooraankondiging plaatsvinden. Verzoeker was er derhalve reeds langere tijd mee bekend dat een functionaris van mijn Dienst ten behoeve van het toezicht op de naleving van de erkenningen onaangekondigd zou verschijnen, conform het bekendgemaakte beleid.

Klacht 2

Ten behoeve van een effectieve en efficiënte bedrijfsvoering bij de uitoefening van de wettelijke taken ben ik van oordeel dat mijn Dienst bepaalt welke functionarissen uit hoofde van hun functie bedrijven bezoeken, en het niet zo kan zijn dat een erkenninghouder kan bepalen welke functionaris van mijn Dienst wel en niet de wettelijke taken ten aanzien van de door mij aan hem/haar verleende erkenning mag uitoefenen. Dit is ook expliciet opgenomen in artikel 52, onder a, van de Erkenningsregeling APK. Verzoeker is hierop schriftelijk gewezen bij brief van 15 maart 2002. In het onderhavige geval is de herschouwing op correcte wijze uitgevoerd door de aangewezen functionaris.

Klacht 3

Aangezien de brieven van 13 maart 2002 van verzoeker betrekking hadden op reeds aanhangige beroepsprocedures, dan wel andere juridische aangelegenheden, is de behandeling en ondertekening overgedragen aan de afdeling Juridische en Bestuurlijke Zaken. De ondertekening heeft plaatsgevonden conform de geldende mandaatregeling Dienst Wegverkeer.”

D. Reactie verzoeker

Bij brief van 12 september 2002 verzocht de Nationale ombudsman verzoeker onder meer aan te geven op grond van welke gedragingen hij had besloten de heer H. de toegang tot het bedrijf te ontzeggen.

Verzoeker deelde in reactie hierop, alsmede in reactie op de hiervóór onder C. weergegeven brief van de RDW bij brief van 21 september 2002 onder meer het volgende mee:

“hebben wij reeds uit de doeken gedaan waardoor het probleem rondom de persoon H. ontstaan is, nl dat door de zeer hautaine houding van dhr H. die hij direct aannam daar hij bij binnenkomst totaal geen respect toonde voor 1 nog wachtende klant en 1 klant waar de bedrijfsleider nog mee bezig was en hij dus gewoon voordrong met de mededeling dat hij van de DW was en dus onmiddellijk geholpen moest worden, onze bedrijfsleider, een 27 jarige zeer toegewijde jongeman, heeft dhr H. toen geantwoord dat hij rustig een bakje koffie mocht pakken maar dat hij toch eerst deze beide klanten op een correcte manier te woord moest staan en helpen dus en daarna direct beschikbaar was, hierna was er door een ronduit discriminerende machtswellustige houding van dhr H. geen normaal menselijk bezoek meer mogelijk waardoor zowel dhr B. als bedrijfsleider zijnde maar ook dhr L. als onze keurmeester een behandeling moesten ondergaan die een ieder mens onwaardig is.

Dezelfde behandeling kreeg ondergetekende ook over zich heen tijdens de horing daarna van de DW [ook dus weer door de heer H.!!!] en daar in het laatste gedeelte van deze horing waar de heer L. als de keurmeester VERPLICHT moest aanschuiven en omdat de gehele horing tot aan daar aan toe een vieze machtstentoonstelling was die ik als persoon en als mens maar zeer moeilijk kon maar MOEST ondergaan, heb ik daar als werkgever maar eigenlijk meer als mens pas na heel lang protesteren akkoord voor gegeven enkel met de zeer duidelijke voorwaarde dat dhr H. mijn keurmeester als mens zijnde normaal zou behandelen en respect zou tonen voor hem, maar ondanks mijn waarschuwing dat ik niet kon toestaan dat mijn hardwerkend en eerlijk personeel dezelfde behandeling als ik moest ondergaan, bleef hij volharden in zijn hautaine houding en daarom heb ik op een bepaald moment mijn keurmeester in bescherming genomen en hoewel overziend de gevolgen opgedragen weer aan het werk te gaan, daar hij zo'n behandeling naar de hopelijk nog enigszins geldende normen en waarden in een ontwikkeld land als Nederland NIET verplicht is te ondergaan, zelfs niet tijdens een hoorzitting van de DW.

Daar het zelfs tot de heer H. doordrong dat hij niet één maar meerdere grenzen grof overschreden had, dimde hij in en werd de rest van de hoorzitting in sneltreinvaart afgehandeld.

Hoewel wij als eindverantwoordelijke van het autobedrijf A. Harderwijk normaliter voor de absolute 100% instaan voor al het handelen van onze medewerkers, konden wij dit na dit alles niet meer tov de eventuele latere aanwezigheid van de heer H. bij ons bedrijf en neemt u alstublieft van ons aan dat al ons personeel bestaat uit normale hardwerkende eerlijke mensen met respect voor mens en milieu, dus realiseert u zich zeer dat wij dit standpunt dus niet maar heel gemakkelijk innamen daar wij natuurlijk artikel 11 en 54 kennen en daarom hebben wij op een hele eerlijke transparante en absoluut niet op de spits drijvende manier dit standpunt per brief van 2002-03-13 en 2002-03-30 aan de DW kenbaar gemaakt (…).

Dat daar wel spitsopdrijvend gedacht wordt blijkt wel uit het feit dat koste wat het kost dhr H. de herschouwing moest en zou doen, er werd zelfs doordat ik hier tegen protesteerde, door de heer H. mij telefonisch meegedeeld dat het dan wel een heel poosje kon gaan duren voordat wij de erkenning weer terugkregen.

Zo voor een onmogelijk te passeren machtsblok van zowel regiokantoor Zwolle als het hoofdkantoor Zoetermeer gesteld zijnde, hebben wij dus wel in moeten stemmen met de herschouwing door de heer H. en het moge u duidelijk zijn dat dit een mensonterende vertoning werd doordrenkt met overwinningsroes van de heer H., ter verduidelijking van de menselijke gevoelens is tijdens de dag van de herschouwing als voorzorgsmaatregel de keurmeester dhr L. te werk gesteld in een ander bedrijf en is de bedrijfsleider en de rest van de medewerkers zeer strikt geboden om zich op geen enkele manier zich tot de heer H. te richten, dit alles louter ter voorkoming van onze kant van escalatie.

Enkel doordat ik wel voor mezelf in moest staan en mezelf figuurlijk gesproken een drie dubbele olifantenhuid had aangemeten voor die ontmoeting met dhr H. heeft deze herschouwing kunnen plaatsvinden en dat dhr Ha. in zijn brief van 21-08 onder punt 2 DURFT neer te schrijven dat de herschouwing, hoewel hij er zelf niet bij was, correct is uitgevoerd is een gotspe van de hoogste categorie, want bureaucratisch gezien heeft er wel een herschouwing plaatsgevonden, maar desondanks die figuurlijke gebruikte olifantenhuiden, kan ik als weldenkend mens en als ondernemer met al zijn verantwoordelijkheden na deze misselijkmakende geschiedenis zo langzamerhand zelfs niet meer voor mezelf instaan.

(…)

Al het u nu meegedeelde commentaar onzerzijds (…) lijkt mij geheel duidelijk, enkel willen wij nog wel nadrukkelijk kwijt, nl dat wij in alle brieven de volle 100% medewerking aan elke andere normale DW medewerker of medewerkster toegezegd hebben en daar wij dus duidelijk altijd van goede wil zijn geweest en dit ook blijven en daarom is en blijft het handelen van de DW o.a. in en door het persoon dhr H. misplaatst en schokkend provocerend onmenselijk.”

E. Reactie Dienst Wegverkeer

Bij brief van 8 november 2002 reageerde de RDW op vragen van de Nationale ombudsman, alsmede op verzoekers brief van 21 september 2002 onder meer als volgt:

“Zoals vermeld in mijn eerdere brief van 21 augustus vindt wel een bepaalde vorm van vooraankondiging plaats, in die zin dat tenminste eenmaal per 2 jaar een herschouwing plaats zal vinden op basis van artikel 54 van de Erkenningsregeling APK. Aan een dergelijke herschouwing ligt niet, zoals klager aangeeft voor andere toezichthouders, als politie, douane en FIOD, een vermoeden van fraude ten grondslag. Het betreft een onderzoek of de erkenninghouder alsmede de keuringsplaats nog voldoen aan de in hoofdstuk 2 opgenomen erkenningseisen alsmede of de in hoofdstuk 6 opgenomen erkenningvoorschriften van de Erkenningsregeling heeft nageleefd. Eisen en voorschriften waar overigens ingevolge artikel 34 van de Erkenningsregeling voortdurend aan voldaan dient te worden. Dat de door de RDW op deze regeling gebaseerde werkwijze in strijd met de wet zou zijn, dan wel in strijd met de geldende Nederlandse normen van fatsoen kan ik niet onderschrijven. Temeer niet nu het een grotendeels administratieve controle betreft die niet voortdurend de aanwezigheid van de erkenninghouder vereist.

Indien sprake is van een tijdelijke intrekking is een -extra- herschouwing vereist teneinde te kunnen controleren of het bedrijf nog aan de erkenningseisen voldoet nu het gedurende enige tijd niet gebruik heeft mogen maken van die erkenning. In deze situatie wordt van de zijde van de RDW wel een afspraak gemaakt teneinde vooraf te controleren of de erkenninghouder de bedrijfsactiviteiten op die locatie ten aanzien van periodieke keuringen wenst voort te zetten. De kosten voor de -extra- herschouwing worden ook in rekening gebracht aan de betreffende erkenninghouder.

(…)

Ik was niet op de hoogte van een conflict met de heer H.. Wel was ik door klager op de hoogte gesteld van zijn beleving van de door de heer H. uitgevoerde herschouwing, alsmede het feit dat hij de heer H. geen toegang meer wenste te geven tot zijn keuringsplaats. Klager is hierover toen schriftelijk bij brief van 15 maart 2002 geïnformeerd, zoals ik reeds in mijn eerder schrijven heb medegedeeld. Naar aanleiding van de correspondentie van klager heeft dezerzijds overleg plaatsgevonden tussen de heer P. en de heer E. Uitkomst van dit overleg was dat de herschouwing door de heer H. op een correcte wijze was uitgevoerd en er geen bezwaren aan de zijde van de RDW lagen die er toe zouden nopen de herschouwing door een andere functionaris uit te laten voeren. Wel is voor specifiek deze herschouwing afgesproken dat de heer E. "stand-by" zou zijn ingeval klager dan wel de heer H. van oordeel zouden zijn dat gedurende de feitelijke uitvoering van de herschouwing zich onregelmatigheden voor zouden doen. Dit is aan klager medegedeeld door de heer P. Vervolgens is de herschouwing uitgevoerd zonder dat van de zijde van klager of de heer H. een beroep is gedaan op de heer E.

Met betrekking tot de organisatie van een RDW regio deel ik u mede dat de regio's, Noord, Zuid en West, zijn onderverdeeld in werkgebieden waar één bedrijfsinspecteur de schouwingen, herschouwingen, het horen, en de procedures ex artikel 90 en 91 van de Wegenverkeerswet 1994 tot zijn taak heeft. Een regio beschikt derhalve over meerdere bedrijfsinspecteurs. Slechts ingeval van langdurige ziekte, dan wel gedurende acute situaties tijdens vakantie, opereren de bedrijfsinspecteurs bij uitzondering in het werkgebied van een collega. Onderhavige herschouwing heeft geen aanleiding gegeven om van de normale gang van zaken af te wijken.”

F. reactie betrokken ambtenaar

De heer H., bedrijfsinspecteur RDW regio Noord, reageerde als betrokken ambtenaar bij de brief van 4 december 2002 onder meer als volgt op de klacht:

“Gaarne wil ik u een uitleg geven van de herschouwing op 5 oktober 2001, de horing op 9 oktober 2001 en de herschouwing na de intrekking van de APK-erkenning, (…) onder de naam A. op 4 juni 2002.

De periodieke herschouwing APK-erkenning op 5 oktober 2001 heeft onaangekondigd plaatsgevonden zoals het beleid van de RDW altijd is geweest conform de Erkenningsregeling APK. Bij het betreden van het bedrijf heb ik mij direct bekend gemaakt bij de bedrijfsleider, dat ik als bedrijfsinspecteur van de RDW een herschouwing kwam uitvoeren in het kader van de APK-Erkenning. De bedrijfsleider gaf aan dat hij het erg druk had en dat ik dan maar even moest wachten. Als bedrijfsinspecteur heb ik daar geen problemen mee omdat een onaangekondigde herschouwing in de bedrijfsvoering ingepast dient te worden. Het overleg hierover liep geheel normaal en mij werd een kop koffie aangeboden en heb toen plaats kunnen nemen in een ruimte waar de computer voor het afmelden van de gekeurde auto's ook stond opgesteld.

Na verloop van tijd kwam de APK-keurmeester, de heer L., om samen de herschouwing uit te voeren. Tijdens de herschouwing hebben wij het nog even gehad over zijn vorige werkplek bij A. te Nunspeet, waarvan ik hem nog kende. Tijdens de herschouwing kregen wij nog een kop koffie van zijn vrouw, die op dat moment ook in het bedrijf te Harderwijk werkte. De herschouwing vond in mijn ogen in een prettige sfeer plaats en er was geen sprake van een gespannen situatie of iets dergelijks.

Uit de te controleren papieren bleek dat de heer L. op dat moment de enige APK-keurmeester was in het bedrijf. De bedrijfsleider, de heer B. kwam binnen en meldde dat hij een auto APK goedgekeurd ging afmelden. Ik heb toen aangegeven dat hij dat niet moest doen omdat hij geen APK-keurmeester is en dat ik van de RDW ben en als hij toch een afmelding deed hij dan de bedrijfsleider met een lange "IJ" kon worden. De heer B. deelde toen mede dat hij alleen de computer ging opstarten en dat de heer L. de auto ging afmelden. De computer werd opgestart en de heer L. werd toen bij de computer geroepen om af te melden. Ik heb toen te kennen gegeven dat ik even mee ging kijken hoe de afmelding in zijn werk zou gaan. Tot mijn grote verbazing drukte de heer L. alleen maar een toets in en de afmelding werd in het afmeldsysteem geëffectueerd. Hieruit bleek dat de heer L. zijn pincode had afgestaan aan het bedrijf, doordat de pincode vast in de computer is gezet, waardoor de medewerker van A., in dit geval de bedrijfsleider, ook onbevoegd een APK-afmelding kan uitvoeren.(De keurmeester draagt er zorg voor dat de aan hem, ten behoeve van datacommunicatie, verstrekte pincode niet toegankelijk is voor anderen, dit is een overtreding van artikel 40, tweede lid en artikel 44, derde lid onder a van de Erkenningsregeling APK). Namens de RDW heb ik gewaarschuwd om de computer toch niet op te starten om een APK afmelding uit te voeren. Tijdens het verdere verloop van de herschouwing zijn nog verschillende overtredingen van de APK-regelgeving geconstateerd. De herschouwing heeft ook hierna op een normale wijze plaatsgevonden.

Na de herschouwing heb ik telefonisch een afspraak gemaakt met de heer G., die op dat moment op de lokatie Nunspeet vertoefde, voor een horing op 9 oktober 2001. Het betreffende telefoongesprek verliep niet al te prettig omdat de heer G. vond dat een horing niet nodig was en dat hij van mening was dat het bedrijf het altijd op deze wijze goed deed.

De horing op 9 oktober 2001 heeft wel in een gespannen sfeer plaatsgevonden, daar de heer G. nog steeds van mening was dat hij en zijn bedrijf het altijd op deze wijze goed deden, en dat wanneer de pincode vast in de computer staat, de beveiliging toch gehandhaafd bleef. Op een gegeven moment liep de emotie bij de heer G. erg hoog op en hij deelde mij mede dat hij een heel slecht weekend had gehad, daar hij 3 of 4 keer op het politiebureau was geweest, omdat er iets heel ergs met zijn dochter was gebeurd. Ik heb hem toen aangeboden om de horing onmiddellijk te stoppen en afspraak te maken op een andere dag. Na enig overleg heeft de heer G. medegedeeld dat het wel weer ging en verzocht toch de horing af te maken. Tijdens de gehele horing heb ik mij zeer correct gedragen, daar er ook geen enkele aanleiding was om mijn persoonlijke mening kenbaar te maken omdat de horing namens de RDW plaatsvindt. Het is vanuit de RDW-organisatie niet toegestaan om tijdens de horing mededelingen te doen anders dan de regelgeving voorschrijft.

De horing van de heer L. heeft ook op een normale wijze plaatsgevonden en het is mij niet opgevallen dat de heer L. problemen had met de door mij uitgevoerde horing.

Ten behoeve van een herschouwing na beëindiging van een tijdelijke sanctie heb ik getracht per telefoon een afspraak te maken. De heer G. wilde mij niet toelaten tot zijn bedrijf, waarna er een uitwisseling van argumenten met andere medewerkers van de RDW heeft plaatsgevonden (o.a. de regiomanager en hoofd Juridisch en Bestuurlijke Zaken). Aan mij is vervolgens intern aangegeven dat er geen andere collega zou worden gestuurd, en ik heb vervolgens weer een afspraak proberen te maken. Tijdens dat telefoongesprek heb ik op basis van het besluit om geen andere collega te sturen aangegeven, dat als de heer G. met mij geen afspraak wilde gaan maken, het niet tot een heractivering van zijn gesanctioneerde erkenning zou kunnen komen.

De herschouwing na de intrekking van de APK-erkenning op 4 juni 2002 heeft plaatsgevonden in een in mijn beleving onvriendelijke sfeer. Ik treed het bedrijf/personen open tegemoet, ook al is er een eerdere sanctie geweest. De controle vindt volgens de normale procedure plaats.

Dat op 4 juni 2002 de sfeer niet goed was, lag in mijn ogen geheel aan de opstelling van de heer G. Ik heb nog geprobeerd om kou uit de lucht te halen door voor te stellen samen een kop koffie te drinken en de eventuele problemen te bespreken. De heer G. wees dit af en een kop koffie kreeg ik ook niet, was zijn mededeling. Op dat moment heb ik dan ook maar besloten de herschouwing formeel af te handelen en zo spoedig mogelijk te vertrekken. Nogmaals, ik heb mij correct gedragen en ook als zodanig opgesteld en van een provocerend gedrag is vanuit mijn kant is dan ook geen sprake geweest.

Ik distantieer mij ook van de gebruikte terminologie, zoals dat door de heer G. is gebruikt, en ik de indruk heb dat hij nu zijn pijlen op mijn persoon richt.

Ik blijf ook in de toekomst het bedrijf op een professionele manier benaderen en zal het verleden dan ook niet meenemen in een toekomstig contact met het bedrijf.”

G. Nadere reactie verzoeker

1. Bij brief van 11 december 2002 reageerde verzoeker op de brief van 8 november 2002 van de RDW. Verzoeker persisteerde bij zijn eerder ingenomen standpunt. Voor het overige deelde hij onder meer nog het volgende mee:

“Dat een herschouwing nodig is na de intrekking van de erkenning om te kunnen controleren of het bedrijf nog aan de erkenningeisen voldoet, is ons inziens lariekoek, daar tijdens de horing, na de eerste herschouwing van 5 oktober 2001, reeds gecontroleerd is of ons bedrijf weer geheel correct was. Dhr H. heeft op ons nadrukkelijke verzoek ook getekend voor algeheel akkoord. Dat hij bij de tweede herschouwing na de sanctie werkelijk alles weer tot in het extreme bij ons controleerde, hebben wij als mens zijnde (…), als zeer asociaal en onmenselijk ervaren en absoluut in strijd met de woorden van dhr Ha. dat er GEEN grondslag is van vermoeden van fraude.

(…)

Op dit punt kan ik u enkel meedelen dat dhr Ha. dingen opschrijft die niet als de waarheid kunnen worden beschouwd en dus als leugens betiteld mogen worden, doch zoals u kunt lezen geeft hij de leugen zelf aan, want eerst schrijft hij “ik was niet op de hoogte van.......” en in de volgende zin schrijft hij “wel was ik door klager op de hoogte gesteld van......”, en daar mijn brief van 13 maart 2002 over de problematiek met dhr H. aan de RDW niets aan duidelijkheid overlaat, is het een vaststaand feit dat dhr Ha. vanaf het eerste begin op de hoogte was van deze conflictsituatie en heeft hij dus geen enkele actie ondernomen of gedelegeerd om deze situatie te deëscaleren, waar hij uit zijn hoofde van zijn functie, maar nog meer als mens, verplicht toe is.

(…) Wederom is dhr Ha. niet goed op de hoogte of worden er bewust dingen verdraaid, want niet naar aanleiding van correspondentie is overleg geweest tussen dhr P. (Zoetermeer) en dhr E. (Zwolle). Nee, dit overleg is er geweest, omdat ondergetekende, nog geheel perplex van het telefoongesprek met dhr H., zelf direct telefonisch contact heeft gezocht met dhr P. om de situatie niet te laten escaleren, omdat onze erkenning terugkrijgen het allerbelangrijkste was op dat moment. Dhr P. deed de toezegging om Zwolle te benaderen ter oplossing en ter doorgaan van een zo spoedig mogelijke herschouwing, doch hij moest de dag erna ons toch meedelen dat ook hij er niet in geslaagd was een menselijke oplossing te bereiken en dus bleek de enigste RDW-optie, dat dhr H., tegen ieder weldenkend normbesef in, deze schouwing moest en zou uitvoeren.

(…) Correcte wijze, daar de RDW maar blijft volhouden dat alles zo correct was wat dhr H. doet, waarom dan de zogenaamde 'stand-by' oplossing vanaf de kant van de RDW, waar ondergetekende natuurlijk zonder keus hebbende mee akkoord moest gaan, wetende dat A. als bedrijf zijnde of ondergetekende persoonlijk nooit gebruik kon maken van die 'stand-by' optie van dhr E., hoe dhr H. die herschouwing ook zal uitvoeren, daar was dhr H. al telefonisch zeer machtwellustig duidelijk in geweest, nl nog langer niet mogen keuren door zijn tegenwerking. Dat dhr H. tijdens de herschouwing ook geen gebruik heeft moeten maken van de 'stand-by' optie, is absoluut niet te wijten aan een menselijke correcte uitgevoerde schouwing, doch daar ondergetekende, en dat hebben wij u reeds in eerdere brieven duidelijk gemaakt, als enigste doel had een zo snel mogelijke heraansluiting APK-erkenning en daarvoor qua personele bezetting op moment schouwing alle voorzorgsmaatregelen had getroffen en duidelijke deëscalatie afspraken had gemaakt met het wel aanwezige personeel en last but not least dat ondergetekende een figuurlijke olifantenhuid had aangemeten, die zo dik was dat zelfs dhr H. daar niet doorheen kon komen en zo onze APK-erkenning aansluiting zou kunnen traineren. Na deze schouwing gedwongen te hebben moeten ondergaan, moet het wel van mijn hart dat wij ontzag hebben gekregen voor de spraakwoordelijke olifantenhuid, daar het dhr H. zowat lukte om door zijn a-sociale machtwellustige houding hier huidschade aan te richten en nogmaals enkel het feit dat wij als bedrijf zijnde niet nog meer APK-schade kunnen lijden en daar dus mijn voornemens waren om echt alles over mij heen te laten komen, is deze schouwing uitgevoerd zonder gebruik te maken van die zogenaamde 'stand-by' oplossing. Wat trouwens de 'stand-by' op 45 km afstand kon doen bij eventuele escalatie, dat kon dhr P. mij ook niet duidelijk maken, toen ik hem daar specifiek om vroeg.

(…)Wederom geeft de RDW hier u bewust de verkeerde informatie, daar het absoluut niet waar is dat er maar één bedrijfsinspecteur in een bepaald werkgebied werkzaam is en dit kunnen wij indien nodig schriftelijk bewijzen, daar er het simpele feit ligt dat wij als bedrijf zijnde in de loop der jaren reeds meerdere malen geherschouwd zijn en dat dit dus door verschillende bedrijfsinspecteurs is gedaan in die verschillende jaren.”

2. Verzoeker reageerde bij brief van 27 december 2002 op de brief van 4 december 2002 van de betrokken ambtenaar. Verzoeker liet in zijn brief onder meer het volgende weten:

“Wel heel erg kort door de bocht doet dhr H. hier alsof er totaal niets aan de hand zou zijn en dat de totale herschouwing volgens zijn uitleg - in een prettige sfeer --- is gegaan, het moge u aan de hand van de huidige situatie duidelijk zijn dat dit ver beneden de waarheid is, daar het ieder weldenkend mens wel duidelijk is dat zowel de bedrijfsleider als de keurmeester totaal overdonderd waren door de hautaine en zeer monopolistische houding van de heer die volgde op zijn constatering dat hij gewoon op zijn beurt moest wachten en daarna als represaille ons bedrijf tot aan het overdrevene af doorlichtte om maar alles te vinden wat er mogelijk te vinden was (…)

Wederom geeft dhr H. een uitleg die niet de waarheid weergeeft, daar hij in gedeelte B net doet alsof hij de goedheid zelve is geweest op dat moment en zogenaamd meerdere keren heeft geprobeerd te voorkomen dat een auto afgemeld zou worden en dat hij dan zogenaamd iets fout zou zien en dit zou moeten opschrijven en zogenaamd wij hij dit voorkomen, de enigste waarheid is dat omdat die auto klaar stond om afgemeld te worden en de eigenaresse van die auto hem rond die tijd zou ophalen, dat daarom de bedrijfsleider uit verantwoording van die functie, alvast de kenteken en kilometer gegevens intikte en daarna gewoon ruimte maakte voor de keurmeester die de auto daarop afmeldde, dit alles in de aanwezigheid van de heer H. daar beiden handelden in de volle overtuiging van juist en correct handelen conform RDW reglement, en de heer H. reageerde pas toen de afmelding was weggezonden via de computer door de keurmeester en dat dit handelen volgens zijn zienswijze in strijd zal zijn met art 40, dat zowel de bedrijfsleider en de keurmeester totaal overdonderd waren moge duidelijk zijn, daar wij er totaal, de softwareleverancier trouwens ook, vanuit gingen compleet te goeder trouw te handelen.

(…)

Op dit punt gekomen te zijn heb ik wel enige momenten moeten nadenken hoe ik hier mijn woorden zou neerschrijven daar ik u hierbij verklaar dat ik zeer ongaarne een ander mens van opzettelijk liegen beticht, maar andere woorden dan opzettelijk liegen heb ik voor gedeelte C niet. Aan het einde van deze herschouwing [te uwer informatie vermeld ik u hierbij het feit dat volgens onze gegevens onze beide bedrijven in de loop der jaren reeds 13 maal geschouwd zijn en er nooit enig feit is geconstateerd dat zelfs maar een waarschuwing waard was] dat aan het eind van die schouwing ik werd gebeld op ons bedrijf te Nunspeet, totaal onwetende van de situatie op dat moment in ons bedrijf te Harderwijk, door de keurmeester L. met de mededeling dat er enige dingen fout waren bevonden met de schouwing en dat er een afspraak gemaakt moest worden voor een horing en dat de heer H. die direct wou plannen, daarop heeft hij de hoorn aan de heer H. gegeven en heb ik, nogmaals hier nadrukkelijk verklaard totaal onwetend van alles wat in Harderwijk tijdens die herschouwing geschied was, een afspraak met de heer H. gemaakt voor al 2 dagen daarna, want dat herinner ik mij nog heel nadrukkelijk, dat dat de enigste datum voor de heer H. was op korte termijn en dat het anders een langere tijd ging duren voor de horing kon plaatsvinden en daar ondergetekende er van uit ging dat alles binnen 1 dag hersteld kon worden, zodat de RDW van de mogelijkheid die zij heeft om een bedrijf te waarschuwen gebruik zou maken en dus alles binnen 24 uur geregeld zou kunnen zijn.

(…)

Hoewel ik persoonlijk over dit gedeelte (…) eigenlijk weinig wil vermelden omdat het totaal niet van invloed is geweest op de gang van zaken tijdens de horing van 9-10-2001, maar daar de heer H.'s verslag anders doet vermelden, verklaart ondergetekende hierbij dat ik enkel voor aanvang van die horing het persoonlijke feit dat er dat weekend iets met onze dochter gebeurd was aan dhr H. heel summier gemeld heb en dat enkel voor de mogelijkheid, daar ik nu duidelijkheid had hoe dhr H. die vrijdag ervoor had gehandeld en dus die mogelijkheid was volgens mij zeer wel denkbaar, dat als het mij op enig moment tijdens die horing teveel zou worden, dat ik dan op persoonlijk titel tot stopzetting van de horing zou verzoeken, want buiten ondernemer ben ik natuurlijk eerst een gewoon mens.

Maar als mens en ondernemer is die maandagmorgen gewoon de week weer voor mij begonnen, daar ik naast de verantwoording als vader ook een verantwoording als werkgever heb en heb ik dus maandag gewoon mijn werkzaamheden gestart en heb er dus die maandag onder andere voor gezorgd dat alle gevonden gebreken, exclusief de pincode want die was vrijdagmiddag direct hersteld toen de heer H. dit zonodig als fout constateerde en opschreef, op maandag middag voor 100% hersteld waren. (…)

En als zijn vrouw diverse dagen na de horing meldt dat hij diverse slapeloze nachten heeft gehad door de gehele gang van zaken, dan laat ik gaarne de woorden van de heer H. dat dhr L. geen problemen heeft gehad met de door de heer H. uitgevoerde horing, geheel ter verantwoording van de heer H.

(…)

Gaarne had ik gewild dat u bij deze herschouwing (van 4 juni 2002; N.o.) aanwezig was geweest want dan hadden we samen een vieze smaak in onze mond, (…), ik heb mij correct gedragen en geen provocerend gedrag (…).

Reeds eerder hebben wij uitleg gegeven over deze afschuwelijke schouwing, die een toonbeeld was van fundamentalistisch dictatoriaal gedrag van de heer H. van het paradigma genaamd RDW. Daar wij dus gedwongen werden door het laatste telefoontje van de heer P. tot ontvangst van de heer H., heb ik met de heer P. de duidelijk afspraak gemaakt dat de heer H. er stipt om 9.00 uur er zou zijn, de schouwing zou doen en direct zou vertrekken, dit alles niet door onwil vanaf onze kant doch simpel ter gevolg van al het bovenstaande, vanaf onze kant had ik alles in de showroom klaargelegd tot en met het gereedschap aan toe zodat een confrontatie met onze, neemt u maar van mij aan nog tot op het bot gekrenkte medewerkers, vermeden zou worden en de heer L. was voor die ochtend in ons bedrijf te Nunspeet te werk gesteld. De heer H. heb ik na zijn voor ons gevoel triomfantelijke binnenkomst, plaats gegeven aan de showroomtafel en heb hem verzocht om volgens de afspraak met de heer P. de schouwing uit te voeren.

Tot mijn verbazing en ontsteltenis ging hij wederom zeer minutieus van start om echt alles, maar dan ook echt alles weer te controleren en dan bedoelen we dus ook alles wat hij bij de herschouwing en horing reeds uitentreuren gecontroleerd had en voor akkoord had getekend.

Hij ging zelfs expres de confrontatie met onze medewerkers aan door er op te staan dat hij in de werkplaats de apparatuur moest controleren terwijl die daar reeds jaren staan en hij dus die met de herschouwing reeds gecontroleerd had en waar hij dus reeds nu wederom in de showroom alle papieren zeer uitvoerig van gecontroleerd had.”

H. nadere reactie dienst wegverkeer

Bij brief van 28 februari 2003 liet de RDW onder meer het volgende weten:

“Allereerst wil ik benadrukken dat de zaak over het onjuist gebruik van de keurmeesterpincode een zaak betreft waar de RDW door de Raad van State in het gelijk is gesteld. Het meedelen van de pincode aan derden en derhalve ook het vrij toegankelijk maken van systemen die door andere medewerkers van het bedrijf zijn te benaderen, is gesanctioneerd conform het bekendgemaakte beleid van de Erkenningsregeling APK en Toezichtbeleidsbrief APK.

Na afloop van de opgelegde sanctie dient te allen tijde een schouwing plaats te vinden, teneinde vast te kunnen stellen of de keuringsinstantie volledig voldoet aan de in de regelgeving vastgelegde eisen. Deze verplichte schouwing wordt altijd van tevoren aangekondigd. De RDW heeft besloten niet een andere medewerker dan de heer H. de schouwing te laten verrichten, aangezien de heer H. bekend staat als iemand die zijn werk op correcte wijze uitvoert en de heer G. op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat de heer H. zijn werk niet naar behoren zou kunnen uitvoeren. Bovenstaande zaken dienen dan ook niet te worden betrokken in de klacht van de heer G. aan het adres van de heer H.

Over hetgeen de heer G. schrijft bij (…) meld ik u dat de RDW bij constatering van een overtreding op korte termijn overgaat tot het verrichten van een horing en indien daartoe aanleiding bestaat, tot het opleggen van een sanctie. Dit is in ieder geval zo bij een verkeerd gebruik van de keurmeesterpincode, hetgeen gezien wordt als een ernstige overtreding. Ten aanzien van (…) meld ik u dat de bedrijfsinspecteur voornoemde horing uitvoert, waarbij de erkenninghouder en in dit geval de desbetreffende keurmeester de gelegenheid hebben om aan te geven welke feiten en omstandigheden hebben geleid tot de overtreding. De bedrijfsinspecteur heeft geen invloed op de afweging om al dan niet over te gaan tot het opleggen van een sanctie.

Ten aanzien van (…) merk ik op dat de heer H. heeft getracht een afspraak voor de schouwing te maken. Daarbij is tevens aangegeven dat indien geen afspraak kon worden gemaakt het hervatten van de erkenning niet mogelijk is. Voornoemd standpunt was overigens reeds separaat aan de heer G. kenbaar gemaakt. Dit punt past dus ook niet binnen de klacht over de heer H.

Ten aanzien van (…) over de uitgevoerde schouwing verwijs ik naar hetgeen hierboven is vermeld ten aanzien van het uitvoeren van de schouwing teneinde vast te kunnen stellen of de keuringsinstantie weer volledig voldoet aan de eisen zoals deze zijn vastgelegd in de regelgeving.”

I. nadere reactie verzoeker

Bij brief van 11 april 2003 reageerde verzoeker op de hiervóór onder H. weergegeven brief van de RDW. Verzoeker handhaafde zijn standpunt.

Achtergrond

1. Wegenverkeerswet 1994

Artikel 4b, eerste lid, aanhef, en onder j en k:

“1. De Dienst Wegverkeer is belast met de volgende taken:

(…)

j. het verlenen van erkenningen als bedoeld in de artikelen 62, 70a, 83 en 101, en het verlenen van de bevoegdheid voertuigen aan een keuring te onderwerpen als bedoeld in artikel 85a alsmede het schorsen, wijzigen en intrekken van erkenningen en van de bevoegdheid voertuigen aan een keuring te onderwerpen,

k. het houden van toezicht op de naleving van de verplichtingen die voortvloeien uit de in onderdeel j bedoelde erkenningen en van de bevoegdheid voertuigen aan een keuring te onderwerpen”

Artikel 4g:

“1. De directie vertegenwoordigt de Dienst Wegverkeer in en buiten rechte.

2. De directie kan onder haar verantwoordelijkheid de vertegenwoordiging, bedoeld in het eerste lid, opdragen aan een of meer directieleden of andere personen. Zij kan bepalen dat deze vertegenwoordiging uitsluitend betrekking heeft op bepaalde onderdelen van de taak van de Dienst Wegverkeer dan wel op bepaalde aangelegenheden.”

Artikel 62, eerste lid:

“1. De Dienst Wegverkeer kan aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon een erkenning verlenen waardoor deze gerechtigd is motorrijtuigen en aanhangwagens, waarvan hij de eigendom heeft verkregen, in zijn bedrijfsvoorraad op te nemen.”

Artikel 64, eerste en derde lid:

“1. Met het toezicht op de naleving van de uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen zijn belast de bij besluit van de Dienst Wegverkeer aangewezen ambtenaren. Van een zodanig besluit wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant. Het toezicht omvat in ieder geval het periodiek controleren van de bedrijfsvoorraad van degene aan wie de erkenning is verleend en van de ter zake van die bedrijfsvoorraad door deze gevoerde administratie.

(…)

3. Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld betreffende de wijze waarop het toezicht wordt gehouden en de verplichting tot medewerking daaraan van degene aan wie een erkenning is verleend. Deze regels kunnen inhouden dat een verscherpt toezicht wordt gehouden indien blijkt dat wordt gehandeld in strijd met een of meer uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen.”

Artikel 83, eerste lid:

“1. De Dienst Wegverkeer kan aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon een erkenning verlenen waardoor deze gerechtigd is keuringsrapporten af te geven voor motorrijtuigen en aanhangwagens, waarvoor artikel 72 geldt, met uitzondering van bussen als bedoeld in de Wet personenvervoer 2000.”

Artikel 85a, eerste lid:

“1. De Dienst Wegverkeer kan aan een natuurlijke persoon de bevoegdheid verlenen motorrijtuigen en aanhangwagens, waarvoor artikel 72 geldt, met uitzondering van bussen als bedoeld in de Wet personenvervoer, aan een keuring te onderwerpen. Ten bewijze van deze bevoegdheid verstrekt de Dienst Wegverkeer de betrokken persoon een bevoegdheidspas.”

Artikel 86, eerste en zesde lid:

“1. De Dienst Wegverkeer onderwerpt ten minste drie van elke honderd voertuigen na een verrichte keuring steekproefsgewijs aan een herkeuring met het oog op het toezicht op:

a. de juiste uitvoering van de keuring;

b. het aan een keuring onderwerpen door daartoe bevoegde natuurlijke personen.

(…)

6. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden vastgesteld betreffende de wijze waarop de steekproef wordt uitgevoerd, alsmede betreffende de verplichting tot medewerking daaraan van de eigenaar of houder. Deze regels kunnen inhouden dat een verscherpt toezicht wordt gehouden indien blijkt dat wordt gehandeld in strijd met een of meer uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen of in strijd met een of meer uit de bevoegdheid voertuigen aan een keuring te onderwerpen voortvloeiende verplichtingen.”

2. Erkenningsregeling APK

Artikel 40, tweede lid:

“De keurmeester draagt er zorg voor dat de aan hem, ten behoeve van datacommunicatie, verstrekte pincode niet toegankelijk is voor anderen.”

Artikel 44, eerste tot en met derde lid, aanhef en onder a:

“1. Het bepaalde in het tweede tot en met vijfde lid wordt in acht genomen alvorens het keuringsrapport aan de aanvrager wordt afgegeven.

2. Alvorens tot het afmelden van een voertuig als bedoeld in het derde lid wordt overgegaan, wordt door de keurmeester die het voertuig afmeldt nagegaan of de keuring heeft plaatsgevonden alsmede of aan de verplichtingen in artikel 43 is voldaan.

3. Het voertuig wordt door middel van datacommunicatie bij de Dienst Wegverkeer afgemeld onder verstrekking van de volgende gegevens:

a. het pasnummer en de pincode van de keurmeester.”

Artikel 45, eerste lid en vijfde lid, aanhef en onder a en e:

“1. Indien het voertuig blijkens mededeling van de Dienst Wegverkeer aan een steekproef wordt onderworpen, gelden de in het tweede tot en met zesde lid genoemde verplichtingen.

(…)

5. Aan een steekproef wordt alle medewerking verleend en de terzake door de Dienst Wegverkeer gegeven aanwijzingen worden in acht genomen. Onder alle medewerking wordt in ieder geval verstaan dat:

a. bij uitsluiting de keurmeester die het voertuig aan een keuring heeft onderworpen, gedurende de gehele steekproef aanwezig is en zelf feitelijke assistentie verleent bij het uitvoeren van de steekproef;

(…)

e. de desbetreffende ruimte en apparatuur gedurende de steekproef beschikbaar worden gesteld.”

Artikel 52:

“Onverminderd artikel 45, vijfde lid, wordt in het kader van het toezicht alle medewerking aan de daartoe aangewezen functionaris van de Dienst Wegverkeer verleend. Hieronder wordt in ieder geval verstaan:

a. het verlenen van toegang tot de keuringsruimte;

b. het verstrekken van inlichtingen;

c. het overleggen van bescheiden; en

d. het gebruik maken van de benodigde apparatuur.

De door de Dienst Wegverkeer aangegeven aanwijzingen worden in acht genomen.”

Artikel 54:

“1. Nadat een erkenning is verleend wordt ten minste één maal per twee jaar door een daartoe aangewezen functionaris van de Dienst Wegverkeer door middel van een herschouwing onderzocht of de erkenninghouder alsmede de keuringsplaats nog voldoen aan de in hoofdstuk 2 opgenomen erkenningseisen alsmede of de in hoofdstuk 6 opgenomen voorschriften worden nageleefd. Deze controle kan tevens plaatsvinden in het kader van een steekproef van het voertuig.

2. Het resultaat van de herschouwing telt mee in een door de Dienst Wegverkeer vastgesteld en bekendgemaakt systeem van strafpunten.”

3. Regeling erkenning bedrijfsvoorraad

Artikel 11, eerste en tweede lid:

1. Het toezicht op het erkende bedrijf bestaat uit het uitvoeren van periodieke controles door de daartoe bevoegde ambtenaren. Deze controles kunnen frequenter plaatsvinden indien het vermoeden bestaat dat het erkende bedrijf de in het kader van de erkenning geldende eisen en voorschriften niet nakomt.

2. De in het eerste lid bedoelde ambtenaren moeten desgevraagd behoorlijk in de gelegenheid worden gesteld te onderzoeken of het erkende bedrijf voldoet aan de gestelde eisen en voorschriften.

Het erkende bedrijf dient inzage te geven in de met betrekking tot de erkenning en bevoegdheden te voeren administratie en het in artikel 6, tweede lid, onderdeel f, bedoelde kwaliteitshandboek. Tevens dient het erkende bedrijf op verzoek van bedoelde ambtenaren de aanwezige kentekenbewijzen en voertuigen te tonen.”

4. Toezichtbeleid APK erkenningshouders/1 maart 2000

1. Toezicht

1.1 Basis toezicht

Op basis van de Wegenverkeerswet 1994 wordt toezicht gehouden op de erkenninghouders en de keurmeesters.

In deze brief wordt steeds, als wordt gesproken van een erkenning, daar ook onder verstaan de keuringsplaats(en) en de mobiele keuringseenheid, waarvoor de erkenning geldt.

(…)

1.2 Wat omvat het toezicht?

Het toezicht omvat in ieder geval:

a. het periodiek controleren (herschouwen) op de eisen en verplichtingen die gelden voor het in stand houden van de erkenning;

b. het beoordelen van de kwaliteit van de uitgevoerde keuringen door een herkeuring in de vorm van een steekproef nadat het voertuig bij de RDW is afgemeld.

1.3 Herschouwingen

Hierbij wordt u gewezen op het feit dat de herschouwingen, ten minste eenmaal per twee jaar, zonder vooraankondiging kunnen worden uitgevoerd.

1.4 Frequentie van het toezicht

Indien u zich steeds aan de eisen en voorschriften houdt, zal het toezicht door de RDW beperkt blijven tot de genoemde herschouwing, welke één maal per twee jaar wordt gehouden, en de steekproefsgewijze herkeuring op gemiddeld 3 van elke 100 afgemelde voertuigen.

2. Sancties

2.1. Algemeen

Als blijkt dat één of meerdere zaken bij u niet in orde zijn, bestaat voor de RDW de mogelijkheid om bij overtreding van de bepalingen uit de erkenningsregeling of bij verslechtering van de kwaliteit van de keuringen, aan u als erkenninghouder een sanctie op te leggen.”

5. Het toezichtbeleid op erkenningen bedrijfsvoorraad en handelaarkentekenbewijzen

“1 Inleiding

Op grond van de Wegenverkeerswet 1994 wordt door de RDW toezicht gehouden op de naleving van de regels waaraan erkende bedrijven en gebruikers van handelaarkentekens zich dienen te houden. (…)

Het toezicht wordt in beginsel uitgeoefend door middel van periodieke bedrijfsbezoeken door de bedrijvencontroleurs van de RDW. Tijdens zo'n bedrijfsbezoek zal door de bedrijvencontroleur, aan de hand van een lijst, worden nagegaan of door u als erkenninghouder c.q. als gebruiker van handelaarkentekens (nog) aan alle vereisten voor erkenning dan wel voor gebruik van handelaarkentekens wordt voldaan en of de regels worden nageleefd. U wordt er op gewezen dat deze bedrijfsbezoeken zonder vooraankondiging aan uw bedrijf worden gebracht, hetgeen betekent dat het bedrijf op normale kantoortijden bezocht moet kunnen worden.

Indien u steeds blijft voldoen aan de voorwaarden en zich aan de voorschriften houdt, zal het contact met de RDW in het kader van het toezicht beperkt blijven tot genoemde bedrijfsbezoeken.

Wanneer echter tijdens een bedrijfsbezoek blijkt dat uw bedrijf niet meer aan de eisen voldoet of in het bedrijf de voorschriften niet worden nageleefd, zal mogelijk een sanctie worden opgelegd. Bovendien kan het bedrijf onderworpen worden aan zogenaamd verscherpt toezicht, hetgeen betekent dat uw bedrijf vaker zal worden bezocht.

Ook meldingen door politie, CBM en douane kunnen leiden tot het opleggen van een sanctie door de RDW. Bovendien dient u er in een dergelijk geval rekening mee te houden dat de genoemde instanties soms een zelfstandige bevoegdheid hebben tot het opleggen van een sanctie zodat u naar aanleiding van één constatering van een overtreding met meerdere sancties te maken kunt krijgen.”

6. Uitspraak Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 4 december 2002, zaaknr 200202094/1

In de onderhavige zaak speelde de vraag of de RDW op juiste gronden de aan appellante verleende erkenning voor het verrichten van APK-keuringen voor een bepaalde duur had ingetrokken.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog onder meer als volgt:

“2.1. Ingevolge artikel 87, tweede lid, aanhef en onder f, van de Wegenverkeerswet 1994 kan de Dienst Wegverkeer een erkenning intrekken of wijzigen, indien degene aan wie de erkenning is verleend, handelt in strijd met een of meer andere dan de in de voorgaande onderdelen genoemde, uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen.

In de Erkenningsregeling APK (Stcrt. 2000, 35) zijn regels neergelegd omtrent de erkenningseisen en erkenningvoorschriften. De RDW voert met betrekking tot het toezicht op APK-erkenningshouders en het opleggen van sancties een beleid dat is neergelegd in zogeheten Toezichtbeleidsbrieven, die aan elke erkenninghouder zijn verstrekt.

(…)

2.2. De RDW heeft aan de in bezwaar gehandhaafde intrekking ten grondslag gelegd dat tijdens een herschouwing op 5 oktober 2001 is gebleken dat appellante op een voertuig geen volledige APK-keuring heeft verricht en de volgende overtredingen heeft begaan:

1. de pincode van de (APK-keurmeester) met pasnummer (…), stond vast in de computer opgeslagen om automatisch een APK goedkeur of APK afkeur te kunnen afmelden;

(…)

2.4. Niet in geschil is en de Afdeling gaat daar ook van uit dat bij de herschouwing op 5 oktober 2001 is gebleken dat de pincode van (keurmeester) met het pasnummer (…), standaard in de computer stond opgeslagen (…).

Appellante bestrijdt echter dat zij hiermee (…) de Erkenningsregeling APK heeft overtreden. Zij heeft gehandeld overeenkomstig de ratio en strekking van deze bepalingen. (…)

2.5. Dit betoog slaagt niet. De Erkenningsregeling APK bevat voorschriften omtrent de erkenningseisen en erkenningvoorschriften, waaraan de erkenninghouder zich dient te houden, ongeacht diens mening over het nut van die voorschriften.

(…)

Het betoog van appellante dat overtreding van artikel 40, tweede lid, van de Erkenningsregeling APK haar niet kan worden aangerekend, treft ook geen doel. Volgens de Toezichtbeleidsbrief kan overtreding van erkenningseisen, keuringsvoorschriften en keuringseisen aanleiding zijn een sanctie op te leggen aan, zowel de erkenninghouder, als de keurmeester. De erkenninghouder is verantwoordelijk voor een goede gang van zaken in de keuringsruimte. Wanneer in de keuringsruimte de mogelijkheid is geschapen voor anderen dan de keurmeester die het voertuig heeft gekeurd om gebruik te maken van een pincode van de keurmeester, kan overtreding van artikel 40, tweede lid, van de Erkenningsregeling APK ook de erkenninghouder worden toegerekend. Voorts laat beveiliging van de computer met twee wachtwoorden onverlet dat de pincode van (keurmeester), die ingevolge de Toezichtbeleidsbrief van 1 maart 2000 strikt persoonlijk is, stond opgeslagen in de computer en dat daarmee de mogelijkheid in het leven werd geroepen dat een ander dan de keurmeester die het voertuig heeft gekleurd daarvan gebruik maakte.”

7. Mandaatregeling Dienst Wegverkeer (Staatscourant 3 maart 2000, nr. 45/pag. 19)

“De Directie van de Dienst Wegverkeer;

Overwegende dat het wenselijk is voor de doelmatige uitvoering van de wettelijke taken door de Dienst Wegverkeer de regeling, waarbij de bevoegdheid tot het nemen van beschikkingen op een lager niveau in de organisatie is gelegd, te wijzigen;

Gelet op artikel 4g van de Wegenverkeerswet 1994,

Besluit:

Artikel 1

De aan de Directie, bij artikel 4g, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, verleende bevoegdheid wordt ten aanzien van bepaalde onderdelen van de taak van de Dienst Wegverkeer gemandateerd aan:

(…)

f. het hoofd van de afdeling Juridische en Bestuurlijke Zaken.

(…)

Artikel 6

1. De in artikel 1 genoemde functionarissen maken van het hen verleende mandaat uitsluitend gebruik, voor zover het aangelegenheden betreft die behoren tot hun werkterrein en die naar hun aard of inhoud niet een zodanig gewicht hebben dat zij behoren te worden afgedaan door de Directie.

(…)

Bijlage 1

Taakstelling (onder)afdelingen Dienst Wegverkeer

(…)

VI De afdeling Juridische en Bestuurlijke Zaken heeft tot taak:

- het voeren van een adequaat sanctie- en handhavingsbeleid inzake de wettelijke regelingen met de uitvoering waarvan de RDW is belast en de daarmee samenhangende afhandeling van bezwaar- en beroepszaken;

(…)

- het leveren van een juridisch bestuurlijke bijdrage aan de correspondentie van de RDW, en andere informatieverstrekking door de RDW;

(…)

- het afhandelen van (afdelingoverschrijdende) klachten op grond van hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht.”

8. Algemene wet bestuursrecht

Artikel 5:15, eerste lid:

“Een toezichthouder is bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, elke plaats te betreden met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner.”

Artikel 5:20, eerste lid:

“Een ieder is verplicht aan een toezichthouder binnen de door hem gestelde redelijke termijn alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden.”

Instantie: Dienst Wegverkeer

Klacht:

Onaangekondigd bezoek gebracht aan verzoeker (autobedrijf) in het kader van het uitoefenen van toezicht op naleving van de uit de erkenning APK en erkenning bedrijfsvoorraad voortvloeiende verplichtingen; verzoek om andere RDW-functionaris niet ingewilligd; brieven van verzoeker beantwoord met één brief door een medewerker die niet was aangeschreven .

Oordeel:

Niet gegrond