2000/352

Rapport

Op 22 februari 1999 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer Fo. te Haarlem, met een klacht over een gedraging van het regionale politiekorps Gooi en Vechtstreek en een klacht over een gedraging van de beheerder van het regionale politiekorps Gooi en Vechtstreek.

Naar deze gedragingen, waarbij de gedraging van het regionale politiekorps Gooi en Vechtstreek worden aangemerkt als een gedraging van de beheerder van het regionale politiekorps Gooi en Vechtstreek (de burgemeester van Hilversum), werd een onderzoek ingesteld.

Op grond van de door verzoeker verstrekte gegevens werd de klacht als volgt geformuleerd:

Verzoeker klaagt over de wijze waarop ambtenaren van het regionale politiekorps Gooi en Vechtstreek in de nacht van 13 op 14 juni 1998 tegen hem zijn opgetreden.

Met name klaagt hij er over dat (een van) de politieambtenaren:

- nadat verzoeker het politiebureau in Hilversum had bezocht en met zijn auto was weggereden, hem hebben gevolgd en aangehouden in verband met de verdenking van het rijden onder invloed van alcoholhoudende drank;

- hem na zijn aanhouding hebben gefouilleerd;

- hem hebben geboeid;

- hem hebben ingesloten;

- hem een rijverbod hebben uitgereikt, zonder dat objectief was vastgesteld dat hij te veel alcoholhoudende drank had gedronken;

- hem niet ervan in kennis hebben gesteld dat hij bezwaar had kunnen maken tegen het opleggen van het rijverbod;

- zijn auto in beslag dan wel in bewaring hebben genomen;

- zonder met hem daarover te hebben overlegd, zijn echtgenote hebben gevraagd naar het politiebureau te komen om zijn minderjarige zoon daar te komen ophalen;

- in het politiebureau te Hilversum tegenover zijn minderjarige zoon alcoholhoudende drank hebben genuttigd of hebben gedaan alsof zij alcoholhoudende drank nuttigden;

- aan zijn vrijlating op 14 juni 1998 de voorwaarde heeft verbonden dat hij later die dag diende terug te komen om als verdachte te worden verhoord in verband met een aangifte die een politieambtenaar tegen hem had gedaan.

Voorts klaagt verzoeker erover dat ambtenaren van het regionale politiekorps Gooi en Vechtstreek onvoldoende onderzoek hebben verricht naar aanleiding van zijn aangifte van 14 juni 1998 inzake een mishandeling die in de avond van 13 juni 1998 in Hilversum had plaatsgevonden.

Ten slotte klaagt verzoeker over de wijze waarop de beheerder van het regionale politiekorps Gooi en Vechtstreek zijn klacht in verband met bovenstaande heeft afgehandeld. Hij klaagt er met name over dat een met naam genoemde ambtenaar onderzoek naar de klacht heeft verricht en de klacht heeft afgehandeld ondanks de toezegging aan verzoekers advocaat dat deze ambtenaar dit niet zou doen.

Achtergrond

A. Politiewet 1993

Artikel 2:

"De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegde gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven."

B. Fouillering

Op grond van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet heeft een ieder - behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen - recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer, en op onaantastbaarheid van zijn lichaam.

Ook het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), en het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten (IVBPR) eisen een wettelijke grondslag voor het rechtmatig maken van een inbreuk op deze grondrechten.

Aangezien (ook) door fouillering inbreuk wordt gemaakt op de hiervoor aangeduide grondrechten is daarvoor een wettelijke legitimering vereist. In het kader van de onderhavige klacht zijn twee fouilleringsbevoegdheden van belang.

1. De strafvorderlijke fouillering

Politieambtenaren zijn bevoegd om de aangehouden verdachte tegen wie ernstige bezwaren bestaan aan zijn kleding te onderzoeken (artikel 56, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering).

Als verdachte wordt in dit verband aangemerkt degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit voortvloeit (artikel 27, lid 1 van het Wetboek van Strafvordering).

2. De veiligheidsfouillering

Artikel 8, derde lid, Politiewet 1993:

"De ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak is bevoegd tot het onderzoek aan de kleding van personen bij de uitoefening van een hem wettelijk toegekende bevoegdheid of bij een handeling ter uitvoering van de politietaak, indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat een onmiddellijk gevaar dreigt voor hun leven of veiligheid, die van de ambtenaar zelf of van derden en dit onderzoek noodzakelijk is ter afwending van dit gevaar."

Dit onderzoek aan de kleding wordt ook wel de veiligheidsfouillering genoemd. Van belang is dat het standaard verrichten van een veiligheidsfouillering niet is toegestaan, maar dat er een beoordeling nodig is in elk individueel geval.

Artikel 20, eerste lid, van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar (Ambtsinstructie) bepaalt dat een veiligheidsfouillering geschiedt door het oppervlakkig aftasten van de kleding en dat deze zoveel mogelijk wordt uitgevoerd door een ambtenaar van hetzelfde geslacht als dat van degene die aan het onderzoek wordt onderworpen.

Ingevolge artikel 21 van de Ambtsinstructie moet de politieambtenaar die een veiligheidsfouillering heeft verricht, dit onverwijld schriftelijk melden aan de meerdere, onder vermelding van de redenen die tot dit onderzoek hebben geleid.

In de Nota van Toelichting op de Ambtsinstructie staat vermeld dat bij schriftelijke melding onder meer gedacht kan worden aan een vermelding in het dagrapport.

C. Boeien

1. Het boeien van een persoon is het toepassen van een dwangmiddel waardoor inbreuk wordt gemaakt op het recht op onaantastbaarheid van het lichaam, welk recht artikel 11 van de Grondwet beoogt te waarborgen.

Artikel 15, vierde lid, van de Grondwet maakt het mogelijk om personen die rechtens van hun vrijheid zijn beroofd, te beperken in hun grondrechten, indien de uitoefening van het grondrecht zich niet verdraagt met de vrijheidsbeneming.

Tot het toepassen van enig dwangmiddel door overheidsfunctionarissen mag slechts worden overgegaan indien feiten en omstandigheden dat rechtvaardigen.

2. In artikel 22, eerste lid, van de Ambtsinstructie is bepaald dat de ambtenaar een persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, ten behoeve van het vervoer handboeien kan aanleggen. De leden 2 en 3 van dit artikel luiden:

"2. De maatregel, bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden getroffen, indien de feiten of omstandigheden dit redelijkerwijs vereisen met het oog op gevaar voor ontvluchting, dan wel met het oog op gevaar voor de veiligheid of het leven van de persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, van de ambtenaar of van derden.

3. De in het tweede lid bedoelde feiten of omstandigheden kunnen slechts gelegen zijn in:

a. de persoon die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, of

b. de aard van het strafbare feit op grond waarvan de vrijheidsbeneming heeft plaatsgevonden, één en ander in samenhang met de wijze waarop en de situatie waarin het vervoer plaatsvindt."

In artikel 22 van de Ambtsinstructie is aldus neergelegd dat het standaard aanleggen van handboeien tijdens het vervoer van een arrestant naar het politiebureau onjuist is. De politieambtenaar moet van geval tot geval de afweging maken of de aanwezige veiligheidsrisico's het toepassen van deze maatregel naar redelijk inzicht rechtvaardigen. In de Nota van Toelichting op de Ambtsinstructie is in dit verband opgenomen dat de vraag of het omleggen van handboeien in verband met de veiligheidsrisico's nodig is, afhangt van de omstandigheden die samenhangen met de persoon van de arrestant, de inrichting van de (dienst)auto, de situatie waarin wordt vervoerd en het ontbreken van de mogelijkheden om op andere wijze, met minder ingrijpende maatregelen (bijvoorbeeld door plaatsneming van een politieambtenaar naast de arrestant), een veilig transport te waarborgen. Bij omstandigheden die samenhangen met de persoon moet worden gedacht aan het gedrag van de arrestant, mogelijke eerdere ervaringen van de politie met deze persoon op grond waarvan voor moeilijkheden moest worden gevreesd, dan wel de aard of de ernst van het feit waarvoor betrokkene was aangehouden.

3. In artikel 23 van de Ambtsinstructie is opgenomen dat de ambtenaar die gebruik heeft gemaakt van handboeien tijdens het vervoer, dit onverwijld schriftelijk aan een meerdere moet melden, onder vermelding van de redenen die tot het gebruik van handboeien hebben geleid.

D. Rijden onder invloed van alcohol

1. Artikel 8 Wegenverkeerswet 1994 (Wvw):

"1. Het is een ieder verboden een voertuig te besturen of als bestuurder te doen besturen, terwijl hij verkeert onder zodanige invloed van een stof, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kan verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moet worden geacht.

2. Het is een ieder verboden een voertuig te besturen of als bestuurder te doen besturen na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat:

a. het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan tweehonderdtwintig microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, dan wel

b. het alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan een halve milligram alcohol per milliliter bloed."

2. Artikel 160, vijfde lid, Wvw:

"Op de eerste vordering van een van de in artikel 159, onderdeel a, bedoelde personen (opsporingsambtenaren; N.o.) zijn de bestuurder van een voertuig en degene die aanstalten maakt een voertuig te gaan besturen, verplicht hun medewerking te verlenen aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht en daartoe volgens door die persoon te geven aanwijzingen ademlucht te blazen in een door die persoon aangewezen apparaat."

3. Artikel 162 Wvw:

"1. Een van de in artikel 159, onderdeel a, bedoelde personen kan de bestuurder van een voertuig van wie, uit het in artikel 160, vijfde lid, bedoelde onderzoek of op andere wijze, naar het oordeel van die persoon gebleken is dat hij onder zodanige invloed van het gebruik van een stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid, verkeert, dat hij onvoldoende in staat is een voertuig behoorlijk te besturen, een rijverbod opleggen voor de tijd gedurende welke redelijkerwijs verwacht mag worden dat deze toestand zal voortduren tot ten hoogste vierentwintig uren. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing op degene die aanstalten maakt een voertuig te gaan besturen.

2. De opsporingsambtenaar die een rijverbod oplegt, legt dit vast in een beschikking die het tijdstip van ingang en de duur van het verbod bevat.

3. Het is degene aan wie een rijverbod als bedoeld in het eerste lid is opgelegd, verboden een voertuig te besturen of als bestuurder te doen besturen gedurende de tijd waarvoor dat rijverbod geldt."

E. Algemene wet bestuursrecht

Artikel 1:3, tweede lid:

"2. Onder beschikking wordt verstaan: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan."

Artikel 1:5, eerste lid:

"1. Onder het maken van bezwaar wordt verstaan: het gebruik maken van de ingevolge een wettelijk voorschrift bestaande bevoegdheid, voorziening tegen een besluit te vragen bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen."

Artikel 1:6, onder a:

"De hoofdstukken 2 tot en met 8 en 10 van deze wet zijn niet van toepassing op:

a. de opsporing en vervolging van strafbare feiten, alsmede de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen;"

Artikel 3:45:

"1. Indien tegen een besluit bezwaar kan worden gemaakt of beroep kan worden ingesteld, wordt daarvan bij de bekendmaking en bij de mededeling van het besluit melding gemaakt.

2. Hierbij wordt vermeld door wie, binnen welke termijn en bij welk orgaan bezwaar kan worden gemaakt of beroep kan worden ingesteld."

Artikel 6:16:

"Het bezwaar of beroep schorst niet de werking van het besluit waartegen het is gericht, tenzij bij of krachtens wettelijk voorschrift anders is bepaald."

F. Insluiten

Artikel 15 Grondwet:

"1. Buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald mag niemand zijn vrijheid worden ontnomen."

Artikel 53 Wetboek van Strafvordering:

"[1.] In geval van ontdekking op heeter daad is ieder bevoegd den verdachte aan te houden.

[2.] In zoodanig geval is de officier van justitie of de hulpofficier bevoegd den verdachte, na aanhouding, naar eene plaats van verhoor te geleiden; hij kan ook diens aanhouding of voorgeleiding bevelen.

[3.] Geschiedt de aanhouding door een anderen opsporingsambtenaar, dan draagt deze zorg dat de aangehoudene ten spoedigste voor den officier van justitie of een van diens hulpofficieren wordt geleid."

G. Ambtsinstructie

Artikel 27, eerste lid, Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar:

"Voor zover het bij of krachtens het Wetboek van Strafvordering bepaalde zich hiertegen niet verzet stelt de ambtenaar een familielid of een huisgenoot van een ingeslotene zo spoedig mogelijk op de hoogte van de insluiting. In het geval de ingeslotene minderjarig is, doet hij dit uit eigen beweging, indien de ingeslotene meerderjarig is, doet hij dit slechts op verzoek van de ingeslotene."

H. Rijverbod

1. A.E. Harteveld, H.G.M. Krabbe (red.), Facetten van strafrechtspleging, De Wegenverkeerswet 1994: een strafrechtelijke commentaar, Arnhem 1999, p. 296:

"Tegen een opgelegd rijverbod staat administratief beroep open. Het rijverbod wordt vastgelegd in een beschikking. De verdachte aan wie het rijverbod is opgelegd kan schriftelijk bezwaar maken bij het bestuursorgaan (de ambtenaar) dat het rijverbod heeft opgelegd. Hoofdstuk 6 en 7 van de Awb zijn hierop van toepassing. Tegen de beslissing op bezwaar kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank (bestuursrechter). Vermeld zij dat deze gang van zaken geen schorsende werking heeft. Aangezien de opgelegde rijverboden centraal worden geregistreerd en registratie gevolgen kan hebben voor de vraag of bijvoorbeeld een rijbewijs moet worden ingevorderd, is niet ondenkbaar dat een verdachte de rechtmatigheid van een naar zijn mening ten onrechte opgelegd rijverbod wil laten beoordelen. De enige mogelijkheid waarop de strafrechter zo'n rijverbod kan toetsen is als de verdachte zich schuldig maakt aan het rijden ondanks het rijverbod en hij daarvoor wordt vervolgd. Bij een vervolging ter zake van het rijden onder invloed als zodanig (komt; N.o.) het rijverbod immers in rechte niet aan de orde."

2. A.M. Durieux, Stapel en De Koning: Handboek voor de politie, 's-Gravenhage 1998, art. 162, WVW 1994, Bespreking, p.5:

"Lid 2 van artikel 162 WVW 1994 bepaalt nu dat bij het opleggen van een rijverbod dit wordt vastgelegd in een beschikking die het tijdstip van ingang en de duur van het rijverbod bevat.

Deze tekst - het rijverbod wordt vastgelegd in een beschikking - van lid 2 is eerst ontstaan in de vierde nota van wijziging nr. 17 van het wetsvoorstel, dat heeft geleid tot de Wegenverkeerswet 1994. In de toelichting daarop stelt de wetgever dat deze aanpassing is gerealiseerd in verband met de invoering van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en meer in het bijzonder in verband met de in de Awb gehanteerde terminologie. Dit betekent dat voor de politie een nieuwe situatie is ontstaan, omdat - anders dan onder het regime van art. 122 Wegenverkeersreglement - nu de Awb op de activiteit van het opleggen van een rijverbod van toepassing is.

In het kort betekent dit dat de verdachte aan wie een rijverbod wordt opgelegd, hiertegen op grond van de Awb bezwaar kan maken bij het bestuursorgaan (de politieambtenaar in persoon) dat het rijverbod (de beschikking) heeft opgelegd. Hierna zal het bestuursorgaan (de politieambtenaar in persoon) dit bezwaar dienen te behandelen op de wijze zoals omschreven in onder andere de hoofdstukken 2, 6 en 7 van de Awb."

Onderzoek

In het kader van het onderzoek werd de beheerder van het regionale politiekorps Gooi en Vechtstreek verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben. Daarnaast werd elf betrokken ambtenaren de gelegenheid geboden om commentaar op de klacht te geven. Vijf van hen maakten van deze gelegenheid gebruik.

In verband met zijn verantwoordelijkheid voor justitieel politieoptreden werd ook de hoofdofficier van justitie te Amsterdam over de klacht geïnformeerd en in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken, voor zover daarvoor naar zijn oordeel reden was. De genoemde hoofdofficier van justitie maakte van deze gelegenheid geen gebruik.

Tijdens het onderzoek kregen de korpsbeheerder en verzoeker de gelegenheid op de door ieder van hen verstrekte inlichtingen te reageren.

Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. Verzoeker deelde mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen. Noch de korpsbeheerder noch de betrokken ambtenaren gaven binnen de gestelde termijn een reactie.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:

A. feiten

1. In de avond van 13 juni 1998 raakte verzoeker, Fo., betrokken bij een ruzie in een café te Hilversum. Hij werd daarbij mishandeld en raakte daarbij onder meer gewond aan het gelaat. Verzoeker was op dat moment in gezelschap van zijn 9-jarige zoon Ti. In een ander café heeft verzoeker de politie verzocht ter plaatse te komen. De politieambtenaren Hom. en B. vergezelden verzoeker vervolgens naar het café waar hij was mishandeld om daar de mogelijke verdachten aan te wijzen. Verzoeker reed daartoe met de politieambtenaren mee achterin de politieauto. De verdachten werden echter niet meer aangetroffen in het café. Omdat verzoeker aangifte wenste te doen van de mishandeling en hij het politiebureau te Hilversum niet wist te vinden, zijn de politieambtenaren voor hem uitgereden naar dat politiebureau. Verzoeker is in zijn auto achter de politieagenten aangereden.

2. In het politiebureau stond politieambtenaar Ha. verzoeker als eerste te woord. Hij verwees hem naar politieambtenaar M. voor het doen van de aangifte. Politieambtenaar M. weigerde verzoekers aangifte op te nemen omdat verzoeker alcoholhoudende drank had gebruikt. M. verzocht verzoeker de volgende dag terug te komen en zond hem weg. Verzoeker was het niet eens met de gang van zaken, maar heeft het politiebureau verlaten.

3. Op initiatief van politieambtenaar M. vatte politieambtenaar Ka. in een onopvallende politieauto post bij verzoekers auto. Nadat verzoeker met zijn zoon was ingestapt volgde Ka. verzoeker toen hij daarin was weggereden. Politieambtenaren Hoe., W. en K. hielden verzoeker enige tijd later aan als verdachte van het rijden onder invloed van alcoholhoudende drank. Verzoeker werd vervolgens gefouilleerd en onderweg naar het politiebureau in de politieauto aan de handen geboeid. In het politiebureau werd verzoeker ingesloten.

4. Verzoeker werd in het politiebureau op 14 juni 1998 omstreeks 01.20 uur geleid voor de hulpofficier van justitie Sc. Deze besloot na een onderzoek naar de gang van zaken rond de aanhouding van verzoeker dat de aangifte van verzoeker alsnog werd opgenomen, dat er geen verdere procedure wegens rijden onder invloed werd gevolgd en dat verzoeker een rijverbod werd uitgereikt. Het aan verzoeker uitgereikte rijverbod vermeldt onder meer:

"BESCHIKKING RIJVERBOD

als bedoeld in artikel 162, lid 2 van de Wegenverkeerswet 1994

Aan de onderstaande betrokkene is op 14 juni 1998 een rijverbod opgelegd op grond van artikel 162, lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994,

VOERTUIG

Soort voertuig: personenauto

Kenteken : (...)

OVERTREDING

RIJVERBOD

duur rijverbod : 12 uur

ingaande op : 14 juni 1998 te 02:00 uur

eindigende op : 14 juni 1998 te 14:00 uur

Er wordt geen proces-verbaal opgemaakt na de ademanalyse."

5. De politie waarschuwde via de politie te Haarlem verzoekers echtgenote, die op 14 juni 1998 omstreeks 03.30 uur verzoekers zoontje naar huis heeft meegenomen. Verzoeker bleef achter in het politiebureau en bleef daar ingesloten. Omstreeks 04.15 uur bezocht de GG en GD-arts Br. verzoeker. Na dit bezoek werd verzoeker in opdracht van Sc. in vrijheid gesteld.

6. Bij brief van 15 juni 1998 deelde verzoeker de beheerder van het regionale politiekorps Gooi en Vechtstreek onder meer het volgende mee:

"Op 13 juni 1998 hebben mijn zoon en ik een bezoek gebracht aan het restaurant van zwembad L., om aldaar de voetbalwedstrijd Nederland - België te kijken. Bij aankomst bij het restaurant bleek het om een besloten bijeenkomst te gaan, maar de man die de deur voor ons opendeed was bereid ons desondanks toe te laten in ruil voor een pilsje voor hem en zijn maat. (...) Toen het mijn zoon na afloop van de wedstrijd onmogelijk werd gemaakt van het toilet gebruik te maken, omdat (...) kinderen hem daar (...) lastig vielen, verzocht mijn zoon mij met hem mee te gaan. Op het toilet bleken de betreffende kinderen bovenop de scheidingsmuurtjes tussen de toiletruimtes te zitten en inderdaad normaal gebruik van het toilet onmogelijk te maken. Ik heb hen daarop weggestuurd (...). De kinderen hebben toen de toiletruimte verlaten, maar korte tijd later kwamen verscheidene mannen en een vrouw het toilet binnen die, in de onterechte veronderstelling dat ik hun kinderen geslagen zou hebben, mij dusdanig mishandelden dat mijn gezicht op verschillende plaatsen (wenkbrauw, wang en lip) tot bloedens toe werd gehavend en ik verscheidene kneuzingen aan borst en benen heb opgelopen. Een en ander vond plaats tussen 23:00 en 23:15 uur. Ik heb - uiteraard - onmiddellijk het etablissement verlaten en vanuit een nabij café de politie laten bellen.

Uw agenten B. en Hom. zijn met mij en mijn zoon naar L. gegaan om te kijken of de daders geïdentificeerd konden worden. Deze bleken echter niet meer aanwezig, maar het barpersoneel verklaarde tegenover de politie de bewuste personen wel te kennen. De namen van deze personen kenden zij, volgens zeggen, echter niet. De beide agenten nodigden mij vervolgens uit achter hen aan te rijden om op het politiebureau in Hilversum aangifte te doen van mishandeling.

Op het politiebureau aangekomen vroeg de dienstdoende baliemedewerker mij of ik gedronken had. Naar waarheid vertelde ik hem 3 a 4 bier te hebben gedronken, waarop de betreffende agent tot mijn verbazing - ik was immers op uitnodiging van de politie naar het bureau gekomen - liet weten geen aangifte op te willen nemen van mensen die gedronken hebben. Ik moest de volgende dag maar terugkomen. De baliemedewerker gaf mij bovendien te kennen dat ik niet meer zou mogen autorijden. Helaas waren agenten B. en Hom. (...) niet meer aanwezig om verhaal bij te halen.

Aangezien mij geen rijverbod was opgelegd, ik in staat was te rijden - per slot van rekening was ik op verzoek van de politie zelf ook naar het bureau toe gereden - en ik met mijn bebloede en gehavende gezicht niet snel een taxi zou hebben kunnen vinden die mij en mijn zoon zou hebben willen vervoeren, besloot ik met mijn auto naar (...) te rijden waar wij, volgens plan, de nacht in mijn camper zouden doorbrengen. Het was mij reeds opgevallen dat agenten mij bij het verlaten van het politiebureau in de gaten hielden, hetgeen tot gevolg had dat ik rond 01:00 uur op de E.-weg door een mij achteropkomende politieauto staande werd gehouden voor het rijden onder invloed. Zij moeten mij vanaf het politiebureau zijn gevolgd, omdat zij er geen weet van hadden dat wij naar (...) zouden gaan en het is vreemd dat zij hebben gewacht tot op de E.-weg alvorens mij aan te houden. Zonder een blaasproef te hebben moeten ondergaan om te constateren of ik daadwerkelijk in overtreding was en zonder enige verdere uitleg, werd ik ter plekke, onder het toeziend oog van mijn zoon, gefouilleerd en gedwongen in de politieauto plaats te nemen. Met een agent achter het stuur van mijn auto reden wij vervolgens terug naar het politiebureau, waarbij ik werd behandeld alsof ik een vuurgevaarlijke crimineel was. Zo werden mij onderweg de boeien omgedaan, uitsluitend en alleen omdat ik een pakje sigaretten uit mijn zak wilde halen.

Aangekomen op het politiebureau werd ik nogmaals gefouilleerd en werden mij mijn persoonlijke bezittingen afgenomen. Onder uitdrukkelijk protest mijnerzijds heeft één van uw agenten vervolgens mijn papieren, die zich in mijn polstasje bevonden, doorzocht en de gegevens daaruit later gebruikt in de verdere procedure. Ikzelf werd, zonder opgave van redenen, in een cel opgesloten.

Als gevolg van de voorafgaande emotionele ervaringen (shock?), mijn panische reactie op situaties van gedwongen vrijheidsberoving, het gevoel van mij aangedaan onrecht en de onzekerheid over het wel en wee van mijn zoon, van wie ik sinds de aanhouding op de E.-weg gescheiden was, ben ik in een staat van acute, escalerende psychische nood geraakt. In het besef dat hulp dringend geboden was om verdere verergering te voorkomen, heb ik bij uw agenten herhaaldelijk verzocht om medische en juridische bijstand en om te mogen bellen. Het feit dat deze verzoeken ronduit werden genegeerd, hebben verder bijgedragen aan een snelle verslechtering van mijn geestelijk welzijn. Ik acht de betrokken agenten, op grond van nalatigheid bij dringende verzoeken om hulp, hiervoor volledig verantwoordelijk en aansprakelijk. (...) Tijdens het verhoor, dat mij na mijn aanhouding op het politiebureau door de heer Sc. werd afgenomen, heb ik mijn bevreemding uitgesproken over de gang van zaken. Hij zei mij toe een en ander te zullen uitzoeken. Om 3:00 uur werd ik in mijn cel bezocht door agent Hom. Hoewel mij in eerste instantie door de baliemedewerker was gezegd dat ik geen aangifte kon doen, had deze agent toch een aangifte (...) opgesteld betreffende de mishandeling (...) en overhandigde hij mij een ontzegging van de rijbevoegdheid voor 12 uur (...). Wederom heb ik toen mijn verwondering uitgesproken over de gang van zaken. Zowel wat betreft het feit dat nu blijkbaar opeens wel aangifte gedaan kon worden, alsmede het feit dat mij de rijbevoegdheid werd ontzegd wegens rijden onder invloed zonder dat eerst op enigerlei wijze objectief was vastgesteld of ik daadwerkelijk in overtreding was (merkwaardigerwijs geeft de ontzegging de indruk dat deze is opgelegd naar aanleiding van een ademanalyse). Agent Hom. antwoordde daarop dat de hele kwestie misschien, wederzijds, wat kinderachtig was en ik kreeg de stellige indruk dat ook hij oprecht moeite had met de hele affaire.

Aangezien het in het belang van mijn geestelijke conditie en de zorg voor mijn zoon, die natuurlijk allang in bed had moeten liggen, zaak was zo snel mogelijk tot een oplossing te komen, heb ik op mijn beurt agent Hom. geantwoord dat, als daarmee de zaak als afgedaan kon worden beschouwd, het wat mij betreft goed was. De agent gaf zelfs te kennen dat hij vatbaar was voor mijn suggestie om mij met mijn auto alsnog (...) te laten rijden. Met de toezegging deze oplossing met de heer Sc. te zullen bespreken en de verwachting te hebben binnen 2 minuten met een uitslag te kunnen komen liet hij mij alleen, om enige tijd later terug te komen met de mededeling dat de heer Sc. bezig was met een andere zaak en dat daarom een beslissing nog even op zich zou laten wachten.

Het wachten duurde echter dusdanig lang, dat voor mij duidelijk werd dat er in het geheel niet naar een oplossing toegewerkt werd. Temeer daar ik verder niet meer geïnformeerd werd over de verdere eventuele voortgang. De stoppen sloegen vervolgens helemaal door toen bleek dat, zonder enig voorafgaand overleg met mij, men mijn echtgenote door de politie in Haarlem uit haar bed had laten halen om mijn zoon op te komen halen. Mijn echtgenote heeft mij verteld dat de politie van Haarlem om 02:30 aan de deur is geweest en het is mij achteraf dan ook duidelijk waarom over de in de voorgaande alinea verwoorde oplossing nooit een beslissing is genomen. Een positief besluit zou namelijk hebben betekend dat mijn echtgenote voor niets naar Hilversum was gehaald.

Na aankomst in Hilversum heeft mijn echtgenote, rond 03:45 uur, mij in mijn cel bezocht en nadien, ten overstaan van de agenten, haar zorg uitgesproken over mijn psychische toestand. Zij heeft aangegeven mij niet meer te herkennen en van mening te zijn dat ik rijp was voor een inrichting. Zij heeft zich daarbij tevens hardop afgevraagd of een en ander geen blijvende schade tot gevolg zou kunnen hebben en of de ondergane mishandeling mogelijk een bijdrage zou kunnen hebben gehad in mijn toestand. De agenten hebben haar daarop laten weten dat het beter zou zijn wanneer ik in een isoleercel zou worden opgesloten, maar dat deze als rommelhok in gebruik was en eerst zou moeten worden ontruimd. Zij waren er bovendien bang voor dat ik anderen wakker zou houden.

Gezien mijn geestelijke gesteldheid, waarvoor ik de politie verantwoordelijk hield en hou, maar ook omdat ik van mening was dat op een dergelijke wijze de zaak niet meer kon worden afgedaan, heb ik geen gebruik gemaakt van de geboden mogelijkheid om met mijn echtgenote mee naar huis te gaan. Ik heb daarbij aangeven niet meer voor mijzelf in te kunnen staan. In het bijzijn van agenten heb ik nogmaals gevraagd om medische en juridische hulp en mijn echtgenote gevraagd, aangezien deze hulp eerder door de politie hardnekkig was geweigerd, daar eventueel voor zorg te dragen.

In de daarop volgende tijdsspanne, maar ook daarvoor al, hebben uw agenten tijdens enkele bezoeken aan mijn cel niet nagelaten mij verder te provoceren. Er werden opmerkingen gemaakt in de trant van: 'Moet je kijken hoe jij je vrouw behandelt...' en 'Wat voor een vader ben jij die zo onverantwoordelijk met zijn zoon omgaat...'. Het licht werd uitgedaan en later weer aan en er zijn bovendien pogingen gedaan mij over te halen om fysiek geweld tegen agenten te gebruiken. Zo posteerde één van de betrokken agenten zich in de deuropening van mijn cel en zei herhaaldelijk:

'Kom dan...', terwijl een andere agent als getuige stond toe te kijken. Gelukkig ben ik daar niet op ingegaan. Toen ik wederom om een dokter vroeg werd gezegd dat deze wel aanwezig was, maar eerst koffie was gaan drinken.

Rond 05:00 werd ik met excessief geweld overgebracht naar een cel op de 1e verdieping, waar ik aansluitend bezoek kreeg van een dokter van de GG & GD. Het is mij overigens onduidelijk waarom ik daarvoor eerst met geweld naar een andere cel moest worden overgebracht. Ik heb de betreffende dokter gevraagd rapport op te willen maken van de conditie waarin hij mij heeft aangetroffen. (...)

Ik heb de dokter verteld dat met name het gevoel van ernstig onrecht mij aangedaan door deze opsluiting de oorzaak was voor mijn uitzinnige woede en dat langere opsluiting dramatische gevolgen zou kunnen hebben. Aangezien de dokter zei geen invloed te kunnen uitoefenen op de voortduring van mijn insluiting, hebben wij vervolgens de mogelijkheid besproken het Riagg in te schakelen of kalmerende middelen toe te dienen. De dokter zei mij toe uit te willen zoeken wat de reden was van mijn insluiting en verbetering van mijn omstandigheden te zullen bepleiten. Gedurende de gehele periode van mijn insluiting had ik immers nog geen gebruik kunnen maken van het toilet, niet naar behoefte kunnen drinken en niet kunnen/mogen roken.

Dankzij de interventie van de dokter en in zijn bijzijn heeft de heer Sc. mij nogmaals in mijn cel bezocht en mijn insluiting gemotiveerd met het argument dat dit was om mij tegen mijzelf te beschermen (!?). Een uiterst vreemde argumentatie in het licht van het feit dat, zo ik gevaarlijk voor mijzelf zou zijn, dit volledig te wijten was aan de opsluiting en het politieoptreden zelf. Bovendien ook een vreemde argumentatie omdat ik nu opeens weg mocht gaan, onder voorwaarde dat ik in de loop van de week nog eens langs zou komen om gehoord te worden inzake een aanklacht die tegen mij zou zijn ingediend wegens bedreiging.

Ondanks een dergelijk verzoek van mijn kant heeft men mij geen inzage willen geven in deze aanklacht en ook niet willen vertellen wie deze had ingediend. Ik heb achteraf vernomen dat de aanklacht is ingediend door de wachtcommandant en erken, na tot het uiterste te zijn getreiterd en geprovoceerd en onder invloed van ernstige psychische nood, verbale bedreigingen geuit te kunnen hebben. Ik kan mij echter nauwelijks voorstellen dat deze serieus zijn genomen, maar heb eerder de indruk dat deze nu worden ingezet om alsnog enige onderbouwing te vinden voor het handelen van de politie in deze zaak. Mijn echtgenote heeft mij bovendien verteld, dat de agenten met wie zij beeft gesproken haar vertelden dat zij bedreigingen die onder dergelijke omstandigheden worden geuit niet serieus nemen. Hun letterlijke woorden waren, aldus mijn echtgenote: 'Er wordt zo veel tegen ons gezegd. Als wij dat allemaal serieus zouden moeten nemen...'.

Onder druk van de omstandigheden ben ik er mee akkoord gegaan mij op 18 juni, om 10:00 uur, te melden op het politiebureau in Hilversum, om gehoord te worden betreffende deze aanklacht wegens bedreiging. Aangezien, aldus de heer Sc., wel een advocaat de tegen mij ingediende aanklacht zou mogen inzien, werd door hem toegezegd dat de aanklacht op maandag 15 juni 1998 aan mijn advocaat (...) zou worden gefaxt, opdat ik met hem in overleg zou kunnen treden inzake mijn verdere handelwijze indeze.

Bij vertrek uit het politiebureau werd mij te verstaan gegeven dat mijn auto in bewaring zou blijven. Bij het ophalen van mijn auto bleek deze in bewaring te zijn genomen wegens het rijden onder invloed. (...)

Tot besluit wil ik graag nog memoreren dat mijn echtgenote op het politiebureau verteld is dat, indien ik alleen was geweest, men mij niet zou hebben aangehouden en dat dit mogelijk ook niet was gebeurd wanneer bekend was geweest dat ik niet terugging naar Haarlem. Omdat er een kind bij was en men veronderstelde dat ik naar Haarlem zou rijden, zou men het echter onverantwoord gevonden hebben mij door te laten rijden. Alhoewel deze afweging heel nobel klinkt, vind ik deze toch merkwaardig. Immers; indien iemand in overtreding is, hetgeen naar mijn mening eerst objectief dient te worden vastgesteld - in het onderhavige geval bijvoorbeeld door adem- of bloedanalyse - dan is men strafbaar. Het is, lijkt mij, niet aan de politie te bepalen of een overtreding verantwoord is of niet. Het is wel een taak van de politie zeker te stellen of daadwerkelijk sprake is van een overtreding.

Tot zover een vrij gedetailleerde opsomming van de gebeurtenissen in de nacht van 13 op 14 juni. Tot besluit van deze brief verzoek ik u vriendelijk deze klacht in het bijzonder op de volgende punten te willen onderzoeken:

- Waarom word ik uitgenodigd mee te komen naar het politiebureau voor het doen van aangifte, als mij vervolgens op het politiebureau te verstaan wordt gegeven dat ik op dat moment geen aangifte kan doen?

- Waarom nodigt men mij uit naar het politiebureau rijden en verbiedt men mij daar aangekomen vervolgens, zonder ontzegging van de rijbevoegdheid, weer terug te rijden?

- Waarom laat men mij eerst helemaal tot de E.-weg door de politie volgen alvorens mij aan te houden?

- Waarom wordt mij later de rijbevoegdheid ontzegd, zonder dat eerst objectief is vastgesteld of ik in overtreding was (...)

- Waarom ben ik langdurig ingesloten geweest, zonder dat hiervoor redelijke (rechtmatige?) gronden aanwezig waren en is de te volgen procedure mij niet uitgelegd? En waarom kon ik na 5 uur gaan, terwijl de heer Sc. nog geen twee tellen daarvoor gezegd had dat ik ingesloten was om mij tegen mijzelf te beschermen?

- Als ik ingesloten was om mij tegen mijzelf te beschermen, waarom is mij dan de door mij gevraagde medische hulp langdurig onthouden, terwijl eenieder moet hebben kunnen constateren dat mijn geestelijke toestand snel verslechterde?

- In hoeverre is de escalatie van deze affaire door het gebruik van geweld, machtsvertoon, intimidatie, uitlokking en onprofessioneel gedrag door de politie veroorzaakt, danwel had zij deze door een andere opstelling kunnen voorkomen?

(...)

Per saldo blijft het gevoel hangen dat ik, mijn zoon en mijn echtgenote zijn gestraft voor het feit dat ik aangifte heb willen doen wegens mishandeling. Dat mij ernstig onrecht is aangedaan door, zonder objectieve aanleiding, mij de rijbevoegdheid te ontzeggen en mij gedurende 5 uur in te sluiten. Dat mijn geestelijke gezondheid door moedwilligheid en door nalatigheid van de politie ernstig in gevaar is gebracht."

7. De beheerder van het regionale politiekorps Gooi en Vechtstreek deelde verzoeker bij brief van 16 november 1998 onder meer mee:

"Zoals u is meegedeeld, is door het bureau Interne Onderzoeken een (feiten)onderzoek ingesteld naar het optreden van de politie waarop uw klacht zich richt. In dit onderzoek zijn de door u aangereikte vragen mede betrokken. Alvorens hier nader op in te gaan, volgt eerst op basis van dit onderzoek een chronologische weergave van het gebeuren in de nacht van 13 op 14 juni j.l.

Op 13 juni 1998 te 23.30 uur werd telefonisch bij de politiemeldkamer gemeld dat bij het café (...) te Hilversum een man was komen binnenlopen, die aldaar had meegedeeld te zijn mishandeld. In verband met deze melding werd een assistentie-eenheid ter plaatse gezonden.

Ter plaatse gekomen werden de beide politieambtenaren van deze eenheid door u aangesproken. Aan hen deelde u mee even tevoren te zijn mishandeld in het restaurant van het zwembad 'L.' te Hilversum. Met deze politieambtenaren bent u, samen met uw zoontje, naar het opgegeven zwembad gereden om de eventuele daders van deze mishandeling aan te wijzen. Deze werden echter niet meer aangetroffen. Omdat u aangifte wenste te doen van deze mishandeling, werd u door de betrokken politieambtenaren geadviseerd zich hiervoor te vervoegen aan het politiebureau te Hilversum. Omdat u niet wist hoe u daar naar toe moest rijden, hebben de betrokken politieambtenaren u teruggebracht naar het café (...). Nadat u aldaar de door u genuttigde consumpties had afgerekend hebben zij u, terwijl u in uw eigen auto reed, begeleid naar het politiebureau te Hilversum.

In het bureau gekomen werd u door een politieambtenaar te woord gestaan, aan wie u aangaf door enkele van zijn collega's te zijn doorverwezen naar het bureau voor het doen van aangifte van mishandeling. Omdat de betrokken politieambtenaar niet bevoegd was deze aangifte op te nemen, hetgeen hij u meedeelde, stelde hij de dienstdoende wachtcommandant in kennis van uw komst.

Nadat de wachtcommandant u had aangesproken, constateerde hij dat u alcoholhoudende drank had genuttigd en, naar zijn zeggen, enigszins met dubbele tong sprak. Desgevraagd antwoordde u hem, dat u wel had gedronken maar niet dronken was. De eerstgenoemde politieambtenaar zou gehoord hebben dat u meedeelde 5 à 6 glazen bier of misschien wel meer te hebben gedronken. U zou echter meegedeeld hebben 3 à 4 glazen bier te hebben gedronken.

In verband met uw alcoholgebruik en het feit dat u hem met moeite uw eigen telefoonnummer kon opgeven, vond genoemde wachtcommandant het raadzamer wanneer u pas de volgende dag deze aangifte zou doen. Aan u werd voorgesteld om uw gegevens en het gebeuren te vermelden in het politiedagrapport en u een doktersverklaring mee te geven, zodat u de volgende dag terug kon komen om de aangifte alsnog te doen. Of bij de politie te Hilversum of bij de politie in uw woonplaats Haarlem. U ging echter met dit voorstel niet akkoord en bleef eisen dat er een aangifte werd opgenomen. Ook wenste u naar het ziekenhuis te worden gebracht. Echter de wachtcommandant bleef bij zijn standpunt en stelde u voor een taxi te bellen om u naar het ziekenhuis te vervoeren. U was het met deze procedure niet eens. U deelde de wachtcommandant mee dat u het zelf wel zou regelen. Tevens zou u wel een paar mannetjes regelen (...) om het zwembad te verbouwen.

Toen u hierna aanstalten maakte om het politiebureau te verlaten vroeg de wachtcommandant aan u hoe u naar het bureau was gekomen en of dat mogelijk met een auto was. U gaf hem hier geen antwoord op. De wachtcommandant riep u hierop na dat u in deze toestand geen auto mocht besturen. Ook hier reageerde u niet op en verliet het politiebureau.

Buiten het bureau heeft u nog contact gehad met enkele politieambtenaren, aan wie u uw ongenoegen uitsprak over de gang van zaken. Ook deze politieambtenaren hebben u daarbij nogmaals op het hart gedrukt, omdat ook zij constateerden dat u alcoholhoudende drank had gebruikt, niet met een auto te gaan rijden. U heeft deze mededeling genegeerd.

Omdat aan u geen rijverbod was opgelegd, u zichzelf in staat voelde om te rijden en u kort daarvoor op verzoek van de politie zelf met u eigen auto naar het politiebureau was gereden, bent u toch in uw auto gestapt en bent u weggereden in de richting van camping (...) waar u, samen met uw zoon, de nacht zou doorbrengen in uw camper. De politie constateerde even later dat u toch met uw eigen auto was gaan rijden. Deze constatering werd gedaan door een politieambtenaar die surveilleerde in een onopvallende auto en u derhalve geen stopteken kon geven. Nadat hij zijn bevindingen had doorgegeven aan een andere surveillance-eenheid, werd u op zondag 14 juni 1998 te 00.55 uur op de E.-weg te Baarn als bestuurder van uw personenauto een stopteken gegeven.

Nadat u hieraan gevolg had gegeven werd u meegedeeld te zijn aangehouden terzake overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet. U vroeg daarbij of u niet eerst moest blazen, doch de betrokken politieambtenaar oordeelde dat dit niet nodig was hetgeen hij aan u meedeelde. Nadat op u een veiligheidsfouillering was toegepast werd u verzocht plaats te nemen in de politieauto om voor nader onderzoek te worden overgebracht naar het bureau van politie te Hilversum. U werd hierbij meegedeeld dat u in de politieauto niet mocht roken. U werd niet geboeid. Uw zoon werd in uw eigen auto eveneens overgebracht naar het politiebureau.

Onderweg tijdens uw overbrenging naar het politiebureau werd u op een gegeven moment geboeid. Dit zou volgens u enkel zijn gedaan omdat u een pakje sigaretten uit uw zak wilde halen. De betrokken politieambtenaren verklaarden hierover dat zij u verschillende keren hebben verzocht uw handen op uw knieën te plaatsen, aan welk verzoek u geen gevolg heeft gegeven. U plaatse op een gegeven moment zelfs uw linkerarm gebogen op de leuning van de achterbank. Omdat u hierbij met uw hand erg dicht bij het gezicht kwam van de naast u zittende politieambtenaar, werd besloten uit veiligheidsoverwegingen u de handboeien om te leggen. U werd vervolgens geboeid met uw handen voor uw lichaam. U bleef zich echter provocerend gedragen en plaatse op een gegeven moment zelfs een opmerking in de richting van een van de politieambtenaren dat deze wel een potentieprobleem zou hebben. Ook uitte u uw bezorgdheid over het welzijn van uw zoontje. Aan u werd meegedeeld dat deze goed zou worden opgevangen.

Op de binnenplaats van het politiebureau gekomen heeft u tegen een van de politieambtenaren geschreeuwd, hem daarbij aanwijzend: 'en je zorgt er voor dat mijn zoon goed opgevangen wordt, anders ruk ik de kop van je romp.'

(...)

Vervolgens werd u in afwachting van uw voorgeleiding voor de hulpofficier van justitie en voor het verder verloop van het onderzoek geplaatst in een ophoudkamer en niet, zoals u aangaf in uw klachtbrief, in een cel.

Uw zoontje was inmiddels geplaatst in de ruimte van de wachtcommandant, waarbij hem de mogelijkheid werd gegeven om naar de televisie te kijken naar een programma van Cartoon-network.

Kort nadat u in eerder genoemde ruimte was geplaatst, vervoegde de hulpofficier van justitie zich bij u teneinde de voorgeleiding te verzorgen. Aan hem heeft u toen meegedeeld het niet eens te zijn met de gang van zaken. Tevens deelde u mee eerder die avond van enkele politieambtenaren het verzoek te hebben gehad om aangifte te doen van uw mishandeling aan het politiebureau, waarbij u als bestuurder van uw eigen auto door hen naar het bureau was begeleid. Verder deelde u aan hem mee dat hierna geweigerd was een aangifte op te nemen en dat u daarna, op verdenking van het rijden onder invloed, was aangehouden. De betrokken hulpofficier van justitie heeft uw verhaal aangehoord en aan u meegedeeld een en ander te zullen uitzoeken, waarna hij de ophoudruimte verliet.

Omdat u door collega's naar het bureau was verwezen voor het doen van aangifte en de dienstdoende wachtcommandant, die hier op dat moment geen kennis van droeg, om eerder vermelde reden er van afzag om uw aangifte op te nemen, is na overleg tussen de wachtcommandant en de hulpofficier van justitie besloten geen verdere procedure te volgen ingevolge artikel 8 van de Wegenverkeerswet. Wel werd besloten u formeel een rijverbod op te leggen voor de tijd van 12 uur. Tevens werd besloten om alsnog de eerder toegezegde aangifte op te nemen.

Op het moment dat de twee politieambtenaren, die u eerder op straat hadden gesproken, bezig waren deze aangifte voor te bereiden, werd geconstateerd dat er iemand hard tegen de toegangsdeur van een van de ophoudkamers schopte. Toen de eerder genoemde wachtcommandant ging kijken constateerde hij dat u tegen de deur van de ophoudkamer schopte. Hij zag ook dat u vanaf de zich daarin bevindende bank sprong en met kracht tegen de deur schopte.

Op het verzoek van de wachtcommandant om hiermee op te houden werd door u niet gereageerd. Toen hij even hierna de deur opende ging u op zijn verzoek op de bank zitten. Hierbij vroeg u telkens aan de wachtcommandant waarom u zich in deze ruimte bevond en deelde u hem mee weg te willen.

Op een gegeven moment zou u, nadat u enige tijd had gezwegen, met een vinger in zijn richting hebben gewezen onder het uiten van de bedreiging: 'Als ik jou buiten tegen kom, pak ik je. Reken daar maar op.'

Om te bereiken dat u zich rustiger zou gaan gedragen, voegde zich kort hierna een oudere agent bij u. Echter zonder resultaat. Tegen hem schreeuwde u: 'Vieze vuile kale kop, kale neet. Je moet de Viagra-pil gebruiken. Moet ik mijn broek laten zakken.' Hierna voegde u de daad bij het woord, keerde hem uw rug toe en liet uw broek een stukje zakken. De betrokken politieambtenaar is daarna bij u weggelopen.

Omdat de wachtcommandant het niet verantwoord vond u, gezien uw geestelijke toestand, met uw zoontje te laten vertrekken, werd door hem uw vrouw gewaarschuwd met het verzoek u en uw zoontje op te halen.

Nadat uw aangifte was opgenomen en u een rijverbod was uitgereikt, werd u in afwachting van de komst van uw vrouw teruggeplaatst in de ophoudkamer. Daarbij werd u op uw verzoek een kopje water meegegeven. Omdat de dienstdoende hulpofficier van justitie van mening was dat u niet meer aan het politiebureau behoefde te blijven, begaf deze zich naar de ruimte waar u zich bevond. Hij constateerde toen dat u het verstrekte kopje met water kapot had gegooid en een wondje aan uw linker pols had. Toen de hulpofficier van justitie u aansprak, begon u ook tegen hem te schreeuwen. Hij constateerde dat u totaal buiten zinnen en niet meer voor reden vatbaar was. Hij hoorde dat u tegen hem zei: 'Vuile klootzakken, vuile nazi's, ik zal je kop van je romp trekken als ik je tegen kom, eruit, eruit, ik wil dat je hier uitgaat klootzak. Ik wil alleen een dokter en sodemieter verder op. Ik wil een dokter'.

Kort hierop arriveerde uw vrouw aan het politiebureau. Deze werd, na een gesprek met de wachtcommandant die haar over een en ander inlichtte, bij u gelaten. U lag op dat moment op de bank. Toen uw vrouw zich over u heen boog en u aansprak reageerde u door tegen haar te schreeuwen: 'Bel een arts, een advocaat.' In de richting van eerder genoemde wachtcommandant schreeuwde u o.a.: 'Gestapo, nazi', waarna u onophoudelijk hem het woord lul toevoegde. Nadat uw vrouw aan u had gevraagd of u meeging bleef u in haar richting schreeuwen dat u niet mee ging. Hierop besloot uw vrouw weg te gaan.

Gelet op uw toestand werd het raadzamer geacht u niet zo weg te laten gaan en is een GGD-arts gewaarschuwd. In afwachting van zijn komst bent u, voor zowel uw eigen als andermans veiligheid, in een isoleercel geplaatst. Omstreeks 4.15 uur bent u door een GGD-arts bezocht. U gedroeg zich op dat moment zeer rustig. Deze arts heeft op grond van zijn beroepsgeheim geen mededelingen gedaan over zijn gesprek met u. Na het bezoek van de arts verkeerde u in een stabiele toestand en waren er geen beletselen meer om u langer vast te houden. Op grond hiervan heeft de betrokken hulpofficier van justitie u in vrijheid gesteld. Met u werd daarbij de afspraak gemaakt dat u zich die morgen te omstreeks 10.00 uur wederom aan het politiebureau zou vervoegen voor een nader verhoor. Dit i.v.m. de door u tegen politieambtenaren geuite bedreigingen. Hierna ontstond er nog een discussie over het meegeven van uw auto die op de binnenplaats van het politiebureau was geplaatst.

Aan u werd meegedeeld dat u pas de beschikking zou krijgen over deze auto als uw rijverbod was verlopen of als de chauffeur was verschenen die u zou waarschuwen. U verliet om 05.00 uur het politiebureau.

Tot zover de chronologische weergave van de resultaten van het ingestelde feitenonderzoek.

Na vermelding in uw brief over de gebeurtenissen die nacht somt u een aantal punten op waarop u antwoord zou willen ontvangen.

Aan de hand van het ingestelde feitenonderzoek zal hierna op deze punten worden ingegaan.

- Waarom word ik uitgenodigd mee te komen naar het politiebureau voor het doen van aangifte, als mij vervolgens op het politiebureau te verstaan wordt gegeven dat ik op dat moment geen aangifte kan doen?

Tijdens uw treffen met de twee politieambtenaren die u te woord hebben gestaan na de mishandeling, is door hen niet geconstateerd dat u alcoholhoudende drank had geconsumeerd.

Omdat dit door hen niet was geconstateerd, hebben zij u voor het doen van aangifte naar het politiebureau verwezen en hebben u zelf daar naar toe begeleid. Zij hebben toen wel de meldkamer in kennis gesteld van het verloop van hun contact met u, doch verzuimden daarbij de dienstdoende wachtcommandant op de hoogte te (laten) stellen van uw komst. Door dit verzuim heeft het kunnen gebeuren dat de wachtcommandant, omdat hij het gebruik van alcoholhoudende drank bij u constateerde, de aangifte niet heeft willen opnemen en heeft hij geadviseerd hiervoor op een later tijdstip terug te komen of deze aangifte in uw woonplaats te doen.

Het is in het korps geen voorgeschreven regel in dergelijke gevallen zodanig te handelen. In het belang van de kwaliteit van het onderzoek is een gedegen verklaring als aangifte van een strafbaar feit essentieel. In dit perspectief is het in de praktijk usance dat geen aangifte wordt opgenomen van personen die (overmatig) alcoholhoudende drank hebben gebruikt. In dergelijke gevallen wordt de aangever verwezen naar een later tijdstip. In uw situatie was hiervan sprake.

- Waarom nodigt men mij uit naar het politiebureau te rijden en verbiedt men mij daar aangekomen vervolgens zonder ontzegging van de rijbevoegdheid weer terug te rijden?

Zoals reeds eerder aangegeven hebben de twee politieambtenaren die als eerste contact met u hadden niet waargenomen dat u alcoholhoudende drank had genuttigd. Dit werd wel geconstateerd door de dienstdoende wachtcommandant.

In artikel 162 van de Wegenverkeerswet, staat geschreven:

De opsporingsambtenaar kan de bestuurder van 'een voertuig' een rijverbod opleggen voor de tijd gedurende welke redelijkerwijs verwacht mag worden dat deze toestand zal duren tot ten hoogte 24 uur.

Dit geldt ook voor de persoon die aanstalten maakt een voertuig te gaan besturen.

Echter dit aanstalten maken moet afgeleid kunnen worden uit handelingen. Het is derhalve niet voldoende als iemand kenbaar maakt in een later stadium toch als bestuurder van een voertuig wil gaan optreden.

In uw geval was het dan ook terecht dat de wachtcommandant en enkele politieambtenaren u slechts een waarschuwing gaven om niet te gaan rijden in uw auto. Overigens was het hun niet bekend waar u uw auto had geparkeerd.

- Waarom laat men mij eerst helemaal tot aan de E.-weg door de politie volgen alvorens mij aan te houden?

Nadat u het politiebureau had verlaten en nog met diverse mensen voor het politiebureau een discussie had aangegaan, werd op een gegeven moment door een politieambtenaar geconstateerd dat u toch als bestuurder was gaan rijden. Deze politieambtenaar had geen technische mogelijkheid u een stopteken te geven. Hij kon u derhalve slechts volgen en een opvallend politievoertuig via de mobilofoon loodsen naar de plaats waar u beiden reed. Het stopteken kon u dus pas op de E.-weg worden gegeven.

- Waarom wordt mij later de rijbevoegdheid ontzegd zonder dat eerst objectief is vastgesteld of ik in overtreding was (uit de ontzegging zelf lijkt overigens ten onrechte alsof er ademanalyse zou hebben plaatsgevonden)? Tegen mijn echtgenote heeft de politie gezegd dat ik wel gedronken had (zoals door mij erkend), maar niet dronken was.

In eerder genoemd artikel 162 van de Wegenverkeerswet staat verder vermeld dat het rijverbod mag worden opgelegd als het alcoholgebruik blijkt uit een ademtest of naar het oordeel van de opsporingsambtenaar op andere wijze is gebleken. Het gebruik van alcohol is op meerdere wijze te constateren: door middel van een indicatieapparaat of door waarneming (reuk). Dit laatste vaak ook nog in combinatie met het gedrag van de betrokken persoon. In uw geval hebben diverse politieambtenaren en later ook de arts geconstateerd dat u alcoholhoudende drank had gebruikt. In combinatie met uw gedrag heeft dat ertoe geleid dat u door de betrokken politieambtenaar een rijverbod opgelegd hebt gekregen. (Uit onderzoek is gebleken dat u minstens 4 biertjes heeft gedronken alsmede een tweetal glazen binnenlands gedistilleerd) Indien u het met het u opgelegde rijverbod niet eens was, had u ingevolge de bepalingen van de Algemene Wet Bestuursrecht hiertegen bezwaar kunnen aantekenen. Echter dit had het verbod om als bestuurder van een voertuig op te treden niet opgeheven. Uw opmerking omtrent de inhoud van het rijverbod kan ik niet delen. Dit gelezen hebbende kom ik nergens het woord ademanalyse tegen. De uitspraak tegen uw vrouw dat u wel gedronken had maar niet dronken was is tijdens het feitenonderzoek niet naar voren gekomen. Ik kan mij echter voorstellen dat dit zo aan haar is meegedeeld. Dit doet echter niet af aan het feit dat u als bestuurder bent gaan rijden in een voertuig terwijl u 'vermoedelijk' onder invloed verkeerde van alcoholhoudende drank. Het is daarbij niet vereist dat u dronken zou zijn geweest. Immers het begrip dronken strekt verder dan de wettelijke norm waaronder men als bestuurder mag optreden terwijl men alcohol heeft gebruikt.

- Waarom ben ik langdurig ingesloten geweest, zonder dat hiervoor redelijke (rechtmatige?) gronden aanwezig waren en is de te volgen procedure mij niet uitgelegd? En waarom kon ik na 5 uur gaan, terwijl de heer Sc. nog geen twee tellen daarvoor gezegd had dat ik ingesloten was om mij tegen mijzelf te beschermen?

Volgens het proces-verbaal van aanhouding werd u op zondag 14 juni 1998 te 00.55 uur aangehouden op de E.-weg te Baarn. Bij deze aanhouding is u de reden meegedeeld. Dit wordt ook door u bevestigd in uw brief. Na uw aanhouding werd u ter voorgeleiding voor een hulpofficier van justitie overgebracht naar het bureau van politie te Hilversum, waar u te 01.15 uur aankwam en te 01.25 uur werd voorgeleid voor genoemde hulpofficier van justitie. Nadat u de hulpofficier van justitie uw bezwaren kenbaar had gemaakt, heeft deze de ruimte waar u zich bevond verlaten om een en ander te verifiëren. Daarbij bleek hem dat u eerder die nacht al aan het politiebureau was geweest voor het doen van een aangifte, op advies van twee politieambtenaren. Op grond hiervan werd besloten om alsnog een aangifte van mishandeling op te nemen hetgeen enige tijd in beslag nam.

Ten tijde van het opnemen van deze aangifte heeft de dienstdoende wachtcommandant, mede gezien uw geestelijk toestand, uw vrouw gewaarschuwd om uw zoontje op te ophalen. Nadat uw aangifte was opgenomen werd u nogmaals in de ophoudruimte geplaatst in afwachting van de beslissing van de dienstdoende hulpofficier van justitie.

Omstreeks 03.15 uur constateerde de hulpofficier dat er in het politiebureau met kracht tegen een muur werd gebonkt. De wachtcommandant deelde hem mee dat u dit deed. Tevens deelde de wachtcommandant hem mee dat u weer in de ophoudruimte was geplaatst, in afwachting van de komst van uw vrouw. De hulpofficier echter meende dat er geen reden meer aanwezig was om u ingesloten te houden. Hij wilde u op dat moment dan ook in vrijheid stellen. Dit was omstreeks het tijdstip van 03.15 uur.

Kort hierna arriveerde uw vrouw die bij u werd gelaten. Ook tegen haar begon u te schreeuwen. Op haar vraag aan u of u mee ging bleef u tegen haar schreeuwen dat u niet mee ging en dat u voor niets werd vastgehouden. Omdat uw vrouw het niet verantwoord vond u in deze toestand mee te nemen verliet zij het politiebureau samen met uw zoon.

In verband met uw eigen en andermans veiligheid besloot de hulpofficier u nog enige tijd ingesloten te houden. U werd daarvoor te c.a. 03.45 uur overgebracht naar een cel in het politiebureau. Vanaf dat moment gedroeg u zich rustig. Nadat u in uw cel te omstreeks 04.15 uur was bezocht door een arts werd door genoemde hulpofficier te 05.00 uur besloten u in vrijheid te stellen. Gelet op de in acht te nemen procedure bij aanhouding van een verdachte (in uw geval het rijden onder invloed), het alsnog opnemen van de aangifte en uw gedrag/toestand in het politiebureau, ben ik van mening dat u niet langer bent vastgehouden dan strikt noodzakelijk was.

- Als ik ingesloten was om mij tegen mijzelf te beschermen, waarom is dan de door mij gevraagde medische hulp langdurig onthouden, terwijl een ieder moet hebben kunnen constateren dat mijn geestelijke toestand snel verslechterde?

Uit het ingestelde onderzoek is mij niet gebleken dat de door u gevraagde medische hulp u langdurig zou zijn onthouden. Op het moment dat u in vrijheid zou worden gesteld, dit was te ca. 3.15 uur, is een arts gewaarschuwd, die u te omstreeks 04.15 uur heeft bezocht. Een dienstdoende GGD-arts is op afroep beschikbaar en heeft feitelijk geen dienst. Er gaat dus in de gegeven situatie tijd overheen voor dat hij aan het politiebureau kan verschijnen. Een uur lijkt mij dan ook alleszins redelijk.

- In hoeverre is de escalatie van deze affaire door het gebruik van geweld, machtsvertoon, intimidatie, uitlokking en onprofessioneel gedrag door de politie veroorzaakt, dan wel had zij deze door een andere opstelling kunnen voorkomen?

Uit het ingestelde onderzoek is mij niet gebleken dat door de betrokken politieambtenaren geweld is gebruikt, dat zij u hebben geïntimideerd, dan wel dat zij iets hebben uitgelokt of zich onprofessioneel hebben opgesteld. Uit het onderzoek trek ik wel de conclusie dat een en ander voorkomen had kunnen worden. Bij uw eerste contact met de politie heeft men niet geconstateerd dat u alcoholhoudende drank had gedronken. Was dit wel het geval geweest, dan hadden de betrokken politieambtenaren u toen reeds gewaarschuwd niet meer als bestuurder van uw auto op te treden en waren zij u zeker niet vooruit gereden naar het politiebureau. Het tweede punt van aanmerking betreft het feit dat de betrokken politieambtenaren de dienstdoende wachtcommandant niet rechtstreeks in kennis hebben gesteld van uw komst naar het politiebureau. Deze hoorde dan ook pas achteraf op welke wijze het eerste contact tussen u en zijn collega's was verlopen. Dit laatste wordt door de betrokken wachtcommandant, maar ook door mij, betreurd. De betrokken wachtcommandant heeft verklaard zeker voor een andere aanpak van de zaak te hebben gekozen wanneer hij bekend was geweest met deze feiten.

Dezerzijds is er bij de korpsleiding op aangedrongen deze zaak met de betrokken politieambtenaren te bespreken en hen te wijzen op het belang van een goede communicatie, zowel met de betrokken burger als ook onderling.

Voor wat betreft het vervolgoptreden van de betrokken politieambtenaren wil ik het volgende opmerken.

Op grond van de hen op dat moment ter beschikking staande gegevens, het feit dat zij constateerden dat u alcoholhoudende drank had genuttigd en het feit dat u ondanks waarschuwingen toch als bestuurder van een auto bent gaan optreden, ben ik van oordeel dat het vervolgoptreden van de politie gerechtvaardigd was. Immers u had alcoholhoudende drank gebruikt hetgeen, zoals reeds is aangegeven, hen de bevoegdheid geeft u ingevolge de bepalingen van de Wegenverkeerswet aan te houden. Achteraf moet bovendien worden geconstateerd dat de hoeveelheid genuttigde alcoholhoudende drank, deze verdenking heeft gerechtvaardigd.

Het feit dat u in eerste instantie door politieambtenaren als bestuurder van een auto bent begeleid naar het politiebureau, vormt geen vrijbrief om aansluitend als bestuurder met een auto te gaan rijden terwijl u alcoholhoudende drank had genuttigd. De dienstdoende hulpofficier van justitie heeft gelet op deze bijzondere combinatie van feiten besloten af te zien van het verder op (laten) maken van een proces-verbaal van het rijden onder invloed. Wel werd u, en naar mijn mening terecht, een rijverbod opgelegd.

- Waarom kan ik zelf geen inzage krijgen in een tegen mij ingediende aanklacht, terwijl mijn advocaat dat blijkbaar wel kan?

Als iemand aangifte doet van een strafbaar feit, heeft hij recht op inzage van zijn eigen verklaring. De 'verdachte' heeft echter geen recht op inzage in de verklaring van de tegen hem gerichte aangifte. Dit heeft hij wel via zijn advocaat als 'de zaak' door justitie wordt vervolgd. De betrokken advocaat kan dan inzage verkrijgen via het parket van de officier van justitie, nimmer via de politie. Dit omdat het de politie niet is toegestaan deze gegevens/informatie te verstrekken.

Tot slot wil ik nog het volgende opmerken.

Hoewel ik mij kan voorstellen dat u zeer verbaasd was op het politiebureau te horen maar op een later tijdstip terug te komen voor het doen van een aangifte, terwijl u kort daarvoor door de politie zelf voor het doen van aangifte daarnaar was verwezen, ben ik van mening dat het optreden van de politie daarna in niet onbelangrijke mate het gevolg is geweest van uw eigen handelen. U heeft de politie op niet mis te verstane en beledigende wijze verwijten gemaakt. Ik zal daar echter niet verder op ingaan.

Het behandelen van een klacht, al of niet via een klachtenregeling, heeft tot doel de relatie politie - burger daar waar mogelijk te verbeteren. Een ingediende klacht kan voor de politieorganisatie in het algemeen en voor de betrokken politieambtena(a)r(en) in het bijzonder, een leermoment zijn.

Veel klachten hebben betrekking op bejegening van de burger. Hoewel in veel gevallen formeel juist wordt gehandeld, geschiedt de bejegening van de burger klaarblijkelijk voor het gevoel van diezelfde burger incidenteel niet altijd op een correcte en betamelijke wijze. Zo ook in het onderhavig geval. De korpsleiding heeft mij inmiddels verzekerd deze gebeurtenis te bespreken met de betrokken politieambtenaren.

Zoals ik u in mijn brief van 18 juni 1998 heb meegedeeld, is de hoofdofficier van justitie van het gebeuren in kennis gesteld. Ik heb de hoofdofficier van justitie inmiddels ook geïnformeerd over de resultaten van dit onderzoek en een afschrift van deze brief doen toekomen.

Uw klacht werd niet geheel behandeld ingevolge de bepalingen van de 'Klachtenregeling optreden politieambtenaren Gooi en Vechtstreek'. Het onderzoek geschiedde echter zeer uitgebreid. Om toch recht te doen aan het principe van de klachtenregeling van 'hoor en wederhoor" wil ik u in de gelegenheid stellen om de reageren op de inhoud van deze brief. U kunt dit tot 30 november 1998 schriftelijk of mondeling doen bij ondergetekende. Mocht u mondeling willen reageren op de inhoud van deze brief, dan mag ik u vriendelijk verzoeken dit te willen doorgeven aan de klachtencoördinator..."

8. Verzoeker deelde de korpsbeheerder bij brief van 6 december 1998 onder meer mee:

"Zorgplicht

Wanneer ik mij met bebloed gezicht, als gevolg van een kapotgeslagen lip en wenkbrauw, en in aanwezigheid van een kind van 9 jaar, op het politiebureau meld om aangifte te doen van mishandeling, dan zou het de politie sieren wanneer haar zorg om het welzijn van de burger verder ging dan iemand vervolgens weg te sturen met de mededeling dat hij niet meer mag rijden en maar een taxi naar huis moet nemen. Temeer daar ik op aanraden van de politie naar het bureau was gekomen. De politie had zich naar mijn mening moeten afvragen:

- klopt het verhaal dat hij op aanraden van collega's hier naar toe is gekomen;

- kan deze persoon, gezien zijn verwondingen, met een taxi mee;

- heeft hij voldoende geld voor een taxi;

- waar is zijn auto (stond - ook op aanraden van de politie - verkeerd geparkeerd).

Reden tot aanhouding

De agenten die mij adviseerden hen naar het politiebureau te volgen hebben, in tegenstelling tot hun collega's op het bureau, blijkbaar niet geconstateerd dat ik niet in staat zou zijn een auto te besturen. Zij hebben blijkbaar ook niet geroken dat er te veel gedronken zou zijn en ook hebben zij klaarblijkelijk niet geconstateerd dat ik met dubbele tong sprak. Desondanks heb ik, gezien het advies van de politie om niet meer te rijden, op de terugweg (...) zeer zorgvuldig gereden. Ik vraag mij dan ook af wat voor de onopvallende surveillant de reden was om tot aanhouding over te gaan. Uw lezing komt mij ongeloofwaardig voor. Er lijkt mij hier eerder sprake van een doelgerichte zoekactie die heeft geleid tot mijn uiteindelijke aanhouding op nog geen kilometer van mijn eindbestemming. Deze stelling lijkt onderschreven te worden door het feit dat de agenten die mij hebben aangehouden op geen enkele wijze verbaasd waren over mijn verwondingen.

(...)

Rol trainees

Naar ik heb begrepen ben ik aangehouden door twee trainees en een begeleider. Ik krijg sterk de indruk dat ik slachtoffer ben geworden van een 'demonstratie modeloptreden', om aan de betrokken trainees te laten zien hoe je met dit soort gevallen omgaat.

Subjectieve waarneming

Alhoewel wettelijk misschien juist, is mijn aanhouding en vervolgens de ontzegging van de rijbevoegdheid gebaseerd op de subjectieve waarneming van een aantal agenten. Zoals ik hierboven al heb aangegeven, hebben de agenten met wie ik in eerste instantie in contact was blijkbaar niet hetzelfde waargenomen als de collega's op het bureau. Het blijft mij daarom een raadsel waarom de politie geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om haar subjectieve waarnemingen met objectieve bewijsvoering te onderbouwen. De 'Beschikking Rijverbod' geeft overigens wel degelijk die indruk door te stellen: "Er wordt geen proces-verbaal opgemaakt na ademanalyse".

Drankgebruik politie

Tijdens mijn gesprek met het bureau Interne Onderzoeken heb ik aangegeven dat er mogelijk sprake is geweest van drankgebruik door de politie. In uw schrijven kom ik hierover niets meer tegen.

Barter

Als ik voor het gemak even aanneem dat mijn insluiting het gevolg was van agressief gedrag mijnerzijds, dan lijkt het mij vreemd dat ik pas kan worden vrijgelaten als ik de toezegging doe om de volgende dag terug te komen om gehoord te worden. Er lijkt hier sprake van een zeer oneigenlijke vorm van ruilhandel onder dwang.

Redelijkheid

Ik neem graag aan, zoals in uw schrijven uitvoerig aangetoond, dat voor het politieoptreden een wettelijk onderbouwing te vinden is. Desalniettemin ben ik de mening toegedaan dat het optreden op gespannen voet staat met de redelijkheid daarvan. Het bureau Interne Onderzoeken had mij toegezegd vooral ook de redelijkheid van de gebeurtenissen te zullen onderzoeken, maar een duidelijke stellingname hierover vind ik in uw schrijven niet terug. Uit de verschillende televisieprogramma's waarin het optreden van de politie gevolgd wordt, krijg ik de indruk dat politieagenten steeds vaker neigen naar onredelijk gebruik van hun machtspositie. Dergelijk gedrag kan alleen maar agressie bij de burger uitlokken. Zo ook in het onderhavige geval. Ik zal mij bij een - onverhoopt - volgende gebeurtenis eerst twee keer bedenken voordat ik wederom de 'hulp' van de politie inroep. Ik hoop dat u dit kunt begrijpen."

9. De korpsbeheerder deelde verzoeker bij brief van 18 december 1998 onder meer mee:

"Zorgplicht.

In de 'Ambtsinstructie voor de Politie, de Koninklijke Marechaussee en de Buitengewoon opsporingsambtenaar' worden de taken en bevoegdheden beschreven van de genoemde opsporingsambtenaren. In hoofdstuk 5 is de zorgplicht opgenomen die deze ambtenaren hebben t.o.v. personen die gewond zijn geraakt.

De verwondingen aan uw gelaat als gevolg van mishandeling kunnen worden aangemerkt als lichte verwondingen. Derhalve hadden de betrokken politieambtenaren in uw geval de 'verplichting' u de weg te wijzen naar een huisarts of naar een E.H.B.O.-afdeling van een ziekenhuis.

Omdat u was meegedeeld dat u niet zelf meer een auto mocht besturen, hadden zij tevens de 'verplichting' bemiddelend op te treden bij het verkrijgen van passend vervoer. Omdat u, zoals gezegd, slechts licht gewond was, behoefde vervoer per ambulance niet plaats te vinden. Vervoer naar een ziekenhuis mocht in ieder geval, conform een geldende korpsrichtlijn, niet geschieden in een politieauto.

Uit het ingestelde onderzoek is mij gebleken dat de betrokken politieambtenaren naar mijn mening juist hebben gehandeld door aan te bieden voor u een taxi te bellen. U vond dit niet nodig. Uit het onderzoek is mij tevens gebleken dat, nadat u het politiebureau had verlaten, door burgers ook nog een keer aan een politieambtenaar is gevraagd om een taxi te bellen. U vond dit ook toen niet nodig.

Reden tot aanhouding.

Uw aanhouding heeft niet plaatsgevonden vanwege het feit of u al of niet zorgvuldig met uw auto heeft gereden. De aanhouding heeft plaatsgevonden vanwege het feit dat was geconstateerd dat u alcoholhoudende drank had gebruikt en u gewaarschuwd was niet meer als bestuurder van een voertuig op te treden. De aanhouding vond dan ook plaats op grond van artikel 8 van de Wegenverkeerswet.

(...)

Rol trainees.

Het feit dat u bent aangehouden door een tweetal, zoals u ze noemt, trainees onder begeleiding, doet niets af aan de rechtmatigheid van de aanhouding.

Subjectieve waarneming.

De reden van uw aanhouding in verband met het gebruik van alcoholhoudende drank heb ik uitgebreid in mijn antwoord aan u weergegeven.

Bovendien deelde ik u daarin mee dat u tegen het opgelegde rijverbod bezwaar had kunnen aantekenen. Ik heb dan ook geen aanleiding hierop terug te komen.

Drankgebruik bij de politie.

Het is juist dat ik in mijn schrijven van 16 november j.l. niet ben ingegaan op het 'vermeende" alcoholgebruik door de politie. Dit omdat deze constatering is gedaan door een kind van 9 jaar en uit de mij verstrekte informatie is gebleken dat dit een onjuiste waarneming is geweest. Enige uren voordat u bent aangehouden heeft er in de gemeente Hilversum een actie plaatsgevonden waarbij een aantal kratten bier in beslag zijn genomen. Deze inbeslaggenomen drank was, in afwachting van berging in de daarvoor bestemde ruimte, tijdelijk geplaatst in de ruimte waar de wachtcommandant zijn werkzaamheden verricht en waar uw zoon zich ook bevond. Door een of meerdere politieambtenaren is toen, om wat voor reden dan ook, net gedaan of zij een of meerdere van deze flesjes leegdronken. Echter de kroonkurk is daarbij niet van het flesje afgehaald.

Drankgebruik door politieambtenaren onder diensttijd is ten strengste verboden. Ik kan mij dan ook niet voorstellen dat politieambtenaren in aanwezigheid van leidinggevenden alcohol zouden hebben gebruikt.

Barter.

Zoals ik u in mijn brief meedeelde, laatste alinea pagina 8, werd u in opdracht van de dienstdoende hulpofficier van justitie in vrijheid gesteld nadat hem was gebleken dat de reden van uw insluiting, namelijk voor eigen en of andermans veiligheid, niet meer aanwezig was.

Redelijkheid.

U deelt mij in deze alinea mee dat u de mening bent toegedaan dat het optreden van de politie in onderhavig geval op gespannen voet staat met de redelijkheid daarvan. Ik onderschrijf dit niet.

Hoewel dat in eerste instantie door een tweetal politieambtenaren niet werd geconstateerd dat u alcoholhoudende drank had gebruikt werd dit in tweede instantie wel degelijk geconstateerd. U heeft dit alcoholgebruik ook erkend. Bovendien is dit ook uit het ingestelde onderzoek gebleken (...).

De politie heeft o.a. tot taak op te treden tegen bestuurders in het verkeer die hun voertuig besturen als deze vermoedelijk verkeren onder invloed van het gebruik van alcoholhoudende drank. Het gebeurt helaas nog maar al te vaak dat er ongevallen gebeuren waarbij het gebruik van alcohol een grote rol speelt en waarbij vaak onschuldige medeweggebruikers het slachtoffer zijn. Ik ben dan ook van mening dat uw klachten op dit punt niet gegrond zijn.

Wel ben ik van mening, zoals ik reeds in mijn brief van 16 november j.l. meedeelde, dat er in de communicatie onderling bij de politie fouten zijn gemaakt waardoor uw aangifte (in eerste instantie) niet werd opgenomen en u werd weggestuurd met de mededeling dat u later maar terug moest komen. Uw klacht op dit punt verklaar ik dan ook gegrond.

Tevens bracht ik onder uw aandacht dat het onderzoek en de resultaten daarvan zullen worden besproken met de betrokken politieambtenaren, waardoor mogelijke herhaling in de toekomst kan worden voorkomen."

B. Standpunt verzoeker

1. Het standpunt van verzoeker staat samengevat weergegeven onder KLACHT en is tevens weergegeven onder A. Feiten onder 6. en 8.

2. Verzoeker deelde voorts in zijn verzoekschrift van 14 februari 1999 onder meer het volgende mee:

"Aangezien de politie erkent dat er op mijn rijgedrag niets aan te merken viel, vraag ik mij af waarom ik door de politie ben gevolgd en waarom ik door haar ben aangehouden. Per slot van rekening had ik alleen maar een politieadvies niet opgevolgd en is nooit vast komen te staan (zie ook volgende punt) dat ik een overtreding begaan heb.

De ontzegging van de rijbevoegdheid en tijdelijke beslaglegging op mijn auto zijn gebaseerd op subjectieve waarnemingen van betrokken politieagenten. De tekst op de aan mij overhandigde 'Beschikking Rijverbod' geeft ten onrechte de indruk dat er van objectieve ademanalyse sprake is geweest. Ik stel vraagtekens bij de rechtmatigheid van het rijverbod en de in bewaring neming van mijn auto uitsluitend en alleen op grond van subjectieve waarnemingen. In ieder geval acht ik het verwijtbaar dat er niet van de gelegenheid gebruik is gemaakt om op objectieve wijze eventuele vermoedens aan te tonen.

Bij herhaling beweert de heer Bk. dat ik bezwaar had kunnen maken tegen de mij opgelegde maatregelen. Ik ben hierover echter ten tijde van het incident niet geïnformeerd. (...)

Aangezien er ten tijde van mijn aanhouding geen sprake was van agressief gedrag, beschouw ik de fouillering tijdens mijn aanhouding, het geboeid afvoeren naar het politiebureau en de insluiting gedurende vele uren als onterechte intimidatie en vrijheidsberoving. Eventueel agressief gedrag mijnerzijds was eerder het rechtstreekse gevolg van deze behandeling dan de oorzaak daarvan!

Gezien het feit dat ik de rijontzegging, de beslagname van mijn auto en de vrijheidsberoving als onrechtmatig beschouw, vind ik het niet fatsoenlijk dat mijn echtgenote, zonder overleg met mij, door de politie is gevraagd naar Hilversum te komen om mijn zoon op te halen. Door dit handelen heeft het politiekorps Gooi en Vechtstreek zich op ontoelaatbare wijze in mijn privé-leven gemengd en mijn huwelijk schade toegebracht. Het hoeft geen nader betoog dat het optreden van de politie jegens mij, in aanwezigheid van mijn zoon, ook mijn positie als ouder geen goed heeft gedaan en het vertrouwen van mijn zoon in de politie niet heeft bevorderd.

Ten tijde van mijn vrijlating heeft de Sc. zich bediend van onterechte dwangmiddelen en toezeggingen. Naar mijn mening had de heer Sc. aan mijn vrijlating nooit de voorwaarde mogen verbinden dat ik de volgende dag terug zou komen om gehoord te worden met betrekking tot een tegen mijn ingediende aangifte door een politieambtenaar. Ook had de heer Sc. mij niet op het verkeerde been mogen zetten door toe te zeggen dat hij de betreffende aangifte aan mijn advocaat zou faxen.

Omdat ik geen vertrouwen had in een onderzoek door een politiekorps waarvan een van de betrokken agenten een aangifte tegen mij had ingediend, heb ik mijn advocaat gevraagd hiertegen bezwaar in te dienen. Tussen mijn advocaat en de heer H. is toen afgesproken dat het bureau Interne Onderzoeken en niet de heer H. zelf de klacht zou afhandelen en onderzoek zou verrichten naar de aangifte. Na een eerste gesprek met het bureau Interne Onderzoeken lijkt het onderzoek, tegen de gemaakte afspraken in, toch verder door de heer H. te zijn afgehandeld. Als gevolg hiervan betwijfel ik de objectiviteit van het ingestelde onderzoek; temeer daar de redelijkheid van het politieoptreden ondergeschikt wordt gemaakt aan het citeren van wetsartikelen.

Mijn zoon heeft getuigd dat minstens één van de betrokken agenten ten tijde van het incident alcoholhoudende dranken genuttigd zou hebben. De korpsleiding stelt dat de betreffende agent deed alsof en dat van feitelijk alcoholgebruik geen sprake is geweest. Ik acht een en ander bijzonder kwalijk en ben van mening dat de korpsleiding dit vermeende alcoholgebruik bagatelliseert.

Bekenden van mij hebben mij aangeraden voorzichtig te zijn inzake mijn aangifte wegens mishandeling in de kantine van het zwembad 'L.', omdat de betrokkenen zeer waarschijnlijk behoren tot een om haar regelmatige en ernstige misdragingen bekend staande (...) familie. Het zou zelfs zo ernstig zijn, dat ook de politie zich bij voorkeur van deze familie afzijdig houdt. Ik vraag mij af of de politie wel voldoende moeite heeft gedaan om de daders van mijn mishandeling te achterhalen, of de zaak wat al te gemakkelijk heeft afgedaan."

C. Standpunt beheerder van het regionale politiekorps Gooi en Vechtstreek

1. De beheerder van het regionale politiekorps Gooi en Vechtstreek deelde onder

verwijzing naar het bijgevoegde dossier bij brief van 22 april 1999 onder meer mee:

"Voor mijn reactie verwijs ik naar mijn brief van 18 december 1998 waarin ik hem tevens mijn standpunt meedeelde ten aanzien van de gegrondheid/ongegrondheid van de door hem ingediende klacht.

(...)

(In) zijn brief deelt de heer Fo. mee dat ik bij herhaling beweerd heb dat hij bezwaar had kunnen maken tegen het opgelegde rijverbod. De gedane uitspraak steunt op de over deze maatregel gegeven toelichting in de studieboeken van uitgeverij Stapel & De Koning. Echter achteraf, na beëindiging van de correspondentie met de heer Fo., is mij uit informatie bij het Politie-Verkeers-Instituut gebleken dat hierover enige onduidelijkheid bestaat.

(...) De heer Fo. (geeft) te kennen dat er tussen zijn advocaat en de klachtencoördinator, de heer H., telefonisch contact is geweest. De heer H. kan zich dit contact niet herinneren. Overigens zou hij nimmer afspraken maken over de afhandeling van een klacht of het verrichten van een onderzoek naar een gedane aangifte.

(...) De heer Fo. (suggereert) dat 'ook de politie zich bij voorkeur van deze familie afzijdig houdt'. Noch uit de aangifte van de heer Fo. noch uit onderzoek is gebleken wie de mogelijke verdachten zijn geweest van zijn mishandeling. De 'verdachtmaking' van de heer Fo. mist iedere grond en komt geheel voor zijn rekening."

2. Bij zijn reactie voegde de korpsbeheerder onder meer de volgende stukken:

het proces-verbaal van aangifte van mishandeling van verzoeker van 14 juni 1998;

een proces-verbaal van verhoor van politieambtenaar Ha., dat is opgemaakt en gesloten op 1 juli 1998;

een proces-verbaal van verhoor van politieambtenaar K., dat is opgemaakt en gesloten op 7 juli 1998;

het proces-verbaal van aanhouding van verzoeker, dat de bij het optreden betrokken ambtenaren K., Hoe., en W. op 14 juni 1998 hadden opgemaakt en gesloten;

een proces-verbaal van verhoor van politieambtenaar F., dat op 3 juli 1998 is opgemaakt en gesloten;

een proces-verbaal van verhoor van politieambtenaar Hoe., dat is opgemaakt en gesloten op 8 juli 1998;

een proces-verbaal van verhoor van politieambtenaar W. dat is opgemaakt en gesloten op 8 juli 1998;

een proces-verbaal van bevindingen van politieambtenaar Sc., dat hij op 16 juni 1998 had opgemaakt en gesloten;

een proces-verbaal van verhoor van politieambtenaar Ka., dat op 18 juni 1998 was opgemaakt en gesloten;

een proces-verbaal van verhoor van een getuige, de GGD-arts Br., dat op 25 augustus 1998 was opgemaakt en gesloten;

een proces-verbaal van verhoor de getuige D., dat op 25 augustus 1998 was opgemaakt en gesloten;

een proces-verbaal van verhoor van politieambtenaar M., dat op 26 augustus 1998 was opgemaakt en gesloten;

een proces-verbaal van verhoor van politieambtenaar B., dat op 2 september 1998 was opgemaakt en gesloten;

een proces-verbaal van verhoor van politieambtenaar Be., dat op 17 september 1998 was opgemaakt en gesloten;

een proces-verbaal van verhoor van politieambtenaar Hom., dat op 8 oktober 1998 was opgemaakt en gesloten;

een mutatie uit het dag- en nachtrapport van 13 juni 1998, die Hom., B., en M. hadden opgemaakt;

een mutatie uit het dag- en nachtrapport van 13 juni 1998, die M., Ka., Be., Hom. en Ha. hadden opgemaakt;

een proces-verbaal van bevindingen dat politieambtenaar M. op 15 juni 1998 had opgemaakt en gesloten;

een proces-verbaal van verhoor van getuige D., opgemaakt en gesloten op 9 oktober 1998;

een bericht van niet-verdere behandeling van verzoekers aangifte van 10 november 1998.

2.1. De in het proces-verbaal van aangifte van de mishandeling opgenomen verklaring van verzoeker luidt onder meer:

"De daders sloegen mij met hun tot vuist gebalde hand opzettelijk en met kracht tegen mijn gezicht. (...)

Na de wedstrijd wilde mijn zoon weer naar het toilet. Hij vroeg aan mij of ik mee wilde gaan om die kinderen (die zijn zoon eerder die avond hadden lastiggevallen; N.o.) weg te sturen. (...) Ik heb tegen deze kinderen gezegd dat ze moesten wegwezen. Zij gingen weg maar daarna kwamen er 4 mannen en een vrouw het toilet binnen. Ik ben door deze mensen in elkaar geslagen. Ik heb niet kunnen zien hoe deze mensen eruit zagen omdat ik mezelf heb moeten verdedigen."

2.2. De in het desbetreffende proces-verbaal van verhoor opgenomen verklaring van politieambtenaar Ha. luidt:

"Ik ben in de rang van politiesurveillant in dienst van de politieregio Gooi & Vechtstreek te Hilversum. (...) Ik weet (...) waar het in grote lijnen over gaat en kan mij het voorval nog goed herinneren.

In de nacht van zaterdag 13 juni 1998 op zondag 14 juni 1998 had ik nachtdienst van 23:00 uur tot 07:00 uur. (...) Op zondag 14 juni 1998 omstreeks 00:15 uur bevond ik mij in de ruimte van de wachtcommandant te Hilversum. De wachtcommandant van die nacht was M. Ik hoorde toen dat er naar aanleiding van een gepleegd mishandeling in zwembad "L." een benadeelde naar het bureau onderweg was om aangifte van mishandeling te doen.

Op zondag, 14 juni 1998 omstreeks 00:30 uur zag ik een man die later bleek te zijn genaamd Fo. met een jongen via de hoofdingang het politiebureau te Hilversum binnenlopen. Deze jongen bleek later zijn 9-jarige zoon Ti. te heten. Ik zag dat de man een wond aan de linkerzijde van het gelaat in de nabijheid van zijn wenkbrauw had. Ik dacht toen al bij mijzelf dat het de benadeelde van de mishandeling van het zwembad was. (...) De man stelde zich aan mij voor als Fo. en vertelde dat hij in verband met een aangifte ter zake mishandeling door collega's naar het politiebureau was doorverwezen. Ik deelde hem mede dat ik gezien mijn taakstelling als politiesurveillant geen aangifte mocht opnemen voor dergelijke feiten. Ik zei toen tegen hem dat de wachtcommandant hem wellicht verder kon helpen. Ik rook op moment dat de adem van Fo. naar het inwendig gebruik van alcoholhoudende drank rook.

Ik ben daarop naar de wachtcommandant gelopen en vertelde hem dat de man van de mishandeling in het zwembad aan de balie stond. De wachtcommandant stelde mij twee vragen. Ten eerste of de man al naar het ziekenhuis was geweest en ten tweede of hij had gedronken. Op de eerste vraag kon ik geen antwoord geven. De tweede vraag kon ik, naar aanleiding van mijn waarneming aan de balie, bevestigend beantwoorden.

M. liep vervolgens naar de balie en stond de heer Fo. te woord. M. vertelde Fo. dat hij als wachtcommandant had vernomen dat Fo. naar het politiebureau was verwezen om aangifte van mishandeling te doen. Tevens hoorde ik dat M. vroeg of Fo. al naar het ziekenhuis was geweest. Ik hoorde dat de man verklaarde dat hij nog niet naar het ziekenhuis was geweest. Ook hoorde ik dat M. aan Fo. vroeg: 'U heeft voetballen zitten kijken. Mag ik vragen hoeveel u heeft gedronken?'. Ik hoorde dat Fo. antwoordde: 'Ik heb een stuk of à 6 glazen bier gedronken, misschien wel meer'. M. deelde Fo. toen mede dat het in verband met het drankgebruik verstandiger was om morgen aangifte te komen doen. Hetzij aan het bureau in Hilversum of bij de politie in zijn woonplaats Haarlem. M. vertelde dat hij op de voorhand alvast wel een (aanvraagformulier voor een; N.o.) medische verklaring kon meekrijgen. Fo. was het met het aangegeven advies duidelijk oneens. Ik hoorde namelijk dat hij zei: 'Godverdomme, krijg je klappen waar je zoon bij is. Word je doorverwezen naar het bureau en wordt er vervolgens in het bureau niets mee gedaan. Het was een besloten feest en het barpersoneel weet wie de daders zijn en willen niet zeggen wie de daders zijn' althans woorden van gelijke strekking. Hij eiste daarop dat wij achter de daders en het personeel van de bar van het zwembad aan moesten gaan, anders zou hij zelf een aantal mensen (...) ophalen om bij het zwembad de boel kort en klein te slaan. Hij eiste ook dat wij hem naar het ziekenhuis moesten brengen. Wij deelden hem mede dat de collega's die hem in eerste instantie hadden opgevangen met de zaak doende waren. Dat beaamde hij ook. Wij hebben hem verteld dat wij hem niet naar het ziekenhuis konden brengen maar dat wij wel een taxi voor hem konden bestellen. Dat aanbod nam Fo. niet aan en riep toen dat hij onze namen en adressen wilde hebben. Hij wilde de naam van de wachtcommandant omdat hij een klacht tegen hem in wilde dienen. Hij wilde mijn naam om als getuige op te treden inzake de klacht tegen de wachtcommandant. Ik heb vervolgens de achternamen van M. en mijzelf op een stuk papier gezet en aan hem gegeven. Ik heb hem niet onze adressen gegeven. Vervolgens wendde hij zich weer tot M. en ik hoorde dat Fo. tegen M. zei: 'Aan die kant van de balie durf je wel. Je denkt zeker dat je heel wat bent!' of woorden van gelijke strekking. M. is daarop naar de andere zijde van de balie gelopen en heeft hem toen alsnog in rustige bewoordingen verteld dat het in verband met het drankgebruik beter was om in latere instantie aangifte te doen. Alsnog werd hem door M. verteld dat hij een medische verklaring kon meekrijgen en dat wij een taxi voor hem konden bestellen.

Ik zag toen dat Fo. zich omdraaide en in de richting van de uitgang van het bureau liep. Ik hoorde dat M. hem nog vroeg of hij met de auto was. Hij beantwoordde deze vraag bevestigend. M. zei toen tegen hem dat hij niet in zijn auto moest gaan rijden in verband met het alcoholgebruik. Ik zag dat Fo. toen naar buiten liep en voor het bureau heen en weer bleef lopen.

(...) Gezien het feit dat Fo. in Haarlem woonachtig is en toen nog niet bekend was dat hij op een camping in de buurt van Hilversum verbleef, rees bij ons het vermoeden dat hij toch in de auto zou stappen om naar Haarlem te rijden. Gezien zijn drankgebruik en zijn emotionele toestand, leek ons dat geen goed plan. M. heeft in de tussentijd dat Fo. voor het bureau liep (...), de collega's 'op straat' het signalement van Fo. doorgegeven, om te voorkomen dat Fo. als bestuurder in een auto zou stappen. Collega Ka. reed op dat moment in een onopvallende politieauto. Collega K. reed op dat moment met twee stagiaires in een opvallende politieauto. Ik zag op een gegeven moment dat collega K. met Fo. voor het bureau in gesprek was. Ik weet niet wat er toen besproken is, want dat kon ik niet horen. (...) Ik hoorde even later bij de wachtcommandant over de portofoon of mobilofoon dat collega Ka. in de onopvallende politieauto achter Fo. reed. Fo. reed op dat moment als bestuurder van een FIAT TIPO over de weg (...) te Hilversum. Aangezien Ka. alleen was en in een onopvallende auto reed, besloot hij om er achter te blijven rijden met als doel een opvallende politieauto ter plaatse te coachen. Op een gegeven moment hoorde ik dat hij (...) aan de kant was gezet.

Ongeveer een kwartier later zag ik via de monitor bij de wachtcommandant dat Fo. met handboeien geboeid via de sluis het bureau werd binnen gebracht. Ik weet niet meer of hij met zijn handen aan de voorzijde of achter z'n rug was geboeid. Ik zag dat K. met één van de stagiaires bij Fo. liep en dat Fo. in één van de dagcellen werd geplaatst. Via de andere ingang kwamen andere collega's met de zoon van Fo. genaamd Ti. het bureau binnen. Om hem af te leiden, heb ik hem in de wachtcommandanten ruimte voor de televisie laten zitten. Ik heb voor hem CARTOON NETWERK opgezet. Hij vertelde mij dat hij dat thuis niet op zijn kamer had. Ik hoorde toen ook van hem dat hij met zijn vader op een camping verbleef en dat hij daar door zijn moeder was af gezet. (...) Volgens mij was al zijn aandacht op de televisie gericht en heeft hij op dat moment geen zicht op de monitoren gehad. Ik heb Ti. nog iets te drinken aangeboden, maar hij wilde niets drinken. Ook heb ik hem nog naar het toilet begeleid.

Na ongeveer 20 minuten zag ik via de monitor dat de deur van de dagcel, waar Fo. in zat, heen en weer bewoog en hoorde ik doffe klappen. Ik zat op dat moment samen met Ti., de collega's Be., M. in de ruimte van de wachtcommandant. Ik weet het niet zeker, maar het kan zijn dat collega's Hom. en T. er ook bij waren.

Naar aanleiding van het rumoer uit de dagcel van Fo., ben ik samen met M. en Be. naar de bewuste cel gelopen. Ik zag dat M. de deur open deed, waarop Fo. stopte met het trappen tegen de deur. M. ging daarop in de deuropening staan. Collega Be. en ik stonden in de gang in de nabijheid van M. Ik hoorde toen dat Fo. tegen M. schreeuwde: 'Vuile Nazi, vuile Gestapo. Als ik je buiten tegenkom, doe ik je wat aan. Ik ruk de kop van je romp!' Vervolgens hoorde ik Fo. tegen M. zeggen dat M. geen opleiding had genoten. Dat kon hij zien aan zijn houding. Daarna hoorde ik Fo. tegen M. zeggen dat die nieuwe 'erectiepil' wel wat voor hem was. Toen vroeg M. of Fo. verwachtte dat hij de ruimte zou binnen stappen. Ik hoorde dat Fo. tegen M. riep: 'Ja kom maar, kom dan', of woorden van gelijke strekking. Ik zag toen dat Fo. een trappende beweging op de hoogte van de deurklink in de richting van M. maakte. M. werd niet geraakt door de trap. Ik schat de afstand tussen de voet van Fo. en M. op ongeveer 15 centimeter. Ik zag toen dat M. de deur van de dagcel dichtgooide. Ik zag vervolgens dat Be. door de ruit in de deur van de cel naar binnen keek. Hierop hoorde ik Fo. zeggen: 'Hé kale, het is ook wat voor jou zo'n erectiepil!!'. Ik hoorde daarna dat Fo. riep: 'Jullie bekijken het maar allemaal. Ik ga slapen'.

Vervolgens ben ik naar de cellengang boven gegaan om arrestanten in te sluiten en een rondje cellengang te maken. Terwijl ik daar mee bezig was kreeg ik een telefoontje van M. met het verzoek de observatiecel vrij te maken. Met andere woorden, ik moest degene die op dat moment in de observatiecel verbleef, verplaatsen naar een andere cel. Ik moest de observatiecel vrijmaken omdat er iemand naar boven kwam. Terwijl ik bezig was de observatiecel vrij te maken, zag ik dat Fo. door M. en Ka. binnen werd gebracht. Ik zag toen dat Fo. met z'n handen op de rug was geboeid. Ik weet niet meer of de arts er toen al was of nog moest komen. Ik weet in ieder geval zeker dat Fo. door een arts (...) is bezocht. Op het moment dat de arts bij Fo. was, hoorde ik dat Fo. tegen de arts zei dat er iets bij hem was doorgebrand en dat hij van de arts eiste dat hij een rapport over de hele situatie moest uit brengen. Omdat ik doende was met het insluiten van de arrestanten, heb ik van het verdere gesprek tussen de arts en Fo. niets meer gehoord.

Ik hoorde later dat Fo. in de dagcel een kopje had stukgegooid en zich met de scherven had verwond. Ik heb later ook daadwerkelijk de scherven, de beschadigde tegels, de ontzette deur en het bloed op de vloer en de muur van de dagcel gezien. Nadat Fo. de arts en de inspecteur van dienst Sc. had gesproken, besloot de inspecteur van dienst in overleg met M. om Fo. met een taxi naar de camping te laten gaan. Fo. maakte met inspecteur van dienst Sc. de afspraak op de donderdag daaropvolgend naar het bureau te Hilversum te komen voor het afleggen van een verklaring. Ik schat dat Fo. die nacht om ongeveer 05:00 uur het bureau heeft verlaten."

2.3. De in het betreffende proces-verbaal van verhoor opgenomen verklaring van politieambtenaar K. luidt:

"Ik ben als hoofdagent in vaste dienst van de regiopolitie Gooi & Vechtstreek. Ik ben werkzaam in de basispolitiezorg en heb als neventaak de begeleiding van aspirant politieagenten. In de nacht van zaterdag 13 juni 1998 op zondag 14 juni 1998 had ik samen met twee stagiaires Hoe. en W. nachtdienst van 23:00 uur tot 07:00 uur. Gezien de fase in de opleiding van deze twee stagiaires, stond deze nachtdienst hoofdzakelijk in het licht van de procedures rond artikel 8 van de Wegenverkeerswet. (...) Op een willekeurig tijdstip, ik schat rond 24:00 uur, reden de twee stagelopers en ik in een opvallende surveillance-auto in Hilversum. Op dat moment kregen wij via de portofoon het verzoek van de wachtcommandant M. om naar de hoofdingang van het politiebureau te Hilversum te komen. Waarom wij daar naar toe moesten komen, was ons op dat moment nog niet bekend.

Toen wij bij het bureau aankwamen, is één van de stagiaires, ik meen W., naar binnen gelopen om bij de wachtcommandant te informeren wat er aan de hand was. W. kwam bij ons terug met het verhaal dat er een man aan de balie was geweest voor het doen van aangifte van mishandeling. Deze aangifte was in verband met drankgebruik van de aangever niet opgenomen en het vermoeden bestond dat hij als bestuurder in een auto zou gaan rijden. Er zou ook al door een collega in een onopvallende politieauto op de auto van de bewuste persoon gepost worden. De bewuste man zou een rode jas aan hebben. Vrijwel op hetzelfde moment werd ik voor het bureau aangesproken door een man, die voldeed aan het opgegeven signalement. Deze man bleek later Fo. te heten. Bij het eerste contact met deze man, riep hij: 'Word ik in de gaten gehouden' of woorden van gelijke strekking. Vervolgens vertelde hij dat hij zojuist aan het bureau was geweest om aangifte van mishandeling te doen en dat men deze niet wilde opnemen. Hij uitte daar tegen ons zijn ongenoegen over de procedure, die hij aan het bureau had ondervonden. Ikzelf zat in de auto en Fo. stond op ongeveer anderhalve meter van het politievoertuig. Wij hebben Fo. uitgelegd dat het in het kader van de objectiviteit en de zuiverheid vaker gebeurt dat er geen aangifte wordt opgenomen als de aangever onder invloed is van drank. Wij hebben hem er op gewezen dat het beter zou zijn om de volgende dag aangifte in zijn woonplaats te doen. Wij hebben hem verteld dat de aangifte alsnog naar Hilversum gestuurd zou worden, om vervolgens door de politie Hilversum in onderzoek genomen te worden.

Hij eiste echter dat hij naar het ziekenhuis gebracht zou worden. Als uiterlijke verwonding, zag ik een streepje opgedroogd bloed onder zijn linkeroog. Verder gaf hij niet aan dat hij verder letsel had. Ik zag gezien, zijn uiterlijke verwonding, geen aanleiding om aan zijn eis te voldoen. Uiteindelijk kreeg ik na onze uitleg de indruk, dat hij ermee instemde om de volgende dag in zijn eigen woonplaats de aangifte te doen.

Ook kwam tijdens ons gesprek eventueel autorijden ter sprake en hebben wij hem verteld dat het in verband met het drankgebruik niet verstandig was om auto te gaan rijden. Ikzelf heb op dat moment in verband met de afstand niet kunnen ruiken of hij alcohol had genuttigd. Dat hoorde ik later in de politieauto van Hoe. en W..

Op een gegeven moment zei Fo. dat hij wel een taxi zou nemen. Wij zijn toen uit elkaar gegaan en ben ik samen met Hoe. en W. verder gegaan met surveilleren. Met de wetenschap dat er op hem gepost werd voor het geval hij toch zelf een auto zou gaan besturen, hielden wij ons vervolgens hoofdzakelijk in de nabijheid van het centrum van Hilversum op. Ik weet niet meer hoeveel tijd er zat tussen het beëindigen van het gesprek met Fo. en de eerste melding dat collega Ka. hem zag rijden. Wij kregen in ieder geval op een gegeven moment via de portofoon de melding dat collega Ka. Fo. in een zwarte Fiat had zien stappen en dat hij als bestuurder was gaan rijden. Op dat moment reed hij in de richting van de Mi.-straat te Hilversum. Gezien het feit dat door diverse collega's was geconstateerd dat Fo. alcohol had genuttigd en een eventuele artikel 8 procedure binnen de opleidingsdoelstelling voor die nacht viel, kreeg ik samen met de stagiaires het verzoek om een onderzoek in te stellen.

Op het moment van het verzoek, bevonden wij ons op de L.-weg te Hilversum. Door collega Ka. werden wij gecoacht naar de uiteindelijke plaats van aanhouding. Deze plaats bleek later de E.-weg te Baarn te zijn, ter hoogte van tuincentrum Hk. Nadat wij Fo. een stopteken hadden gegeven en hij zijn voertuig tot stilstand had gebracht, verliet ik het dienstvoertuig en sprak hem aan. Bij het eerste contact rook ik dat de adem van Fo. riekte naar het inwendig gebruik van alcoholhoudende drank. Na deze constatering deelde ik Fo. mede dat hij was aangehouden als verdacht van vermoedelijke overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet. Ik verzocht hem vervolgens plaats te nemen in de surveillance-auto. Op dat moment vroeg hij of hij niet moest 'blazen'. Ondanks het feit dat er in de surveillance-auto een ademtester aanwezig was, heb ik op dat moment de keuze gemaakt om geen gebruik te maken van het apparaat. Ik zei hem dat ik dat niet nodig vond en verzocht hem plaats te nemen rechtsachter in de surveillance-auto. Hij ging verder niet meer over 'het blazen' door en voldeed aan mijn verzoek.

Op het moment dat wij nog op de plaats van de aanhouding waren, heeft W. zijn zoontje op z'n gemak gesteld en is met de auto van Fo. met zijn zoontje voor ons uit naar het politiebureau in Hilversum gereden. Onderweg naar het bureau deed ik de binnenverlichting van het achtercompartiment van de surveillance-auto aan met als doel goed zicht te houden op de aangehouden verdachte. Ik bestuurde de politieauto en Hoe. zat links naast Fo. op de achterbank. Wij deelden hem mede dat hij niet in de auto mocht roken. Ik weet niet meer of hij daadwerkelijk pogingen heeft ondernomen om te roken. Met andere woorden of hij een pakje sigaretten heeft gepakt en dat weer heeft teruggestopt. Nadat wij ongeveer 5 minuten hadden gereden, zag ik in mijn binnenspiegel dat Fo. zijn linkerarm gebogen in de buurt van het gezicht van Hoe. op de leuning van de achterbank plaatste. Uit veiligheidsoverwegingen verzocht ik Fo. tot twee keer toe om zijn handen op zijn knieën wilde plaatsen. Hij voldeed daar niet aan. Hij zei: 'Ik maak zelf wel uit waar ik mijn handen plaats'. Hoe. heeft hetzelfde verzoek tot hem gericht maar zoals gezegd voldeed hij niet aan ons verzoek. Aangezien zijn linkerhand wel erg dicht in de buurt van het gezicht van Hoe. bleef, besloot ik om Fo. uit veiligheidsoverwegingen de handboeien om te doen. Nadat ik was gestopt en uitgestapt, heb ik hem met de handen aan de voorzijde geboeid. Aangezien Fo. bleef provoceren door zijn geboeide handen weer op de leuning richting Hoe. te plaatsen, heb ik tegen Hoe. gezegd dat zij zijn handen naar beneden op zijn knieën moest duwen. Hetgeen zij ook deed, ik heb niet gezien of zij daarna zijn handen heeft vastgehouden. Fo. bleef in ieder geval rustig zitten. Hij plaatste naar mij toe de opmerking dat ik een potentieprobleem had. Ik ben daar verder niet op ingegaan. Onderweg uitte hij zijn zorg over zijn zoontje en dat zijn zoontje goed moest worden opgevangen. Ik heb mijn best gedaan om hem wat dat betreft gerust te stellen en dat wij de nodige aandacht aan zijn zoontje zouden schenken. (...)

Op de binnenplaats van het bureau te Hilversum aangekomen, wond hij zich erg op en schoot uit z'n slof. Hij schreeuwde onder andere letterlijk: 'En je zorgt er voor dat mijn zoon goed opgevangen wordt, anders ruk ik de kop van je romp!'. Ik zag dat hij daarbij met zijn wijsvinger in mijn richting wees. Ik zei tegen hem dat ik al had gezegd dat er voor zijn zoontje gezorgd zou worden, maar dat was kennelijk niet tot hem doorgedrongen. Op zijn geuite bedreiging ben ik verder niet ingegaan, ik was daar namelijk niet van onder de indruk. Via de normale procedure kwamen wij uiteindelijk via de sluis in de fouilleringskamer. Ik deed hem vervolgens de boeien af en liet hem na fouillering op een stoel plaatsnemen. (...)

Ik vroeg hem vervolgens naar zijn naam. Hij weigerde echter zijn naam op te geven. Dit bleek uit het feit dat hij niets zei. Hij hield gewoon zijn mond. (...) Nadat zijn goederen waren ingeschreven, is hij in afwachting van de voorgeleiding voor de hulpofficier van justitie, tijdelijk in een zogenaamde 'ophoudkamer' geplaatst.

Vrij kort na de insluiting kwam de hulpofficier, de inspecteur van dienst Sc. ter plaatse. Wat mij tot nu toe bekend was, heb ik vervolgens aan Sc. verteld, waarna Sc. de voorgeleiding heeft gedaan. Ik ben niet bij de voorgeleiding aanwezig geweest. Na de voorgeleiding kwam Sc. weer naar mij toe. Sc. vertelde mij dat Fo. kennelijk op verzoek van collega's eerder op de avond naar het bureau was gereden vanaf zwembad L. Hij was naar het bureau gereden om daar aangifte van mishandeling te doen. Op dat moment hoorde ik voor het eerst dat Fo. kennelijk al eerder onder invloed had gereden. Dat verbaasde zowel mij als Sc. Ik was wel op hoogte van het feit dat er een melding van een mishandeling bij zwembad L. was geweest, maar ik had niet eerder de link gelegd tussen die melding en Fo. Sc. of de wachtcommandant heeft toen uitgezocht welke collega's de melding van de mishandeling bij zwembad L. hadden onderzocht. Dit bleken collega's Hom. en B. geweest te zijn. Deze collega's werd vervolgens 'binnen' geroepen. Terwijl werd uitgezocht door de inspecteur van dienst hoe de voorgeschiedenis in elkaar stak, ben ik samen met Hoe. en W. het aanhoudingsproces-verbaal gaan typen. Op een gegeven moment kwam Sc. bij mij terug en werd het mij duidelijk dat Fo. inderdaad eerder die avond op uitnodiging van de collega's naar het bureau was gereden. Nadat ik daar kennis van had genomen, werd ik boos en heb ik het rijbewijs aan de wachtcommandant gegeven. Ik zei dat ik niets meer met deze zaak te maken wilde hebben en heb ik het zaak ter beoordeling aan Sc. teruggegeven. Ik kon toen ook wel enigszins de reactie van Fo. begrijpen. Ik heb mij vervolgens samen met Hoe. en W. niet meer met Fo. bemoeid. Ik kan mij nog wel herinneren dat ik Fo. tegen de deur van de ophoudkamer heb horen trappen, maar zoals gezegd heb ik mij verder niet meer met deze zaak bemoeid."

2.4. Het proces-verbaal van aanhouding van verzoeker vermeldt onder meer:

"De aanhouding werd verricht op grond van artikel 8.1 Wegenverkeerswet 1994 en vond plaats naar aanleiding van het volgende:

Op zondag 14 juni 1998, omstreeks 00.45 uur, bevonden wij (K., Hoe. en W.; No.) ons, in uniform, met autosurveillance belast (...) te Hilversum.

Op dag, datum en tijdstip genoemd, kregen wij van een collega via de portofoon door dat een persoon, waarvan bekend was dat deze onder invloed van alcoholhoudende drank verkeerde, in zijn auto was gestapt en daarmee was gaan rijden. Het voertuig dat de man bestuurde betrof een Fiat, voorzien van het kenteken (...). Men was bekend geraakt met het feit dat de man onder invloed van alcoholhoudende drank verkeerde omdat enige tijd ervoor de man zich aan de balie van het politiebureau had gemeld voor het doen van aangifte van mishandeling en men toen had geroken dat de adem van de man riekte naar het inwendig gebruik van alcoholhoudende drank. Na de afhandeling aan de balie was de man door verschillende collegae, waaronder wij verbalisanten, verteld dat hij niet in een auto moest gaan rijden. De man was het niet eens met de procedure zoals aan hem was verteld omtrent de afwikkeling van de mishandeling. Nadat hij ons had verteld wat hem was medegedeeld, hadden wij de man nogmaals verteld dat die procedure zoals aan hem was uitgelegd wel de juiste was. De man verklaarde hierop dat hij met een taxi naar huis zou gaan.

Zoals hierboven genoemd werd later geconstateerd dat de man alsnog in zijn voertuig was gestapt en was gaan rijden.

De collega die had doorgegeven dat de man in zijn auto was gaan rijden, reed in een onopvallend surveillancevoertuig en gaf de route door die de man reed. Op het moment dat wij eveneens achter het bewuste voertuig aanreden, reden wij op dat moment op de E.-weg in de gemeente Baam.

Ter controle op de naleving van de bepalingen gesteld bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994, gaven wij de man een stopteken middels het verlichte transparant met daarop 'stop politie'. Hieraan voldeed de man.

Bij eerste contact met de man rook ik, 1e verbalisant, dat de adem van de man riekte naar het inwendig gebruik van alcoholhoudende drank.

Op zondag 14 juni 1998, te 00.55 uur, hebben ik, 1e verbalisant, de man, als verdachte van overtreding van artikel 8 lid l van de Wegenverkeerswet 1994, op de openbare weg, de E.-weg te Baam aangehouden.

Na de aanhouding hebben wij de man ter geleiding voor een hulpofficier van justitie overgebracht naar het bureau van politie te Hilversum.

Nadat de man na een veiligheidsfouillering ongeboeid achter in het surveillancevoertuig had plaatsgenomen, reden wij in het surveillancevoertuig naar het bureau. Omdat de man op onze aanwijzingen zijn handen niet zichtbaar voor ons op zijn benen wilden laten rusten en hij naar herhaaldelijk verzoek zijn handen niet op een voor ons veilige plaats wilden houden, heb ik, 1e verbalisant, de man voor het lichaam in de transportboeien geplaatst. Hierna vervolgden wij onze weg naar het bureau. Onderweg daar naartoe eiste de verdachte dat wij van alles voor hem moesten doen, waaronder de thuisreis regelen voor zijn 9-jarige zoon die ook bij de verdachte in zijn voertuig zat. De man was door mij, 1e verbalisant, bij zijn daadwerkelijke aanhouding medegedeeld dat wij dat allemaal voor hem goed zouden regelen. Kennelijk niet hiervan overtuigd eiste hij enkele keren opnieuw dat de politie dat goed moest doen. Inmiddels aangekomen op de binnenplaats van het politiebureau, bedreigde de verdachte mij, 1e verbalisant, dat indien hij mij tegen zou komen hij mij 'de kop van m'n romp zou trekken'.

Aangekomen in de fouilleringsruimte van het bureau Hilversum wilde de man zijn naam niet opgeven. Hierna werd in het bijzijn van de verdachte zijn polstasje doorzocht waarin een rijbewijs van de verdachte zat.

Op de plaats van de aanhouding werden wij verbalisanten geconfronteerd met het feit dat de verdachte zijn 9-jarige zoon als bijrijder in de auto zat. Hierop is door mij, 1e verbalisant, besloten dat het voertuig van de verdachte samen met de 9-jarige zoon overgebracht moest worden naar het bureau van politie te Hilversum. Ik, 3e verbalisant, heb hierna de auto van de man overgebracht naar het bureau."

2.5. De in het betreffende proces-verbaal van verhoor opgenomen verklaring van politieambtenaar F. luidt onder meer:

"Ik ben sinds 01 juni 1996 in de rang van politiesurveillant in dienst van de regiopolitie Gooi & Vechtstreek te Hilversum. (...)

Op zaterdag, 13 juni 1998 had ik dienst (...). Aan het eind van mijn dienst rond 24:00 uur bevond ik mij in de ruimte van de wachtcommandant te Hilversum om mij af te melden bij de wachtcommandant. M. vroeg mij bij die gelegenheid of ik nog even wilde wachten om op de telefoon te letten. M. moest namelijk even naar voren naar de balie om iemand te woord te staan. Vanuit de ruimte van de wachtcommandant is de receptieruimte via een deuropening te bereiken. Op een gegeven moment hoorde ik een luide mannenstem, een man die met stemverheffing praatte. Ik kon op dat moment niet woordelijk verstaan wat er gezegd werd. De stem maakte op mij wel een geïrriteerde en agressieve indruk. Aangezien dit mijn aandacht trok, ben ik vervolgens ook in de richting van de balie/receptie gelopen en hield mij in de deuropening tussen die twee ruimtes op. Ik zag toen op ongeveer 2 à 3 meter afstand M. en Ha. naast elkaar achter de balie staan. Voor de balie zag ik een manspersoon staan. Een jongetje is mij toen niet opgevallen.

Ik begreep in eerste instantie dat de man, die later Fo. bleek te heten, aangifte van mishandeling wilde doen. Deze mishandeling zou eerder die avond hebben plaatsgevonden in een zwembad te Hilversum. De letterlijke woorden heb ik niet verstaan. Ik hoorde dat de collega's op een rustige en naar mijn mening correcte wijze die man probeerden uit te leggen dat die man op een dusdanige wijze onder invloed van alcohol verkeerde dat het op dat moment beter was om geen aangifte op te nemen. De man werd uitgenodigd om de volgende dag deze aangifte te komen doen als hij nuchter was. Ondanks het feit dat hij door de collega's op een rustige wijze te woord werd gestaan, viel het mij op dat de man geen ruimte gaf om de collega's uit te laten spreken. Hij onderbrak hen steeds en ik hoorde hem eisen dat de politie hem naar het ziekenhuis moest brengen. Uit het verdere verloop van het gesprek begreep ook dat de collega's hem aanboden om een taxi voor hem te bellen. Ook werd hem een medische verklaring aangeboden, die hij dan door een arts kon laten invullen. De man was het daar duidelijk niet mee eens en bleef eisen dat de politie hem naar het ziekenhuis moest brengen.

Op een gegeven moment begreep ik uit een paar woorden die ik opving, dat M. werd uitgedaagd om voor de balie te komen staan. Ik zag dat M. naar voren liep. M. maakte op mij op dat moment een rustige indruk. Het verdere verloop van het gesprek tussen Fo. en M. heb ik niet meer gevolgd. (...) Toen M. met Fo. voor de balie stond te praten, ben ik weer teruggelopen naar de ruimte van de wachtcommandant. Op een gegeven moment kwam de wachtcommandant M. ook weer terug in de wachtcommandantenruimte. Op dat moment zag ik door het raam van de wachtcommandantenruimte Ha. naar buiten lopen. Ik ben daarop ook die richting uit gelopen en zag vanuit de hal van de hoofdingang van het politiebureau Fo. staan, die in gesprek met Ha. en enkele mensen was. Mijn indruk was dat Fo. steun bij mensen zocht over de wijze waarop hij door de politie was behandeld. Ik zag bij Fo. ook een jongetje staan, waarvan ik later begreep dat het zijn zoontje was. Hij maakte op mij nog steeds een boze indruk, terwijl Ha. naar mijn mening alle moeite deed om hem te kalmeren. Na ongeveer 2 minuten liep Ha. weer naar binnen en ben ik samen met hem naar de wachtcommandantenruimte gelopen.

Binnen hoorde ik van de collega's dat zij toch bang waren dat hij met drank op achter het stuur met zijn zoontje zou gaan rijden, ondanks het feit dat de collega's hem diverse malen op het hart hadden gedrukt niet te gaan rijden. Ik ving nog op dat er een burgerauto teruggeroepen werd om het één en ander te observeren om te kijken of hij daadwerkelijk zou gaan rijden. Wellicht zou het dan voorkomen kunnen worden."

2.6. De in het betreffende proces-verbaal van verhoor opgenomen verklaring van politieambtenaar Hoe. luidt onder meer:

"Ik ben aspirant-agente van politie en loop op het ogenblik stage in de regio Gooi & Vechtstreek. In de nacht van 13 op 14 juni 1998 had ik samen met collega aspirant W. en praktijkbegeleider K. dienst van 23:00 uur tot 07:00 uur. Deze nachtdienst draaiden wij in het kader van de alcolholwetgeving. Bij het appèl gaf K. aan wat onze opleidingsdoelstelling voor die betreffende dienst was.

Rond 24:00 uur reden W., K. en ik in een surveillance-auto. Wij kregen toen het verzoek van de meldkamer om naar de hoofdingang van het politiebureau (...) te Hilversum te rijden. Bij het bureau zou iemand staan, die ons wat kon vertellen.

Bij het bureau aangekomen, zag ik nog een politieauto staan. In deze auto zaten collega's Hom. en B.. B. zat achter het stuur van die auto. Ik heb toen met B. gesproken. Zij wees mij een man aan, die een rood jasje droeg. Deze man bleek later Fo. te heten. Naast deze man zag ik ook nog een klein jongetje staan. B. vertelde mij dat Fo. alcohol had gedronken en dat hij vermoedelijk zou gaan rijden. Collega Ka. zou om de hoek staan voor het geval dat Fo. zou gaan rijden. Hetgeen B. mij had medegedeeld heb ik vervolgens aan K. verteld. Ik nam daartoe nog even plaats in de surveillance-auto.

Ik zag toen dat Fo. naar de surveillanceauto toe kwam lopen. W. en ik stapten uit en ik hoorde dat Fo. aan ons vroeg: 'Moeten jullie mij hebben ?'. W. en ik raakten toen met Fo. in gesprek. Ik weet niet meer wat er exact is gezegd. W. voerde hoofdzakelijk het gesprek met Fo. Ik weet in ieder geval nog wel zeker dat wij hem hebben verteld dat hij niet meer moest gaan rijden in verband met het alcoholgebruik. Aangezien Fo. dicht bij ons stond, kon ik ook ruiken dat zijn adem naar alcohol rook. Hij maakte op mij een emotionele indruk. Hij sprak met stemverheffing. Hij vertelde dat hij een paar klappen had gehad en dat hij voor onderzoek naar het ziekenhuis gebracht moest worden. Ik zag bij één van zijn ogen een klein schrammetje op de wenkbrauw. K. verzocht W. toen om even bij de wachtcommandant te informeren wat er aan de hand was.

Toen W. terugkwam, vertelde hij ons dat Fo. aan het bureau was geweest om aangifte van mishandeling te doen. Deze aangifte was in verband met alcoholgebruik van Fo. niet opgenomen. W. en ik hebben Fo. nog eens duidelijk gemaakt dat hij de aangifte de volgende dag in zijn woonplaats kon doen. Ook hebben wij hem nogmaals op het hart gedrukt dat hij in verband met het alcoholgebruik niet moest gaan rijden. Fo. liep toen weg in de richting van de B.-straat. W., K. en ik zijn toen verder met surveillance gegaan. Ik kan mij nog herinneren dat wij over de B.-straat langs de auto van Fo. zijn gereden. Het was een donkerkleurige FIAT (...). Bij de achteruitgang van het politiebureau zag ik ook nog collega Ka. in een onopvallende dienstauto staan. Op een gegeven moment, ongeveer een kwartier later, kregen wij van Ka. de melding dat hij achter Fo. reed. In verband met onze opleidingsdoelstelling, kregen wij het verzoek een nader onderzoek in te stellen. Ka. coachte ons naar de latere plaats van aanhouding. (...) Nadat wij hem een stopteken hadden gegeven, verliet ik de surveillance-auto en sprak ik Fo. aan. Ik weet niet meer of Fo. op dat moment uitstapte of dat hij al naast zijn voertuig stond. Ik heb hem nog wel gevraagd de autosleutels uit het contactslot te halen.

K. stond inmiddels naast mij en deelde Fo. mede dat hij was aangehouden ter zake overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet. Ik weet niet meer precies wat Fo. toen allemaal zei. Ik weet nog wel dat hij voor de surveillance-auto ging staan om ons kenteken te noteren. K. zei toen tegen hem dat hij onze namen aan het bureau kon krijgen. Ik weet mij ook nog te herinneren dat er op de plaats van de aanhouding nog een opvallende politieauto stond, de bemanning van deze auto bleef in het voertuig zitten. Ik weet dus niet wie er in die auto hebben gezeten. Nadat Fo. was aangehouden, is hij door W. aan een veiligheidsfouillering onderworpen. Daarna is Fo. rechtsachter in de politieauto gestapt en ben ik links naast hem gaan zitten. Wij zijn toen naar het bureau gereden. W. reed voor ons uit in de auto van Fo. Het zoontje van Fo. zat bij W. in de auto. Vrij snel nadat wij onderweg naar het bureau waren, deed Fo. zijn rechterhand in zijn binnenzak. Ik zei toen dat ik zicht wilde blijven houden op zijn handen en dat hij zijn handen op zijn knieën moest houden. Hij zei toen dat hij wilde roken. Ik maakte hem duidelijk dat hij niet mocht roken in de politieauto. Hij plaatste toen één van zijn voeten op de console tussen de twee voorstoelen en zijn linkerarm legde hij dicht bij mijn gezicht op de rugleuning van de achterbank. Ik zei wederom dat hij zijn handen op zijn knieën moest plaatsen. Ik weet niet meer precies wat Fo. allemaal zei. Het waren in ieder geval allerlei uitlatingen om ons uit de tent te lokken. Hij vond de baan van politieagent maar een min baantje.

K. vertelde Fo. dat hij naar mij moest luisteren en dat hij zijn handen op z'n knieën moest houden. K. heeft toen de surveillance-auto tot stilstand gebracht en Fo. met zijn handen aan de voorzijde geboeid. Nadat hij was geboeid, stak Fo. zijn beide handen omhoog. Aangezien ik mij niet veilig voelde, pakte ik de boeien beet tussen zijn handen en drukte zijn handen op zijn knieën. Ik heb de boeien tot bij het bureau vastgehouden.

(...)

Op de binnenplaats van het bureau aangekomen, zei Fo. iets met betrekking tot zijn zoon. Wat hij precies zei weet ik niet meer. Ik zag wel dat Fo. in de richting van K. wees en hoorde dat Fo. riep dat hij de kop van de romp van K. zou trekken of woorden van gelijke strekking. In fouilleringsruimte van het bureau heeft K. de boeien afgedaan. Fo. zei niets. Hij keek alleen K. met een strakke en doordringende blik aan. Aangezien Fo. zijn naam niet wilde opgeven, heb ik ter vaststelling van zijn identiteit zijn polstasje doorzocht. In dat tasje vond ik een rijbewijs ten name van Fo.

Nadat Fo. verder was gefouilleerd en zijn spullen op tafel had gelegd, hebben wij hem naar een zogenaamd 'dagverblijf' gebracht in afwachting van de komst van de hulpofficier van justitie. Ik heb het rijbewijs aan K. gegeven zodat hij met het aanhoudingsproces-verbaal kon beginnen. Nadat wij de inspecteur van dienst van onze bevindingen op de hoogte hadden gesteld, is Fo. bij hem voorgeleid. Tijdens de voorgeleiding vertelde Fo. dat hij eerder die avond op uitnodiging van collega's naar het bureau was gereden en dat het hem verbaasde dat hij nu was aangehouden. Fo. maakte een boze indruk, hij sprak met stemverheffing. Hij maakte ook de indruk dat hij wist 'wat z'n rechten waren'. De hulpofficier deelde hem mede dat hij zou uitzoeken wat er aan de hand was geweest en dat hij daarna weer bij Fo. zou terugkomen. De inspecteur van dienst is toen naar de wachtcommandant gelopen. Hij wilde de collega's spreken, die eerder die avond bij de melding van de mishandeling van Fo. waren geweest. W. en ik zijn naar K. gegaan, die zoals gelegd het aanhoudingsproces-verbaal aan het typen was. Nadat ons duidelijk was geworden was geworden dat Fo. eerder die avond op uitnodiging van collega's naar het bureau was gereden, werd K. kwaad. K. zei tegen de hulpofficier dat hij alleen nog het aanhoudingsproces-verbaal wilde typen en verder geen bemoeienis meer met deze zaak wilde hebben. Wij hebben ons inderdaad verder niet meer met Fo. bemoeid."

2.7. De in het betreffende proces-verbaal van verhoor opgenomen verklaring van politieambtenaar W. luidt onder meer:

"Ik ben aspirant-agent van politie en loop op het ogenblik stage binnen de politieregio Gooi & Vechtstreek. Eén van mijn praktijkbegeleiders gedurende de stage is hoofdagent K.

In de nacht van 13 juni 1998 op 14 juni 1998 had ik van 23:00 uur tot 07:00 uur dienst met K. en Hoe. Hoe. is eveneens aspirant van politie en loopt samen met mij stage. Deze nachtdienst stond in het kader van de alcoholwetgeving als opleidingssdoelstelling.

Ongeveer anderhalf uur na aanvang van onze dienst, kregen wij van de wachtcommandant of de meldkamer het verzoek om naar het politiebureau te Hilversum te rijden. Wij zouden daar nader worden geïnformeerd door de wachtcommandant. Ik reed op dat moment met K. en Hoe. in een opvallende dienstauto. Aangekomen bij de hoofdingang van het politiebureau, liep ik naar binnen om mij door de wachtcommandant te laten informeren. Binnengekomen zag ik achter de balie twee collega's zitten. Het betroffen de wachtcommandant M. en een politiesurveillant, mij onbekend van naam.

M. vertelde mij dat er een man vergezeld door een zoon uit Haarlem voor het bureau stond. Deze man zou alcohol hebben gedronken en mogelijk gaan autorijden. Omdat M. wist van onze opleidingsdoelstelling voor die nacht, vond hij dat wel iets voor ons om daar alert op te zijn.

M. liep met mij mee naar buiten en wees mij vervolgens de door hem bedoelde man aan. Ik zag dat de aangewezen man in gezelschap van een jongen, gekleed in een oranje T-shirt, onze richting uit kwam slenteren. Deze man bleek later Fo. te heten. M. vertelde dat in verband met het drankgebruik van Fo. en de mogelijkheid dat hij zou gaan rijden, een collega in een burgerauto in de nabijheid van de auto van Fo. had 'postgevat'. Indien Fo. zou gaan rijden, zouden wij in kennis worden gesteld.

Na geïnformeerd te zijn door de wachtcommandant nam ik weer plaats in de surveillance-auto. Hoe. is toen even het bureau binnen gegaan. Toen zij na korte tijd weer terugkwam, raakte zij in gesprek met Fo. Fo. sprak met stemverheffing en maakte een verbale agressieve indruk op mij. Ik ben daarom weer uitgestapt en heb mij in het gesprek gemengd. Wat Fo. precies heeft gezegd, weet ik niet meer. Het gesprek ging over een mishandeling, waar ik op dat moment nog niets van wist. Aangezien het mij allemaal wat onduidelijk was, ben ik weer het bureau binnengelopen om mij nader te laten informeren door de wachtcommandant. M. vertelde mij toen dat Fo. aan het bureau was geweest om aangifte van mishandeling te doen en dat deze aangifte niet was opgenomen in verband met alcoholgebruik van Fo. M. vertelde mij ook dat het gebruikelijk was dat er geen aangifte wordt opgenomen als de aangever onder invloed van alcohol verkeert. M. zei ook nog dat hij Fo. had aangeboden om een taxi voor hem te bellen. Ik ben toen weer naar buiten gelopen en heb mij weer in het gesprek tussen Fo. en Hoe. gemengd.

Daarbij heb ik tegen Fo. de woorden van de wachtcommandant herhaald. Ik heb hem daarbij aangeboden om alsnog een taxi voor hem te bellen. Ik heb hem ook toegezegd dat wanneer hij aangifte in zijn woonplaats zou doen, de politie te Hilversum de mishandeling zou onderzoeken. Ik heb hem verteld dat de politie van zijn woonplaats de aangifte kon opnemen, waarna de aangifte naar de regiopolitie Gooi & Vechtstreek gestuurd zou worden. In de loop van het gesprek wees Fo. mij op een schram in zijn gezicht, die hij tijdens een mishandeling opgelopen zou hebben. Ik zag dat hij ter hoogte van één van zijn ogen een klein wondje had. Ik rook duidelijk dat zijn adem naar het inwendig gebruik van alcoholhoudende drank riekte. Gezien zijn verbale kwaliteiten en woordkeus, vond ik dat hij moeilijk uit z'n woorden kwam. Hij sprak in ieder geval niet vloeiend. Hoe het gesprek precies is geëindigd weet ik niet meer. K., Hoe. en ik zijn in ieder geval na het gesprek weer verder gegaan met onze surveillance. Na ongeveer 10 minuten à een kwartier kregen wij de melding van collega Ka. dat Fo. in zijn auto was gestapt en was weggereden. Ka. reed op dat moment in een onopvallende dienstauto achter Fo.

Met behulp van aanwijzingen werden wij door Ka. gedirigeerd naar de uiteindelijke plaats van de aanhouding, alwaar Fo. zijn voertuig, na een stopteken, tot stilstand bracht. Op het moment dat wij uit het politieauto stapten, zag ik dat Fo. ook uit zijn auto stapte terwijl zijn zoon Ti. in de auto bleef zitten. Vervolgens is hij door ons aangehouden ter zake vermoedelijke overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet. Vervolgens onderwierp ik hem aan een veiligheidsfouillering. Hij verzette zich daar niet tegen maar maakte verbaal bezwaar tegen het feit dat zijn zoon dit allemaal moest meemaken. Hij vond het schandalig dat hij zo behandeld werd door de politie. De termen klacht en advocaat zijn in latere instantie ook gevallen.

Na fouillering werd Fo. niet geboeid op de achterbank van de surveillanceauto geplaatst. K. en Hoe. hebben hem vervolgens overgebracht naar het bureau. In overleg met de collega's werd besloten dat ik de auto van Fo. met daarin zijn zoon naar het bureau zou brengen. Ik reed voor de surveillanceauto uit. Op een gegeven moment zag ik na een bocht dat zij niet meer achter mij reden. Ik vroeg over de portofoon wat er aan de hand was. K. vertelde mij toen dat zij even waren gestopt om Fo. de boeien om te doen. Na aankomst aan het bureau plaatste ik het voertuig van Fo. op de binnenplaats en bracht de zoon van Fo. naar de ruimte van de wachtcommandant. Op dat moment zag ik dat K. en Hoe. met Fo. 'de sluis' van het bureau binnenreden. Nadat ik Ti. bij de wachtcommandant had achtergelaten, ben ik naar de fouilleringsruimte gelopen. In de fouilleringsruimte zag ik Fo. met zijn handen aan de voorzijde geboeid op een stoel zitten. Hij bleek toen niet al te bereidwillig te zijn om mee te werken. Hij pleegde als het ware passief verzet. Toen ik de fouilleringsruimte betrad voelde ik een brok spanning en vijandigheid. In eerste instantie was Fo. verbaal aanwezig. In later instantie had hij een tegenovergestelde houding. Hij zei toen helemaal niets meer en keek ons alleen maar aan.

Met enige moeite lukte het ons om hem van de boeien te ontdoen en hem te fouilleren. Ik kan mij niet meer specifiek herinneren of K. naar zijn naam heeft gevraagd. Ik kan mij niet meer herinneren of Hoe. een rijbewijs uit het polstasje van Fo. heeft gehaald.

Na de fouillering werd Fo. in afwachting van de komst van de inspecteur van dienst in een ophoudkamer geplaatst. Kort daarna werd Fo. voorgeleid aan de hulpofficier van justitie. Ik ben bij de voorgeleiding aanwezig geweest. Fo. deed zijn verhaal over de mishandeling etc., waarna de inspecteur van dienst tegen Fo. zei dat hij het één en ander voor hem uit ging zoeken.

Hom. en B. werden naar het bureau geroepen. Aan het bureau bleek dat zij eerder die avond in een lokaliteit met Fo. hadden gesproken in verband met een mishandeling. Zij vertelden dat zij niet hadden geconstateerd dat Fo. alcohol had gedronken, omdat het in die ruimte rokerig was en het daar überhaupt naar alcohol rook. Ook vertelden zij dat Fo. door hen was uitgenodigd naar het bureau te komen voor het doen van aangifte. Aangezien Fo. niet wist waar het bureau was, zijn zij voor hem uit gereden. Er ontstond een discussie tussen de collega's. Ik ben op een gegeven moment naar K. gelopen, die op dat moment het aanhoudingsproces-verbaal zat te typen. Nadat ik K. het hele verhaal had verteld, besloot K. dat wij niet meer verder met deze zaak zouden gaan. Hij zei dat hij alleen het aanhoudingsproces-verbaal nog zou maken."

2.8. Het proces-verbaal van bevindingen dat politieambtenaar Sc. heeft opgemaakt vermeldt onder meer:

"Te 01.15 uur werd in één van de zogenaamde ophoudkamers voor mij geleid een persoon, die later bleek te zijn genaamd: Fo. (...).

Ik zag dat Fo. een verwonding had aan het gezicht. Ik zag dat hij een snee over het gezicht had, kennelijk veroorzaakt door een scherp voorwerp.

Voorts zag ik dat de man bloeddoorlopen ogen had. Ik hoorde gaande het gesprek dat hij zo nu en dan met een dubbele tong sprak. Ook rook ik dat de adem van de man sterk riekte naar het gebruik van alcoholhoudende drank.

Fo. sprak op schreeuwende toon tegen mij en was duidelijk zeer ontstemd om een mij, op dat moment, onbekende reden. Nadat ik hem enkele minuten had aangehoord, werd mij duidelijk dat:

- hij omstreeks middernacht vanuit een café in Hilversum naar het politiebureau had gebeld om te melden dat hij zojuist was mishandeld, waarbij hij had aangegeven dat de dader vermoedelijk nog in de omgeving zou zijn;

- er vervolgens door de centrale meldkamer een surveillance-eenheid naar genoemd café was gedirigeerd;

- de politiemensen in dit café arriveerden en een kort gesprek hadden met de melder/aangever;

- Fo. door de politiemensen was verwezen naar het politiebureau, voor het doen van aangifte ter zake mishandeling en dat hij vervolgens met zijn zoontje in zijn auto was gestapt en op verzoek van de beide politieambtenaren achter de politieauto aan was gereden naar het bureau;

- hij in het bureau door de dienstdoende wachtcommandant te verstaan was gegeven dat er geen aangifte zou worden opgenomen, daar het niet gebruikelijk was dat er aangiften werden opgenomen van personen, die te veel hadden gedronken;

-hij door deze werd medegedeeld de volgende dag terug te kunnen komen voor het doen van een aangifte, hetzij in Hilversum, hetzij in zijn woonplaats Haarlem;

- Fo. het daarmee absoluut niet eens was en ter plaatse aangifte wilde doen;

-hem vervolgens door de dienstdoende wachtcommandant te verstaan werd gegeven niet meer met zijn auto te gaan rijden, daar hij te veel gedronken had;

- Fo. uit het bureau was weggelopen en toch met zijn auto was vertrokken.

Ik deelde Fo. vervolgens mede dat hij aan mij was voorgeleid, ter zake overtreding van de alcoholwetgeving, dat hij niet tot antwoorden verplicht was en dat ik binnen 5 minuten bij hem terug zou komen, teneinde eerst het relaas van de dienstdoende collega's aan te horen.

Vervolgens sprak ik met de collega's K., L., Hoe. en W. Dit betroffen de collega's die Fo. op de openbare weg in zijn auto hadden aangehouden, nadat hen was gemeld dat de man, na zijn bezoek aan het politiebureau, alsnog in zijn auto was gestapt.

Genoemde collega's maakten ter zake een proces-verbaal van aanhouding en bevindingen op. Hieruit bleek dat de aangehouden verdachte in de transportboeien was overgebracht naar het bureau, nadat hij weigerde zijn handen tijdens het transport zichtbaar te houden.

Bij aankomst op de binnenplaats van het politiebureau bedreigde verdachte één van de verbalisanten door te roepen: 'ik trek de kop van je romp'.

Desgevraagd bleken genoemde collega's overigens onkundig van het feit dat Fo. eerder door 2 andere collega's vanuit eerdergenoemd café was verwezen naar het bureau, voor het doen van aangifte en op verzoek achter de politie aan was gereden.

Vervolgens sprak ik met de collega's Hom. en B., die als eersten contact hadden gelegd met Fo. in het café. Zij bevestigden dat zij Fo. naar het bureau hadden verwezen en dat deze met zijn auto achter hen aan was gereden. Zij deelden mij mede in het drukke café weliswaar te hebben waargenomen dat Fo. had gedronken, echter niet zodanig dat hij niet meer in staat kon worden geacht een voertuig naar behoren te besturen.

Hierop sprak ik met de dienstdoende wachtcommandant, de brigadier van politie M. Ook hij deelde mede niet te hebben geweten wat collega's eerder met Fo. in het café hadden afgesproken.

Met M. werd afgesproken dat er op zijn beslissing zou worden teruggekomen, in die zin, dat er alsnog ter plaatse een aangifte van Fo. zou worden opgenomen. Daarnaast zou aan Fo. een rijverbod worden uitgereikt, teneinde te voorkomen dat hij wederom met zijn voertuig zou gaan rijden.

Vervolgens begaf ik mij na ongeveer 15 minuten wederom naar de verdachte Fo. in de afgesloten ophoudruimte. Ik trachtte hem vorenstaande mede te delen, doch dit bleek mij nauwelijks mogelijk: hij onderbrak mij steeds en riep onder meer op schreeuwende toon:

'U gaat ver buiten uw boekje. Ik wil mijn advocaat spreken. Ik zal dit uitzoeken tot in de hoogste instantie. U heeft een groot probleem. Bent u jurist? Nou ik toevallig wel en ik zal zorgen dat u er zo niet van af komt. Maar u kunt het allemaal nog voorkomen, als ik straks gewoon kan weggaan. Weet u wel wat dit voor mij betekent en wat mijn zoontje voor indrukken krijgt?'

Nadat ik uiteindelijk nogmaals duidelijk had gemaakt dat Fo. enerzijds zijn aangifte kon doen, maar anderzijds een rijverbod kreeg opgelegd, verliet ik de ophoudruimte en verzocht ik de collega's Hom. en B. de aangifte van Fo. op te nemen en hierna hem een rijverbod uit te reiken.

Inmiddels werd het 9-jarige zoontje van Fo. opgehouden in de wachtcommandant-ruimte van het politiebureau, alwaar hij televisie kon kijken en steeds contact had met 1 of meerdere collega's, die hem op zijn gemak stelden.

Omstreeks 01.45 uur werd ik door de wachtcommandant verzocht wederom naar Fo. te gaan. Hij wenste mij te spreken. Nadat ik de ophoudruimte was binnengegaan, begon de man wederom zijn bezwaren kenbaar te maken en zich wederom in dezelfde eerder-gedane bewoordingen te uiten.

Nadat ik hem had medegedeeld zijn verweer en bezwaren inmiddels te kennen, deelde ik hem nogmaals de procedure mede, zoals eerder aan hem verteld.

Uit het gesprek met de man en de latere vragen aan diens zoontje bleek dat beiden het weekeinde in een stacaravan te Laren verbleven, doch woonachtig waren in Haarlem.

Door de dienstdoende wachtcommandant werd vervolgens telefonisch contact gezocht met de echtgenote van Fo., teneinde haar te vragen haar man en zoontje op te komen halen. De telefoon werd op het woonadres echter niet opgenomen, reden waarom de plaatselijke politie werd gevraagd langs het woonadres te gaan om het contact tot stand te brengen. De echtgenote van Fo. verklaarde zich hierna bereid om naar het politiebureau in Hilversum te komen.

Omstreeks 02.15 uur verliet ik de wachtcommandantruimte wegens het verrichten van andere werkzaamheden.

Toen ik omstreeks 03.15 uur weer in deze ruimte verscheen, hoorde ik een manspersoon schreeuwen en hoorde ik dat er op de muur werd gebonkt. De wachtcommandant deelde mij mede dat Fo., na zijn gedane aangifte en het opgelegde rijverbod, was teruggeplaatst in de ophoudruimte, in afwachting van de komst van diens echtgenote en dat de deur achter hem was afgesloten. Hem was iets te drinken was aangeboden.

Ik deelde de wachtcommandant mede dat Fo. niet meer van de vrijheid was beroofd en dat hij voor de rest van de tijd op zijn echtgenote kon wachten in de publieksruimte van het politiebureau.

M. deelde mij mede e.e.a. uit voorzorg te hebben gedaan. De verwachting was dat Fo. anders weer van zijn auto gebruik zou gaan maken, hetgeen hem nu werd belet.

Teneinde hem in vrijheid te stellen, begaf ik mij vervolgens naar de ophoudruimte en ontsloot de deur. Ik zag hierbij dat Fo. op de brits lag en dat hij kennelijk een kopje stuk had gegooid. Op de grond lagen scherven en ik zag dat er een wondje aan zijn linkerpols zichtbaar was. Kennelijk had hij zich al dan niet opzettelijk in de pols gesneden.

Nadat ik hem had aangesproken sprong Fo. van de brits op en begon tegen mij te schreeuwen. Ik zag dat hij volkomen buiten zinnen was en niet meer voor rede vatbaar. Ik hoorde dat hij zei: 'Vuile klootzakken, vuile nazi's, ik zal je kop van je romp trekken als ik je tegenkom, eruit, eruit, ik wil dat je hieruit gaat, klootzak. Ik wil alleen een dokter en sodemieter verder op. Ik wil een dokter.'

Ik deelde hem mede een arts te zullen bellen, waarna ik de ruimte verliet. Hierbij werd de deur door mij afgesloten.

Korte tijd later verscheen de echtgenote van Fo. Ook zij werd door haar man uitgescholden, in het bijzijn van enkele collega's. Zij achtte het niet verantwoord om haar man in een dergelijke toestand mee naar huis te nemen. Wel nam zij haar 9-jarige zoontje mee naar huis, die zich nog altijd in de wachtcommandantruimte van het bureau bevond.

Ik hoorde dat Fo. bleef schreeuwen en op de muur bleef bonken. Hierop heb ik omstreeks 03.45 uur besloten hem, voor eigen en andermans veiligheid, over te laten brengen naar de isoleercel. Vanaf dat moment gedroeg hij zich rustiger. Hij werd omstreeks 04.15 uur bezocht door de GGD arts, die een gesprek met hem voerde, waarbij hij zich eveneens rustig gedroeg.

Inmiddels bleek Fo. zich kort eerder ten opzichte van genoemde wachtcommandant bedreigend en beledigend te hebben uitgelaten en wel zodanig, dat M. ter zake aangifte wenste te doen. Hij deelde mij zulks mede en verzocht Fo. nu opnieuw aan te houden en ingesloten te houden tot na diens verhoor ter zake.

Door mij werd echter besloten Fo. mede te delen dat hij het bureau kon verlaten en dat met hem een afspraak voor later in de week zou worden gemaakt, teneinde te worden verhoord ter zake de bedreiging.

Ik deelde dit Fo. mede en liet hem de keus tussen het maken van een afspraak op een later tijdstip of een langer gedwongen verblijf op het politiebureau voor nader verhoor. Hierop liep Fo. met mij mee naar beneden. Bij de publieksbalie werden zijn persoonlijke bezittingen aan hem teruggegeven, waaronder zijn autosleutels.

Met hem werd de afspraak gemaakt om op donderdag 18 juni 1998 te 10.00 uur in het politiebureau te Hilversum te verschijnen, om een verklaring af te leggen. Fo. wenste de verklaring slechts te komen afleggen in het bijzijn van zijn advocaat. Ik deelde hem hierop mede dat dit echter niet gebruikelijk was.

Desgevraagd deelde de wachtcommandant hem mede dat zijn voertuig achter het hek stond op de binnenplaats. Fo. verzocht ons zijn voertuig ter beschikking te stellen. Ik deelde hem echter mede dat wij het voertuig hem pas ter beschikking zouden stellen, na afloop van het rijverbod. Ik deelde hem mede te verwachten dat Fo. anders wederom in de auto zou stappen en weg zou rijden.

Hierop deelde Fo. mede een chauffeur te zullen bellen, die het voertuig vervolgens zou gaan besturen. Ik deelde hem vervolgens mede dat zijn auto dan op de binnenplaats van het politiebureau zou blijven staan, in afwachting van de komst van deze chauffeur.

(...)

De heer Fo. verliet om 05.00 uur het bureau. Het voertuig werd diezelfde dag te 14.00 uur door hem opgehaald.

Fo. werd een rijverbod opgelegd van 10 uren, eindigend te 14.00 uur.

Meerdere malen heeft hij mij en andere politieambtenaren medegedeeld dat hij een uitgebreide klacht bij de bevoegde instanties zou indienen omtrent vorenstaande.

Op 16 juni 1998 deelde H., inspecteur van politie Gooi en Vechtstreek mij mede dat hij die ochtend was benaderd door de heer Fo., die hem meedeelde om een aantal redenen grote moeite te hebben om aan de gemaakte afspraak op 18 juni 1998 gevolg te geven.

Hierop nam ik die dag telefonisch contact op met Fo. Hij deelde mij mede geen enkel vertrouwen meer te hebben in het politiekorps Gooi en Vechtstreek en het uiterst vreemd te vinden dat een tegen hem ingediende aangifte wordt afgewikkeld door collega's van hetzelfde korps."

2.9. De in het betreffende proces-verbaal van verhoor opgenomen verklaring van politieambtenaar Ka. luidt onder meer:

"Ik ben als hoofdagent in vaste dienst van de regio Gooi en Vechtstreek. (...) De klacht gaat over politieoptreden wat heeft plaatsgevonden in de nacht van 13 juni 1998 op 14 juni 1998. Ik had toen dienst van 23:00 uur tot 07:00 uur. Omdat wij met een oneven aantal mensen in dienst waren, ben ik alleen (solo) in uniform gekleed in een onopvallende dienstauto (...) gaan surveilleren. Het tijdstip weet ik niet meer, het was in ieder geval na 24:00 uur. Ik kreeg op dat moment via de mobiele telefoon de opdracht van de wachtcommandant M. te bekijken of er wellicht een persoon zou gaan rijden, die zijn auto op de B.-straat te Hilversum geparkeerd zou hebben. De bewuste persoon zou onder invloed van alcoholhoudende drank het politiebureau hebben verlaten en zou wellicht gaan autorijden. Hij zou aan het bureau gewaarschuwd zijn om niet te gaan rijden. Op de B.-straat stonden een aantal auto's geparkeerd. Ik heb vervolgens enkele kentekens opgevraagd. Van een klein model personenauto, kleur: blauw werd mij medegedeeld dat dit het voertuig van de bewuste persoon betrof. Deze persoon bleek Fo. uit Haarlem te heten.

Toen ik ter hoogte van de kruising B.-straat - S.-straat stond, zag ik na ongeveer 20 minuten een manspersoon, vergezeld van een jongetje in het eergenoemd voertuig stappen. Ik schat de leeftijd van de jongen op ongeveer 8 à 10 jaar. Nadat zij waren ingestapt, zag ik dat zij wegreden (...). Ik heb toen de achtervolging ingezet en heb de collega's op de hoogte gebracht dat hij reed. De opdracht om hem staande te houden werd gegeven aan K., die deze nachtdienst met twee aspirant politieagenten met controle op artikel 8 van de Wegenverkeerswet doende was. Op een gegeven moment reed hij over de M.-straat in de richting van (...). Deze weg gaat in de richting van de gemeente Baam.

Over zijn rijstijl kan ik zeggen dat hij op de rechte stukken fors doorreed, in ieder geval sneller dan 50 km/h binnen de bebouwde kom. Het viel mij ook op dat hij bij iedere bocht c.q. obstakel zijn rempedaal beroerde. Ik moest ook flink gas geven om hem bij te houden.

Nadat ik genoemde collega's achter mij op de E.-weg zag rijden, ben ik de gevolgde auto voorbijgereden. Ik zag vervolgens dat de bestuurder een stopteken met de verlichte transparant kreeg. Het duurde nog wel een tijdje, maar op een gegeven moment zag ik dat hij zijn voertuig tot stilstand bracht (...). Tijdens het geven van het stopteken, zag ik ook nog dat de collega's met het "grote licht" seinden. Volgens mij had de bestuurder al veel eerder de mogelijkheid om zijn voertuig aan de kant te zetten, maar dat deed hij niet. Met de staandehouding, de aanhouding en het overbrengen van Fo. en zijn voertuig heb ik mij verder niet beziggehouden.

Later in de nacht toen Fo. aan het bureau zat, werd hij bezocht door zijn echtgenote. Bij die gelegenheid sprak ik haar aan de balie. Zij vertelde mij toen dat zij voor haar man en haar zoontje kwam. Vervolgens heb ik de wachtcommandant M. ingelicht. M. verzocht mij om even op zijn plek te gaan zitten. M. heeft vervolgens de echtgenote begeleid naar Fo., die op dat moment op de begane grond in een ophoudkamer zat. Ik weet niet wat er zich toen in de ophoudkamer of de omgeving daarvan heeft afgespeeld, tijdens het bezoek van zijn vrouw. M. kwam in ieder geval terug een deelde mij mede dat Fo. naar het cellenblok getransporteerd moest worden. Toen ik bij de ophoudkamer kwam, zag ik dat er scherven van één of meerdere koffiekopjes op de grond lagen. Ook zag ik diverse collega's staan. Ik zag dat Fo. woedend was. Hij nam een zeer agressieve houding aan en wilde vechten. Ik zag dat bloed aan zijn handen en verwondingen aan zijn gezicht had.

Samen met de wachtcommandant heb ik Fo. vervolgens naar 'boven' gebracht. Tijdens het transport, wat lopend gebeurde, hielden M. en ik ieder een arm op zijn rug. Hij werd bij die gelegenheid niet geboeid.

Omdat hij in de ophoudkamer met geweld tegen de deur had getrapt en tegen de muren sloeg, werd besloten om hem in verband met zijn eigen veiligheid in een observatiecel te plaatsen. Hij kon dan in ieder geval beter in de gaten gehouden worden. Op het moment dat wij Fo. wilden insluiten, kwam een mannelijke GGD-arts de cellengang binnenlopen om Fo. te schouwen.

In verband met de agressieve houding van Fo., vroeg de arts of ik daar bij wilde blijven. Fo. wilde dat niet, hij wilde er helemaal geen politie bij. Hij wilde met de dokter alleen praten. Ik ben vervolgens aan de buitenzijde van de geopende celdeur gaan staan. Ik hoorde dat hij tegen de arts zei dat hij geen pijn had. Hij wilde tegen de arts alleen zijn ongenoegen over het politieoptreden kwijt.

Nadat de arts klaar was, deelde hij ons mede dat Fo. in orde was en dat hij kon worden ingesloten. Er werd geen recept of iets dergelijks uitgeschreven."

2.10. De in het betreffende proces-verbaal van verhoor opgenomen verklaring van de getuige, de GG- en GD-arts Br., luidt onder meer:

"Ik kan mij nog vaag herinneren dat ik in de nacht van 13 op 14 juni 1998 op verzoek van de politie te Hilversum een arrestant, genaamd Fo. heb bezocht. Ik was voor een andere arrestant geroepen, maar heb ik bij die gelegenheid tevens de heer Fo. bezocht.

Op het bureau aangekomen, hoorde ik vanuit de gang van de ophoudkamers beneden een hoop stampij. Volgens mij stond er iemand tegen een deur te schoppen.

Nadat ik de 'andere' arrestant had bezocht, bevond ik mij 'boven' in het cellencomplex.

Ik zag toen Fo. de cellengang werd binnengebracht. Hij maakte veel stampij en was fysiek niet rustig. Mij werd toen ook duidelijk dat het de arrestant betrof, die beneden tegen de deur van de ophoudkamer had geschopt.

Nadat hij in de isoleercel geplaatst was, heb ik een tijd met hem zitten praten. Om een aantal privé-redenen, waarover ik vanwege mijn beroepsgeheim geen mededelingen kan doen, kon hij volgens zijn zeggen niet ingesloten blijven. Ik heb hem overigens wel aangeboden om hem in contact met het RIAGG te brengen.

Hij maakte een ontremde indruk en was laaiend over de procedure. Hij was onheus bejegend door de politie en voelde zich 'genaaid'. Nadat ik een tijd met hem had gepraat, werd hij rustig en begreep ik van de politie dat hij niet de gehele nacht ingesloten zou blijven.

Over drankgebruik door Fo. heb ik geen mening. Hij was aanspreekbaar en niet laveloos. Ik kan u niet vertellen of het ambivalente gedrag van Fo. te maken heeft met alcoholgebruik."

2.11. De in het betreffende proces-verbaal van verhoor opgenomen verklaring van getuige D. luidt onder meer:

"Op de avond van zaterdag 13 juni 1998 stond ik achter de bar van café-restaurant 'L', (...) te Hilversum. Op die avond was het café opengesteld voor onze vaste klantenkring, die hier naar een de voetbalwedstrijd Nederland-België kon kijken. Ik schat dat er die avond zo'n 40 à 50 vaste klanten aanwezig waren.

Op een gegeven moment was er een 'vreemde' man met een kind binnen, waarvan ik later begreep dat hem in eerste instantie de toegang was geweigerd. Waarschijnlijk is hij in tweede instantie met een groepje naar binnen 'geslopen' en werd zijn aanwezigheid gedoogd.

Deze man was tijdens de wedstrijd niet opvallend aanwezig. Hij haalde zelf zijn bestellingen aan de bar af. Zijn rekening heeft hij overigens niet betaald en staat nog open. (...) Uit de rekening kan ik opmaken dat die man drie biertjes, vermoedelijk twee borrels en een koffie heeft genuttigd ten bedrage van fl. 16,75. (...) Op een gegeven moment, het tijdstip weet ik niet meer, kwam hij naar de bar toe gelopen. Hij zei dat ik de politie moest bellen. Toen ik vroeg waarom ik de politie moest bellen, wilde hij niet vertellen wat er aan de hand was. Hij zou het zelf wel uitzoeken en verliet het café. Ik heb wel gezien dat hij een beetje bloed in zijn gezicht had. Later hoorde ik van een bezoeker dat die man een klap had gehad omdat hij een kind geslagen zou hebben. Later kwam die man vergezeld van de politie weer terug in het café om te kijken of degene die hem had geslagen nog aanwezig was. Dat was niet het geval, de meeste bezoekers waren toen al vertrokken."

2.12. De in het betreffende proces-verbaal opgenomen verklaring van politieambtenaar M. luidt onder meer:

"Ik ben nu ongeveer 4 jaar als brigadier-wachtcommandant werkzaam bij de politie Gooi en Vechtstreek (...). In de nacht van 13 juni 1998 op 14 juni 1998 had ik nachtdienst van 23:00 uur tot 07:00 uur. Ik deed alleen dienst als wachtcommandant, normaliter wordt er door twee wachtcommandanten dienst gedaan. Vanwege het vakantierooster deed ik alleen dienst. Het tijdstip weet ik niet precies meer, maar na 24:00 uur vervoegde zich een man met een kind aan de balie van het bureau te Hilversum. De man werd in eerste instantie te woord gestaan door de politiesurveillant Ha. Deze man bleek later te zijn genaamd Fo. uit Haarlem.

Vanuit de wachtcommandantenruimte kon ik de man horen praten, hij had een luide stem. Ik kon echter niet verstaan wat er precies werd gezegd. Nadat er een kort gesprek had plaatsgevonden tussen Ha. en Fo., kwam Ha. naar mij toe. Ha. vertelde mij dat Fo. aangifte van mishandeling wilde doen. Ik ben daarop meegelopen naar de balie om Fo. te woord te staan. Fo. vertelde mij dat hij was mishandeld in zwembad 'L.' en daar aangifte van wilde doen. Ik zag een kleine verwonding aan zijn gezicht. Even voor alle duidelijkheid. Uit het verdere gesprek met Fo. is mij niet duidelijk geworden dat hij door twee collega's naar het bureau was verwezen voor het doen van aangifte. Hij vertelde dat hij wel twee politiemensen ter plaatse had gesproken, maar niet dat hij naar het bureau was verwezen. Dat werd mij pas duidelijk toen Fo. later die nacht terzake overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet was aangehouden. Ook had ik niet eerder gehoord over de mobilofoon dat er iemand onderweg naar het bureau was om aangifte te doen. Als Ha. dat in de wacht-commandantenruimte over de mobilofoon heeft gehoord, kan dat best wel zo zijn maar ik heb dat niet vernomen.

Zoals gezegd wilde Fo. aangifte doen terzake mishandeling. Aangezien ik rook dat zijn adem riekte naar het inwendig gebruik van alcoholhoudende drank en hij enigszins met een dubbele tong sprak, vroeg ik of hij alcohol had genuttigd. Hij gaf toe dat hij alcohol had gedronken maar hij zei dat hij niet dronken was. Hij eiste dat er een aangifte werd opgenomen. Gezien het vorenstaande en mij bleek dat hij moeite had om zijn telefoonnummer op te noemen, achtte ik het raadzaam om hem de volgende dag de aangifte te laten doen. Ik stelde hem voor om een proces in B.P.S. (het bedrijfsprocessensysteem: N.o.) te openen zodat hij een medische verklaring kon meekrijgen. Met deze verklaring kon hij dan naar het ziekenhuis of dokter gaan om eventueel letsel te laten constateren. Hij kon dan hetzij de volgende morgen in Hilversum aangifte doen of in zijn woonplaats Haarlem. Ik vertelde dat het in verband met het drankgebruik beter was om met de aangifte te wachten tot de volgende dag. Deze stelregel wordt door elke doorsnee wachtcommandant gehanteerd. Het is geen beleid wat op papier staat, maar ik weet dat bijna iedere wachtcommandant op deze wijze met deze materie omgaat. In zijn algemeenheid is de werkwijze als volgt. In geval van een aangifte 'onbekende dader' worden er van een persoon die heeft gedronken de personalia genoteerd en een proces opgestart waar de volgende dag mee verder gegaan kan worden. Met andere woorden de zaak wordt niet afgeschoven en een aangever blijft niet 'de grote onbekende' en kan er altijd teruggevonden worden wat er in eerste instantie mee gebeurd is.

Fo. ging zoals bekend niet akkoord met mijn voorstel. Hij bleef eisen dat er een aangifte werd opgenomen. Wij moesten het ziekenhuis bellen en hem naar het ziekenhuis brengen. Ik bleef echter bij mijn standpunt om de aangifte vooralsnog niet op te nemen. Ik bood hem wel aan een taxi voor hem te bellen om hem naar het ziekenhuis te vervoeren.

Ik heb hem volgens mij op een rustige en correcte wijze te woord gestaan maar dat had geen effect. Ook hebben wij, Ha. en ik, op zijn verzoek onze namen op een notitie-blaadje geschreven. Hij was het duidelijk niet eens met de voorgestelde procedure. Hij sprak met stemverheffing en maakte een agressieve indruk. Hij zei onder meer dat hij het zelf wel zou regelen. Hij zou wel een paar mannetjes (...) regelen om het zwembad te verbouwen.

Op het moment dat Fo. uiteindelijk aanstalten maakte om het bureau te verlaten, vroeg ik aan hem hoe hij naar het bureau was gekomen en of dat soms met de auto was. Hij daar geen antwoord op. Ik riep hem nog na dat hij in deze toestand geen auto mocht besturen. Hij reageerde daar niet op maar liep door. Ik zag dat hij met het kind voor het bureau bleef staan en diverse mensen voor het bureau (...) aanklampte. Het was op dat moment erg druk (...). Het was mooi weer er was veel uitgaanspubliek aanwezig.

Ik stond op dat moment samen met Ha. in de hal.

Aangezien ik op dat moment niet beter wist dat hij in Haarlem woonde en ik het vermoeden had dat hij wel eens zou kunnen gaan rijden, heb ik over de portofoon een surveillance-auto verzocht om naar de voorzijde van het bureau komen. Ik zag op een gegeven moment dat er een opvallende surveillance-auto voor het bureau stond. Ik zag toen dat K. en de twee stagiaires Hoe. en W. door Fo. werden aangesproken. Ik hoorde later dat Fo. tegen hen toen ook zijn beklag deed over de procedure. Ook begreep ik later dat zij Fo. op het hart hadden gedrukt om geen auto te gaan rijden. K. is op een gegeven moment verder gegaan met surveilleren terwijl Fo. (daar) bleef lopen.

Vervolgens heb ik telefonisch contact gehad met K. en hem verteld wat er aan de balie was voorgevallen. Ook heb ik hem verteld dat ik mij ernstige zorgen maakte indien Fo. met zijn zoontje naar Haarlem zou rijden. Ook heb ik telefonisch contact opgenomen met collega Ka., die op dat moment solo in een onopvallende surveillance-auto surveilleerde. Ik zei Ka. dat, indien Fo. met de auto was, hij zijn voertuig mogelijk op de B.-straat te Hilversum geparkeerd had staan. Telefonisch vroeg Ka. enkele kentekens op. Het derde kenteken bleek op naam van Fo. uit Haarlem te staan. Het was een personenauto van het merk Fiat en deze stond inderdaad op de B.-straat geparkeerd. Vrij kort nadat Ka. het kenteken had opgevraagd, meldde Ka. dat Fo. met zijn zoontje in de auto was gestapt en was wegreden in de richting van de Be.-tunnel. Zoals bekend is Fo. toen door collega K. en de 2 stagiaires Hoe. en W. aangehouden terzake vermoedelijke overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet. Na aankomst aan het bureau werd Fo. in afwachting van de voorgeleiding voor de hulpofficier van justitie in een ophoudkamer geplaatst. Bij het ontbreken van een ander alternatief werd zijn zoontje, genaamd Ti. een plaats gegeven in de wachtcommandantenruimte. Hij kon daar televisie kijken, de televisie werd derhalve op het kanaal van 'CARTOON-NETWORK' ingeschakeld.

Na de voorgeleiding werd ik aangesproken door de inspecteur van dienst Sc. Hem was tijdens de voorgeleiding en de gesprekken, die hij daarna met de betrokken collega's had gevoerd duidelijk geworden dat Fo. inderdaad volgens zijn zeggen op uitnodiging van de collega's B. en Hom. naar het bureau was gereden voor het doen van aangifte. Nadat ik Sc. had gesproken, ben ik ook nog in gesprek gegaan met Hom. en B.. Zij vertelden dat zij naar aanleiding van een opdracht van de meldkamer naar een café (...) waren geweest en aldaar Fo. hadden gesproken, die mishandeld zou zijn in zwembad 'L.'. De collega's zijn nog samen met Fo. naar het zwembad geweest om te kijken of de daders nog aanwezig waren. Dit bleek echter niet meer het geval. Ik hoorde toen voor het eerst dat zij Fo. naar het bureau verwezen hadden voor het doen van aangifte van mishandeling. Zij waren ook nog een stukje voor hem uitgereden. Op mijn vraag of zij niet hadden geroken dat hij alcohol had gedronken, antwoordden zij dat zij wel de indruk hadden dat hij alcohol had gedronken. Zij hadden echter de inschatting gemaakt dat hij niet zo veel had gedronken dat hij geen auto meer zou kunnen rijden. Ik maakte hun duidelijk dat ik het met hun zienswijze niet eens was. Ik vond het onjuist dat zij hem hadden laten rijden en mij ook niet hadden ingeseind dat Fo. naar het bureau kwam om aangifte te doen.

Omdat er door de collega's Hom. en B. bepaalde verwachtingen waren gewekt, werd besloten in overleg met de inspecteur van dienst, om alsnog de aangifte op te nemen en geen artikel 8 procedure op te starten. Ook werd toen afgesproken dat hem formeel een rijverbod zou worden uitgereikt, zodat het hem nog duidelijker zou worden dat hij geen auto meer mocht rijden.

Terwijl Hom. en B. in de agentenwacht doende waren om de aangifte in BPS te verwerken, begon Fo. onophoudelijk tegen de deur van de ophoudkamer te trappen. Ik hoorde dat hij daarbij schreeuwde: 'Waarom zit ik hier, laat mij eruit !!', of woorden van gelijke strekking. Ik ben daarop vergezeld van een paar collega's naar de bewuste ophoudkamer gelopen. Door de ruit zag ik dat Fo. van de brits sprong, een aanloop nam en met volle kracht tegen de deur van de ophoudkamer trapte. Ik zag daarop de deur 'naar buiten' toe buigen. Ik verzocht hem, door de nog gesloten deur, op te houden met trappen. Hij voldeed niet aan mijn verzoek, hij reageerde niet. Het lukte niet om contact met hem te krijgen. Hij bleef maar doorgaan met trappen. In een poging om hem rustig te krijgen, ontsloot ik de deur. Nadat ik deur had geopend, ging hij op mijn verzoek op de brits zitten. Hij bleef steeds maar vragen waarom hij daar zat en wilde er uit. Op een gegeven moment hield Fo. zijn mond dicht en begon mij doordringend aan te staren. Na een tijdje wees hij met zijn rechterwijsvinger in mijn richting. Ik was de enige persoon, die hij op dat moment kon zien. Ik stond namelijk alleen in de deuropening. Tijdens het wijzen, hoorde ik hem zeggen: 'Als ik jou buiten tegenkom, pak ik je. Reken daar maar op!' De doordringende wijze waarop hij naar mij keek en het woordgebruik van Fo., kwam op mij bedreigend over. Op een gegeven moment zag ik dat collega Be. naast mij kwam staan. Ik hoorde toen dat Fo. tegen Be. zei : 'Kale, ouwe. Heb je je VIAGRA-pil wel genomen. Kan je hem nog wel overeind krijgen ?'. Wij hebben daar verder niet op gereageerd en hebben de deur weer dichtgedaan. Fo. ging toen weer verder met schreeuwen en trappen tegen de deur. Ik ben weer terug gegaan naar de wachtcommandanten ruimte.

Later hoorde ik dat Hom. daarna de aangifte met Fo. had afgerond en dat hij hem een aardewerk beker water had gegeven.

Omdat ik het onverantwoord vond om Fo. in die geestelijke toestand met zijn zoontje te laten vertrekken, besloot ik om de echtgenote van Fo. in Haarlem te bellen, met het verzoek om Fo. met zijn zoontje op te halen. Nadat er telefonisch contact met mevrouw Fo. was ontstaan, werd het mij duidelijk dat Fo. niet naar Haarlem moest, maar verbleef op een camping in de buurt van Hilversum. Dit werd ook door zoon Ti. bevestigd.

Toen ik mevrouw Fo. in kennis had gesteld, van hetgeen er zich tot nu toe had voorgevallen, zegde zij toe naar het bureau te Hilversum te komen. Door de telefoon vertelde mevrouw Fo., dat het door mij geschetste gedrag van haar echtgenoot haar niet vreemd voor kwam. Volgens haar vertoonde haar man ongeveer 1 keer in de vijf jaar dit gedrag, wat nog werd versterkt door alcohol. Later hoorde ik dat een collega inmiddels tegen Fo. verteld dat zijn vrouw naar het bureau onderweg was. Dat werd niet in dank afgenomen door Fo. Wat er zich toen precies heeft afgespeeld, weet ik niet. Ik ben daar niet bij geweest.

Op het moment dat de inspecteur van dienst Sc. de heer Fo. in vrijheid wilde stellen, ontdekten wij, nadat de deur was ontsloten, dat Fo. het kopje in de ophoudkamer had stukgegooid en zich kennelijk aan de scherven had verwond. Hij uitte toen weer diverse bedreigingen en eiste dat er een dokter voor hem gewaarschuwd werd. Hetgeen ook door mij via de meldkamer is gebeurd. Vrijwel op hetzelfde moment verscheen mevrouw Fo. aan het bureau. Nadat zij haar zoon Ti. had begroet, heb ik een afzonderlijk gesprek met haar gevoerd.

Tijdens een gesprek met haar vertelde zij wederom dat zij het agressieve gedrag van haar man wel herkende, waarbij alcohol een versterkende rol speelde. Zij vond het verschrikkelijk dat Fo. met hun zoontje nog zo laat op straat hadden gelopen en op een politiebureau terecht waren gekomen. Zij vertelde mij dat haar man moeite had met relativeren, dat uitte zich dan in agressief gedrag ten opzichte van anderen. Zij vertelde mij ook dat hij ontzettend veel moeite had met regelgeving. Als voorbeeld gaf zij aan dat hij moeite had hij met het omgaan van de belastingplicht. Zij maakte op mij een timide indruk en ik kreeg ook het gevoel dat zij bang voor hem was. Vervolgens vroeg ik of zij met haar man wilde praten. Na een weifeling wilde zij wel met hem praten en zijn wij naar de ophoudkamer gelopen. Toen wij daar aankwamen, lag de heer Fo. op de brits. Ik zag dat mevrouw Fo. zich een beetje over hem heen boog en hem aansprak. Als reactie begon hij tegen zijn vrouw te schreeuwen: 'Bel een arts, een advocaat'. In mijn richting schreeuwde hij onder andere: 'Gestapo, nazi' waarna hij onophoudelijk 'LUL,LUL,LUL,LUL' in mijn richting begon te schreeuwen. Zijn vrouw vroeg of hij met haar mee ging. Hij schreeuwde daarop tegen haar dat hij niet meeging en dat ze hem voor niets vast hielden. Ik kreeg de indruk dat mevrouw Fo. hem niet bereikte. Hij bleef maar schreeuwen dat hij niet mee ging. Mevrouw Fo. besloot daarop maar weg te gaan. Nadat ik de deur van de ophoudkamer weer had dicht gedaan, zei mevrouw Fo. tegen mij dat hij 'rijp voor een inrichting' was. Hierna heb ik nog met mevrouw Fo. en haar zoon in een aangiftekamer elders in het bureau een gesprek gehad. Vanuit die ruimte konden wij vanuit de ophoudkamer de heer Fo. horen schreeuwen en tegen de deur schoppen. Mevrouw Fo. zei toen: 'Ik hoor het al, ik kan hier ook niets meer aan doen. Ik ga alleen met mijn zoon weg. Gaat U maar naar mijn man'. Mevrouw Fo. en haar zoontje zijn vervolgens door een collega naar de uitgang begeleid. Omdat het echt zo niet langer kon, is in overleg met genoemde inspecteur van dienst besloten om Fo. over te brengen naar een observatiecel, alwaar hij 'in de gaten' gehouden kon worden. Samen met een collega heb ik Fo. overgebracht naar de observatiecel. Tijdens het overbrengen werd hij niet geboeid, maar hielden wij wel zijn armen op de rug. Hij verzette zich niet. Ik weet nog wel dat Fo. tijdens het overbrengen iets vreemds tegen mij zei. Ik hoorde namelijk dat hij tegen mij zei dat er 'iets' bij hem was doorgebrand.

In de observatiecel is hij nog bezocht door een arts van de G.G.D. Voor zover ik weet is Fo. na het bezoek van de arts rustig gebleven en werd hij omstreeks 05:00 uur door de inspecteur van dienst in vrijheid gesteld. Indien ik achteraf in een eerder stadium had geweten dat Fo. door de collega's Hom. en B. naar het bureau was verwezen en zodoende de verwachting was gewekt dat de aangifte zou worden opgenomen, had ik voor een andere aanpak gekozen. Ik zou in dat geval wel zeker in overleg met B. en Hom. hebben overwogen de aangifte op te (laten) nemen. In dit geval vind ik dat ik de situatie, met de wetenschap die ik bezat, goed heb ingeschat. In een volgend soortgelijk geval zou ik precies hetzelfde doen. Verder heb ik niets terzake dienende aan mijn verklaring toe te voegen."

2.13. De in het betreffende proces-verbaal van verhoor opgenomen verklaring van politieambtenaar B. luidt onder meer:

"Ik ben als hoofdagente in vaste dienst van de regio Gooi en Vechtstreek. Ik werk sinds maart dit jaar in de regio. (...)

In de nacht van zaterdag 13 juni 1998 op zondag 14 juni 1998 had ik nachtdienst van 23:00 uur tot 07:00 uur. Ik reed die nacht samen met Hom. op de auto. Het tijdstip weet ik niet meer precies. Ik meen dat wij rond 23:30 uur van de meldkamer de opdracht kregen om naar een café (...) te gaan. In dat café zou een man zitten, die mishandeld zou zijn. Toen wij daar even later aankwamen, werden wij aangesproken door een man, die later Fo. uit Haarlem bleek te heten. Hij zat samen met zijn zoontje aan de bar. Ik weet niet of hij daar een consumptie heeft genuttigd. Ik weet nog wel dat hij in latere instantie terug is geweest om het één en ander af te rekenen.

Fo. vertelde ons dat hij even te voren was mishandeld in een café gevestigd in zwembad 'L.' eveneens gevestigd (...) te Hilversum. Ik zag dat hij in de buurt van z'n linker wenkbrauw een wondje had en zag ook wat krassen op z'n rechterwang. Hij zou in het café van het zwembad door 4 of 5 mensen zijn geslagen.

Na het verhaal in het kort te hebben aangehoord, zijn wij samen met de heer Fo. en zijn zoontje naar het zwembad gereden. Bij die gelegenheid zaten Fo. en zijn zoontje bij ons achterin de surveillance-auto. Zowel in het cafés als in de surveillance-auto heb ik niet geroken dat de adem van Fo. naar het inwendig gebruik van alcoholhoudende drank rook. Ook sprak hij niet met een dubbele tong en stond vast ter been. Toen ik later met hem in een ophoudkamer zat, voor het opnemen van de aangifte rook ik voor het eerst dat zijn adem naar alcohol rook.

Bij het eerste contact zag ik wel dat hij één rood oog had, maar dat wel van een klap of een stomp zijn geweest.

In het café van het zwembad hebben wij nog gekeken of de dader(s) van de mishandeling nog aanwezig waren. Dit bleek niet meer het geval te zijn.

Toen wij weer op straat stonden, maakte Fo. ons duidelijk dat hij aangifte wilde doen.

Daarop hebben wij hem naar het bureau verwezen.

Aangezien hij niet wist waar het bureau was, hebben wij hem weer teruggebracht naar het 'eerste' café waar zijn auto stond. Nadat hij binnen had afgerekend, zijn wij voor hem uitgereden naar het politiebureau.

Over de mobilofoon hebben wij de meldkamer in kennis gesteld dat wij naar het bureau onderweg waren. Bij het bureau parkeerde hij zijn auto, merk: Fiat op de B.-straat om de hoek bij het bureau, waarna wij hem hebben uitgelegd waar de hoofdingang was.

Wij zijn vervolgens weer verder gegaan met de surveillance in de veronderstelling dat Fo. aangifte ging doen.

Na ongeveer 10 minuten à een kwartier belde M., de wachtcommandant, mij in de auto op de mobiele telefoon. Hij vroeg mij wat er in het zwembad was gebeurd. Ik heb hem uitgelegd wat er had plaatsgevonden en hetgeen wij hadden ondernomen. Ook vertelde ik M. dat wij Fo. naar het bureau hadden verwezen en hadden laten autorijden. M. vertelde mij dat hij Fo. voor een aangifte naar de volgende dag had verwezen, in verband met het feit dat Fo. volgens M. te veel gedronken had. M. zei ook nog dat hij Fo. op het hart had gerukt om niet te gaan autorijden. Hij vroeg ons of wij het in de gaten wilde houden. Ik zei tegen M. dat het niet slim was om hem eventueel door ons te laten aanhouden, omdat wij hem eerst toestemming hebben gegeven om te rijden. Omdat praktijkbegeleider K. in dienst was met twee stagiaires, kregen zij de opdracht om in de gaten te houden of Fo. zou gaan rijden. Wij hebben nog wel een tijdje voor café 'F.' gestaan en ik zag toen dat Fo. voor het bureau liep en voorbijgangers aansprak. Ook heb ik nog gezien dat Fo. met K. en de 2 leerlingen sprak. Nadat zoals bekend Fo. was aangehouden terzake vermoedelijke overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet, werd hij na aankomt op het bureau voorgeleid aan de inspecteur van dienst Sc. Na de voorgeleiding hebben Hom., M., Sc. en ik een gesprek met elkaar gehad. Hom. en ik gaven bij dat gesprek aan dat wij niet hadden geroken dat Fo. alcohol had genuttigd. Sc. vond het beter om de aangifte alsnog op te nemen. De aangifte heb ik in concept opgenomen in de ophoudkamer, waar Fo. zich op dat moment bevond. De aangifte heb ik even later in BPS getypt en door Fo. laten ondertekenen. Bij het opnemen van de aangifte gedroeg Fo. zich, alsof hij de hoofdofficier zelf was. Uiteraard was hij boos omdat hij was aangehouden. Hij eiste dat vaste zinnen in de aangifte door mij werden gewijzigd. Als voorbeeld geef ik het schadebedrag, daarbij kan alleen een bedrag ingevuld worden. Hij wilde dat ik daar een heel verhaal van maakte. Onder aan de verklaring staat dat aangever verzoekt om strafvervolging. Het woord verzoekt wilde hij gewijzigd hebben in eist. Uiteindelijk heeft hij de aangifte ondertekend.

Na de aangifte was Fo. redelijk rustig. Hij vroeg om een kopje water. Hom. heeft volgens mij nog gezocht naar plastic bekertjes, maar die waren er waarschijnlijk niet. Hom. heeft hem toen een aardewerk beker met water gegeven. Later hoorde ik dat zijn vrouw was gebeld en dat een collega dat tegen Fo. heeft gezegd. Fo. was daar niet blij mee en zou als reactie het kopje in de ophoudkamer hebben stukgegooid.

Nadat Fo. had gehoord dat zijn vrouw was gebeld, heb ik hem nog horen schreeuwen en tegen de deur horen schoppen en trappen. Toen ik in de wachtcommandantenruimte bij M. en het zoontje van Fo. zat, hoorde ik dat Fo. over de intercom diverse woorden riep. Ik hoorde dat hij riep: 'stelletje klootzakken' en nog meer verwensingen. M. attendeerde hem op het feit dat zijn zoontje bij hem televisie zat te kijken en het allemaal kon horen. Dat kon Fo. echter niets schelen en bleef doorschelden.

Ik kreeg de indruk dat het zoontje van Fo. het politiebureau en ons wel interessant vond maar het verbale geweld van zijn vader vond hij maar niets.

Nadat het zoontje door mevrouw Fo. was opgehaald, ging Fo. nog steeds te keer.

Toen bleek dat hij zich aan zijn polsen had verwond met de scherven van het kopje, werd besloten om hem in verband met zijn en anders veiligheid in een observatiecel te plaatsen.

Fo. is door twee collega's naar deze cel gebracht, alwaar hij nog door een arts is bezocht.

Indien Hom. en ik bij het eerste contact hadden geroken dat Fo. alcohol had genuttigd, zouden wij hem natuurlijk nooit naar het bureau hebben laten rijden met de auto."

2.14. De in het betreffende proces-verbaal van verhoor opgenomen verklaring van politieambtenaar Be. luidt onder meer:

"Ik ben in de rang van brigadier van politie in vaste dienst van de regiopolitie Gooi & Vechtstreek. (...)

Het kan wel kloppen dat deze nachtdienst van 13 juni op 14 juni 1998 is geweest, ik had toen dienst van 23:00 uur tot 07:00 uur. M. was wachtcommandant in die nacht. Het tijdstip weet ik niet meer precies, het was in ieder geval na 24:00 uur. Ik zag toen op een gegeven moment een jongen van ongeveer 10 jaar in de ruimte van de wachtcommandant zitten.

Ik zag dat deze jongen televisie zat te kijken. Ik zei tegen M. zoiets als: 'Is dat onze nieuwe wachtcommandant??' M. deelde mij mede dat de jongen een zoon was van man die werd verdacht van artikel 8 van de Wegenverkeerswet en dat deze man in een ophoudkamer van het politiebureau verbleef. Deze man bleek later Fo. uit Haarlem te heten.

Ik hoorde dat er vanuit de ophoudkamer diverse keren werd gebeld en dat M. de heer Fo. door de intercom te woord stond. Ik was met ander werk bezig en heb zodoende niet gehoord wat er tussen M. en Fo. over de intercom is besproken. Ik weet nog wel dat Fo. constant op het belletje bleef drukken. Ook weet ik nog dat M. diverse keren naar de bewuste ophoudkamer is gelopen om Fo. daar te woord te staan.

Op een gegeven moment kwam de inspecteur van dienst Sc. de wachtcommandantenruimte binnen. Uit zijn opmerkingen kon ik opmaken dat Sc. duidelijk bezig was om het verhaal wat Fo., bij de voorgeleiding had gedaan, te verifiëren. Ik heb mij daar verder niet mee bemoeid.

Ik heb op een gegeven moment nog wel gehoord dat M. de vrouw van Fo. telefonisch probeerde te bereiken, wat na enige tijd ook lukte. Ik begreep van M. dat de echtgenote van Fo. naar het bureau in Hilversum onderweg was. Voor de volledigheid wil ik nog opmerken dat Fo. constant door de intercom bleef mekkeren. Wat hij precies zei, weet ik niet meer. Het waren wel allerlei verwensingen naar de politie.

Later die nacht hoorde ik dat de vrouw van Fo. aan het bureau was gekomen en met haar man had getracht te praten. Van een collega hoorde ik later dat Fo. bij die gelegenheid als een beest te keer was gegaan tegen zijn vrouw. Het lukte haar niet om haar man mee te krijgen, zodoende is zij samen met haar zoon vertrokken. Ik heb de vrouw niet gezien of gesproken.

Ik hoorde op een geven moment dat Fo. een kopje had stukgegooid in de ophoudkamer. Hoe laat het inmiddels was, weet ik niet meer. Ik schat dat het toen inmiddels na 03:00 uur was.

Via de intercom hoorde ik dat Fo. bleef tieren. Ik hoorde ook dat hij tegen de deur van de ophoudkamer trapte.

Gezien het blijvende vervelende gedrag, begaf ik mij naar de gang van de ophoudkamers. Ik ben een 'oudere' politieman met ervaring en had de bedoeling om met die ervaring contact met hem te krijgen om hem rustig te krijgen. Ik schat dat het toen ongeveer 03:30 uur was en dat M. ook in de gang stond.

Toen ik door de ruit van de deur van de ophoudkamer keek, zag ik Fo. in de kamer staan. Ik zag dat hij in mijn richting keek. Ik zag dat hij een verwilderde blik in zijn ogen had. Ik hoorde hem schreeuwen : 'Vieze vuile kale kop, kale neet. Jij moet de VIAGRA-pil gebruiken. Moet ik mijn broek laten zakken ??'. Ik zag daarop dat hij met zijn rug naar mij toe ging staan en ook daadwerkelijk zijn broek een stukje liet zakken. Ook hoorde ik hem roepen dat hij eruit wilde en naar huis wilde. Nadat Fo. vorenstaande naar mij had geroepen, heb ik mij omgedraaid en ben weggelopen. Ik heb nog wel tegen hem gezegd dat ik hem een stakker vond, hij reageerde daar niet op. Mijn voornemen om hem rustig te krijgen, is dus niet gelukt maar dat is geen enkele collega gelukt. Later die nacht begreep ik dat M. enigszins ontdaan was en zich door Fo. bedreigd had gevoeld. Ik begreep dat M. het er niet mee liet zitten en dat hij aangifte wilde doen van bedreiging. Later is M. ook begonnen met een ambtelijk verslag en is daar de volgende nacht mee verder gegaan.

Nadat ik de ruimte van de opvangkamers had verlaten, heb ik mij verder niet meer met 'de zaak' bemoeid en van het verdere verloop kan ik niets vertellen. Ik heb stellig de indruk dat wachtcommandant M. en de inspecteur van dienst Sc. hun best hebben gedaan om in contact te komen met Fo. Ook wil ik nog zeggen dat M. zich zeer goed over het zoontje heeft ontfermd. M. heeft veel aandacht geschonken aan de jongen."

2.15. De in het betreffende proces-verbaal van verhoor opgenomen verklaring van politieambtenaar Hom. luidt onder meer:

"Ik ben tot en met 13 september 1998 in vaste dienst van de regio Gooi & Vechtstreek geweest. Vanaf 14 september 1998 ben ik in vaste dienst van het Korps Landelijke Politiediensten.

(...) Ik weet nog dat ik nachtdienst had na een wedstrijd van het Nederlands elftal. Ik zat die nacht samen met collega B. 'op de auto'. Vrij in het begin van de nachtdienst kregen wij van de meldkamer de opdracht om naar een café (...) te Hilversum te gaan. Daar zou zich een man bevinden die mishandeld zou zijn.

In het café aangekomen zag ik ongeveer 4 à 5 mensen aan de bar zitten. De barkeepster wees ons een man met een jongen aan. Ik zag dat deze man een consumptie nuttigde, waarvan ik niet meer weet of dat bier of cola was. De man, die later Fo. uit Haarlem bleek te zijn, verklaarde dat hij even daarvoor was mishandeld in het café van het zwembad (...) te Hilversum. Hij verklaarde onder andere dat hij daar klappen had gehad van meerdere personen. Hij zou de daders niet meer herkennen maar zijn zoontje wel, want die had de daders gezien. Ikzelf kan mij niet meer herinneren hoe of waar Fo. precies gewond was. Volgens mij had hij een wond in zijn gezicht.

Op het moment dat wij Fo. in het café aanspraken, heb ik niet geroken dat hij alcohol had gebruikt. Zoals bekend zijn wij samen met Fo. en zijn zoontje in de surveillan-ceauto voor verder onderzoek naar het zwembad gereden. Ik heb toen ook niet geroken dat hij alcohol had gebruikt. Hij maakte op mij ook geen 'aangeschoten' indruk. In de cafés heb ik natuurlijk wel een algemene alcoholgeur waargenomen, wellicht is dat de oorzaak ervan dat ik bij Fo. persoonlijk niets heb waargenomen. Normaliter ruik ik op straat wel of iemand alcohol heeft genuttigd. De eerste keer dat ik daadwerkelijk rook dat Fo. alcohol had genuttigd, was het moment dat ik later bij hem in de ophoudkamer stond.

In het café van zwembad 'L.' zijn wij nog op zoek geweest naar de daders van de mishandeling, maar dat had geen resultaat. Na dit onderzoek besloot Fo. dat hij aangifte van mishandeling wilde doen. Wij brachten hem daarop terug naar het 'eerste' café, alwaar hij even binnen is geweest om af te rekenen. B. en ik verwezen hem daarop naar het politiebureau te Hilversum. Aangezien hij niet wist waar het bureau was, zijn wij voor hem uit gereden en hebben hem verteld dat hij zich bij de hoofdingang (...) moest melden. Ik kan mij niet meer herinneren of wij rechtstreeks contact hebben gehad met de wachtcommandant of alleen met de meldkamer. Als de wachtcommandant M. dat niet heeft gehoord, zal het wel via de meldkamer zijn gegaan. Normaliter neem ik in soortgelijke gevallen wel rechtstreeks contact op met de wachtcommandant, zodat een aangever niet twee keer zijn verhaal hoeft te doen. Indien ik in dit geval heb verzuimd om rechtstreeks contact met de wachtcommandant op te nemen, vind ik van mijzelf dat ik in gebreke ben gebleven.

In verband met een volgende melding en drukte op straat, zijn wij niet met Fo. mee naar binnen gegaan.

Na enige tijd kregen wij van de wachtcommandant de mededeling dat er door hem aan Fo. was verteld dat er in verband met alcohol gebruik geen aangifte was opgenomen en dat hem tevens meerdere malen was afgeraden om auto te gaan rijden. Volgens mij hebben wij nog telefonisch contact gehad met M. In dat gesprek maakt M. ons duidelijk dat hij vond dat Fo. te veel had gedronken om een aangifte op te nemen. Zoals bekend is Fo. in de buurt (...) aangehouden terzake vermoedelijke overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet. Nadat hij was aangehouden en was voorgeleid, kregen wij het verzoek om naar het bureau te komen. Aan het bureau werden wij opgewacht door de wachtcommandant M. en de inspecteur van dienst Sc. Zij vroegen ons of het klopte dat wij Fo. in zijn eigen auto naar het bureau hadden laten rijden en ook voor hem uit waren gereden. Wij vertelden dat wij bij het eerste contact geen alcoholgeur hadden waargenomen en dat hij op ons geen aangeschoten indruk maakte.

Na een discussie, werd alsnog besloten dat B. en ik alsnog een aangifte zouden opnemen en dat Fo. een rijverbod voor 12:00 uur zou krijgen. In de ophoudkamer hebben wij vervolgens de aangifte opgenomen en zoals gezegd, was dat de eerste keer dat ik rook dat hij alcohol had genuttigd. Nadat B. de aangifte in concept had opgenomen, is deze door B. uitgetikt en geprint. Met de aangifte ben toen ik naar Fo. gelopen. Nadat ik hem de aangifte ter lezing had gegeven, zei hij dat het niet klopte en eiste hij een pen. Volgens hem stond de aangifte vol taalfouten. Met een pen, die ik hem had gegeven, begon hij vervolgens in het proces-verbaal te krassen. Ook wilde hij bij het schadebedrag een bedrag van fl. 20.000,= vermeld hebben, mede vanwege de traumatische ervaring die zijn zoontje had gehad. Ook eiste hij dat ik een beker water voor hem moest halen. Ik hoorde dat hij zei :'Jij gaat nu een beker water voor mij halen'. Ik deelde hem mede dat ik eerst de aangifte afgerond wilde hebben. Hij zei toen dat ik het maar moest laten zitten en hij gooide de aangifte en de pen op de grond. Ik heb de aangifte toen weer meegenomen en zijn de veranderingen/verbeteringen aangebracht, waarna de aangifte door hem werd ondertekend. In verband met zijn commanderende toon, waardoor hij de indruk wekte hoog boven ons te willen staan, heb ik hem verteld dat ik hem met respect behandelde en dat ik dat van hem ook verwachtte. Daarna kon ik nog wel redelijk met hem praten en nam hij het rijverbod aan. Hij deelde nog wel mede dat hij zich er niet aan zou houden. Vervolgens hem ik hem in een aardewerk bekertje water gegeven. Ik heb nog wel naar een plastic bekertje gezocht maar kon geen plastic bekertje vinden. Aangezien hij op dat moment een rustige indruk maakte, besloot ik hem een stenen beker te geven. Achteraf bleek dat geen goed idee geweest te zijn, want hij heeft de beker later stukgegooid en zich met de scherven verwond.

Ik begreep op een gegeven moment dat de vrouw van Fo. onderweg naar het bureau was om hem en zijn zoontje op te halen. Ik weet niet meer of Fo. doordraaide voordat hij wist dat zijn vrouw onderweg naar het bureau was of dat hij over de rooie ging op het moment dat hij hoorde dat zijn vrouw onderweg was. In ieder geval ging het op enig moment goed mis. Hij begon te schreeuwen en tegen de van de ophoudkamer te trappen en maakte M., Be. en M. uit voor alles wat mooi en lelijk was. Ik kan mij nog herinneren dat M. door Fo. is bedreigd. Nadat zijn vrouw aan het bureau was geweest en haar zoontje had meegenomen, werd de toestand in de ophoudkamer onhoudbaar. Voor zijn eigen veiligheid en hem tegen zichzelf te beschermen, werd toen besloten om hem tijdelijk in een observatiecel te plaatsen."

2.16. De mutatie uit het dag- en nachtrapport van 13 juni 1998, die Hom., B., en M. hadden opgemaakt, vermeldt onder meer:

"Zou AAB (aangever/benadeelde: N.o.) mishandeld zijn in het restaurant van zwembad L. Met AAB hier heen gereden maar de daders waren al vertrokken. AAB verwezen naar het bureau voor het doen van aangifte.

Kwam AAB aan het HB en wilde aangifte doen van mishandeling. Toen hem duidelijk was gemaakt, ivm zijn alcoholgebruik, dat hij of morgen of in Haarlem aangifte kon doen, was hij het daar niet mee eens. Uiteraard moesten wij onze namen opgeven, waarmee hij morgen naar zijn advocaat zou gaan. AAB was igv zijn zoontje van ong. 7 à 8 jaar. AAB eiste dat wij het ziekenhuis zouden bellen en wilde daar ook naartoe gebracht worden. Aangeboden een taxi voor hem te bellen, doch dat wilde hij niet.

Wanneer de aangifte niet werd opgenomen, zou hij (...) een aantal mensen regelen om bij het zwembad de boel te laten verbouwen.

Na hem op het hart te hebben gedrukt in zijn toestand niet in een auto te gaan rijden, verliet hij het HB."

2.17. De mutatie uit het dag- en nachtrapport van 13 juni 1998, die M., Ka., Be., Hom. en Ha. hadden opgemaakt, vermeldt onder meer:

"Coll. Ka., surveillerend in een onopvallende auto, zag Fo., samen met zijn zoontje, in de B.-straat in een zwarte Fiat Tipo stappen en wegrijden (...). Ka. was inmiddels bekend met het alcoholgebruik van Fo. Auto werd door hem gevolgd en samen met opvallende auto stopteken gegeven op de E-straat (...) .

Auto en Fo. met 9 jarig zoontje Ti. overgebracht naar HB (hoofdbureau; N.o.)., waar Fo. te 01.25 uur werd geleid voor de hovj Sc.

l.o.m. hem werd geen artikel 8 procedure opgestart. Wel werd hem formeel een rijverbod van 12 uur uitgereikt. Fo. heeft niet geblazen.

Daar er bij Fo. kennelijk verwachtingen waren gewekt mbt het doen van aangifte terzake de mishandeling, werd toch besloten hem tegemoet te komen en alsnog een aangifte op te nemen. Zoontje Ti. werd ondergebracht in de ruimte van de wcdt en beziggehouden met cartoon-network.

Fo. werd tijdelijk ingesloten in ophoudkamer 17, waarvan hij de deur met zijn voeten met kracht begon te bewerken en daarbij luidkeels schreeuwde. Fo. trachten te kalmeren, wat echter niet lukte. Hij bedreigde 1e rapp., waarvan afzonderlijk pv van bevindingen wordt opgemaakt. Verder maakte Fo. een serie zeer denigrerende opmerkingen aan het adres van alle aanwezige rapp's. Ook deze worden meegenomen in dit pv.

Daar het niet verantwoord zou zijn Fo. alleen met zijn zoontje heen te zenden, gezien zijn emotionele en zeer agressieve houding, zijn echtgenote in Haarlem gebeld, om richting Hilversum te komen.

Geen tel. contact i.v.m. antwoordapparaat. Pol. Haarlem langs het adres laten rijden, waarna contact en echtgenote naar Hilversum kwam. Omstr. 04.15 uur was zij aan het HB. Haar het hele verhaal uitgelegd. Dat kwam haar niet geheel onbekend voor. Haar man vertoonde 1 x in de 5 jaar dit agressieve gedrag, waarbij alcohol een versterkende rol had. Volgens haar kon hij bepaalde zaken niet goed relativeren, dat zich vervolgens uitte in zeer agressief gedrag tov anderen. Zij vond het verschrikkelijk dat haar man in zijn toestand, met haar zoontje, 's nachts over straat was gegaan. Zij wilde wel met haar man praten.

Fo. wilde niets van haar weten en was niet van plan met haar mee te gaan. Zij moest direct een arts en een advocaat bellen. Fo. raakte geheel buiten zinnen en dreigde zijn vrouw te slaan, wanneer zij de ophoudkamer niet zou verlaten. Daarbij schold hij 1e rapp. voor alles en nog wat uit, waaronder Gestapo. Wordt eveneens verwerkt in pv bevindingen.

Mevr. was zo geschrokken hoe haar man reageerde en wilde zo snel mogelijk met haar zoontje naar huis. Zij was van mening dat haar man rijp was voor een inrichting.

Fo. bleek inmiddels enigszins gekalmeerd en kreeg op verzoek een beker water. Deze werd even later door hem kapot gegooid op de vloer van de ophoudkamer. Met de scherven bekraste hij zijn polsen tot bloedens toe. Enkele tegels werden daardoor beschadigd. De deur vertoonde later bij het slot een overmatige speling. (...)

Fo. voor zijn eigen veiligheid en in afwachting van de komst van de GGD arts, overgebracht naar het cellenblok en ingesloten in observatiecel nr. 13, Tijdens de overbrenging was hij opvallend rustig en zei dat er iets bij hem was doorgebrand. GGD arts Brouwer onderzocht zijn verwondingen en had nog een gesprek met hem.

l.o.m. de hovj werd besloten Fo. later te horen terzake de door hem gepleegde bedreiging/belediging. Afspraak voor verhoor werd gemaakt voor a.s. donderdag 18-06-98, 10.00 uur. (...)

Fo. eiste bij zijn ontslag, te 05.00 uur, dat zijn auto buiten het hek werd geplaatst en dat hij de beschikking zou krijgen over de contactsleutel. Uitgelegd dat wij de verantwoording voor zijn auto hadden (beschadigingen e.d.) en dat hij deze, na het verstrijken van het rijverbod kon komen ophalen. Hij zou de auto door een chauffeur laten ophalen. Ook nu begon Fo. weer opstandig en agressief gedrag te vertonen.

Fo. was zeker van plan het hier niet bij te laten zitten en overwoog een procedure m.b.t. de behandeling die hij hier had gehad. Volgens hem was hij ten onrechte van zijn vrijheid beroofd."

2.18. Het proces-verbaal van bevindingen dat politieambtenaar M. had opgemaakt vermeldt onder meer:

"Op zondag 14 juni 1998, bevond ik mij, verbalisant, in de cellengang op de begane grond van het politiebureau te Hilversum. In ophoudkamer 17 was op dat moment de verdachte Fo. ingesloten.

Deze verdachte was op dat moment al enige tijd bezig, met kracht, met zijn voeten tegen de gesloten deur van de ophoudkamer te trappen. Vervolgens werd door mij, verbalisant, de deur van deze ophoudkamer geopend, teneinde de verdachte zijn getrap tegen de deur te doen laten ophouden.

Op het moment dat ik, verbalisant, de deur van de ophoudkamer had geopend, zag ik de verdachte Fo. een trappende beweging in mijn richting maken. Ik hoorde hem schreeuwen: 'Moet ik hier nog langer zitten. Laat me gaan met jullie Gestapomethoden.'

Ik zag dat de ogen van de verdachte wijd opengesperd waren en dat zijn gelaat rood aangelopen was. Het gedrag van Fo. kwam op mij over als zeer gespannen en emotioneel.

Vervolgens zag ik Fo. op de in de ophoudkamer aanwezige bank gaan zitten en enigszins tot rust komen. Ik hoorde hem zeggen, waarbij hij mij indringend aankeek: 'Als ik jou buiten tegenkom, pak ik je, reken daar maar op en dat meen ik.' Daarbij wees hij met zijn rechterhand in mijn richting.

Door de woorden van de verdachte en de wijze waarop hij mij daarbij aankeek en naar mij wees, voelde ik mij bedreigd, mede gelet op zijn agressieve gedrag kort daarvoor.

Vervolgens werd de deur van de ophoudkamer door mij weer gesloten.

Fo. begon direct daarna weer met zijn voeten, met kracht tegen de deur van de ophoudkamer te trappen en allerlei verwensingen te schreeuwen.

Op zondag 14 juni 1998, omstreeks 04.15 uur, verscheen de echtgenote van Fo. aan het politiebureau te Hilversum. Fo. was tijdens zijn aanhouding namelijk in gezelschap van zijn 9-jarige zoon Ti. Mevrouw Fo. was op verzoek van mij, verbalisant, vanuit haar woonplaats Haarlem naar Hilversum gekomen.

Op het moment dat zij de ophoudkamer binnenkwam, waarbij ik, verbalisant aanwezig was, lag Fo. op de bank. Nadat hij zijn vrouw zag begon hij tegen haar te schreeuwen: 'Ga weg en bel onmiddellijk een advocaat en een arts. Ik laat ze hier niet mee wegkomen. Gestapo zijn jullie.' Daarbij wees Fo. in mijn richting. Doordat Fo. mij Gestapo noemde, voelde ik mij beledigd.

Vervolgens begon Fo. onophoudelijk in mijn richting het woord lul te schreeuwen. Ik zag dat zijn gezicht rood aanliep, zijn ogen wijd opengesperd waren, waarbij hij mij, verbalisant, voortdurend en indringend aankeek. Fo. sloeg met zijn armen om zich heen en bleef schreeuwen dat zijn vrouw weg moest gaan en dat hij helemaal doorgedraaid was.

Zijn echtgenote trachtte hem te kalmeren, doch dat had geen effect. Mevrouw Fo. is daarna samen met haar zoon naar huis gegaan.

Opgemerkt dient nog te worden dat de verdachte F., gezien zijn agressieve en zeer emotionele gedrag, voor zijn eigen veiligheid, daarna werd ingesloten in de observatiecel in het cellenblok van het politiebureau te Hilversum."

2.19. Het proces-verbaal van verhoor van getuige D. op 9 oktober 1998 vermeldt als verklaring van D.:

"U vertelt mij waarom u met mij contact hebt gezocht. Dit verbaast mij. Ik help wel eens achter de bar bij sporthal L. Op 13 juni 1998, was ik werkzaam achter de bar. Er kwam op een gegeven moment een man naar mij toe. Deze man vroeg mij de politie te bellen, omdat er zojuist iemand mishandeld was. Ik heb de politie gebeld, echter ben geen getuige geweest van de mishandeling."

2.20. Het bericht van niet-verdere behandeling van verzoekers aangifte van 10 november 1998 en gericht aan verzoeker, luidt onder meer:

"Uw aangifte zal door het ontbreken van aanwijzingen in de richting van de dader(s) en/of gebrek aan bewijs, naar het zich laat aanzien, door de politie niet verder in behandeling worden genomen. U mag ervan uitgaan dat uw aangifte als gevolg hiervan in het archief van de politie wordt opgenomen."

D. Reactie verzoeker

Verzoeker deelde bij brief van 16 juni 1999 in reactie op het standpunt en de informatie van de korpsbeheerder onder meer mee:

"Begeleidende brief

In de begeleidende brief komt de politie terug op haar uitspraak dat zij mij bij herhaling zou hebben laten weten bezwaar te kunnen maken tegen het opgelegde rijverbod. Zij verwijst daarbij naar studieboeken, maar komt niet tot een eenduidig standpunt of bezwaar nu wél of niet mogelijk is en, zo ja, wanneer en hoe ik bezwaar had kunnen maken of alsnog kan maken. (...)

(...)

Ten tijde van mijn mishandeling in café 'L.' vond daar een besloten samenzijn plaats om in groepsverband de voetbalwedstrijd Nederland - België te kijken. Door de beide personen die zich als portier voordeden een drankje aan te bieden, werd ook ik met mijn zoontje toegelaten. Naar mij later is verteld, is het café van zwembad 'L.' een favoriete gelegenheid van een in Hilversum en omstreken beruchte criminele familie. Een familie waar de politie, aldus mijn als betrouwbaar beschouwde informanten, zich liever afzijdig van houdt.

Ik blijf bij mijn standpunt dat de politie zeer weinig tot niets heeft gedaan om de daders van mijn mishandeling te achterhalen; temeer daar het barpersoneel tegenover B en/of HOM heeft verklaard de betrokkenen wél van gezicht maar niet bij naam te kennen. De uitspraak van het barpersoneel op de avond van de mishandeling wordt nog eens bevestigd door de later afgegeven verklaring door een van de personeelsleden. Zij vertelt dat er op de bewuste avond in besloten kring van 40 a 50 'bekenden' naar de voetbalwedstrijd gekeken werd. Uit de documentatie van de politie blijkt niet dat zij met de aanknopingspunten iets gedaan heeft. Ik neem derhalve aan dat er geen onderzoek is verricht.

(...)

Onderzoeksrapporten en overige documentatie

(...)

- Op 13 juni 1998 word ik in het café van zwembad 'L.' door een aantal mensen mishandeld. Uit de verklaring van mijn huisarts blijkt later, dat sprake is van een gescheurde wenkbrauw en andere verwondingen in het gezicht, tanden door de lip (vandaar waarschijnlijk de lichte spraakmoeilijkheden waaraan de politie refereert), gekneusde ribben en diverse kwetsuren aan de benen. Bij mijn contact met de politie zit mijn gezicht bovendien onder het bloed; reden waarom personeel en bezoekers van café 'R.' mij adviseren de hulp van de politie in te roepen.

De politie doet in haar verklaringen echter voorkomen of de verwondingen slechts minimaal waren, waarmee het niet verlenen van de door mij gevraagde verdere assistentie verantwoord zou zijn. Maar als de verwondingen daadwerkelijk minimaal waren geweest, dan vraag ik mij af waarom de politie de mishandeling dusdanig serieus heeft genomen dat er onmiddellijk ter plaatse een onderzoek werd ingesteld om de daders op te sporen.

- Het onderzoek bij 'L.' levert weliswaar niet de daders op, maar het baliepersoneel zegt wél de daders van gezicht te kennen. Ik vind hierover helaas niets terug in de verklaringen van HOM en B. Wél staat er in de verklaring, die in het kader van het onderzoek naar mijn klacht later door een barbediende is afgelegd, dat het een besloten avond was voor 'bekenden'. In tegenstelling tot de onjuiste beeldvorming die F in zijn verklaring probeert op te roepen, verklaart deze dame bovendien dat ik mij onopvallend en rustig gedroeg.

- HOM en B adviseren mij vervolgens aangifte te doen en rijden voor mij uit naar het politiebureau. Alhoewel ik gedurende de middag en avond 4 a 5 biertjes gedronken had, zoals ik later ook naar waarheid op het politiebureau verklaarde, wordt door HOM en B niet geconstateerd dat ik enkele alcoholhoudende drankjes genuttigd had. Zij stellen bovendien, dat ik niet 'aangeschoten' was en maken in hun verklaring ook geen opmerkingen over mijn rijgedrag. Als er van overmatig alcoholgebruik sprake was geweest, dan hadden zij dat zeker aan mijn gedrag moeten merken of moeten ruiken; zeker toen ik bij hen in de auto zat om bij het zwembad een kijkje te gaan nemen!

- Op het politiebureau aangekomen word ik in eerste instantie te woord gestaan door HA en vertel ik hem de voorgeschiedenis. Het blijkt echter niet zijn taak aangiftes van mishandeling op te nemen en haalt er M bij. M, de Wachtcommandant, stelt in zijn verklaring nadrukkelijk dat hij niet op de hoogte was van de voorgeschiedenis. Geconcludeerd mag daarom worden dat HA hem toen nog niet geïnformeerd had over de radiomelding van HOM en B betreffende mijn komst naar het bureau en niet over het verhaal dat ik aan de balie tegen hem verteld had. Maar ook mag worden geconcludeerd dat de Wachtcommandant zichzelf niet goed op de hoogte heeft gehouden omtrent hetgeen zich onder zijn verantwoordelijkheid afspeelde. Dat blijkt ondermeer ook uit de beperkte vragen die hij HA stelt als deze zijn hulp inroept voor het opnemen van mijn aangifte.

In zijn verklaring geeft M aan dat hij, als hij van de feiten op de hoogte was geweest, anders zou hebben gehandeld. Zoals verderop zal blijken, moet M vrij kort na het gesprek aan de balie kennis hebben genomen van de voorgeschiedenis en toen hebben beseft dat hij een verkeerde, maar zonder gezichtsverlies onomkeerbare koers had ingezet. Hij zal er dan ook terdege rekening mee hebben gehouden dat ik mijn dreigement, om tegen heb een klacht in te zullen dienen, ten uitvoer zou gaan leggen. Mogelijk dat zijn eigen aangifte tegen mij wegens bedreiging en/of belediging, die later overigens weer is ingetrokken, hiermee in relatie staat.

- Als M mij vraagt naar het gebruik van alcoholhoudende drank, antwoord ik hem dat ik 4 à 5 biertjes gedronken heb. M weigert vervolgens, naar eigen zeggen onwetend van het feit dat ik door de politie uitgenodigd was naar het bureau te komen, de aangifte op te nemen. Hij laat mij weten dat er geen aangifte wordt opgenomen als er alcohol in het spel is; hoe weinig ook. Ook nu informeert HA, die getuige is van mijn gesprek met M, zijn Wachtcommandant niet over de voorgeschiedenis.

In zijn verklaring stelt M dat het een algemeen geaccepteerde praktijk onder Wachtcommandanten is om geen aangifte op te nemen van mensen die alcoholhoudende drank hebben genuttigd. Ik vraag mij echter af of dit inderdaad de algemene praktijk is, want het gedrag van HOM en B strookt dan niet met de verklaring die M heeft afgelegd over wat HOM en B gezegd zouden hebben.

In tegenstelling tot de verklaringen van HOM en B stelt M namelijk in zijn verklaring, dat beiden tegenover hem gezegd zouden hebben zij weliswaar waargenomen hadden dat ik gedronken had, maar niet de indruk hadden dat ik niet zou kunnen autorijden. Los van de tegengestelde verklaringen valt het mij op dat, als het algemene praktijk is geen aangiftes op te nemen van iemand die - hoe weinig ook - gedronken heeft en HOM en B daadwerkelijk geconstateerd zouden hebben dat ik gedronken had, zij zich de moeite hadden kunnen besparen om mij naar het bureau te verwijzen.

- Naar eigen zeggen omdat hij onbekend was met het feit dat ik op aanraden van B en HOM met de auto naar het politiebureau was gereden en omdat hij dacht dat ik naar Haarlem moest, raadt M mij aan niet meer met de auto te gaan rijden. Hij biedt mij weliswaar aan om een taxi te bellen, maar vraagt zich niet af of ik voldoende geld bij mij heb om een taxi naar Haarlem te betalen en of een taxichauffeur, gezien mijn gehavende uiterlijk, mij zonder borgsom had willen vervoeren. M zegt dat het advies om niet meer met de auto te gaan rijden vooral werd ingegeven door de aanwezigheid van mijn zoontje. Tot op zeker hoogte kan ik dat respecteren, maar ik constateer tegelijkertijd dat M zich er blijkbaar niet erg druk over maakt hoe vader en zoon onder dergelijke omstandigheden dan wel thuis moeten zien te komen. Bovendien had M, door met mij een gesprek aan te gaan in plaats van te vertellen wat allemaal niet kon en mocht, kunnen weten dat ik naar theehuis ' B.' moest en niet naar Haarlem.

- Ondanks dat de politie slechts vermoedde dat er sprake zou kunnen zijn van overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet en zij mij alleen maar geadviseerd had niet meer met de auto te gaan rijden, gaat M over tot draconische maatregelen om te controleren of ik zijn advies wel opvolg.

Nadat HOM en B, de politieagenten die mij te hulp waren gekomen na de mishandeling, zich tegenover M minder geschikt hadden verklaard om mij in de gaten te houden en eventueel aan te houden, wordt er een politieman in burgerauto (KA) op de uitkijk gezet. Ook HOM en B staan aanvankelijk op de uitkijk, terwijl HOE, W en K naar het bureau zijn geroepen om hun instructies in ontvangst te nemen. In totaal praten wij dus over 6 man die gemobiliseerd zijn om mij te betrappen en aan te houden!

Het is van belang te constateren dat M, veel eerder dus dan hij zelf verklaart, rond dit tijdstip op de hoogte moet zijn geweest van de voorgeschiedenis. B verklaart namelijk dat ten tijde van mijn vertrek uit het politiebureau met M is overlegd of hij/zij en HOM mij in de gaten zouden gaan houden. Vrijwel zeker moeten HOM en B tegenover M beargumenteerd hebben waarom zij van mening waren dat zij voor deze taak niet geschikt waren.

- In de overtuiging zeker niet te veel gedronken te hebben en in de wetenschap dat ik slechts naar Laren moest, ben ik na 20 minuten met mijn auto weggereden. Hierbij gesterkt door het feit dat ik eerder, nota bene op verzoek van de politie zelf, naar het politiebureau was gereden.

Gezien de aandacht van de politie voor mij bij het verlaten van het bureau, hield ik er overigens rekening mee dat ik in de gaten werd gehouden. Ik heb daarom heel bewust zeer behoedzaam gereden. De andersluidende verklaring van KA over mijn rijstijl klopt daarom niet, net zomin als dat hij verklaart dat de kleur van mijn auto blauw zou zijn. De verklaring van KA met betrekking tot mijn rijstijl wordt bovendien, daar waar dat had gekund (bijvoorbeeld bij het niet bij eerste gelegenheid stoppen), niet bevestigd door K, HOE en W.

- Tijdens mijn rit naar Laren word ik door KA gevolgd, totdat de twee stagiaires (HOE en W) en de stagebegeleider (K) ter plaatse zijn om mij aan te houden. Als er een redelijk vermoeden was van rijden onder invloed en onverantwoord gedrag mijnerzijds, dan had KA onmiddellijk tot actie moeten overgaan in plaats van mij eerst 6 a 7 kilometer te laten rijden. Dat hij in een burgerauto reed is daarbij niet relevant; temeer daar KA een uniform droeg.

Doordat KA niet onmiddellijk heeft ingegrepen ontstaat de indruk dat de 'buit' bewaard is als oefenobject voor de stagiaires en dat de gesuggereerde urgentie om te voorkomen dat ik zou autorijden wel meeviel.

- Bij mijn aanhouding op grond van de verdenking onder invloed te hebben gereden vraag ik, aldus de verklaring van K, of er niet geblazen moet worden. De betrokken politieagenten laten echter, ondanks dat zij de beschikking hadden over de benodigde testapparatuur, deze gelegenheid om hun vermoedens objectief te toetsen onbenut. Ik krijg de stellige indruk dat M tegenover K, HOE en W heeft doen voorkomen dat de overtreding al vaststond. Of M heeft hen, gezien de voorgeschiedenis, de nadrukkelijk opdracht gegeven geen blaasproef af te nemen.

Het feit dat ik niet heb kunnen aantonen onschuldig te zijn, terwijl deze mogelijkheid voorhanden was en er voldoende redenen waren voor twijfel over het als dan niet rijden onder invloed, beschouw ik als een schending van mijn rechten; zeker gezien het vervolg!

- In plaats van te moeten blazen word ik, in het bijzijn van mijn zoontje van 10 jaar en zonder dat daar redelijke gronden voor aanwezig waren, gefouilleerd en in een politieauto afgevoerd naar het bureau. Daarbij zijn mij later de handboeien omgedaan, omdat ik mijn handen niet netjes op mijn knieën wilde houden zoals mij werd bevolen.

- Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat ik gebruikt ben als proefkonijn voor de stageopdracht en dat de fouillering en het gebruik van de handboeien gezien moeten worden als vorm van intimidatie en/of jeugdig enthousiasme in plaats van terechte veiligheidsmaatregelen.

(...)

- Het feit dat er nog een opvallende politieauto ter plaatse was (zie verklaring HOE) is mij ontgaan, maar sterkt mij in de mening als proefkonijn te zijn gebruikt.

Als die auto er daadwerkelijk is geweest - het bevreemdt mij dat hier geen nader onderzoek naar is gedaan -, dan diende deze waarschijnlijk om te observeren hoe de stagiaires het er vanaf brachten.

- Ook het feit dat K boos wordt en zich van de zaak distantieert als hij hoort hoe een en ander in elkaar steekt, sterkt mij in de mening gebruikt te zijn. K wordt immers boos omdat hij zich op zijn beurt misbruikt voelt vanwege het feit te zijn ingezet op een zaak met een nogal dubieuze voorgeschiedenis en zonder dat hij daarover door M vooraf geïnformeerd was.

Zoals eerder aangegeven, moet M op de hoogte zijn geweest van de voorgeschiedenis. Ik constateer daarom dat hij nagelaten heeft K hierover te informeren.

- Op het politiebureau word ik, na nogmaals te zijn gefouilleerd en nadat mijn persoonlijke bezittingen zijn afgenomen, in een cel opgesloten. Via de monitoren in de ruimte van de Wachtcommandant kan mijn zoontje dit alles volgen.

- Weliswaar kon de politie niet weten dat ik in het verleden, in de tijd dat ik werkzaam was in Nigeria, voor mij traumatische ervaringen heb opgedaan met betrekking tot opsluiting in gevangenissen. Als gevolg daarvan lijd ik aan een vorm van claustrofobie, die zich uit in agressie wanneer ik onder dwang in mijn bewegingsvrijheid beperkt word. Ik heb dan ook onmiddellijk en bij herhaling gevraagd een dokter te laten komen. Deze heeft mij echter pas na enige uren en alleen omdat hij toch toevallig in het pand aanwezig was, bezocht.

Ik neem het de politie kwalijk dat zij niet op eerste aangeven van mij een dokter heeft laten komen en dat zij niet met de mogelijkheid rekening heeft gehouden dat mijn agressie een andere en diepere oorzaak zou kunnen hebben. Dit terwijl zij in haar verklaringen wel aangeeft geconstateerd te hebben dat sprake was van afwijkend gedrag.

Ik neem het de politie ook kwalijk dat mijn zoontje oorgetuige van dit alles is geweest.

- Ook op het politiebureau wordt er geen blaastest of bloedproef afgenomen. Ik constateer daarom dat het opgelegde rijverbod gebaseerd is op de subjectieve waarnemingen van politieagenten, daarbij sterk beïnvloed door de mening van M dat ik te veel gedronken zou hebben. Tegenover de mening van M staan de verklaringen van HOM en B. Zij verklaren in eerste instantie niet geroken te hebben dat ik gedronken had - dit ondanks dat ik bij hen in de auto heb gezeten - en dat ik ook geen aangeschoten indruk maakte. Ook de arts verklaart niets nadeligs over mogelijk drankgebruik.

In het rijverbod staat vermeld dat er na ademanalyse geen proces verbaal is opgemaakt. Ik acht het onterecht dat de indruk wordt gewekt dat er een objectieve ademanalyse is uitgevoerd en ben van mening dat het rijverbod daarom ten onrechte is opgelegd en dus alsnog geschrapt zou moeten worden.

- Nadat mij het rijverbod en een afschrift van de aangifte wegens mishandeling zijn overhandigd, vraag ik de politieagent in kwestie of ik weg kan. Deze laat mij echter weten dat eerst met de Hulpofficier van Justitie overlegd moet worden en dat ik binnen 5 minuten uitsluitsel zal krijgen.

- Na geruime tijd tevergeefs wachten wordt mij verteld dat, zonder mijn medeweten, mijn echtgenote was gebeld om ons op te komen halen. Deze onbetamelijke en ongevraagde inbreuk op mijn privé-leven (zoals uit de verklaringen blijkt op initiatief van M) heeft mij niet alleen in razernij doen uitbarsten, maar maakte mij tevens duidelijk waarom de Hulpofficier van Justitie nog geen toestemming had gegeven voor mijn vertrek. Het zou immers wat vreemd zijn geweest als mijn echtgenote van Haarlem naar Hilversum was komen rijden om er aldaar achter te komen dat ik met mijn zoon al vertrokken was.

Ik heb mijn echtgenote geconfronteerd met verklaringen die door M zijn afgelegd over hetgeen zij op het politiebureau gezegd zou hebben. Zij distantieert zich van deze verklaring en is bereid alsnog zelf een schriftelijke verklaring af te leggen. Namens haar kan ik u mededelen dat zij ontstemd is over wat zij heeft gelezen en zij voelt zich door M misbruikt om datgene wat krom is alsnog recht te praten. Zij voelde zich tijdens de confrontatie met mij niet bedreigd en vindt ook dat zij door mij niet is beledigd. Wél is zij van mening dat het gedrag van M haar relatie met mij onterechte schade heeft toegebracht en zij neemt hem dat bijzonder kwalijk.

In de verklaring van M ontbreekt overigens een belangrijk punt. Op de vraag van mijn echtgenote of ik met haar mee naar huis wilde gaan, heb ik ontkennend geantwoord met als argumentatie dat de politie er dan wel heel gemakkelijk vanaf zou komen. Ik heb haar gezegd mijn zoontje mee naar huis te nemen en mij daar achter te laten om te kijken hoe de politie de kwestie verder zou afhandelen. Het is pertinent onjuist dat mijn echtgenote mij niet mee wilde nemen.

- Ondanks eerdere uitdrukkelijke ontkenningen door de politie, blijkt uit het proces verbaal van SC dat mijn vrijlating wel degelijk verbonden was aan het maken van een afspraak om later die week gehoord te worden inzake de aangifte die M voornemens was tegen mij in te dienen wegens bedreiging en/of belediging. (...)

Het is overigens opmerkelijk dat M zijn aangifte op dat moment nog niet op papier had staan en er dus feitelijk nog geen aangifte was. BE verklaart namelijk dat M ook de volgende avond nog aan de aangifte heeft zitten werken.

(...) de conditionele vrijlating, onder dwang tot stand gekomen (...) vind ik een Hulpofficier van Justitie onwaardig. (...)

Dat ik mijn afspraak met SC, om gehoord te worden inzake de eerder genoemde aangifte van M, niet ben nagekomen is onjuist. Ik heb SC bijtijds laten weten het vreemd te vinden dat collegae van M mij zouden verhoren inzake een door M tegen mij ingediende aangifte. Ik dan ook gevraagd de zaak naar een ander politiekorps door te verwijzen.

(...)

Het onderzoek zelf

(...)

- In een gesprek met mijn zoontje vertelde deze mij gezien te hebben dat minstens één agent in de ruimte van de Wachtcommandant een bierflesje aan zijn mond zette. Ik heb dit ter kennis van het Bureau Interne Onderzoeken gebracht en later is mij bij navraag schriftelijk medegedeeld dat de betrokken agent 'deed alsof hij dronk'. Ik vind hierover echt niets meer terug in de verhoren.

Klaarblijkelijk vindt de politie dit voorval niet belangrijk. Ik vind dit ogenschijnlijke detail echter wel degelijk belangrijk, omdat het iets zegt over de al dan niet professionele opstelling van de betrokken agenten.

Conclusie

Persoonlijk trek ik de volgende conclusies:

- Het dossier is op een aantal belangrijke punten niet eensluidend:

a) HOM en B verklaren dat zij niet gemerkt hebben dat ik gedronken had, maar na mijn contact met M is opeens iedereen van mening dat ik te veel gedronken had.

b) M verklaart van de voorgeschiedenis niets geweten te hebben tot na mijn insluiting, terwijl B aangeeft M verteld te hebben dat hij/zij en HOM beter niet ingezet konden worden voor mijn observatie en eventuele aanhouding.

- In ieder geval heeft M naar mijn mening - voor zover hij daadwerkelijk van niets wist - zijn taken als Wachtcommandant niet naar behoren uitgevoerd. Het lijkt mijn namelijk dat een Wachtcommandant zich geïnformeerd moet houden en dus ook de plicht heeft informatie in te winnen als deze hem door zijn collegae niet uit eigen beweging wordt verstrekt.

- Onverkort het bovenstaande is HA nalatig geweest door - naar het schijnt - tot drie keer toe zijn Wachtcommandant niet te informeren.

- In verhouding tot de verdenking worden door M - zeker gezien het feit dat hij bij mijn vertrek uit het politiebureau door HOM en B van de voorgeschiedenis op de hoogte moet zijn gebracht -buitenproportionele maatregelen. Hij mobiliseert 6 man, laat mij gedurende een kwartier schaduwen en zet 2 stagiaires en l begeleider in om mij aan te houden, te fouilleren en geboeid af te voeren naar het politiebureau.

- Het rijverbod wekt onterecht de suggestie dat objectief is vastgesteld dat ik onder invloed zou hebben gereden. Het rijverbod had slechts, in zoverre juridisch juist, gemotiveerd kunnen worden met de verdenking van rijden onder invloed.

- Door niet te hebben mogen bewijzen onschuldig te zijn, zijn mijn rechten geschaad.

- Uit het gedrag van KA en het feit dat K boos wordt, maar ook uit opmerkingen van het Bureau Interne Onderzoeken tijdens mijn gesprek met haar, kan ik niet anders concluderen dan dat ik gebruikt ben als oefenobject voor de stagiaires.

- De fouilleringen, de handboeien en de opsluiting gedurende een periode van 5 uur zijn eerder gemotiveerd door de wens te intimideren dan dat daar redelijke gronden voor aanwezig waren. De legitimatie van de opsluiting kan naar mijn mening niet gevonden worden in het feit dat iemand als gevolg van de opsluiting en gerelateerde gebeurtenissen agressief wordt. De volgtijdelijkheid der gebeurtenissen is dan tegenstrijdig.

- De politie heeft onvoldoende rekening gehouden met de mogelijke gevolgen voor mijn psychische gesteldheid bij opsluiting. Zij constateert wel afwijkend gedrag, maar verzuimt de door mij gevraagde doktershulp in te roepen. In plaats daarvan besluit zij tot verergerende maatregelen.

- Mijn recht op privacy is ernstig geschonden doordat mijn echtgenote, zonder voorafgaand overleg met mij of met een arts, in deze kwestie is betrokken. M had zich moeten realiseren dat de schade die hier mogelijk het gevolg van zou kunnen zijn niet in verhouding staat tot het incident en de belangen. Hij had er mijns inziens eerder voor moeten kiezen mijn zoon en mij naar 'B.' te laten brengen, of als hij mijn geestelijke gesteldheid in twijfel trok, de door mij gevraagde arts moeten consulteren.

- Doordat hij onnodig getuige is geweest van de vernedering van zijn vader, is er onvoldoende gewaakt over de belangen van mijn zoontje. Ik heb het hier niet alleen over de fouillering op de plaats van aanhouding, maar ook over het feit dat hij deels heeft kunnen zien en heeft kunnen horen wat er zich afspeelde. Aangezien de politie wist dat hij in mijn aanwezigheid verkeerde, had zij zich vooraf moeten afvragen hoe zij hem buiten dit drama zouden kunnen hebben houden.

- De Hulpofficier van Justitie heeft zich niet aan zijn afspraken gehouden en er kunnen vraagtekens worden gesteld bij de ruilhandel die aan mijn vrijlating voorafging."

E. Reactie beheerder van het regionale politiekorps Gooi en Vechtstreek

De beheerder van het regionale politiekorps Gooi en Vechtstreek deelde in reactie op hetgeen verzoeker naar voren had gebracht bij brief van 6 september 1999 onder meer het volgende mee:

"De door de heer Fo. geschreven reactie van 16 juni 1999 op de documentatie van de politie Gooi en Vechtstreek geeft voor mij geen aanleiding daarop te reageren. De meeste door hem gemaakte opmerkingen zijn een reactie op hetgeen in de diverse rapportages (processen-verbaal) is weergegeven.

Wel wil ik u meedelen dat mij door medewerkers van het bureau Interne Onderzoeken is meegedeeld dat zij geen contact hebben gehad met de advocaat van de heer Fo.

Ook deel ik u mee dat de reden van de genoemde afspraak tussen de medewerkers van het bureau Interne Onderzoeken en de heer Fo. door hem niet juist is weergegeven. De betrokken medewerkers hebben met de heer Fo. een afspraak gemaakt om hem in de gelegenheid te stellen zijn klacht nader toe te lichten en om aan hem uit te leggen hoe de verdere te volgen procedure zou zijn. Aan hem is daarbij toegezegd dat met hem een vervolg afspraak zou worden gemaakt indien daartoe aanleiding zou zijn. Aan hem zijn daarbij geen toezeggingen gedaan dat hij inzage zou krijgen in de diverse onderzoeksrapporten."

F. Nadere Reactie van verzoeker

Verzoeker deelde in een nadere reactie mee dat hij bij zijn standpunt bleef.

G. Reacties betrokken ambtenaren

Politieambtenaren B., M., Ha., Ka. en Sc. verwezen in reactie op verzoekers klacht naar de verklaringen die zij bij het Bureau Interne onderzoeken van het regionale politiekorps Gooi en Vechtstreek hadden afgelegd (zie C. Standpunt korpsbeheerder).

Beoordeling

Inleiding

Verzoeker klaagt over de wijze waarop ambtenaren van het regionale politiekorps Gooi en Vechtstreek in de nacht van 13 op 14 juni 1998 tegen hem zijn opgetreden. Verzoeker had toen in een horecagelegenheid onenigheid gekregen met enkele personen waarbij hij was mishandeld. In een andere horecagelegenheid had hij de politie verzocht ter plaatse te komen in verband met deze mishandeling. Nadat verzoeker in gezelschap van twee politieambtenaren de eerstgenoemde horecagelegenheid had bezocht en daar de daders van de mishandeling niet meer had aangetroffen, hadden de politieambtenaren verzoeker verwezen naar het politiebureau voor het doen van aangifte. Omdat verzoeker de weg naar het politiebureau niet had geweten, waren de politieambtenaren voor verzoeker uitgereden. Verzoeker had daarbij zelf zijn auto bestuurd. In het politiebureau constateerde een politieambtenaar dat verzoeker alcoholische drank had genuttigd. Om die reden nam hij geen aangifte van verzoeker op. Nadat verzoeker daarna in zijn auto was weggereden bij het politiebureau, werd hij door andere politieambtenaren aangehouden in verband met de verdenking van het rijden onder invloed van alcoholhoudende drank en overgebracht naar hetzelfde politiebureau, alwaar hij werd ingesloten.

I. Ten aanzien van het volgen en aanhouden

1. In de eerste plaats klaagt verzoeker erover dat de politieambtenaren, nadat hij het politiebureau in Hilversum had bezocht en daar met zijn auto was weggereden, hem hebben gevolgd en aangehouden in verband met de verdenking van het rijden onder invloed van alcoholhoudende drank. De politieambtenaren B. en Hom., die verzoeker bij de horecagelegenheid hadden gesproken, hadden niet bij hem geroken dat hij te veel had gedronken, zelfs niet toen hij bij hen in de politieauto was meegereden naar de plaats waar de mishandeling zou hebben plaatsgevonden, aldus verzoeker. Voorts heeft verzoeker meegedeeld dat de politie hem bij het verlaten van het politiebureau niet had meegedeeld dat hij niet met zijn auto moest gaan rijden. Verzoeker achtte zich in staat zijn auto te besturen en was vervolgens met zijn auto van het politiebureau naar zijn verblijfadres gereden. Verzoeker was daarbij gevolgd door een onopvallende politieauto en kreeg enige tijd later een stopteken van drie andere politieambtenaren, K., Hoe. en W. Zij hielden verzoeker vervolgens aan en brachten hem over naar het (zelfde) politiebureau.

2. De beheerder van het regionale politiekorps Gooi en Vechtstreek heeft meegedeeld dat hij verzoekers klacht op dit punt niet gegrond achtte. Voorts heeft hij meegedeeld dat politieambtenaar M., die verzoeker in het politiebureau te woord had gestaan, had geconstateerd dat verzoeker alcoholhoudende drank had genuttigd. Verzoeker had dit ook erkend, aldus de korpsbeheerder. M. had op basis hiervan beslist dat geen aangifte van mishandeling van verzoeker werd opgenomen, en had verzoeker meegedeeld dat hij de volgende dag voor het doen van aangifte kon terugkomen. Voorts had M. verzoeker voorgesteld om een taxi te bellen om hem naar huis te brengen. Hiermee was verzoeker niet akkoord gegaan. Het was M. niet bekend geweest op welke wijze verzoeker naar het bureau was gekomen, aldus de korpsbeheerder. Ten slotte had M. verzoeker bij het verlaten van het politiebureau meegedeeld dat hij niet als bestuurder mocht rijden. Buiten het politiebureau had verzoeker nog met Hoe. en W. gesproken, die eveneens hadden geconstateerd dat hij alcoholische drank had gedronken. Zij hadden verzoeker eveneens geadviseerd niet zelf met een auto te gaan rijden. Even later constateerde politieambtenaar Ka. in een onopvallende politieauto dat verzoeker toch was gaan rijden, aldus de korpsbeheerder. Hierna hadden K., Hoe. en W. verzoeker aangehouden ter zake van het onder invloed van alcohol besturen van een auto.

3. Politieambtenaar Ha. heeft meegedeeld dat hij in het politiebureau had gehoord dat een slachtoffer van een mishandeling naar het bureau onderweg was om daarvan aangifte te doen. Volgens Ha., die verzoeker als eerste in het politiebureau te woord had gestaan, deelde verzoeker hem mee dat hij door andere politieambtenaren naar het bureau was verwezen. Omdat Ha. in zijn functie geen aangifte van mishandeling mocht opnemen, had hij verzoeker doorverwezen naar M.

Ha. heeft M. meegedeeld dat hij had geroken dat verzoeker alcohol had gedronken.

4. Politieambtenaar M. heeft verklaard dat hij verzoeker in het politiebureau had gesproken. Verzoeker had bij hem aangifte willen doen van mishandeling. M. constateerde dat verzoeker alcohol had gedronken, hetgeen verzoeker op zijn vraag daarnaar ook had bevestigd. Volgens M. had verzoeker enigszins met dubbele tong gesproken en had hij moeite zijn eigen telefoonnummer te noemen. Om deze reden had M. het raadzaam geacht om verzoeker pas de volgende dag aangifte te laten doen. M. heeft dit aan verzoeker meegedeeld. Verzoeker was het met deze handelwijze niet eens, aldus M. Toen verzoeker het bureau had verlaten, had M. hem meegedeeld dat hij geen auto mocht besturen. In het politiebureau had M. vervolgens politieambtenaar Ka., die in een onopvallende surveillanceauto reed, in kennis gesteld van het mogelijk gaan besturen van een auto door verzoeker.

5. Politieambtenaar Hoe. heeft verklaard dat zij voor het politiebureau had gesproken met verzoeker, nadat hij het politiebureau had verlaten omdat hij daar geen aangifte van mishandeling had kunnen doen. Zij had gemerkt dat verzoekers adem naar alcohol rook. Zij had verzoeker naar aanleiding daarvan enkele malen meegedeeld dat hij niet in een auto moest gaan rijden. Volgens Hoe. had zij gezien dat de auto van verzoeker in de buurt van het politiebureau stond en dat politieambtenaar Ka. daar in de buurt met een onopvallende politieauto stond. Voorts heeft Hoe. verklaard dat zij na een kwartier de melding van Ka. had gekregen dat verzoeker met zijn auto was gaan rijden. Hoe. had samen met W. en K. verzoekers auto een stopteken gegeven, waarna K. verzoeker had meegedeeld dat hij was aangehouden voor het rijden onder invloed van alcoholhoudende drank. Verzoeker werd vervolgens door Hoe. en K. overgebracht naar het politiebureau.

6. Politieambtenaar W. heeft verklaard dat hij verzoeker op straat voor het politiebureau had gesproken, kort nadat hem daar was meegedeeld dat hij in verband met zijn alcoholgebruik geen aangifte had kunnen doen van een mishandeling eerder die avond. W. had van politieambtenaar M. vernomen dat politieambtenaar Ka. in een onopvallende politieauto had postgevat bij de auto van verzoeker en dat W. bericht zou krijgen als verzoeker in zijn auto zou gaan rijden. W. heeft meegedeeld dat hij verzoeker had meegedeeld dat hij in verband met zijn alcoholgebruik niet in zijn auto moest gaan rijden. Voorts had W. tijdens het gesprek met verzoeker voor het politiebureau gemerkt dat de adem van verzoeker duidelijk rook naar alcoholgebruik. Tevens constateerde W. dat verzoeker moeilijk uit zijn woorden kwam. W. heeft meegedeeld dat hij, samen met Hoe. en K. verzoekers auto een stopteken had gegeven, waarna zij verzoeker hadden aangehouden voor het rijden onder invloed van alcoholhoudende drank. W. had verzoekers auto overgebracht naar het politiebureau.

7. Politieambtenaar Ka. heeft verklaard dat hij van M. opdracht had gekregen uit te zien naar verzoeker, die mogelijk onder invloed van alcoholische drank in zijn auto zou gaan rijden. Ka. had vervolgens het voertuig van verzoeker geparkeerd zien staan, en daarbij ongeveer 20 minuten postgevat. Hij had verzoeker met zijn zoontje in de auto zien stappen en was hen achterna gereden.

8. De politie heeft tot taak te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde (zie ACHTERGROND, onder A.). Dit houdt onder meer in dat zij strafbare feiten dient te voorkomen.

In verband met de handhaving van het verbod op het rijden onder invloed van alcoholische drank heeft de politie de mogelijkheid een rijverbod op te leggen aan een persoon die aanstalten maakt een voertuig te gaan besturen (zie ACHTERGROND, onder D.3.).

9. Ten aanzien van het (gaan) volgen van verzoeker wordt het volgende overwogen.

Het staat vast dat de adem van verzoeker bij zijn bezoek aan het politiebureau heeft geroken naar het gebruik van alcoholische drank. Omdat de politie aanwijzingen had dat verzoeker zich mogelijk schuldig zou gaan maken aan het strafbare feit van rijden onder invloed van alcoholhoudende drank (zie ACHTERGROND, onder D.1.), lag het in de rede dat de politie extra aandacht aan verzoeker zou besteden. Het is juist dat diverse politieambtenaren verzoeker hebben gewaarschuwd dat hij niet in zijn auto moest gaan rijden. Het is eveneens juist dat de politie in de buurt van de auto van verzoeker heeft postgevat om te controleren of verzoeker de waarschuwingen ter harte zou nemen.

Het is echter niet juist dat verzoeker heeft kunnen wegrijden met zijn auto, toen werd geconstateerd dat hij daadwerkelijk aanstalten maakte met zijn auto weg te rijden. Verzoeker was in gezelschap van zijn zoontje, en het is aannemelijk dat het openen van de auto en het daarin plaatsnemen voldoende tijd heeft geboden om verzoeker aan te spreken en hem alsnog te behandelen als degene die aanstalten maakt een voertuig te gaan besturen onder invloed van alcoholhoudende drank. Politieambtenaar Ka. had namelijk het instappen van verzoeker kunnen waarnemen. Het had op dat moment dan ook in de rede gelegen verzoeker nogmaals aan te spreken en gebruik te maken van de bevoegdheid om - met het doel een rijverbod aan hem te (kunnen) uitreiken - van verzoeker te vorderen zich te onderwerpen aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht (ademtest) (zie ACHTERGROND, onder D.2.). Het is niet juist dat dit niet is gebeurd.

De onderzochte gedraging is op dit punt niet behoorlijk.

10. Ten aanzien van het aanhouden van verzoeker wordt het volgende overwogen.

Het staat vast dat verzoeker alcoholhoudende drank had gebruikt. In zoverre was er voldoende aanleiding om hem aan een controle te onderwerpen en te onderzoeken of verzoeker als verdachte van overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw) zou kunnen worden aangemerkt (zie ACHTERGROND, onder D.1.). Artikel 8 Wvw bepaalt onder meer dat het verboden is een voertuig te besturen als het alcoholgehalte van de adem van een bestuurder van een voertuig bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan tweehonderdtwintig microgram alcohol per liter uitgeademde lucht (zie ACHTERGROND, onder D.1.). Dit betekent dat het enkele feit dat de adem van een bestuurder ruikt naar alcohol slechts een aanwijzing geeft dat die persoon zich mogelijk schuldig maakt aan overtreding van artikel 8 Wvw, maar dat hij in beginsel daardoor nog geen verdachte is. Om iemand te kunnen aanmerken als verdachte van overtreding van artikel 8 Wvw dient er sprake te zijn van meer feiten of omstandigheden, die deze verdenking rechtvaardigen. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan het met positief gevolg afleggen van een ademtest, het niet kunnen voltooien van een ademtest, gedrag of lichamelijke verschijnselen van de betrokkene die kenmerkend zijn voor alcoholgebruik. Ook kan daarbij worden gedacht aan opvallend rijgedrag van betrokkene.

In dit geval rook verzoekers adem (duidelijk) naar het gebruik van alcoholische drank. Voorts heeft W. meegedeeld dat verzoeker moeilijk uit zijn woorden kwam. Deze gegevens leveren echter in beginsel onvoldoende feiten en omstandigheden op om verzoeker - zonder nader onderzoek - als verdachte aan te merken.

Gelet op het voorgaande waren de betrokken ambtenaren niet bevoegd verzoeker direct als verdachte aan te houden en over te brengen naar het politiebureau. Het had in de rede gelegen verzoeker eerst te onderwerpen aan een ademtest, temeer omdat de daarvoor benodigde apparatuur in het politievoertuig aanwezig was (zie C. STANDPUNT KORPSBEHEERDER, onder 2.3.).

De onderzochte gedraging is op dit punt niet behoorlijk.

11. Nu verzoeker niet zonder voorafgaande ademtest mocht worden aangehouden, was het evenmin behoorlijk om verzoeker na zijn aanhouding te fouilleren, te boeien en in te sluiten. Verzoekers klachten te dier zake zijn derhalve eveneens gegrond.

Niettemin zullen deze klachtonderdelen (zie hierna onder II., III. en IV.) afzonderlijk worden beoordeeld, uitgaande van een veronderstelde situatie waarin de aanhouding wel op goede gronden zou hebben plaatsgevonden. Aangezien de feitelijke aanhouding niet behoorlijk is geweest, zal de Nationale ombudsman bij beoordeling van deze klachtonderdelen evenwel niet kunnen toekomen aan het geven van een behoorlijkheidsoordeel.

II. Ten aanzien van het fouilleren

1. Verzoeker klaagt erover dat de politieambtenaren hem na zijn aanhouding hebben gefouilleerd. Hij liet weten dat hij ten tijde van zijn aanhouding geen agressief gedrag had vertoond.

2. De korpsbeheerder heeft meegedeeld dat hij verzoekers klacht op dit punt niet gegrond achtte. Hij heeft hierbij geen nadere motivering gegeven. De bij de fouillering betrokken ambtenaren Hoe. en W. hebben verklaard dat verzoeker aan een veiligheidsfouillering is onderworpen nadat hij was aangehouden. W. liet weten dat verzoeker zich hiertegen niet had verzet. In het proces-verbaal dat de betrokken ambtenaren van de aanhouding hebben opgemaakt, is vermeld dat er een veiligheidsfouillering heeft plaatsgevonden na de aanhouding van verzoeker.

3. Politieambtenaren zijn bevoegd tot het onderzoek aan de kleding van personen bij de uitoefening van een hun wettelijk toegekende bevoegdheid of bij een handeling ter uitvoering van de politietaak, indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat een onmiddellijk gevaar dreigt voor hun leven of veiligheid, die van de ambtenaar zelf of van derden, en dit onderzoek noodzakelijk is ter afwending van dit gevaar (zie ACHTERGROND, onder B.).

4. Uit de informatie die tijdens het onderzoek is verstrekt, is niet gebleken van feiten of omstandigheden die het rechtvaardigden dat verzoeker op het moment van de aanhouding diende te worden onderworpen aan een veiligheidsfouillering. Het was dan ook niet juist dat verzoeker is gefouilleerd.

III. Ten aanzien van het boeien

1. Verzoeker klaagt er voorts over dat de politieambtenaren hem hebben geboeid. Hij wilde zittend achterin de politieauto slechts een pakje sigaretten uit zijn binnenzak halen, hetgeen voor de politieambtenaren aanleiding was geweest hem te boeien, aldus verzoeker.

2. De korpsbeheerder heeft meegedeeld dat hij verzoekers klacht op dit punt niet gegrond achtte. Voorts liet de korpsbeheerder weten dat verzoeker tijdens het vervoer naar het politiebureau achterin de politieauto was verzocht zijn handen op de knieën te plaatsen. Hieraan had verzoeker niet voldaan. Voorts had verzoeker zijn hand dicht in de buurt van het gezicht van de naast hem zittende politieambtenaar gehouden. Uit veiligheidsoverwegingen was verzoeker toen geboeid met de handen voor het lichaam.

3. Politieambtenaar K. heeft verklaard dat verzoeker zijn linkerarm gebogen op de leuning van de achterbank van de politieauto in de buurt van het gezicht van politieambtenaar Hoe. had geplaatst. Volgens K. had hij verzoeker tweemaal verzocht zijn handen op de knieën te plaatsen. Verzoeker had niet aan dat verzoek voldaan. Omdat verzoeker zijn hand dicht in de buurt van het gezicht van Hoe. bleef houden, had K. besloten uit veiligheidsoverwegingen verzoeker aan de handen voor het lichaam te boeien.

4. Politieambtenaar Hoe. heeft verklaard dat zij achterin de politieauto naast verzoeker had plaatsgenomen. Hoe. heeft meegedeeld dat verzoeker tijdens het vervoer naar het politiebureau zijn rechterhand in zijn binnenzak had gestoken. Verzoeker had daarbij meegedeeld dat hij wilde roken, aldus Hoe. Volgens Hoe. had zij verzoeker duidelijk gemaakt dat roken in de politieauto niet was toegestaan. Voorts liet Hoe. weten dat verzoeker zijn linkerarm dicht bij het gezicht van Hoe. plaatste op de rugleuning van de achterbank. Hoe. had verzoeker meegedeeld dat hij zijn handen op zijn knieën moest plaatsen. K. had daarop de politieauto stilgezet en verzoeker aan de handen voor het lichaam geboeid. Hoe. had daarna bij verzoeker de handen omlaag gehouden toen verzoeker daarna zijn geboeide handen omhoog bleef houden.

5. Verzoeker heeft de lezing van de betrokken ambtenaren over het op de leuning van de achterbank neerleggen en het ondanks waarschuwingen niet weghalen van zijn arm en hand in de buurt van het gezicht van Hoe. niet weersproken. Het is aannemelijk dat verzoeker zich heeft gedragen op de wijze zoals de betrokken ambtenaren K. en Hoe. hebben omschreven. In dit geval is dan ook voldoende gebleken dat verzoeker zich op een zodanige wijze heeft gedragen dat een veiligheidsrisico voor politieambtenaar Hoe. moest worden gevreesd. Hierbij speelt tevens een rol dat verzoeker alcoholhoudende drank had gebruikt.

Het was dan ook juist dat de politie onder deze omstandigheden verzoeker heeft geboeid.

IV. Ten aanzien van het insluiten

1. Verzoeker klaagt er tevens over dat de politie hem in aansluiting op zijn aanhouding op 14 juni 1998 omstreeks 01.00 uur in een cel in het politiebureau heeft ingesloten. Hij werd bij aankomst op het politiebureau zonder opgave van redenen gedurende 5 uur in een cel opgesloten, aldus verzoeker. Volgens verzoeker heeft hij tijdens zijn insluiting, omstreeks 05.00 uur, gesproken met een arts van de GG en GD en kort daarna met politieambtenaar Sc., die hem liet weten dat hij was ingesloten om hem tegen zichzelf te beschermen. Verzoeker heeft meegedeeld dat hij de insluiting gedurende vele uren beschouwde als onterechte intimidatie en als vrijheidsberoving. Agressief gedrag van zijn zijde was eerder een gevolg dan een oorzaak van deze behandeling, aldus verzoeker.

2. De korpsbeheerder heeft meegedeeld dat hij verzoekers klacht op dit punt niet gegrond achtte. Voorts liet de korpsbeheerder weten dat verzoeker bij aankomst op het politiebureau voor het verder verloop van het onderzoek in een ophoudkamer was geplaatst in afwachting van de voorgeleiding voor een hulpofficier van justitie. De hulpofficier van justitie had na overleg met politieambtenaar M. beslist dat geen verdere procedure op grond van artikel 8 van de Wvw (zie ACHTERGROND, onder D.) zou worden gevolgd. Verzoeker had hierna diverse malen tegen de deur van de ophoudkamer geschopt en had diverse malen gevraagd waarom hij zich in de ophoudkamer bevond. Voorts had verzoeker de wachtcommandant laten weten weg te willen. De wachtcommandant had het niet verantwoord gevonden verzoeker met zijn zoontje te laten vertrekken, gelet op de geestelijke toestand van verzoeker. Verzoeker werd in de ophoudkamer geplaatst in afwachting van de komst van zijn echtgenote, die verzoekers zoontje zou komen ophalen. Nadat zijn echtgenote in het politiebureau was gekomen weigerde verzoeker met haar mee te gaan, aldus de korpsbeheerder. In verband met de toestand waarin verzoeker zich bevond werd een GG en GD-arts gewaarschuwd en was verzoeker in een isoleercel geplaatst. Na het bezoek van de arts om 04.15 uur besloot de hulpofficier van justitie dat verzoeker in vrijheid kon worden gesteld, omdat verzoeker toen in een stabiele toestand verkeerde en er geen beletselen meer waren om hem langer vast te houden.

3. Politieambtenaar Sc. heeft verklaard dat verzoeker kort na zijn aankomst op het politiebureau aan hem was voorgeleid ter zake van overtreding van de alcoholwetgeving. Sc. heeft naar aanleiding van de lezing van verzoeker van hetgeen hem was overkomen en nadat Sc. inlichtingen had ingewonnen bij de andere bij het politieoptreden betrokken ambtenaren besloten dat alsnog de aangifte van verzoeker van de mishandeling werd opgenomen en dat hem een rijverbod werd uitgereikt (zie hierna, onder V.). Sc. vernam enige tijd later dat verzoeker, nadat de aangifte van hem was opgenomen en hem het rijverbod was uitgereikt, in afwachting van zijn inmiddels gewaarschuwde echtgenote in de ophoudruimte was ingesloten. Sc. had van M. vernomen dat verzoeker was ingesloten omdat daarmee werd voorkomen dat hij ondanks het rijverbod in zijn auto zou gaan rijden. Sc. had M. laten weten dat verzoeker niet meer van zijn vrijheid was beroofd en hij in de publieksruimte van het politiebureau kon wachten op zijn echtgenote. Sc. heeft verklaard dat verzoeker buiten zinnen was op het moment dat hij verzoeker in vrijheid wilde stellen. Verzoeker verzocht Sc. om de komst van een dokter, waaraan Sc. had voldaan. Sc. had de ruimte waarin verzoeker zich toen bevond afgesloten in afwachting van de komst van de arts. Verzoekers echtgenote liet weten dat zij het niet verantwoord achtte verzoeker mee naar huis te nemen nadat zij verzoeker had gesproken, aldus Sc. Verzoeker was daarna blijven schreeuwen en was tegen de muur van de ophoudruimte blijven bonken. Sc. had hierop besloten om verzoeker voor zijn eigen en andermans veiligheid in te sluiten in de isoleercel. Sc. heeft verklaard dat dit verzoeker kalmeerde. Na een gesprek van verzoeker met de GG en GD-arts Br. had Sc. verzoeker in vrijheid gesteld.

4. Politieambtenaar M. heeft verklaard dat de beslissing was genomen om niet de procedure van artikel 8 Wvw te volgen, hem alsnog een rijverbod op te leggen en van hem alsnog de aangifte van mishandeling op te nemen. Dit in verband met het feit dat hem eerder die avond door Hom. en B. was toegestaan om wel in zijn auto te rijden. Verzoeker was in afwachting daarvan in de ophoudkamer ingesloten. Verzoeker had geschreeuwd dat hij wilde weten waarom hij opgesloten zat en dat hij eruit had gewild. Voorts had hij daarbij getracht de deur van de ophoudkamer in te trappen, aldus M. Op het moment dat M. verzoeker aansprak, had verzoeker M. bedreigd en politieambtenaar Be. beledigend toegesproken. M. had daarna verzoeker in de ophoudkamer ingesloten. Verzoeker was hierna verder gegaan met schreeuwen en trappen tegen de deur van de ophoudkamer, aldus M. M. had daarna beslist dat het onverantwoord was om verzoeker in de toestand waarin hij verkeerde met zijn zoontje te laten vertrekken. M. had daarop verzoekers echtgenote verzocht hem en zijn zoontje op te komen halen. Volgens M. bejegende verzoeker ook zijn echtgenote onheus, die daarna slechts met verzoekers zoontje is weggegaan. Verzoeker was daarna ingesloten gebleven en was blijven schreeuwen en tegen de deur blijven schoppen. Voorts had verzoeker zich aan de scherven van een stukgeslagen kopje verwond. Vervolgens besloot M. in overleg met Sc. om verzoeker over te brengen naar een observatiecel, zodat hij daar kon worden geobserveerd. Na een bezoek van de GG en GD-arts was verzoeker door Sc. in vrijheid gesteld.

5. Buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald mag niemand zijn vrijheid worden ontnomen (zie ACHTERGROND, onder F.).

6. Hiervóór, onder I. is geoordeeld dat verzoeker niet als verdachte van overtreding van artikel 8 van de Wvw kon worden aangemerkt, hetgeen ertoe leidt dat ook het insluiten van verzoeker om die reden dient te worden aangemerkt als een niet-behoorlijke gedraging. Bij de beoordeling van de insluiting van verzoeker wordt echter (zie I.11.) uitgegaan van een veronderstelde situatie waarin verzoeker wel op goede gronden als verdachte had kunnen worden aangemerkt.

De politie is in beginsel bevoegd om in verband met het onderzoek naar de betrokkenheid van een verdachte bij een strafbaar feit de verdachte zijn vrijheid te ontnemen (zie ACHTERGROND, onder F.). Als het onderzoek naar de betrokkenheid bij dat strafbare feit is afgerond, dient te verdachte onmiddellijk in vrijheid te worden gesteld.

Uit het onderzoek is gebleken dat verzoeker in eerste instantie als verdachte van overtreding van artikel 8 Wvw was aangehouden. Het was dan ook juist dat de politie verzoeker zijn vrijheid had ontnomen voor de duur van het onderzoek naar verzoekers betrokkenheid bij dat strafbare feit.

Echter, nadat was besloten om geen verder onderzoek naar verzoekers betrokkenheid bij dat strafbare feit in te stellen, had verzoeker direct in vrijheid dienen te worden gesteld. Het is onjuist dat dit niet is gebeurd. Voor het (verder) benemen van verzoekers vrijheid bestond immers geen wettelijke grondslag.

V. Ten aanzien van het rijverbod

1. Voorts klaagt verzoeker erover dat de politie hem een rijverbod heeft uitgereikt, zonder dat objectief was vastgesteld dat hij te veel alcoholhoudende drank had gedronken. Volgens verzoeker kreeg hij op 14 juni 1998 om 03.00 uur 's nachts een rijverbod voor de duur van 12 uur uitgereikt. De politie heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om haar subjectieve waarnemingen met objectieve bewijsvoering te onderbouwen, aldus verzoeker.

2.1. Verzoeker klaagt er in dit verband ook over dat de politie hem niet ervan in kennis heeft gesteld dat hij bezwaar had kunnen maken tegen het opleggen van het rijverbod. Pas bij brief van 16 november 1998 deelde de korpsbeheerder verzoeker mee dat hij tegen het opleggen van een rijverbod op grond van de Algemene wet bestuursrecht bezwaar kon aantekenen, aldus verzoeker.

2.2. Een rijverbod is een beschikking ingevolge de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waartegen op grond van deze wet bezwaar en eventueel vervolgens beroep kan worden ingesteld. (zie ACHTERGROND, onder H.). Op grond van artikel 3:45 Awb dient bij de bekendmaking of mededeling van het rijverbod te worden vermeld door wie, binnen welke termijn en bij welk orgaan bezwaar kan worden gemaakt (zie ACHTERGROND, onder E.)

2.3. Zoals de korpsbeheerder verzoeker in zijn brief van 16 november 1998 heeft laten weten, had verzoeker tegen de beschikking waarmee het rijverbod werd opgelegd bezwaar kunnen aantekenen. Verzoeker is pas door die mededeling van de korpsbeheerder op de hoogte gekomen van deze mogelijkheid. Het had echter in de rede gelegen dat verzoeker daarvan al bij uitreiking van de beschikking in kennis was gesteld. In het aan verzoeker uitgereikte rijverbod ontbreekt een dergelijke mededeling (zie A. Feiten, onder 4.). Dit is niet juist.

De onderzochte gedraging is op dit punt niet behoorlijk.

2.4. Het voorgaande oordeel geeft de Nationale ombudsman aanleiding tot het doen van de aanbeveling om te bevorderen alsnog op een (model)beschikking rijverbod, als bedoeld in artikel 162 tweede lid van de Wvw, de mededeling op te nemen dat tegen deze beschikking binnen 6 weken na uitreiking ervan bezwaar kan worden ingesteld bij degene die het rijverbod heeft opgelegd.

3. De korpsbeheerder heeft meegedeeld dat hij verzoekers klacht dat de politie hem een rijverbod heeft uitgereikt zonder dat objectief was vastgesteld dat hij te veel alcoholhoudende drank had gedronken niet gegrond achtte. Voorts liet de korpsbeheerder weten dat, nadat was afgezien van een verdere procedure volgens artikel 8 Wvw (het doen van onder meer een ademanalyse; N.o.), wel werd besloten formeel een rijverbod aan verzoeker op te leggen voor de tijd van 12 uur.

4. Politieambtenaar Sc. heeft verklaard dat verzoeker om 01.15 uur bij hem werd voorgeleid omdat hij was aangehouden ter zake van het rijden onder invloed van alcoholhoudende drank. Volgens Sc. had verzoeker bloeddoorlopen ogen, riekte verzoekers adem sterk naar het gebruik van alcoholhoudende drank en sprak hij zo nu en dan met een dubbele tong.

5. Politieambtenaar B. heeft verklaard dat verzoeker in het politiebureau ten tijde van het alsnog opnemen van de aangifte niet met een dubbele tong had gesproken en vast ter been was geweest. Zij heeft voorts meegedeeld dat één oog van verzoeker rood gekleurd was geweest, en dat dit vermoedelijk door de mishandeling in het café was gekomen.

6. Politieambtenaar M. heeft verklaard dat verzoeker op 14 juni 1998 te 02.00 uur formeel een rijverbod werd opgelegd voor de duur van 12 uur zodat het hem nog duidelijker zou worden dat hij geen auto meer mocht rijden.

7. GG en GD-arts Br. verklaarde dat verzoeker aanspreekbaar en niet laveloos was.

8. Een rijverbod betreft een beschikking waartegen bezwaar en beroep ingevolge de Awb openstaan (zie hiervóór onder 2.). Nu echter vaststaat dat verzoeker bij de uitreiking van het rijverbod niet op de mogelijkheid van bezwaar en beroep is gewezen en hem derhalve niet kan worden tegengeworpen hiervan geen gebruik te hebben gemaakt, acht de Nationale ombudsman zich bevoegd het opleggen van het rijverbod te beoordelen.

9. Aan degene die aanstalten maakt een voertuig te gaan besturen kan een rijverbod worden opgelegd. Voorwaarde hiervoor is dat gebleken moet zijn dat diegene onder een zodanige invloed van - onder meer - alcohol verkeert dat hij onvoldoende in staat is behoorlijk een voertuig te besturen (zie ACHTERGROND, onder D.). Dit kan blijken uit een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht (ademtest), dan wel op andere wijze waarbij moet worden gedacht aan het met positief gevolg afleggen van een ademtest, het niet kunnen voltooien van een ademtest of gedrag van of lichamelijke verschijnselen van de betrokkene die kenmerkend zijn voor alcoholgebruik bij degene die wordt gecontroleerd. Ook kan daarbij worden gedacht aan opvallend rijgedrag van betrokkene. Het enkele gegeven dat de adem van een dergelijke persoon naar alcohol ruikt levert echter in beginsel onvoldoende blijk van het onvoldoende in staat zijn om een voertuig te besturen.

10. Het staat vast dat aan verzoeker, zonder dat op enige wijze objectief is vastgesteld dat hij niet in staat was een voertuig te besturen, een rijverbod is uitgereikt. Voorts was aan verzoeker op dat moment van uitreiken van het rijverbod in het politiebureau zijn vrijheid ontnomen. Onder die omstandigheden was er géén sprake van iemand die aanstalten maakte een voertuig te besturen en ook was er onvoldoende sprake van feiten en omstandigheden die aanleiding hadden kunnen geven een rijverbod op te leggen. Gelet op hetgeen hiervóór is bepaald onder V.9. is het onjuist dat verzoeker een rijverbod is opgelegd.

De onderzochte gedraging is op dit punt niet behoorlijk.

VI. Ten aanzien van verzoekers auto

1. Verzoeker klaagt erover dat de politie zijn auto in beslag dan wel in bewaring heeft genomen. Verzoeker heeft meegedeeld dat hem bij zijn vertrek uit het politiebureau werd meegedeeld dat zijn auto in bewaring was genomen wegens rijden onder invloed van alcohol. Verzoeker achtte de inbeslagneming dan wel inbewaringneming van zijn auto onrechtmatig.

2. De bevoegdheid van de politie om te voorkomen dat het strafbare feit van het (mogelijk) rijden onder invloed van alcoholhoudende drank wordt gepleegd, bestaat slechts uit het opleggen en uitreiken van een rijverbod. Voorts ligt het in de rede dat de politie daarbij duidelijk maakt dat de betreffende persoon zich schuldig zal maken aan het strafbare feit van rijden tijdens een rijverbod (zie ACHTERGROND, onder D.3.) bij het alsnog besturen van het voertuig, naast de mogelijkheid dat deze persoon zich (weer) schuldig maakt aan het rijden onder invloed van alcoholhoudende drank. Er bestaat geen wettelijke grond voor het in bewaring stellen van een voertuig ter effectuering van een opgelegd rijverbod.

Indien de betreffende persoon ondanks het rijverbod toch een voertuig gaat besturen, kan de politie zich pas bedienen van - strafrechtelijke - bevoegdheden zoals inbeslagneming van het voertuig, omdat er dan sprake is van het plegen van een strafbaar feit, te weten het rijden tijdens een rijverbod. Dit kan als (bij)effect hebben dat wordt voorkomen dat de betreffende persoon met het voertuig opnieuw genoemde strafbare feiten pleegt.

3. De beheerder van het regionale politiekorps Gooi en Vechtstreek heeft laten weten dat verzoeker bij vertrek uit het politiebureau is meegedeeld dat hij pas de beschikking zou krijgen over zijn auto als het rijverbod was afgelopen.

4. Politieambtenaar Sc. heeft verklaard dat verzoekers auto, op het moment dat hij op 14 juni 1998 om 05.00 uur in vrijheid werd gesteld, was gestald op de afgesloten binnenplaats van het politiebureau. Verzoeker had Sc. gevraagd om hem het voertuig weer ter beschikking te stellen. Sc. heeft meegedeeld dat hij het voertuig pas weer ter beschikking zou stellen aan verzoeker na afloop van het rijverbod. Sc. heeft voorts meegedeeld dat hij verzoeker daarbij had meegedeeld dat hij de verwachting had dat verzoeker weer met de auto zou gaan rijden. Verzoeker had die dag om 14.00 uur zijn voertuig opgehaald.

5. Het staat vast dat de politie verzoekers auto op de afgesloten binnenplaats van het politiebureau heeft gestald ter effectuering van het aan verzoeker opgelegde rijverbod. Zoals hiervóór onder 2. is vermeld, bestond voor deze maatregel geen wettelijke grondslag. De politie was niet bevoegd tot een dergelijke maatregel. Om die reden is het niet juist dat de politie het voertuig van verzoeker op het afgesloten terrein achter het politiebureau heeft geplaatst en verzoeker de vrije beschikking daarover heeft onthouden.

De onderzochte gedraging is op dit punt niet behoorlijk.

VII. Ten aanzien van het waarschuwen van verzoekers echtgenote

1. Verzoeker klaagt er tevens over dat de politie, zonder met hem daarover te hebben overlegd, zijn echtgenote heeft gevraagd naar het politiebureau te komen om zijn negenjarige zoon daar te komen ophalen. Terwijl hij omstreeks 03.45 uur nog was ingesloten in het politiebureau, werd verzoeker zonder dat hij wist dat zij zou komen geconfronteerd met zijn echtgenote die door de politie te Haarlem was gewaarschuwd dat hij met zijn zoontje in het politiebureau te Hilversum was, aldus verzoeker. Het was volgens verzoeker de bedoeling geweest dat zij verzoekers zoontje zou komen ophalen. Verzoeker heeft meegedeeld dat hij geen gebruik had gemaakt van de mogelijkheid om met zijn echtgenote mee naar huis te gaan, maar haar had verzocht om medische en juridische hulp in te schakelen. Vervolgens was verzoeker weer ingesloten.

2. De korpsbeheerder heeft meegedeeld dat het die nacht niet verantwoord werd gevonden dat verzoeker, nadat hij was aangehouden, met zijn zoontje vertrok, gelet op de geestelijke toestand waarin verzoeker had verkeerd. Om die reden was verzoekers echtgenote gewaarschuwd met het doel verzoeker en zijn zoontje te komen ophalen. Volgens de korpsbeheerder had verzoekers echtgenote in het politiebureau verzoeker verzocht mee te gaan. Toen verzoeker dat had geweigerd, had zij samen met verzoekers zoontje het politiebureau verlaten. Verzoeker was daarna, gelet op zijn toestand, voor zijn eigen en andermans veiligheid ingesloten.

3. Politieambtenaar Sc. heeft verklaard dat uit gesprekken met verzoeker en diens zoontje was gebleken dat zij samen op een camping verbleven maar woonachtig waren in Haarlem. Hierop was besloten verzoekers echtgenote te vragen verzoeker en zijn zoontje te komen ophalen. Zij was daartoe bereid geweest. Verzoeksters echtgenote achtte het echter niet verantwoord om verzoeker mee te nemen, gelet op zijn (emotionele) toestand. Zij had verzoekers zoontje daarna mee naar huis genomen.

4. Politieambtenaar M. heeft verklaard dat hij had besloten verzoekers echtgenote in Haarlem te bellen met het verzoek verzoeker en diens zoontje te komen ophalen. Gelet op de toestand van verzoeker had M. het onverantwoord gevonden dat verzoeker met zijn zoontje was vertrokken.

5. Ingevolge de Ambtsinstructie (zie ACHTERGROND, onder G.) dient de politie na het insluiten van een minderjarige, in beginsel uit eigen beweging een huisgenoot of familielid op de hoogte stellen van de insluiting. De politie heeft parallel hieraan een zorgplicht ten aanzien van minderjarigen die in het gezelschap verkeren van een meerderjarige die is ingesloten. Deze zorgplicht houdt in dat de politie een eigen verantwoordelijkheid heeft voor de zorg over een minderjarige. Hierbij dient zij in beginsel ervoor te zorgen dat de betreffende minderjarige wordt overgedragen aan de zorg van de huisgenoot of het familielid van die minderjarige.

6. Het staat vast dat de politie zorg heeft gedragen voor verzoekers zoontje. Het lag dan ook in de rede dat de moeder van verzoekers zoontje van zijn verblijf in het politiebureau in kennis werd gesteld en dat haar werd verzocht haar zoontje op te komen halen. Echter, in dit geval had de politie er niet zonder meer aan voorbij kunnen gaan om verzoeker - ook een ouder/verzorger van het zoontje - in kennis te stellen van het voornemen om zijn echtgenote op de hoogte te stellen van het verblijf in het politiebureau.

De onderzochte gedraging is op dit punt niet behoorlijk.

VIII. Ten aanzien van het nuttigen van alcoholhoudende drank door politieambtenaren

1. Verzoeker klaagt erover dat politieambtenaren in het politiebureau te Hilversum tegenover zijn minderjarige zoon alcoholhoudende drank hebben genuttigd of hebben gedaan alsof zij alcoholhoudende drank nuttigden. Verzoekers zoontje had dit tijdens het verblijf in het politiebureau gezien.

2. De korpsbeheerder heeft meegedeeld dat het een onjuiste waarneming was geweest dat de politieambtenaren bier hadden gedronken. Er was geen sprake geweest van alcoholgebruik door politieambtenaren, aldus de korpsbeheerder. Voordat verzoeker was aangehouden, waren enkele kratten bier in beslag genomen, die tijdelijk in de wachtcommandantenruimte waren geplaatst, aldus de korpsbeheerder. Enkele politieambtenaren hadden toen gedaan alsof zij een of meerdere flesjes leegdronken. Volgens de korpsbeheerder waren hierbij de kroonkurken niet van de flesjes gehaald. De korpsbeheerder heeft meegedeeld dat hij het zich niet kon voorstellen dat politieambtenaren in aanwezigheid van leidinggevenden alcohol zouden hebben gebruikt, omdat drankgebruik onder diensttijd ten strengste is verboden.

3. Niet uitgesloten kan worden geacht dat verzoekers zoontje bij het waarnemen van het door de korpsbeheerder beschreven gedrag van enkele politieambtenaren ten onrechte heeft gemeend dat die politieambtenaren alcoholhoudende drank dronken. Echter ook indien die politieambtenaren slechts hebben gedaan alsof zij een of meer flesjes bier leegdronken is dit niet juist, te meer nu dit door derden kon worden waargenomen en die derden aldus een onjuiste indruk konden krijgen.

De onderzochte gedraging is op dit punt niet behoorlijk.

IX. Ten aanzien van de voorwaarde voor vrijlating

1. Verzoeker klaagt erover dat de politie aan zijn vrijlating op 14 juni 1998 de voorwaarde heeft verbonden dat hij later die dag diende terug te komen om als verdachte te worden verhoord in verband met een aangifte die een politieambtenaar tegen hem had gedaan. Volgens verzoeker werd hij beschuldigd van bedreiging van politieambtenaar M. Verzoeker is onder druk van de omstandigheden akkoord gegaan met de voorwaarde dat hij op 18 juni 1998 om 10.00 uur op het politiebureau zou komen voor het afleggen van een verklaring.

2. Politieambtenaar Sc. heeft verklaard dat hij verzoeker in vrijheid had willen stellen nadat verzoeker een gesprek met de GG en GD-arts had gehad. Op dat moment had politieambtenaar M. Sc. laten weten dat M. aangifte had willen doen ter zake van bedreiging en van belediging door verzoeker. M. had Sc. daarbij verzocht verzoeker opnieuw aan te houden en ingesloten te houden tot na zijn verhoor hierover. Sc. had daarop besloten dat verzoeker het bureau kon verlaten en dat met verzoeker de afspraak zou worden gemaakt dat hij later in de week terug zou komen om te worden verhoord. Volgens Sc. had hij dit aan verzoeker meegedeeld en had hij hem de keus gelaten tussen de afspraak op een later tijdstip en een langer gedwongen verblijf in het politiebureau voor nader verhoor. Sc. had daarop met verzoeker afgesproken dat hij later zou terugkomen om een verklaring af te leggen.

3. Het staat vast dat Sc. op het moment dat hij het voornemen had verzoeker in vrijheid te stellen, pas bekend werd met het feit dat politieambtenaar M. aangifte tegen verzoeker had willen doen ter zake van bedreiging en van belediging, welke feiten die nacht tegenover M. waren gepleegd.

Gelet hierop diende Sc. de nieuwe afweging te maken of hij verzoeker in verband daarmee zou aanhouden dan wel de invrijheidstelling zou laten doorgaan. Om een onderzoek naar verzoekers betrokkenheid bij de gestelde belediging en de bedreiging mogelijk te maken, heeft Sc. - mede gelet op de specifieke omstandigheden van dit geval - kunnen besluiten aan verzoeker voor te leggen dat de mogelijkheid bestond dat hij weer zou worden aangehouden of dat hij later die week naar het politiebureau zou moeten komen voor het afleggen van een verklaring.

Gezien de toestand waarin verzoeker verkeerde, getuigt het van een juist inzicht van Sc. dat hij verzoeker op dat moment de keuze liet op welke wijze een vervolg zou worden gegeven aan de (mogelijke) aangifte van M. tegen hem. Wat er ook zij van de druk die verzoeker mogelijk heeft ervaren bij het nemen van de beslissing op de hem voorgelegde keuze, het was in het belang van een onderzoek naar de aangifte nodig om van verzoeker een verklaring op te nemen. In zoverre heeft Sc. juist gehandeld.

De onderzochte gedraging is op dit punt behoorlijk.

X. Ten aanzien van het onderzoek naar aanleiding van verzoekers aangifte

1. Voorts klaagt verzoeker erover dat ambtenaren van het regionale politiekorps Gooi en Vechtstreek onvoldoende onderzoek hebben verricht naar aanleiding van zijn aangifte van 14 juni 1998 inzake een mishandeling die in de avond van 13 juni 1998 in Hilversum had plaatsgevonden. Verzoeker heeft meegedeeld dat hij van mening was dat de personen die bij de mishandeling van hem waren betrokken zeer waarschijnlijk behoren tot een familie die om haar regelmatige en ernstige misdragingen bekend stond. De politie zou zich bij voorkeur van deze familie afzijdig houden, aldus verzoeker.

2. De korpsbeheerder heeft laten weten dat noch uit verzoekers aangifte, noch uit het onderzoek is gebleken wie de mogelijke verdachten zijn geweest van de betreffende mishandeling. De verdachtmaking van verzoeker dat de politie zich van een (bepaalde) familie afzijdig houdt, mist om die reden iedere grond, aldus de korpsbeheerder.

3. Politieambtenaar B. heeft verklaard dat zij verzoeker heeft gesproken kort nadat hij de politie had gemeld dat hij was mishandeld. Nadat zij samen met politieambtenaar Hom. verzoekers verhaal over de mishandeling had aangehoord, zijn zij met verzoeker achter in de politieauto naar het café gereden waar de mishandeling had plaatsgevonden. B. en Hom. hebben samen met verzoeker in het café gekeken of de mogelijke verdachten nog daar aanwezig waren. Dat bleek niet het geval te zijn, aldus B. Hierna zijn B. en Hom. voor verzoeker uitgereden naar het politiebureau, waar hij aangifte zou kunnen doen.

Politieambtenaar Hom. heeft een gelijkluidende verklaring afgelegd.

4. Getuige D., die op 13 juni 1998 werkzaam was in het café waar de mishandeling van verzoeker zou hebben plaatsgevonden, heeft op 25 augustus 1998 verklaard dat het café die avond was opengesteld voor de vaste klantenkring van 40 à 50 personen. D. heeft verder laten weten dat verzoeker haar had verzocht de politie te bellen. Verzoeker wilde niet vertellen waarvoor het was, maar hij had wel een beetje bloed in zijn gezicht, aldus D. Later had D. van een bezoeker vernomen dat verzoeker een klap had gekregen omdat hij een kind zou hebben geslagen. Verzoeker was die avond, nadat hij eerst was weggegaan, in gezelschap van de politie teruggekomen om te kijken of degene die hem had geslagen nog aanwezig was. Dat was niet het geval geweest. In het proces-verbaal van verhoor van 9 oktober 1998 is als verklaring van D. opgenomen dat zij niet heeft gezien wie de mishandeling zou hebben gepleegd.

5. De politie verricht onder toezicht van het openbaar ministerie onderzoek naar strafbare feiten. De politie heeft binnen de grenzen van de wet een eigen verantwoordelijkheid en een eigen vrijheid bij de wijze waarop zij een dergelijk onderzoek verricht.

6. De korpsbeheerder heeft de verklaringen van de politieambtenaren B. en Hom. overgelegd, waaruit bleek dat zij in gezelschap van verzoeker naar het café zijn gegaan om te onderzoeken of de mogelijke verdachten daar nog aanwezig waren. Toen dat niet het geval bleek te zijn, lag het in de rede dat zij verzoeker voor het doen van aangifte hebben verwezen naar het politiebureau. Voorts blijkt uit de verstrekte informatie dat op 9 oktober 1998 getuige D. is verhoord en dat op 10 november 1998 verzoeker is meegedeeld dat de aangifte niet verder in behandeling zou worden genomen.

Verzoeker heeft bij zijn aangifte te kennen gegeven dat hij niet heeft kunnen zien hoe degenen die hem hadden mishandeld er uitzagen. Voorts heeft het onderzoek in het café kort na de mishandeling geen verdere aanwijzingen voor mogelijke verdachten opgeleverd. Ook de verklaringen die de politie van getuige D. heeft opgenomen hadden geen verdere aanwijzingen opgeleverd. Gelet op deze summiere informatie was er voor de politie onvoldoende aanleiding een verdergaand onderzoek te doen naar aanleiding van de aangifte van verzoeker. Op dit punt heeft de politie zich voldoende ingespannen.

De onderzochte gedraging is op dit punt behoorlijk.

XI. Ten aanzien van de afhandeling van verzoekers klacht

1. Ten slotte klaagt verzoeker over de wijze waarop de beheerder van het regionale politiekorps Gooi en Vechtstreek zijn klacht in verband met bovenstaande heeft afgehandeld. Hij klaagt er met name over dat een met naam genoemde ambtenaar onderzoek naar de klacht heeft verricht en de klacht heeft afgehandeld ondanks de toezegging aan verzoekers advocaat dat deze ambtenaar dit niet zou doen. Verzoeker heeft meegedeeld dat hij om die reden twijfelt aan de objectiviteit van het ingestelde onderzoek.

2. De korpsbeheerder heeft laten weten dat de politieambtenaar die het klachtonderzoek heeft verricht, zich niet kan herinneren dat er telefonisch contact is geweest tussen hem en verzoekers advocaat. Voorts zou deze politieambtenaar nimmer afspraken maken over de afhandeling van een klacht, aldus de korpsbeheerder.

3. De lezing van verzoeker staat tegenover de lezing van de korpsbeheerder. Er zijn geen feiten of omstandigheden bekend geworden op grond waarvan aan één van beide lezingen meer betekenis dient te worden toegekend. Gelet hierop onthoudt de Nationale ombudsman zich dan ook op dit punt van een oordeel.

Conclusie

De klacht over de onderzochte gedraging van het regionale politiekorps Gooi en Vechtstreek, die wordt aangemerkt als een gedraging van de beheerder van het regionale politiekorps Gooi en Vechtstreek (de burgemeester van Hilversum) is gegrond, behalve ten aanzien van de voorwaarde voor vrijlaten en ten aanzien van het onderzoek naar verzoekers aangifte van mishandeling; op deze punten is de klacht niet gegrond.

Over de klacht over de onderzochte gedraging van de beheerder van het regionale politiekorps Gooi en Vechtstreek (de burgemeester van Hilversum) onthoudt de Nationale ombudsman zich van een oordeel.

Aanbeveling

De Nationale ombudsman doet de korpsbeheerder de aanbeveling te bevorderen dat alsnog op een (model)beschikking rijverbod, als bedoeld in artikel 162 tweede lid van de Wvw, de mededeling wordt opgenomen dat tegen deze beschikking binnen zes weken na uitreiking ervan bezwaar kan worden ingesteld bij degene die het rijverbod heeft opgelegd.

Instantie: Regiopolitie Gooi en Vechtstreek

Klacht:

Handelwijze politie in de nacht van 13 op 14 juni 1998 (o.a. volgen, aanhouden, fouilleren, boeien, insluiten, rijverbod); onvoldoende onderzoek n.a.v. aangifte van mishandeling .

Oordeel:

Niet gegrond

Instantie: Beheerder regiopolitie Gooi en Vechtstreek

Klacht:

Wijze van afhandeling klacht .

Oordeel:

Geen oordeel