Rapport 1998/581

Datum: 24-12-1998


Klacht

Op 8 augustus 1997 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer D. te Oegstgeest, met een klacht over gedragingen van het regionale politiekorps Hollands Midden en van het arrondissementsparket te 's-Gravenhage. Verzoeker vulde zijn verzoekschrift aan bij brieven van 29 augustus 1997, 9 en 20 oktober 1997 en 18 november 1997. Naar de gedragingen, die worden aangemerkt als gedragingen van de beheerder van het regionale politiekorps Hollands Midden (de burgemeester van Leiden) respectievelijk van de Minister van Justitie, werd een onderzoek ingesteld. Op grond van de door verzoeker verstrekte gegevens werd de klacht als volgt geformuleerd:
Verzoeker klaagt erover dat het regionale politiekorps Hollands Midden hem onvoldoende heeft ge nformeerd over de voortgang van het opsporingsonderzoek naar aanleiding van zijn in 1991 gedane aangifte van diefstal. In dit verband klaagt hij er voorts over dat tot het moment dat hij zich (op 9 oktober 1997 opnieuw) tot de Nationale ombudsman wendde, niet was gereageerd op zijn brieven van 10 augustus 1997, 26 augustus 1997 en 23 september 1997. Ook klaagt verzoeker erover dat het arrondissementsparket te 'sGravenhage hem tot op het moment dat hij zich op 29 augustus 1997 tot de Nationale ombudsman wendde, niet heeft ge nformeerd over de redenen om niet tot vervolging over te gaan van enige door verzoeker aangewezen personen.

Onderzoek

         In het kader van het onderzoek werd de beheerder van het regionale politiekorps Hollands Midden en de Minister van Justitie verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben. Tijdens het onderzoek kregen de korpsbeheerder en de Minister van Justitie en verzoeker de gelegenheid op de door ieder van hen verstrekte inlichtingen te reageren. Tevens werd enkele van de betrokkenen een aantal specifieke vragen gesteld. Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. De beheerder van het regionale politiekorps Hollands Midden deelde mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen.

De Minister van Justitie berichtte dat het verslag hem geen aanleiding gaf tot het maken van opmerkingen. De reactie van verzoeker gaf geen aanleiding het verslag te wijzigen of aan te vullen.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:

A. Feiten

1. Op 4 november 1991 werden bij een inbraak in de woning van verzoeker vijf schilderijen ontvreemd. Verzoeker heeft hiervan aangifte gedaan bij de politie. Begin oktober 1995 kreeg verzoeker een brochure van een kunsthandel onder ogen, waarin n van de bij hem ontvreemde schilderijen te koop werd aangeboden. Op 3 oktober 1995 heeft verzoeker zich tot de politie gewend met het verzoek om beslag te leggen op het desbetreffende schilderij en de overige vier schilderijen alsnog op te sporen. Bij brief van 4 oktober 1995 wendde verzoeker zich tot de hoofdofficier van justitie te 's-Gravenhage met het verzoek om te bezien of ingrijpen door de politie mogelijk en effectief zou zijn om de diefstal van de vijf schilderijen op te lossen. Op 13 oktober 1995 heeft een ambtenaar van het regionale politiekorps Hollands Midden de eigenaar van de kunsthandel als getuige gehoord. Naar aanleiding van dit verhoor hebben ambtenaren van genoemd politiekorps tussen 13 oktober en 13 december 1995 nog vier andere personen als getuige gehoord. Bij brief van 18 oktober 1995 verstrekte verzoeker de politie informatie met betrekking tot de waardebepaling van het door hem opgespoorde schilderij. In de Oegstgeester Courant van 5 januari 1996 werd in de rubriek Politieberichten, meegedeeld dat de politie enkele getuigen had gehoord naar aanleiding van verzoekers melding van begin oktober 1995 en dat proces-verbaal zou worden opgemaakt terzake heling. Bij brief van 16 juli 1997 diende verzoeker een klacht in bij de chef van het regionale politiekorps Hollands Midden in verband met de handelwijze van de politie na zijn melding van 3 oktober 1995.
2. Bij brief van 13 augustus 1996, gericht aan de chef van het district Duin- en Bollenstreek Zuid, deelde verzoeker onder meer het volgende mee:
"Daar er sinds de aangifte bijna een jaar is verstreken zonder dat ik enig bericht ontving, verzoek ik U mee te delen hoever het

is met de opsporing van de schilderijen en vervolging van de helers. U zult begrijpen dat ik daar zeer veel belang bij heb. Voorts verzoek ik U mee te delen waarom de politie geen beslag wilde leggen op het schilderij, maar wel een duur taxatierapport daarvan nodig had. Tenslotte verneem ik gaarne waarom men mij als belanghebbende in al die tijd geen inlichtingen heeft verstrekt."
3. Bij brief van 15 oktober 1996 deelde verzoeker het regionale politiekorps Hollands Midden mee geen reactie te hebben ontvangen op zijn brief van 13 augustus 1996.
4. Bij brief van 6 november 1996 deelde verzoeker de hoofdofficier van justitie te 's-Gravenhage onder meer mee dat hij geen reactie had gekregen op zijn aan het arrondissementsparket te 's-Gravenhage gerichte brieven van 4 oktober 1995 en 8 januari 1996. Verder vroeg verzoeker beantwoording van de vraag waarom de politie, kennelijk bewust, geen aandacht gaf aan de zaak van zijn gestolen schilderijen en waarom de politie weigerde informatie te geven over de desbetreffende zaak.
5. In reactie op verzoekers brief van 13 augustus 1996 deelde de chef van het district Duin- en Bollenstreek Zuid van het regionale politiekorps Hollands Midden verzoeker bij brief van 18 november 1996 het volgende mee:
"(...) In het artikel (in de Oegstgeester Courant van 5 januari 1996; N.o.) stond vermeld dat een proces-verbaal terzake heling zou worden opgemaakt. Deze berichtgeving suggereert dat het proces-verbaal ook is verstuurd naar het Openbaar Ministerie en dat de Officier van Justitie aan de hand van het proces-verbaal ook zou oordelen over het al of niet instellen van een vervolging. Dat deze suggestie is gewekt is niet juist. In overleg met de Officier van Justitie is toentertijd het onderzoek stopgezet en op voorhand besloten het proces-verbaal over deze zaak niet in te sturen, maar op te leggen in de archieven van de politie, daar bij het politie-onderzoek niet kon worden vastgesteld dat de handelaar bij wie het schilderij werd aangetroffen en vorige bekende eigenaren het te kwader trouw in hun bezit zouden hebben gehad. De bij het onderzoek betrokken politiemensen kunnen zich niet meer herinneren of zij u van de beslissing van de Officier van Justitie in kennis hebben gesteld. Uit het feit dat U hier nu vragen over stelt en informeert naar voortgang van de opsporing concludeer ik dat het doen van deze mededeling toen achterwege is gebleven, hetgeen ik als een nalatigheid beschouw. Ik bied U hiervoor mijn excuses aan.

De werkprocessen bij de politie zijn intussen zodanig aangepast dat het een standaard is dat aangevers ge nformeerd worden over de manier waarop met de aangifte zal worden omgegaan en of een onderzoek al of niet zal worden ingesteld. Voorts is het onderzoek naar de andere schilderijen toen stopgezet, vanwege het feit dat onvoldoende of geen aanknopingspunten aanwezig waren om tot succes te kunnen komen. De politie heeft het schilderij niet in beslag genomen, daar de betrokken Officier van Justitie de kans zeer re el achtte dat de eigenaar van toen te goeder trouw was. Het advies om conservatoir beslag te laten leggen is gedaan, zodat U de mogelijkheid zou hebben via een civielrechtelijke procedure weer in het bezit van het schilderij te kunnen komen. Het taxatierapport was gewenst omdat de schattingen van de betrokken handelaren over de waarde van het schilderij nogal uiteenliepen. Mede aan de hand van het schaderapport moest worden vastgesteld of de eigenaar van toen en de bekende eigenaren van daarvoor te goeder of te kwader trouw waren. Ik hoop U hiermede voldoende te hebben ge nformeerd. Mocht U behoefte hebben aan nadere informatie, dan is dhr. O., inspecteur van politie, groepschef van de werkeenheid Oegstgeest/Rijnsburg, bereid deze te verschaffen. U kunt met hem telefonisch een afspraak maken via het bureau in Oegstgeest."
6. In reactie op verzoekers brief van 6 november 1996 deelde de fungerend hoofdofficier van justitie te 's-Gravenhage verzoeker bij brief van 18 november 1996 het volgende mee:
"Naar aanleiding van uw brief van 4 oktober 1995 is er een politieonderzoek in gang gezet. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. Een kopie van dit proces-verbaal is u ter hand gesteld. De officier van justitie mr. K. heeft de resultaten hiervan veelvuldig telefonisch met u en uw advocaat mr. Bu. besproken. Ook heeft hij u en hem gewezen op de (on)mogelijkheden van het openbaar ministerie in deze zaak. Aan uw raadsman is uiteindelijk medegedeeld, dat het strafrechtelijk onderzoek was be indigd zonder dat de overige schilderijen waren getraceerd. Uw raadsman heeft bij die gelegenheid toegezegd deze uitkomst met u te bespreken. Omdat er vele malen telefonisch contact met u was geweest en de beantwoording aan uw advocaat was overgedragen is verder afgezien van een schriftelijk antwoord aan u.

Over uw opmerking over het informeren van u als slachtoffer door politie en justitie, merk ik het volgende op. Politie en justitie hebben op zich genomen om de slachtoffers van misdrijven te informeren over de verloop van hun aangifte. Uit het bovenstaande blijkt dat u van het verloop van de zaak op de hoogte bent gehouden, daarmee is aan deze verplichting voldaan. (...)"
7. Vervolgens is een briefwisseling op gang gekomen tussen verzoeker en diverse overheidsinstanties, waaronder het regionale politiekorps Hollands Midden, het arrondissementsparket te 's-Gravenhage, de burgemeester van Oegstgeest, de burgemeester van Leiderdorp en de burgemeester van Katwijk.
B. Standpunt verzoeker
1. Het standpunt van verzoeker staat samengevat weergegeven onder

Klacht


.
2. In zijn brief aan de Nationale ombudsman van 8 augustus 1997, deelde verzoeker het volgende mee:
"Hierbij doe ik mijn beklag over het onjuiste handelen van de politie met betrekking tot de politietaken opsporing, vervolging, hulp en informatieverstrekking, zoals ik die in de volgende punten 1 t/m 14 kort zal beschrijven.
1. Enkele jaren geleden waren bij mij 5 schilderijen gestolen bij een inbraak. Daarvan had ik aangifte gedaan bij de politie en om opsporing verzocht. Ik ontving daarover echter nooit enige informatie. Door eigen onderzoek heb ik uiteindelijk een der gestolen schilderijen ontdekt op een verkoopexpositie van een handelaar in Ridderkerk.
2. Ik heb de vondst vervolgens aan de politie gemeld met het verzoek beslag te leggen op het schilderij en de overige vier schilderijen op te sporen langs de lijn van de helers. Na de melding (3.10.95) weigerde de politie beslag te leggen op het schilderij, hoewel het gevaar dreigde dat het direct zou worden verkocht en verdwijnen. De politie gaf geen motivering van die weigering.
3. Als gevolg van die weigering tot beslag, moest ik zelf (in aanwezigheid van de politie) beslag laten leggen op het schilderij en een procedure tot teruggave voeren. Die procedure duurt per oktober al twee jaar en zal nog langer duren. De kosten van de procedure bedragen al f.14.500,- en zullen nog hoger worden.


4. De politie was volledig op de hoogte van de handelsprijs van het schilderij door mijn inlichtingen (3.10), uit eigen onderzoek (p.v. 13.3.), uit toegestuurd vergelijkingsmateriaal en verkoopprijzen (18.10) en uit een taxatierapport van een be digd taxateur (24.10), opgemaakt op verzoek van de politie.
5. De politie weigerde elke informatie over de vorderingen en resultaten van het onderzoek naar de gestolen stukken en naar de helers. Dat is in strijd met de eigen regels over informatie in de Politiewijzer, blz 32,33.
6. De enig mogelijke informatie moest ik maanden later vernemen uit de krant (politiebericht 5.1.96). De politie wilde daarop niet reageren.
7. De politie wilde ook in 1996 geen antwoord geven op telefonische vragen en op brieven over de voortgang (13.8, 15.10). Dat is in strijd met de regels uit de Politiewijzer.
8. Als gevolg van de steeds herhaalde weigeringen van de politie om informatie te verstrekken, was ik gedwongen mij te wenden tot de Hoofdofficier van Justitie (6.11).
9. Als resultaat van de klacht bij de Hoofdofficier, gaf de politie voor het eerst enige informatie (18.11). men gaf te kennen dat het hele onderzoek al bijna een jaar geleden was gestopt, dat alle helers te goeder trouw waren en vrijuit waren gegaan en dat het dossier al enige tijd in het archief lag.
10. Daar de mededelingen van punt 9 in het geheel niet waren gemotiveerd, heb ik aan de politie gevraagd op welke gronden en normen de helers vrijuit waren gegaan en waarom het onderzoek was gestopt (2.12). Op mijn brief kreeg ik geen antwoord.
11. Wegens deze muur van onwil bij de politie tot medewerking, opsporing en informatie, diende ik een klacht in bij de korpschef Midden Holland (16.7). Op die klacht kreeg ik geen antwoord, noch een bericht van ontvangst.
12. Wel had de klacht tot gevolg dat ik opeens na 8 maanden als nog een reactie van de politie kreeg omtrent de redenen van het stoppen van het onderzoek en het laten lopen van de verdachten (25.7.). Uit die reactie bleek dat de politie de handelsprijzen van punt 4 niet geloofde, ondanks het rapport van de be digde taxateur. De politie vond het niet abnormaal dat vier handelaren, met veroordelingen wegens heling en bedrog (217, 326 Bis, 417 Bis Sr), het schilderij in 2 dagen aan elkaar doorspeelden. En men

vond hun prijzen (zonder betalingsbewijs) van ca 1/6 tot 1/3 van de normale winkelprijs 'redelijk gezien de taxatie'. Men vond het dan ook niet nodig om in administraties te kijken of het opkopersregister te controleren, terwijl het verhoor van helers gemakshalve even telefonisch werd gedaan. Bovendien vond de politie dat het heropenen van de zaak geen enkele zin had. Dat laatste lijkt inderdaad juist als deze zaak wederom door dezelfde personen op dezelfde manier zou worden behandeld.
13. Over het onderzoek naar de overige vier schilderijen heeft de politie nooit informatie gegeven. Ook thans wordt het verloop daarvan en de reden waarom dat eventueel is gestopt, verzwegen.
14. De politie meende in een nader bericht (30.7) dat met het antwoord van 25.7 ook alle punten van de klacht aan de korpschef voldoende waren beantwoord, zodat het antwoord op de klachten achterwege kon blijven. Doordat de politie mij in alles heeft tegengewerkt en nalatig was, maar daarentegen de beweringen van de handelaren ook zonder bewijs blind vertrouwde, was ik gedwongen een dure procedure te voeren die normaal niet nodig zou zijn geweest. Ik heb daardoor enorme financi le schade geleden, terwijl ik het van mij gestolen schilderij (...) nog steeds niet terug heb. Ik verzoek u daarom de handelingen van de politie na te gaan."
3. In zijn brief aan de Nationale ombudsman van 29 augustus 1997, deelde verzoeker onder meer het volgende mee:
"Dat (bedoeld is het terugvinden van een van de gestolen schilderijen: N.o.) meldde ik bij de politie, met opgave van de waarde, van vergelijkingsmateriaal en van de vraagprijs van de handelaar, en vroeg de politie beslag te leggen. Deze weigerde dat, kennelijk in overleg met de Officier van Justitie, maar gaf daarvan geen reden. Wel vroeg en kreeg de politie een officieel taxatie-rapport. De Officier van Justitie hield zich onbereikbaar en brieven aan de Hoofdofficier van Justitie daaromtrent werden niet beantwoord. Na veel vergeefse pogingen kreeg ik uiteindelijk de betrokken Officier van Justitie Mr K. aan de lijn. Deze weigerde informatie te geven en zei ge rriteerd 'dat hij wel wat beters had te doen dan de schilderijtjes van meneer D. achterna te lopen'. Na aandringen bleek hij eventueel bereid de processen-verbaal te sturen, maar alleen 'aan een advocaat'. Via een advocaat kreeg ik later tegen fikse vergoeding de processen-verbaal van verhoor van vijf opvolgende handelaren. (...)

De politie en het O.M. gaven verder geen antwoord op brieven en vragen om informatie. (...) Bij navraag omtrent het uitblijven van antwoord op mijn brieven en vragen, berichtte de Hoofdofficier van Justitie dat de Officier van Justitie Mr K. 'de resultaten van het onderzoek veelvuldig had besproken', zowel met mij als met 'advocaat Mr. Bu.'. Dat is geheel in strijd met de waarheid. Ik heb nooit iets van een advocaat of Mr K. vernomen en genoemde advocaat is mij niet bekend. Ook de overige opmerkingen in de brief waren volstrekt in strijd met de waarheid. Ik acht dat een ernstig feit voor een Officier van Justitie, In januari 1997 heb ik de Hoofdofficier van Justitie op de onjuistheden in zijn brief gewezen en gevraagd waarom ik steeds geen antwoord ontving of informatie had gekregen. De Hoofdofficier stuurde slechts een kattebelletje dat het O.M. correct had gehandeld. Ik leg deze klacht hierbij aan U voor met het verzoek de handelingen van het O.M. na te gaan. (...)"
4. Verzoeker had bij zijn brieven van 8 en 29 augustus 1997, 20 oktober 1997 en 18 november 1997 diverse bijlagen gevoegd.
4.1. Hieronder bevond zich een brief van verzoeker aan de heer Oe., Hoofd Politiezaken van het District Duin- en Bollenstreek Zuid van het regionale politiekorps Hollands Midden van 10 augustus 1997. Hierin vroeg verzoeker, onder meer aan de hand van elf concrete vragen, volledige informatie over de voortgang van het opsporingsonderzoek inzake de vijf bij hem ontvreemde schilderijen.
4.2. Bij brief van 12 augustus 1997 bevestigde politieambtenaar Oe. de ontvangst van verzoekers brief van 10 augustus 1997. Ook werd in deze brief verzoeker een inhoudelijke reactie op zijn brief in het vooruitzicht gesteld.
4.3. Onder de bijlagen bevond zich verder een brief van verzoeker aan de chef van het regionale politiekorps Hollands Midden van 26 augustus 1997. In deze brief gaf verzoeker onder meer aan geen reactie te hebben ontvangen op zijn brief aan de korpschef van 16 juli 1997.
4.4. Ten slotte bevond zich onder de bijlagen een brief van verzoeker aan de chef van het district Duin- en Bollenstreek Zuid van het regionale politiekorps Hollands Midden van 23 september 1997. Hierin verzocht hij om alsnog, binnen een week, volledig en eerlijk te

reageren op zijn eerdere brieven van 6 en 10 augustus 1997. Ook vroeg hij om informatie over het opsporingsonderzoek C. Standpunt beheerder van het regionale politiekorps Hollands Midden
1. Bij brief van 4 december 1997 reageerde de beheerder van het regionale politiekorps Hollands Midden op verzoekers klacht. Hierin deelde hij onder meer het volgende mee:
"Met betrekking tot het eerste deel van de klacht, betreffende het onvoldoende verstrekken van informatie deel ik u het volgende mede. Door de heer D. zijn diverse brieven aan medewerkers van het korps Hollands Midden gezonden. Daarnaast diende de heer D. bij zijn brief van 16 juli 1997 een klacht in, welke conform de klachtenregeling Politie Hollands Midden in behandeling werd genomen. Uit dit onderzoek is gebleken, dat er diverse malen contact is geweest met de heer D. waarbij hij werd ge nformeerd over de stand van zaken. De verstrekte informatie was kennelijk niet de informatie, die de heer D. verwachtte. (...) Ik erken, dat de reactie op de door de heer D. gezonden brieven aan de chef van het district sneller had gekund. Ik acht de klacht, dat de heer D. onvoldoende zou zijn ge nformeerd, evenwel ongegrond. Met betrekking tot het tweede deel van de klacht, betreffende het niet (tijdig) reageren op met name genoemde brieven, bericht ik u, dat de heer D. op 16 juli 1997 een klacht bij de korpschef van de Politie Hollands Midden had ingediend. Deze werd, conform de klachtenregeling, bij brief van 22 juli 1997 gezonden aan de burgemeester van Oegstgeest. Daarbij werd vermeld, dat aan klager nog geen ontvangstbevestiging werd gezonden. Deze procedure is sinds 3 jaar een gebruikelijke gang van zaken. De burgemeester draagt vervolgens zorg voor de ontvangstbevestiging. Deze ontvangstbevestiging is door de chef van het district Duin- en Bollenstreek Zuid verzonden op 30 juli 1997. Abusievelijk vermeldt hij in zijn schrijven ...uw klacht van 22 juli jl. ... Hetgeen diende te zijn ... uw klacht van 16 juli jl. .... Naar aanleiding van de brief van 26 augustus 1997 is door mijn medewerker de heer P. op 01 september 1997 telefonisch contact opgenomen. De heer D. bleek niet aanwezig. Aan mevrouw D. is medegedeeld, dat de ontvangen brieven als klacht werden behandeld en dat het onderzoek in deze gaande is. Tevens werd haar het verzoek gedaan dit aan haar echtgenoot mede te delen en dat indien hij nog vragen had hij telefonisch contact kon opnemen met de heer P.

Op 24 september 1997 werd het klachtdossier ontvangen. In week 41 geeft de heer P. telefonisch bericht aan de heer D., dat hij in week 42 de beslissing op zijn klacht kan verwachten. Deze wordt hem op 16 oktober 1997 toegezonden. De brieven van 10 augustus 1997 en 23 september 1997, respectievelijk gezonden aan het hoofd Politiezaken en de chef van het district Duin- en Bollenstreek Zuid, zijn in de beslissing op de klacht van 16 juli 1997 beantwoord. Ook het tweede deel van de klacht van de heer D. acht ik ongegrond."
2. Bij de brief van de korpsbeheerder was een groot aantal (37) bijlagen gevoegd. Een hiervan was een brief van 13 oktober 1997 waarmee de directeur politie van het regionale politiekorps Hollands Midden, namens de korpsbeheerder, verzoekers klacht van 16 juli 1997 afdeed. Hierin werd onder meer het volgende meegedeeld:
"In antwoord op uw schrijven 16 juli 1997 en uw schrijven 26 augustus 1997 bericht ik u het volgende. (...) Op 14 augustus 1996 ontving de districtschef een brief van u, waarin u zich beklaagde over de gang van zaken en verzocht u om informatie. Door een groepschef is daarop een onderzoek ingesteld. Hij maakte een rapportage gedateerd 27 augustus 1996. Op 17 oktober 1996 ontving de districtschef een brief, waarin u verzocht uw eerste schrijven te beantwoorden. Het Hoofd Politie-zaken heeft hierop een reactie geformuleerd op basis van het rapport van genoemde groepschef. De districtschef heeft u geantwoord bij schrijven van 18 november 1996. De districtschef ontving als reactie een schrijven, gedateerd op 2 december 1996, van u. Daarop is door de chef van de districtsrecherche een proces-analyse gemaakt. Zijn bevindingen zijn neergelegd in een rapport dd. 22 mei 1997. Vervolgens is op deze proces-analyse, met de onderliggende stukken, een mening gevraagd aan het Openbaar Ministerie. Deze mening is weergegeven in een notitie van 23 juni 1997. Vervolgens heeft de districtschef gereageerd bij zijn schrijven van 25 juli 1997. Intussen ontving de korpschef een klacht van u, gedateerd 16 juli 1997. Tot zover de gevoerde correspondentie. (...) Ad 4. Het feit dat aan u, nadat u uit de krant had vernomen dat de politie enkele helers had verhoord, geen inlichtingen werden verstrekt is een tekortkoming van de politie. Het is niet vastgesteld kunnen worden dat er geen inlichtingen werden verstrekt. Het is echter zeer aannemelijk dat dat inderdaad niet is gebeurd.

Ad 5. Op 18 november 1996 heeft de districtschef u geantwoord. Ad 6. Het onderzoek is eind december 1995/ begin januari 1996 stopgezet. Waarschijnlijk is toen de mededeling daarover aan u niet gedaan. In dezelfde brief van 18 november 1996 heeft de districtschef daarover zijn excuses aangeboden. (...) Ad 7. Met de daar aangehaalde 'schriftelijke vragen' doelt u naar ik aanneem op uw brief van 2 december 1996. De proces-analyse is opgestart en in de maand april 1997 had het Hoofd Politiezaken telefonisch contact met u. Hij heeft u toen uitgenodigd voor een gesprek en medegedeeld dat de proces-analyse nog op zich liet wachten. U zag echter geen meerwaarde in een gesprek en u heeft daarvoor bedankt. U verklaarde de schriftelijke reactie van de districtschef af te willen wachten. Uiteindelijk heeft het uitvoeren van de analyse, het vragen om een mening van het Openbaar Ministerie daarover en het concipi ren van uiteindelijk de brief van 25 juni 1997 aan u te lang geduurd. De constatering van u, dat het antwoord niet is gekomen is echter niet juist. Dat kan verklaard worden uit het feit dat de brief van de districtschef van 25 juli 1997 door u werd ontvangen na het indienen van de klacht bij de Korpschef. (...)"
D. Standpunt Minister van Justitie

1. De Minister van Justitie reageerde op verzoekers klacht bij brief van 16 maart 1998. Hierin deelde de Minister onder meer mee, dat zij de klacht, voor zover deze betrekking had op het arrondissementsparket te 's-Gravenhage, ongegrond achtte. In haar brief deelde de Minister verder het volgende mee:
"Uit telefonische inlichtingen van het openbaar ministerie te Den Haag is gebleken dat de brieven van respectievelijk 25 september 1995, 18 oktober 1995, 22 november 1995 en 2 december 1996 niet in het dossier zijn aangetroffen. Deze brieven zijn ook niet aangetroffen in het registratiesysteem. Onduidelijk is of deze brieven wel naar het parket zijn toegezonden. De brieven van 13 augustus 1996 en 15 oktober 1996 zijn in elk geval geadresseerd aan het politiebureau te Katwijk. De brieven van 4 oktober 1995 en 8 januari 1996 zijn wel bekend op het parket. Zij zijn op 24 april 1996 in een telefoongesprek tussen de advocaat van de heer D. en de officier van justitie aan de orde gekomen. Dit blijkt uit een telefoonnotitie van de officier van justitie, die als bijlage is bijgevoegd. De brief van 30 januari 1997 is eveneens bekend en beantwoord bij brief van 18 maart 1997."


2.1. Bij de brief van de Minister van Justitie van 16 maart 1998 was als bijlage gevoegd een brief van 12 februari 1998 van de fungerend hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket te 'sGravenhage aan het College van Procureurs-generaal. Hierin deelde hij onder meer het volgende mee:
"Het dossier begint op 4 oktober 1995 met de melding van klager over de aangetroffen schilderijen en het verzoek tot politie-ingrijpen. Op 23 oktober 1995 doet de officier van justitie navraag bij de politie. Er volgt geen ingrijpen, omdat er onvoldoende bewijs voor heling aanwezig is. Uit de handgeschreven aantekeningen van de officier van justitie de heer K. van 24 april 1996 blijkt dat er veelvuldig contact is geweest met klager en zijn advocaat. Uit de zinsnede 'Over deze zaak heb ik uiteindelijk in afhoudende zin gesproken met mr. Bu. die begreep dat wij verder niets meer konden doen en die dat aan zijn cli nt zou overbrengen (althans dat zou proberen)' bleek al dat klager de beslissing tot niet vervolgen niet wilde accepteren. Vervolgens komt er via de Hoge Raad en uw college een brief van klager met het verzoek om de rijksrecherche in te schakelen omdat er onvoldoende reactie en onderzoek in de ogen van klager wordt ingesteld. Bij brief van 18 november 1996 van de fungerend hoofdofficier wordt dit afgewezen. Uitvoerig wordt de motivatie andermaal aan klager medegedeeld. Begin 1997 komt er opnieuw dezelfde klacht. Nu in de richting van de hoofdofficier. Wederom wordt hem ontkennend geantwoord. Volledigheidshalve wordt hij op de 12 strafvorderingprocedure gewezen. Hiervan maakt hij geen gebruik. Op 15 augustus 1997 probeert klager opnieuw om strafvervolging te bewerkstelligen. Nu via de secretaris de heer R. Ook deze keer wordt klager afgewezen. Op 17 oktober 1997 stuurt hij de heer R. vervolgvragen. Deze worden eveneens door de heer R. beantwoord. Ik ben van mening dat klager vele malen is geantwoord, waarbij ik ook nog wijs op de uitvoerige brief van de politie Hollands Midden van 22 oktober 1997. In het licht van het voorgaande, meen ik dan ook dat de stelling dat klager niet is ge nformeerd door het arrondissementsparket niet opgaat."
2.2. Bij de brief van de Minister van Justitie van 16 maart 1998 was verder als bijlage gevoegd een handgeschreven interne memo van

24 april 1996 van officier van justitie K. aan de fungerend hoofdofficier van justitie. Hierin deelde hij onder meer het volgende mee:
"In deze zaak heb ik veelvuldig contact gehad met de heer D. en zijn raadsman, mr. Bu. uit Leiden. (...) Over deze zaak heb ik uiteindelijk in afhoudende zin gesproken met mr. Bu. die begreep dat wij verder niets meer konden doen en die dat aan zijn cli nt zou overbrengen (althans dat zou pogen). (...)"
2.3. Onder de bijlagen bevond zich ook een brief van 30 januari 1997 van verzoeker aan de hoofdofficier van justitie. Hierin deelde hij onder meer het volgende mee:
"Op mijn brief van 6 november 1996, met voor de derde maal dezelfde vragen, gaf (de fungerend hoofdofficier van justitie; N.o.) tot mijn verbazing ten antwoord dat een proces-verbaal van het onderzoek aan mij ter hand was gesteld, dat mr. K. dit veelvuldig met mij en mijn raadsman had besproken en had gewezen op de (on)mogelijkheden van het O.M. en dat aan de raadsman was meegedeeld dat het strafrechtelijk onderzoek was ge indigd, hetgeen deze met mij zou bespreken. Dat is volstrekt in strijd met de waarheid. Bovendien heb ik geen raadsman nodig om van het O.M. stukken te ontvangen. Wel had de advocaat in de procedure tot revindicatie enkele processen-verbaal(...) ontvangen. Met mr. K. had hij geen contact gehad. (...)"
E. Reactie verzoeker

1. Bij brieven van 23 en 29 april 1998 en 5 en 29 mei 1998 reageerde verzoeker op de respectieve standpunten van de beheerder van het regionale politiekorps Hollands Midden en van de Minister van Justitie. In deze brieven gaf verzoeker gedetailleerd aan op grond waarvan hij onverminderd van mening was dat het opsporingsonderzoek naar aanleiding van zijn melding van 4 oktober 1995 de toets der kritiek niet kon doorstaan. Met betrekking tot het standpunt van de korpsbeheerder gaf verzoeker voorts te kennen dat de regiopolitie Hollands Midden hem geen informatie over het opsporingsonderzoek had verstrekt en dat de politie met grote regelmaat had geweigerd zijn brieven te beantwoorden. Verder vroeg verzoeker de Nationale ombudsman te doen bewerkstelligen dat de regiopolitie Hollands Midden de door hem geleden schade zou vergoeden, dan wel de gestolen schilderijen zou doen terug bezorgen. Met betrekking tot het standpunt van de Minister van Justitie stelde verzoeker dat zij haar conclusies heeft getrokken op basis van

verkeerde en niet gecontroleerde ambtsberichten. Verzoeker voegde daar aan toe dat van de zijde van het arrondissementsparket te 'sGravenhage nimmer was gereageerd, schriftelijk, noch mondeling, en dat geen enkele advocaat, ook niet de hem geheel onbekende mr. Bu., ooit enig bericht van officier van justitie K. aan hem had doorgegeven.
2. Bij verzoekers brief van 29 mei 1998 was als bijlage gevoegd een faxbericht van 24 oktober 1997, waarin verzoeker de burgemeester van Katwijk onder meer meedeelde dat de door hem in het desbetreffende faxbericht gevraagde gegevens moesten worden toegestuurd aan een mr. Du., advocaat.
F. Nadere informatie door de officier van justitie mr. K. en door de heer mr. Du, advocaat
1. Daarnaar gevraagd, deelde de bij deze zaak betrokken officier van justitie mr. K. op 9 oktober 1998 een medewerker van het Bureau Nationale ombudsman telefonisch mee dat hij, nadat hij veelvuldig telefonisch contact had gehad met verzoeker, begin 1996 verzoekers raadsman, mr. Du., telefonisch had benaderd, om naast verzoeker ook hem mee te delen waarom het opsporingsonderzoek niet werd voortgezet. Volgens mr. K. had mr. Du begrip gehad voor deze beslissing en zou hij contact opnemen met zijn cli nt om een en ander nog eens aan hem uit te leggen. Mr. K. deelde mee het te betreuren dat van de talloze telefoongesprekken met verzoeker, noch van het telefoongesprek met verzoekers raadsman, telefoonnotities waren gemaakt.
2. Op 12 oktober 1998 liet verzoekers raadsman mr. Du., daarnaar gevraagd, een medewerker van het Bureau Nationale ombudsman weten dat officier van justitie K. hem inderdaad, op of rond 18 januari 1996, telefonisch had benaderd om hem uit te leggen op grond van welke overwegingen was besloten het opsporingsonderzoek te be indigen. Ook had de officier van justitie hem gevraagd er bij zijn cli nt op aan te willen dringen te stoppen met het veelvuldig benaderen van politie en justitie met vragen over het opsporingsonderzoek. Ten aanzien van dit punt gaf mr. Du. aan wel begrip te hebben voor het feit dat de contacten tussen zijn cli nt en politie en justitie over en weer tot enige irritatie hadden geleid. Ook heeft mr. Du. te kennen gegeven dat hij zijn cli nt schriftelijk op de hoogte had gesteld van de inhoud van het desbetreffende telefoongesprek.
G. Nadere reactie verzoeker

1. In reactie op de in de brief van de Minister van Justitie aan de

Nationale ombudsman van 16 maart 1998 gedane opmerking dat een aantal van de brieven van verzoeker in het dossier, noch in het registratiesysteem van het arrondissementsparket te 's-Gravenhage zijn aangetroffen, zond verzoeker bij brief van 12 oktober 1998 een brief van hem aan een politieambtenaar van het districtsbureau Duin- en Bollenstreek Zuid van 18 oktober 1995 toe.
2. Bij brief van 9 november 1998 gaf verzoeker, naar aanleiding van het telefoongesprek dat een medewerker van het Bureau Nationale ombudsman met zijn advocaat had gevoerd (zie hiervoor onder F.2.), te kennen dat deze advocaat uitsluitend was ingeschakeld ten behoeve van de door verzoeker aangevangen civiele procedure ter revindicatie van het aangetroffen schilderij. Naar verzoekers mening was deze advocaat niet ingeschakeld om verzoeker te vertegenwoordigen tegenover een officier van justitie of om mededelingen van een officier van justitie aan te nemen. Verzoeker herhaalde voorts de stelling dat zijn advocaat hem nimmer had ge nformeerd over enig gesprek met een officier van justitie.

Beoordeling

Algemeen Op 4 november 1991 werden bij een inbraak in de woning van verzoeker vijf schilderijen gestolen. Verzoeker heeft hiervan aangifte gedaan bij de politie in zijn woonplaats. Kort voor 4 oktober 1995 kreeg verzoeker een brochure van een kunsthandel onder ogen, waarin een van de bij hem gestolen schilderijen te koop werd aangeboden. Nadat verzoeker de politie en het arrondissementsparket te 's-Gravenhage op de hoogte had gesteld van deze ontdekking, heeft de politie de eigenaar van de desbetreffende kunsthandel en vervolgens nog vier andere bij de kunsthandel betrokken personen als getuige gehoord. Begin januari 1996 vernam verzoeker uit een politiebericht in een plaatselijke krant dat de politie, na het horen van de getuigen, proces-verbaal terzake van heling zou opmaken.
A.
Ten aanzien van het regionale politiekorps Hollands MiddenI. Ten aanzien van de informatieverstrekking1. Verzoeker klaagt er in de eerste plaats over dat het regionale politiekorps Hollands Midden hem onvoldoende heeft ge nformeerd over de vorderingen van het na de diefstal in 1991 gestarte opsporingsonderzoek.
2. Omdat verzoeker en de korpsbeheerder zich met betrekking tot dit deel van de klacht vrijwel geheel concentreren op de periode vanaf

oktober 1995, zal de Nationale ombudsman zich onthouden van een oordeel over de informatieverstrekking door de politie in de periode november 1991 tot oktober 1995.
3. De beheerder van het regionale politiekorps Hollands Midden heeft in reactie op dit gedeelte van verzoekers klacht te kennen gegeven dat onderzoek had uitgewezen dat er tussen verzoeker en medewerkers van zijn regiokorps diverse malen contact is geweest, waarbij verzoeker was ge nformeerd over de stand van zaken
4. In afwijking van hetgeen de korpsbeheerder de Nationale ombudsman op dit punt heeft meegedeeld, heeft de directeur politie, namens de korpsbeheerder, in zijn brief van 13 oktober 1997 ter afdoening van verzoekers klacht te kennen gegeven dat zeer aannemelijk is dat verzoeker niet eerder dan bij brief van 18 november 1996 van de chef van het district Duin- en Bollenstreek Zuid van het regionale politiekorps Hollands Midden is ge nformeerd over het feit dat was besloten het opsporingsonderzoek niet voort te zetten. Dat medewerkers van het regionale politiekorps Hollands Midden verzoeker eerder dan 18 november 1996 van dit, al begin 1996 genomen, besluit op de hoogte hebben gebracht, is niet gebleken. Dit betekent dat het regionale politiekorps Hollands Midden verzoeker onvoldoende op de hoogte heeft gehouden van het verloop van het opsporingsonderzoek. De onderzochte gedraging is op dit punt niet behoorlijk.
II. . Ten aanzien van de beantwoording van enige brieven

1. Verzoeker klaagt er voorts over dat het regionale politiekorps Hollands Midden tot op het moment dat hij zich tot de Nationale ombudsman wendde niet had gereageerd op zijn brieven van 10 en 26 augustus 1997 en van 23 september 1997.
2. De korpsbeheerder heeft in reactie op dit gedeelte van verzoekers klacht meegedeeld dat het antwoord van de politie op verzoekers brieven van 10 augustus 1997 en 23 september 1997 was verwerkt in de brief van 13 oktober 1997, waarmee de korpsbeheerder verzoekers klacht, ingediend bij brief van 16 juli 1997, had afgedaan. Naar aanleiding van verzoekers brief van 26 augustus 1996 had, zo had de korpsbeheerder meegedeeld, op 1 september 1997 telefonisch contact plaats gehad tussen een medewerker van de politie en verzoekers echtgenote.
3. In zijn brief van 10 augustus 1997 heeft verzoeker, mede aan de hand van elf concrete vragen, gevraagd om volledige informatie over de voortgang van het opsporingsonderzoek. Gebleken is dat het regionale politiekorps Hollands Midden de

ontvangst van verzoekers brief heeft bevestigd bij brief van 12 augustus 1997. In die ontvangstbevestiging werd tevens meegedeeld dat verzoeker binnenkort een reactie kon verwachten. In de aanhef van de klachtafhandelingsbrief van 13 oktober 1997, werd uitdrukkelijk gesteld dat de desbetreffende brief een reactie was op verzoekers brieven aan de chef van het regionale politiekorps Hollands Midden van 16 juli 1997 en 26 augustus 1997. Dat de brief van 13 oktober 1997 ook een reactie zou zijn op verzoekers brieven aan de politieambtenaar Oe., respectievelijk de chef van het district Duin- en Bollenstreek Zuid van 10 augustus 1997 en 23 september 1997 blijkt niet uit de aanhef. Weliswaar werd in de klachtafhandelingsbrief onder meer het door verzoeker verlangde overzicht verstrekt, maar niet kan worden geconcludeerd dat dit is gebeurd in reactie op verzoekers brieven van 10 augustus 1997 en 23 september 1997. Door in de brief van 13 oktober 1997 niet uitdrukkelijk duidelijk te maken dat daarmee een vervolg werd gegeven aan de ontvangstbevestiging van 12 augustus 1997, heeft het regionale politiekorps Hollands Midden in de hand gewerkt dat hieromtrent onduidelijkheid heeft kunnen ontstaan bij verzoeker. De onderzochte gedraging is op dit punt eveneens niet behoorlijk.
4. Het is de Nationale ombudsman gebleken dat bij verzoeker nog vragen leven over de opsporing van de in 1991 bij hem ontvreemde schilderijen. Gelet daarop zal de korpsbeheerder de aanbeveling worden gedaan om verzoeker door de politie te laten uitnodigen voor een gesprek over deze vragen.
B.
Ten aanzien van het arrondissementsparket te 's-Gravenhage1. Verzoeker heeft er verder over geklaagd dat het arrondissementsparket te 's-Gravenhage hem tot op het moment dat hij zich tot de Nationale ombudsman wendde, niet had ge nformeerd over de redenen om niet over te gaan tot vervolging van door verzoeker aangewezen personen.
2. In reactie op dit deel van verzoekers klacht heeft de Minister van Justitie meegedeeld dat officier van justitie K. op 24 april 1996 met mr. Bu., de raadsman van verzoeker, een telefoongesprek heeft gevoerd waarin een toelichting is gegeven op de redenen om de door verzoeker aangegeven personen niet te vervolgen.
3. In reactie hierop deelde verzoeker mee dat een mr. Bu. hem geheel onbekend was. Ook ontkende verzoeker dat zijn advocaat contact had gehad met officier van justitie K.
4. Gebleken is dat officier van justitie mr. K. medio januari 1996

telefonisch contact heeft gehad met verzoekers raadsman mr. Du., in een aantal van de door de Minister van Justitie overgelegde stukken per abuis mr. Bu. genoemd. Gebleken is tevens dat verzoekers raadsman er van uit gaat dat dit telefonisch contact het gevolg was van kennelijk bij de officier van justitie ontstane irritatie over het feit dat verzoeker hem veelvuldig had benaderd met vragen over het opsporingsonderzoek. Verzoekers raadsman heeft daar aan toegevoegd op zich wel begrip op te kunnen brengen voor deze irritatie. Tegen die achtergrond bezien bestaat er aanleiding om aan te nemen dat verzoeker en medewerkers van het arrondissementsparket te 'sGravenhage – veelvuldig - contact met elkaar hebben gehad over de voortgang van het opsporingsonderzoek. Dat verzoeker in het kader van die contacten informatie over het niet voortzetten van het opsporingsonderzoek zou zijn onthouden, is niet aannemelijk. De onderzochte gedraging is op dit punt behoorlijk. CONCLUSIE De klacht over de onderzochte gedraging van het regionale politiekorps Hollands Midden, die wordt aangemerkt als een gedraging van de beheerder van dat korps (de burgemeester van Leiden), is gegrond. De klacht over de onderzochte gedraging van het arrondissementsparket te 's-Gravenhage, die wordt aangemerkt als een gedraging van de Minister van Justitie, is niet gegrond. Met instemming heeft de Nationale ombudsman ervan kennisgenomen dat het regionale politiekorps Hollands Midden zijn werkprocessen zodanig heeft aangepast dat personen die aangifte hebben gedaan voortaan standaard worden ge nformeerd over de verdere afhandeling van hun aangifte.

Aanbeveling

De beheerder van het regionale politiekorps Hollands Midden wordt in overweging gegeven om verzoeker door de politie te laten uitnodigen voor een gesprek over vragen die bij verzoeker leven over de opsporing van de in 1991 bij hem ontvreemde schilderijen.

Klacht

Op 8 augustus 1997 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer D. te Oegstgeest, met een klacht over gedragingen van het regionale politiekorps Hollands Midden en van het arrondissementsparket te 's-Gravenhage. Verzoeker vulde zijn verzoekschrift aan bij brieven van 29 augustus 1997, 9 en 20 oktober 1997 en 18 november 1997. Naar de gedragingen, die worden aangemerkt als gedragingen van de beheerder van het regionale politiekorps Hollands Midden (de burgemeester van Leiden) respectievelijk van de Minister van Justitie, werd een onderzoek ingesteld. Op grond van de door verzoeker verstrekte gegevens werd de klacht als volgt geformuleerd:
Verzoeker klaagt erover dat het regionale politiekorps Hollands Midden hem onvoldoende heeft ge nformeerd over de voortgang van het opsporingsonderzoek naar aanleiding van zijn in 1991 gedane aangifte van diefstal. In dit verband klaagt hij er voorts over dat tot het moment dat hij zich (op 9 oktober 1997 opnieuw) tot de Nationale ombudsman wendde, niet was gereageerd op zijn brieven van 10 augustus 1997, 26 augustus 1997 en 23 september 1997. Ook klaagt verzoeker erover dat het arrondissementsparket te 'sGravenhage hem tot op het moment dat hij zich op 29 augustus 1997 tot de Nationale ombudsman wendde, niet heeft ge nformeerd over de redenen om niet tot vervolging over te gaan van enige door verzoeker aangewezen personen.

Onderzoek

         In het kader van het onderzoek werd de beheerder van het regionale politiekorps Hollands Midden en de Minister van Justitie verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben. Tijdens het onderzoek kregen de korpsbeheerder en de Minister van Justitie en verzoeker de gelegenheid op de door ieder van hen verstrekte inlichtingen te reageren. Tevens werd enkele van de betrokkenen een aantal specifieke vragen gesteld. Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. De beheerder van het regionale politiekorps Hollands Midden deelde mee zich met de inhoud van het verslag te kunnen verenigen.

De Minister van Justitie berichtte dat het verslag hem geen aanleiding gaf tot het maken van opmerkingen. De reactie van verzoeker gaf geen aanleiding het verslag te wijzigen of aan te vullen.

Bevindingen

De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:

A. Feiten

1. Op 4 november 1991 werden bij een inbraak in de woning van verzoeker vijf schilderijen ontvreemd. Verzoeker heeft hiervan aangifte gedaan bij de politie. Begin oktober 1995 kreeg verzoeker een brochure van een kunsthandel onder ogen, waarin n van de bij hem ontvreemde schilderijen te koop werd aangeboden. Op 3 oktober 1995 heeft verzoeker zich tot de politie gewend met het verzoek om beslag te leggen op het desbetreffende schilderij en de overige vier schilderijen alsnog op te sporen. Bij brief van 4 oktober 1995 wendde verzoeker zich tot de hoofdofficier van justitie te 's-Gravenhage met het verzoek om te bezien of ingrijpen door de politie mogelijk en effectief zou zijn om de diefstal van de vijf schilderijen op te lossen. Op 13 oktober 1995 heeft een ambtenaar van het regionale politiekorps Hollands Midden de eigenaar van de kunsthandel als getuige gehoord. Naar aanleiding van dit verhoor hebben ambtenaren van genoemd politiekorps tussen 13 oktober en 13 december 1995 nog vier andere personen als getuige gehoord. Bij brief van 18 oktober 1995 verstrekte verzoeker de politie informatie met betrekking tot de waardebepaling van het door hem opgespoorde schilderij. In de Oegstgeester Courant van 5 januari 1996 werd in de rubriek Politieberichten, meegedeeld dat de politie enkele getuigen had gehoord naar aanleiding van verzoekers melding van begin oktober 1995 en dat proces-verbaal zou worden opgemaakt terzake heling. Bij brief van 16 juli 1997 diende verzoeker een klacht in bij de chef van het regionale politiekorps Hollands Midden in verband met de handelwijze van de politie na zijn melding van 3 oktober 1995.
2. Bij brief van 13 augustus 1996, gericht aan de chef van het district Duin- en Bollenstreek Zuid, deelde verzoeker onder meer het volgende mee:
"Daar er sinds de aangifte bijna een jaar is verstreken zonder dat ik enig bericht ontving, verzoek ik U mee te delen hoever het

is met de opsporing van de schilderijen en vervolging van de helers. U zult begrijpen dat ik daar zeer veel belang bij heb. Voorts verzoek ik U mee te delen waarom de politie geen beslag wilde leggen op het schilderij, maar wel een duur taxatierapport daarvan nodig had. Tenslotte verneem ik gaarne waarom men mij als belanghebbende in al die tijd geen inlichtingen heeft verstrekt."
3. Bij brief van 15 oktober 1996 deelde verzoeker het regionale politiekorps Hollands Midden mee geen reactie te hebben ontvangen op zijn brief van 13 augustus 1996.
4. Bij brief van 6 november 1996 deelde verzoeker de hoofdofficier van justitie te 's-Gravenhage onder meer mee dat hij geen reactie had gekregen op zijn aan het arrondissementsparket te 's-Gravenhage gerichte brieven van 4 oktober 1995 en 8 januari 1996. Verder vroeg verzoeker beantwoording van de vraag waarom de politie, kennelijk bewust, geen aandacht gaf aan de zaak van zijn gestolen schilderijen en waarom de politie weigerde informatie te geven over de desbetreffende zaak.
5. In reactie op verzoekers brief van 13 augustus 1996 deelde de chef van het district Duin- en Bollenstreek Zuid van het regionale politiekorps Hollands Midden verzoeker bij brief van 18 november 1996 het volgende mee:
"(...) In het artikel (in de Oegstgeester Courant van 5 januari 1996; N.o.) stond vermeld dat een proces-verbaal terzake heling zou worden opgemaakt. Deze berichtgeving suggereert dat het proces-verbaal ook is verstuurd naar het Openbaar Ministerie en dat de Officier van Justitie aan de hand van het proces-verbaal ook zou oordelen over het al of niet instellen van een vervolging. Dat deze suggestie is gewekt is niet juist. In overleg met de Officier van Justitie is toentertijd het onderzoek stopgezet en op voorhand besloten het proces-verbaal over deze zaak niet in te sturen, maar op te leggen in de archieven van de politie, daar bij het politie-onderzoek niet kon worden vastgesteld dat de handelaar bij wie het schilderij werd aangetroffen en vorige bekende eigenaren het te kwader trouw in hun bezit zouden hebben gehad. De bij het onderzoek betrokken politiemensen kunnen zich niet meer herinneren of zij u van de beslissing van de Officier van Justitie in kennis hebben gesteld. Uit het feit dat U hier nu vragen over stelt en informeert naar voortgang van de opsporing concludeer ik dat het doen van deze mededeling toen achterwege is gebleven, hetgeen ik als een nalatigheid beschouw. Ik bied U hiervoor mijn excuses aan.

De werkprocessen bij de politie zijn intussen zodanig aangepast dat het een standaard is dat aangevers ge nformeerd worden over de manier waarop met de aangifte zal worden omgegaan en of een onderzoek al of niet zal worden ingesteld. Voorts is het onderzoek naar de andere schilderijen toen stopgezet, vanwege het feit dat onvoldoende of geen aanknopingspunten aanwezig waren om tot succes te kunnen komen. De politie heeft het schilderij niet in beslag genomen, daar de betrokken Officier van Justitie de kans zeer re el achtte dat de eigenaar van toen te goeder trouw was. Het advies om conservatoir beslag te laten leggen is gedaan, zodat U de mogelijkheid zou hebben via een civielrechtelijke procedure weer in het bezit van het schilderij te kunnen komen. Het taxatierapport was gewenst omdat de schattingen van de betrokken handelaren over de waarde van het schilderij nogal uiteenliepen. Mede aan de hand van het schaderapport moest worden vastgesteld of de eigenaar van toen en de bekende eigenaren van daarvoor te goeder of te kwader trouw waren. Ik hoop U hiermede voldoende te hebben ge nformeerd. Mocht U behoefte hebben aan nadere informatie, dan is dhr. O., inspecteur van politie, groepschef van de werkeenheid Oegstgeest/Rijnsburg, bereid deze te verschaffen. U kunt met hem telefonisch een afspraak maken via het bureau in Oegstgeest."
6. In reactie op verzoekers brief van 6 november 1996 deelde de fungerend hoofdofficier van justitie te 's-Gravenhage verzoeker bij brief van 18 november 1996 het volgende mee:
"Naar aanleiding van uw brief van 4 oktober 1995 is er een politieonderzoek in gang gezet. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. Een kopie van dit proces-verbaal is u ter hand gesteld. De officier van justitie mr. K. heeft de resultaten hiervan veelvuldig telefonisch met u en uw advocaat mr. Bu. besproken. Ook heeft hij u en hem gewezen op de (on)mogelijkheden van het openbaar ministerie in deze zaak. Aan uw raadsman is uiteindelijk medegedeeld, dat het strafrechtelijk onderzoek was be indigd zonder dat de overige schilderijen waren getraceerd. Uw raadsman heeft bij die gelegenheid toegezegd deze uitkomst met u te bespreken. Omdat er vele malen telefonisch contact met u was geweest en de beantwoording aan uw advocaat was overgedragen is verder afgezien van een schriftelijk antwoord aan u.

Over uw opmerking over het informeren van u als slachtoffer door politie en justitie, merk ik het volgende op. Politie en justitie hebben op zich genomen om de slachtoffers van misdrijven te informeren over de verloop van hun aangifte. Uit het bovenstaande blijkt dat u van het verloop van de zaak op de hoogte bent gehouden, daarmee is aan deze verplichting voldaan. (...)"
7. Vervolgens is een briefwisseling op gang gekomen tussen verzoeker en diverse overheidsinstanties, waaronder het regionale politiekorps Hollands Midden, het arrondissementsparket te 's-Gravenhage, de burgemeester van Oegstgeest, de burgemeester van Leiderdorp en de burgemeester van Katwijk.
B. Standpunt verzoeker
1. Het standpunt van verzoeker staat samengevat weergegeven onder

Klacht


.
2. In zijn brief aan de Nationale ombudsman van 8 augustus 1997, deelde verzoeker het volgende mee:
"Hierbij doe ik mijn beklag over het onjuiste handelen van de politie met betrekking tot de politietaken opsporing, vervolging, hulp en informatieverstrekking, zoals ik die in de volgende punten 1 t/m 14 kort zal beschrijven.
1. Enkele jaren geleden waren bij mij 5 schilderijen gestolen bij een inbraak. Daarvan had ik aangifte gedaan bij de politie en om opsporing verzocht. Ik ontving daarover echter nooit enige informatie. Door eigen onderzoek heb ik uiteindelijk een der gestolen schilderijen ontdekt op een verkoopexpositie van een handelaar in Ridderkerk.
2. Ik heb de vondst vervolgens aan de politie gemeld met het verzoek beslag te leggen op het schilderij en de overige vier schilderijen op te sporen langs de lijn van de helers. Na de melding (3.10.95) weigerde de politie beslag te leggen op het schilderij, hoewel het gevaar dreigde dat het direct zou worden verkocht en verdwijnen. De politie gaf geen motivering van die weigering.
3. Als gevolg van die weigering tot beslag, moest ik zelf (in aanwezigheid van de politie) beslag laten leggen op het schilderij en een procedure tot teruggave voeren. Die procedure duurt per oktober al twee jaar en zal nog langer duren. De kosten van de procedure bedragen al f.14.500,- en zullen nog hoger worden.


4. De politie was volledig op de hoogte van de handelsprijs van het schilderij door mijn inlichtingen (3.10), uit eigen onderzoek (p.v. 13.3.), uit toegestuurd vergelijkingsmateriaal en verkoopprijzen (18.10) en uit een taxatierapport van een be digd taxateur (24.10), opgemaakt op verzoek van de politie.
5. De politie weigerde elke informatie over de vorderingen en resultaten van het onderzoek naar de gestolen stukken en naar de helers. Dat is in strijd met de eigen regels over informatie in de Politiewijzer, blz 32,33.
6. De enig mogelijke informatie moest ik maanden later vernemen uit de krant (politiebericht 5.1.96). De politie wilde daarop niet reageren.
7. De politie wilde ook in 1996 geen antwoord geven op telefonische vragen en op brieven over de voortgang (13.8, 15.10). Dat is in strijd met de regels uit de Politiewijzer.
8. Als gevolg van de steeds herhaalde weigeringen van de politie om informatie te verstrekken, was ik gedwongen mij te wenden tot de Hoofdofficier van Justitie (6.11).
9. Als resultaat van de klacht bij de Hoofdofficier, gaf de politie voor het eerst enige informatie (18.11). men gaf te kennen dat het hele onderzoek al bijna een jaar geleden was gestopt, dat alle helers te goeder trouw waren en vrijuit waren gegaan en dat het dossier al enige tijd in het archief lag.
10. Daar de mededelingen van punt 9 in het geheel niet waren gemotiveerd, heb ik aan de politie gevraagd op welke gronden en normen de helers vrijuit waren gegaan en waarom het onderzoek was gestopt (2.12). Op mijn brief kreeg ik geen antwoord.
11. Wegens deze muur van onwil bij de politie tot medewerking, opsporing en informatie, diende ik een klacht in bij de korpschef Midden Holland (16.7). Op die klacht kreeg ik geen antwoord, noch een bericht van ontvangst.
12. Wel had de klacht tot gevolg dat ik opeens na 8 maanden als nog een reactie van de politie kreeg omtrent de redenen van het stoppen van het onderzoek en het laten lopen van de verdachten (25.7.). Uit die reactie bleek dat de politie de handelsprijzen van punt 4 niet geloofde, ondanks het rapport van de be digde taxateur. De politie vond het niet abnormaal dat vier handelaren, met veroordelingen wegens heling en bedrog (217, 326 Bis, 417 Bis Sr), het schilderij in 2 dagen aan elkaar doorspeelden. En men

vond hun prijzen (zonder betalingsbewijs) van ca 1/6 tot 1/3 van de normale winkelprijs 'redelijk gezien de taxatie'. Men vond het dan ook niet nodig om in administraties te kijken of het opkopersregister te controleren, terwijl het verhoor van helers gemakshalve even telefonisch werd gedaan. Bovendien vond de politie dat het heropenen van de zaak geen enkele zin had. Dat laatste lijkt inderdaad juist als deze zaak wederom door dezelfde personen op dezelfde manier zou worden behandeld.
13. Over het onderzoek naar de overige vier schilderijen heeft de politie nooit informatie gegeven. Ook thans wordt het verloop daarvan en de reden waarom dat eventueel is gestopt, verzwegen.
14. De politie meende in een nader bericht (30.7) dat met het antwoord van 25.7 ook alle punten van de klacht aan de korpschef voldoende waren beantwoord, zodat het antwoord op de klachten achterwege kon blijven. Doordat de politie mij in alles heeft tegengewerkt en nalatig was, maar daarentegen de beweringen van de handelaren ook zonder bewijs blind vertrouwde, was ik gedwongen een dure procedure te voeren die normaal niet nodig zou zijn geweest. Ik heb daardoor enorme financi le schade geleden, terwijl ik het van mij gestolen schilderij (...) nog steeds niet terug heb. Ik verzoek u daarom de handelingen van de politie na te gaan."
3. In zijn brief aan de Nationale ombudsman van 29 augustus 1997, deelde verzoeker onder meer het volgende mee:
"Dat (bedoeld is het terugvinden van een van de gestolen schilderijen: N.o.) meldde ik bij de politie, met opgave van de waarde, van vergelijkingsmateriaal en van de vraagprijs van de handelaar, en vroeg de politie beslag te leggen. Deze weigerde dat, kennelijk in overleg met de Officier van Justitie, maar gaf daarvan geen reden. Wel vroeg en kreeg de politie een officieel taxatie-rapport. De Officier van Justitie hield zich onbereikbaar en brieven aan de Hoofdofficier van Justitie daaromtrent werden niet beantwoord. Na veel vergeefse pogingen kreeg ik uiteindelijk de betrokken Officier van Justitie Mr K. aan de lijn. Deze weigerde informatie te geven en zei ge rriteerd 'dat hij wel wat beters had te doen dan de schilderijtjes van meneer D. achterna te lopen'. Na aandringen bleek hij eventueel bereid de processen-verbaal te sturen, maar alleen 'aan een advocaat'. Via een advocaat kreeg ik later tegen fikse vergoeding de processen-verbaal van verhoor van vijf opvolgende handelaren. (...)

De politie en het O.M. gaven verder geen antwoord op brieven en vragen om informatie. (...) Bij navraag omtrent het uitblijven van antwoord op mijn brieven en vragen, berichtte de Hoofdofficier van Justitie dat de Officier van Justitie Mr K. 'de resultaten van het onderzoek veelvuldig had besproken', zowel met mij als met 'advocaat Mr. Bu.'. Dat is geheel in strijd met de waarheid. Ik heb nooit iets van een advocaat of Mr K. vernomen en genoemde advocaat is mij niet bekend. Ook de overige opmerkingen in de brief waren volstrekt in strijd met de waarheid. Ik acht dat een ernstig feit voor een Officier van Justitie, In januari 1997 heb ik de Hoofdofficier van Justitie op de onjuistheden in zijn brief gewezen en gevraagd waarom ik steeds geen antwoord ontving of informatie had gekregen. De Hoofdofficier stuurde slechts een kattebelletje dat het O.M. correct had gehandeld. Ik leg deze klacht hierbij aan U voor met het verzoek de handelingen van het O.M. na te gaan. (...)"
4. Verzoeker had bij zijn brieven van 8 en 29 augustus 1997, 20 oktober 1997 en 18 november 1997 diverse bijlagen gevoegd.
4.1. Hieronder bevond zich een brief van verzoeker aan de heer Oe., Hoofd Politiezaken van het District Duin- en Bollenstreek Zuid van het regionale politiekorps Hollands Midden van 10 augustus 1997. Hierin vroeg verzoeker, onder meer aan de hand van elf concrete vragen, volledige informatie over de voortgang van het opsporingsonderzoek inzake de vijf bij hem ontvreemde schilderijen.
4.2. Bij brief van 12 augustus 1997 bevestigde politieambtenaar Oe. de ontvangst van verzoekers brief van 10 augustus 1997. Ook werd in deze brief verzoeker een inhoudelijke reactie op zijn brief in het vooruitzicht gesteld.
4.3. Onder de bijlagen bevond zich verder een brief van verzoeker aan de chef van het regionale politiekorps Hollands Midden van 26 augustus 1997. In deze brief gaf verzoeker onder meer aan geen reactie te hebben ontvangen op zijn brief aan de korpschef van 16 juli 1997.
4.4. Ten slotte bevond zich onder de bijlagen een brief van verzoeker aan de chef van het district Duin- en Bollenstreek Zuid van het regionale politiekorps Hollands Midden van 23 september 1997. Hierin verzocht hij om alsnog, binnen een week, volledig en eerlijk te

reageren op zijn eerdere brieven van 6 en 10 augustus 1997. Ook vroeg hij om informatie over het opsporingsonderzoek C. Standpunt beheerder van het regionale politiekorps Hollands Midden
1. Bij brief van 4 december 1997 reageerde de beheerder van het regionale politiekorps Hollands Midden op verzoekers klacht. Hierin deelde hij onder meer het volgende mee:
"Met betrekking tot het eerste deel van de klacht, betreffende het onvoldoende verstrekken van informatie deel ik u het volgende mede. Door de heer D. zijn diverse brieven aan medewerkers van het korps Hollands Midden gezonden. Daarnaast diende de heer D. bij zijn brief van 16 juli 1997 een klacht in, welke conform de klachtenregeling Politie Hollands Midden in behandeling werd genomen. Uit dit onderzoek is gebleken, dat er diverse malen contact is geweest met de heer D. waarbij hij werd ge nformeerd over de stand van zaken. De verstrekte informatie was kennelijk niet de informatie, die de heer D. verwachtte. (...) Ik erken, dat de reactie op de door de heer D. gezonden brieven aan de chef van het district sneller had gekund. Ik acht de klacht, dat de heer D. onvoldoende zou zijn ge nformeerd, evenwel ongegrond. Met betrekking tot het tweede deel van de klacht, betreffende het niet (tijdig) reageren op met name genoemde brieven, bericht ik u, dat de heer D. op 16 juli 1997 een klacht bij de korpschef van de Politie Hollands Midden had ingediend. Deze werd, conform de klachtenregeling, bij brief van 22 juli 1997 gezonden aan de burgemeester van Oegstgeest. Daarbij werd vermeld, dat aan klager nog geen ontvangstbevestiging werd gezonden. Deze procedure is sinds 3 jaar een gebruikelijke gang van zaken. De burgemeester draagt vervolgens zorg voor de ontvangstbevestiging. Deze ontvangstbevestiging is door de chef van het district Duin- en Bollenstreek Zuid verzonden op 30 juli 1997. Abusievelijk vermeldt hij in zijn schrijven ...uw klacht van 22 juli jl. ... Hetgeen diende te zijn ... uw klacht van 16 juli jl. .... Naar aanleiding van de brief van 26 augustus 1997 is door mijn medewerker de heer P. op 01 september 1997 telefonisch contact opgenomen. De heer D. bleek niet aanwezig. Aan mevrouw D. is medegedeeld, dat de ontvangen brieven als klacht werden behandeld en dat het onderzoek in deze gaande is. Tevens werd haar het verzoek gedaan dit aan haar echtgenoot mede te delen en dat indien hij nog vragen had hij telefonisch contact kon opnemen met de heer P.

Op 24 september 1997 werd het klachtdossier ontvangen. In week 41 geeft de heer P. telefonisch bericht aan de heer D., dat hij in week 42 de beslissing op zijn klacht kan verwachten. Deze wordt hem op 16 oktober 1997 toegezonden. De brieven van 10 augustus 1997 en 23 september 1997, respectievelijk gezonden aan het hoofd Politiezaken en de chef van het district Duin- en Bollenstreek Zuid, zijn in de beslissing op de klacht van 16 juli 1997 beantwoord. Ook het tweede deel van de klacht van de heer D. acht ik ongegrond."
2. Bij de brief van de korpsbeheerder was een groot aantal (37) bijlagen gevoegd. Een hiervan was een brief van 13 oktober 1997 waarmee de directeur politie van het regionale politiekorps Hollands Midden, namens de korpsbeheerder, verzoekers klacht van 16 juli 1997 afdeed. Hierin werd onder meer het volgende meegedeeld:
"In antwoord op uw schrijven 16 juli 1997 en uw schrijven 26 augustus 1997 bericht ik u het volgende. (...) Op 14 augustus 1996 ontving de districtschef een brief van u, waarin u zich beklaagde over de gang van zaken en verzocht u om informatie. Door een groepschef is daarop een onderzoek ingesteld. Hij maakte een rapportage gedateerd 27 augustus 1996. Op 17 oktober 1996 ontving de districtschef een brief, waarin u verzocht uw eerste schrijven te beantwoorden. Het Hoofd Politie-zaken heeft hierop een reactie geformuleerd op basis van het rapport van genoemde groepschef. De districtschef heeft u geantwoord bij schrijven van 18 november 1996. De districtschef ontving als reactie een schrijven, gedateerd op 2 december 1996, van u. Daarop is door de chef van de districtsrecherche een proces-analyse gemaakt. Zijn bevindingen zijn neergelegd in een rapport dd. 22 mei 1997. Vervolgens is op deze proces-analyse, met de onderliggende stukken, een mening gevraagd aan het Openbaar Ministerie. Deze mening is weergegeven in een notitie van 23 juni 1997. Vervolgens heeft de districtschef gereageerd bij zijn schrijven van 25 juli 1997. Intussen ontving de korpschef een klacht van u, gedateerd 16 juli 1997. Tot zover de gevoerde correspondentie. (...) Ad 4. Het feit dat aan u, nadat u uit de krant had vernomen dat de politie enkele helers had verhoord, geen inlichtingen werden verstrekt is een tekortkoming van de politie. Het is niet vastgesteld kunnen worden dat er geen inlichtingen werden verstrekt. Het is echter zeer aannemelijk dat dat inderdaad niet is gebeurd.

Ad 5. Op 18 november 1996 heeft de districtschef u geantwoord. Ad 6. Het onderzoek is eind december 1995/ begin januari 1996 stopgezet. Waarschijnlijk is toen de mededeling daarover aan u niet gedaan. In dezelfde brief van 18 november 1996 heeft de districtschef daarover zijn excuses aangeboden. (...) Ad 7. Met de daar aangehaalde 'schriftelijke vragen' doelt u naar ik aanneem op uw brief van 2 december 1996. De proces-analyse is opgestart en in de maand april 1997 had het Hoofd Politiezaken telefonisch contact met u. Hij heeft u toen uitgenodigd voor een gesprek en medegedeeld dat de proces-analyse nog op zich liet wachten. U zag echter geen meerwaarde in een gesprek en u heeft daarvoor bedankt. U verklaarde de schriftelijke reactie van de districtschef af te willen wachten. Uiteindelijk heeft het uitvoeren van de analyse, het vragen om een mening van het Openbaar Ministerie daarover en het concipi ren van uiteindelijk de brief van 25 juni 1997 aan u te lang geduurd. De constatering van u, dat het antwoord niet is gekomen is echter niet juist. Dat kan verklaard worden uit het feit dat de brief van de districtschef van 25 juli 1997 door u werd ontvangen na het indienen van de klacht bij de Korpschef. (...)"
D. Standpunt Minister van Justitie

1. De Minister van Justitie reageerde op verzoekers klacht bij brief van 16 maart 1998. Hierin deelde de Minister onder meer mee, dat zij de klacht, voor zover deze betrekking had op het arrondissementsparket te 's-Gravenhage, ongegrond achtte. In haar brief deelde de Minister verder het volgende mee:
"Uit telefonische inlichtingen van het openbaar ministerie te Den Haag is gebleken dat de brieven van respectievelijk 25 september 1995, 18 oktober 1995, 22 november 1995 en 2 december 1996 niet in het dossier zijn aangetroffen. Deze brieven zijn ook niet aangetroffen in het registratiesysteem. Onduidelijk is of deze brieven wel naar het parket zijn toegezonden. De brieven van 13 augustus 1996 en 15 oktober 1996 zijn in elk geval geadresseerd aan het politiebureau te Katwijk. De brieven van 4 oktober 1995 en 8 januari 1996 zijn wel bekend op het parket. Zij zijn op 24 april 1996 in een telefoongesprek tussen de advocaat van de heer D. en de officier van justitie aan de orde gekomen. Dit blijkt uit een telefoonnotitie van de officier van justitie, die als bijlage is bijgevoegd. De brief van 30 januari 1997 is eveneens bekend en beantwoord bij brief van 18 maart 1997."


2.1. Bij de brief van de Minister van Justitie van 16 maart 1998 was als bijlage gevoegd een brief van 12 februari 1998 van de fungerend hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket te 'sGravenhage aan het College van Procureurs-generaal. Hierin deelde hij onder meer het volgende mee:
"Het dossier begint op 4 oktober 1995 met de melding van klager over de aangetroffen schilderijen en het verzoek tot politie-ingrijpen. Op 23 oktober 1995 doet de officier van justitie navraag bij de politie. Er volgt geen ingrijpen, omdat er onvoldoende bewijs voor heling aanwezig is. Uit de handgeschreven aantekeningen van de officier van justitie de heer K. van 24 april 1996 blijkt dat er veelvuldig contact is geweest met klager en zijn advocaat. Uit de zinsnede 'Over deze zaak heb ik uiteindelijk in afhoudende zin gesproken met mr. Bu. die begreep dat wij verder niets meer konden doen en die dat aan zijn cli nt zou overbrengen (althans dat zou proberen)' bleek al dat klager de beslissing tot niet vervolgen niet wilde accepteren. Vervolgens komt er via de Hoge Raad en uw college een brief van klager met het verzoek om de rijksrecherche in te schakelen omdat er onvoldoende reactie en onderzoek in de ogen van klager wordt ingesteld. Bij brief van 18 november 1996 van de fungerend hoofdofficier wordt dit afgewezen. Uitvoerig wordt de motivatie andermaal aan klager medegedeeld. Begin 1997 komt er opnieuw dezelfde klacht. Nu in de richting van de hoofdofficier. Wederom wordt hem ontkennend geantwoord. Volledigheidshalve wordt hij op de 12 strafvorderingprocedure gewezen. Hiervan maakt hij geen gebruik. Op 15 augustus 1997 probeert klager opnieuw om strafvervolging te bewerkstelligen. Nu via de secretaris de heer R. Ook deze keer wordt klager afgewezen. Op 17 oktober 1997 stuurt hij de heer R. vervolgvragen. Deze worden eveneens door de heer R. beantwoord. Ik ben van mening dat klager vele malen is geantwoord, waarbij ik ook nog wijs op de uitvoerige brief van de politie Hollands Midden van 22 oktober 1997. In het licht van het voorgaande, meen ik dan ook dat de stelling dat klager niet is ge nformeerd door het arrondissementsparket niet opgaat."
2.2. Bij de brief van de Minister van Justitie van 16 maart 1998 was verder als bijlage gevoegd een handgeschreven interne memo van

24 april 1996 van officier van justitie K. aan de fungerend hoofdofficier van justitie. Hierin deelde hij onder meer het volgende mee:
"In deze zaak heb ik veelvuldig contact gehad met de heer D. en zijn raadsman, mr. Bu. uit Leiden. (...) Over deze zaak heb ik uiteindelijk in afhoudende zin gesproken met mr. Bu. die begreep dat wij verder niets meer konden doen en die dat aan zijn cli nt zou overbrengen (althans dat zou pogen). (...)"
2.3. Onder de bijlagen bevond zich ook een brief van 30 januari 1997 van verzoeker aan de hoofdofficier van justitie. Hierin deelde hij onder meer het volgende mee:
"Op mijn brief van 6 november 1996, met voor de derde maal dezelfde vragen, gaf (de fungerend hoofdofficier van justitie; N.o.) tot mijn verbazing ten antwoord dat een proces-verbaal van het onderzoek aan mij ter hand was gesteld, dat mr. K. dit veelvuldig met mij en mijn raadsman had besproken en had gewezen op de (on)mogelijkheden van het O.M. en dat aan de raadsman was meegedeeld dat het strafrechtelijk onderzoek was ge indigd, hetgeen deze met mij zou bespreken. Dat is volstrekt in strijd met de waarheid. Bovendien heb ik geen raadsman nodig om van het O.M. stukken te ontvangen. Wel had de advocaat in de procedure tot revindicatie enkele processen-verbaal(...) ontvangen. Met mr. K. had hij geen contact gehad. (...)"
E. Reactie verzoeker

1. Bij brieven van 23 en 29 april 1998 en 5 en 29 mei 1998 reageerde verzoeker op de respectieve standpunten van de beheerder van het regionale politiekorps Hollands Midden en van de Minister van Justitie. In deze brieven gaf verzoeker gedetailleerd aan op grond waarvan hij onverminderd van mening was dat het opsporingsonderzoek naar aanleiding van zijn melding van 4 oktober 1995 de toets der kritiek niet kon doorstaan. Met betrekking tot het standpunt van de korpsbeheerder gaf verzoeker voorts te kennen dat de regiopolitie Hollands Midden hem geen informatie over het opsporingsonderzoek had verstrekt en dat de politie met grote regelmaat had geweigerd zijn brieven te beantwoorden. Verder vroeg verzoeker de Nationale ombudsman te doen bewerkstelligen dat de regiopolitie Hollands Midden de door hem geleden schade zou vergoeden, dan wel de gestolen schilderijen zou doen terug bezorgen. Met betrekking tot het standpunt van de Minister van Justitie stelde verzoeker dat zij haar conclusies heeft getrokken op basis van

verkeerde en niet gecontroleerde ambtsberichten. Verzoeker voegde daar aan toe dat van de zijde van het arrondissementsparket te 'sGravenhage nimmer was gereageerd, schriftelijk, noch mondeling, en dat geen enkele advocaat, ook niet de hem geheel onbekende mr. Bu., ooit enig bericht van officier van justitie K. aan hem had doorgegeven.
2. Bij verzoekers brief van 29 mei 1998 was als bijlage gevoegd een faxbericht van 24 oktober 1997, waarin verzoeker de burgemeester van Katwijk onder meer meedeelde dat de door hem in het desbetreffende faxbericht gevraagde gegevens moesten worden toegestuurd aan een mr. Du., advocaat.
F. Nadere informatie door de officier van justitie mr. K. en door de heer mr. Du, advocaat
1. Daarnaar gevraagd, deelde de bij deze zaak betrokken officier van justitie mr. K. op 9 oktober 1998 een medewerker van het Bureau Nationale ombudsman telefonisch mee dat hij, nadat hij veelvuldig telefonisch contact had gehad met verzoeker, begin 1996 verzoekers raadsman, mr. Du., telefonisch had benaderd, om naast verzoeker ook hem mee te delen waarom het opsporingsonderzoek niet werd voortgezet. Volgens mr. K. had mr. Du begrip gehad voor deze beslissing en zou hij contact opnemen met zijn cli nt om een en ander nog eens aan hem uit te leggen. Mr. K. deelde mee het te betreuren dat van de talloze telefoongesprekken met verzoeker, noch van het telefoongesprek met verzoekers raadsman, telefoonnotities waren gemaakt.
2. Op 12 oktober 1998 liet verzoekers raadsman mr. Du., daarnaar gevraagd, een medewerker van het Bureau Nationale ombudsman weten dat officier van justitie K. hem inderdaad, op of rond 18 januari 1996, telefonisch had benaderd om hem uit te leggen op grond van welke overwegingen was besloten het opsporingsonderzoek te be indigen. Ook had de officier van justitie hem gevraagd er bij zijn cli nt op aan te willen dringen te stoppen met het veelvuldig benaderen van politie en justitie met vragen over het opsporingsonderzoek. Ten aanzien van dit punt gaf mr. Du. aan wel begrip te hebben voor het feit dat de contacten tussen zijn cli nt en politie en justitie over en weer tot enige irritatie hadden geleid. Ook heeft mr. Du. te kennen gegeven dat hij zijn cli nt schriftelijk op de hoogte had gesteld van de inhoud van het desbetreffende telefoongesprek.
G. Nadere reactie verzoeker

1. In reactie op de in de brief van de Minister van Justitie aan de

Nationale ombudsman van 16 maart 1998 gedane opmerking dat een aantal van de brieven van verzoeker in het dossier, noch in het registratiesysteem van het arrondissementsparket te 's-Gravenhage zijn aangetroffen, zond verzoeker bij brief van 12 oktober 1998 een brief van hem aan een politieambtenaar van het districtsbureau Duin- en Bollenstreek Zuid van 18 oktober 1995 toe.
2. Bij brief van 9 november 1998 gaf verzoeker, naar aanleiding van het telefoongesprek dat een medewerker van het Bureau Nationale ombudsman met zijn advocaat had gevoerd (zie hiervoor onder F.2.), te kennen dat deze advocaat uitsluitend was ingeschakeld ten behoeve van de door verzoeker aangevangen civiele procedure ter revindicatie van het aangetroffen schilderij. Naar verzoekers mening was deze advocaat niet ingeschakeld om verzoeker te vertegenwoordigen tegenover een officier van justitie of om mededelingen van een officier van justitie aan te nemen. Verzoeker herhaalde voorts de stelling dat zijn advocaat hem nimmer had ge nformeerd over enig gesprek met een officier van justitie.

Beoordeling

Algemeen Op 4 november 1991 werden bij een inbraak in de woning van verzoeker vijf schilderijen gestolen. Verzoeker heeft hiervan aangifte gedaan bij de politie in zijn woonplaats. Kort voor 4 oktober 1995 kreeg verzoeker een brochure van een kunsthandel onder ogen, waarin een van de bij hem gestolen schilderijen te koop werd aangeboden. Nadat verzoeker de politie en het arrondissementsparket te 's-Gravenhage op de hoogte had gesteld van deze ontdekking, heeft de politie de eigenaar van de desbetreffende kunsthandel en vervolgens nog vier andere bij de kunsthandel betrokken personen als getuige gehoord. Begin januari 1996 vernam verzoeker uit een politiebericht in een plaatselijke krant dat de politie, na het horen van de getuigen, proces-verbaal terzake van heling zou opmaken.
A.
Ten aanzien van het regionale politiekorps Hollands MiddenI. Ten aanzien van de informatieverstrekking1. Verzoeker klaagt er in de eerste plaats over dat het regionale politiekorps Hollands Midden hem onvoldoende heeft ge nformeerd over de vorderingen van het na de diefstal in 1991 gestarte opsporingsonderzoek.
2. Omdat verzoeker en de korpsbeheerder zich met betrekking tot dit deel van de klacht vrijwel geheel concentreren op de periode vanaf

oktober 1995, zal de Nationale ombudsman zich onthouden van een oordeel over de informatieverstrekking door de politie in de periode november 1991 tot oktober 1995.
3. De beheerder van het regionale politiekorps Hollands Midden heeft in reactie op dit gedeelte van verzoekers klacht te kennen gegeven dat onderzoek had uitgewezen dat er tussen verzoeker en medewerkers van zijn regiokorps diverse malen contact is geweest, waarbij verzoeker was ge nformeerd over de stand van zaken
4. In afwijking van hetgeen de korpsbeheerder de Nationale ombudsman op dit punt heeft meegedeeld, heeft de directeur politie, namens de korpsbeheerder, in zijn brief van 13 oktober 1997 ter afdoening van verzoekers klacht te kennen gegeven dat zeer aannemelijk is dat verzoeker niet eerder dan bij brief van 18 november 1996 van de chef van het district Duin- en Bollenstreek Zuid van het regionale politiekorps Hollands Midden is ge nformeerd over het feit dat was besloten het opsporingsonderzoek niet voort te zetten. Dat medewerkers van het regionale politiekorps Hollands Midden verzoeker eerder dan 18 november 1996 van dit, al begin 1996 genomen, besluit op de hoogte hebben gebracht, is niet gebleken. Dit betekent dat het regionale politiekorps Hollands Midden verzoeker onvoldoende op de hoogte heeft gehouden van het verloop van het opsporingsonderzoek. De onderzochte gedraging is op dit punt niet behoorlijk.
II. . Ten aanzien van de beantwoording van enige brieven

1. Verzoeker klaagt er voorts over dat het regionale politiekorps Hollands Midden tot op het moment dat hij zich tot de Nationale ombudsman wendde niet had gereageerd op zijn brieven van 10 en 26 augustus 1997 en van 23 september 1997.
2. De korpsbeheerder heeft in reactie op dit gedeelte van verzoekers klacht meegedeeld dat het antwoord van de politie op verzoekers brieven van 10 augustus 1997 en 23 september 1997 was verwerkt in de brief van 13 oktober 1997, waarmee de korpsbeheerder verzoekers klacht, ingediend bij brief van 16 juli 1997, had afgedaan. Naar aanleiding van verzoekers brief van 26 augustus 1996 had, zo had de korpsbeheerder meegedeeld, op 1 september 1997 telefonisch contact plaats gehad tussen een medewerker van de politie en verzoekers echtgenote.
3. In zijn brief van 10 augustus 1997 heeft verzoeker, mede aan de hand van elf concrete vragen, gevraagd om volledige informatie over de voortgang van het opsporingsonderzoek. Gebleken is dat het regionale politiekorps Hollands Midden de

ontvangst van verzoekers brief heeft bevestigd bij brief van 12 augustus 1997. In die ontvangstbevestiging werd tevens meegedeeld dat verzoeker binnenkort een reactie kon verwachten. In de aanhef van de klachtafhandelingsbrief van 13 oktober 1997, werd uitdrukkelijk gesteld dat de desbetreffende brief een reactie was op verzoekers brieven aan de chef van het regionale politiekorps Hollands Midden van 16 juli 1997 en 26 augustus 1997. Dat de brief van 13 oktober 1997 ook een reactie zou zijn op verzoekers brieven aan de politieambtenaar Oe., respectievelijk de chef van het district Duin- en Bollenstreek Zuid van 10 augustus 1997 en 23 september 1997 blijkt niet uit de aanhef. Weliswaar werd in de klachtafhandelingsbrief onder meer het door verzoeker verlangde overzicht verstrekt, maar niet kan worden geconcludeerd dat dit is gebeurd in reactie op verzoekers brieven van 10 augustus 1997 en 23 september 1997. Door in de brief van 13 oktober 1997 niet uitdrukkelijk duidelijk te maken dat daarmee een vervolg werd gegeven aan de ontvangstbevestiging van 12 augustus 1997, heeft het regionale politiekorps Hollands Midden in de hand gewerkt dat hieromtrent onduidelijkheid heeft kunnen ontstaan bij verzoeker. De onderzochte gedraging is op dit punt eveneens niet behoorlijk.
4. Het is de Nationale ombudsman gebleken dat bij verzoeker nog vragen leven over de opsporing van de in 1991 bij hem ontvreemde schilderijen. Gelet daarop zal de korpsbeheerder de aanbeveling worden gedaan om verzoeker door de politie te laten uitnodigen voor een gesprek over deze vragen.
B.
Ten aanzien van het arrondissementsparket te 's-Gravenhage1. Verzoeker heeft er verder over geklaagd dat het arrondissementsparket te 's-Gravenhage hem tot op het moment dat hij zich tot de Nationale ombudsman wendde, niet had ge nformeerd over de redenen om niet over te gaan tot vervolging van door verzoeker aangewezen personen.
2. In reactie op dit deel van verzoekers klacht heeft de Minister van Justitie meegedeeld dat officier van justitie K. op 24 april 1996 met mr. Bu., de raadsman van verzoeker, een telefoongesprek heeft gevoerd waarin een toelichting is gegeven op de redenen om de door verzoeker aangegeven personen niet te vervolgen.
3. In reactie hierop deelde verzoeker mee dat een mr. Bu. hem geheel onbekend was. Ook ontkende verzoeker dat zijn advocaat contact had gehad met officier van justitie K.
4. Gebleken is dat officier van justitie mr. K. medio januari 1996

telefonisch contact heeft gehad met verzoekers raadsman mr. Du., in een aantal van de door de Minister van Justitie overgelegde stukken per abuis mr. Bu. genoemd. Gebleken is tevens dat verzoekers raadsman er van uit gaat dat dit telefonisch contact het gevolg was van kennelijk bij de officier van justitie ontstane irritatie over het feit dat verzoeker hem veelvuldig had benaderd met vragen over het opsporingsonderzoek. Verzoekers raadsman heeft daar aan toegevoegd op zich wel begrip op te kunnen brengen voor deze irritatie. Tegen die achtergrond bezien bestaat er aanleiding om aan te nemen dat verzoeker en medewerkers van het arrondissementsparket te 'sGravenhage – veelvuldig - contact met elkaar hebben gehad over de voortgang van het opsporingsonderzoek. Dat verzoeker in het kader van die contacten informatie over het niet voortzetten van het opsporingsonderzoek zou zijn onthouden, is niet aannemelijk. De onderzochte gedraging is op dit punt behoorlijk. CONCLUSIE De klacht over de onderzochte gedraging van het regionale politiekorps Hollands Midden, die wordt aangemerkt als een gedraging van de beheerder van dat korps (de burgemeester van Leiden), is gegrond. De klacht over de onderzochte gedraging van het arrondissementsparket te 's-Gravenhage, die wordt aangemerkt als een gedraging van de Minister van Justitie, is niet gegrond. Met instemming heeft de Nationale ombudsman ervan kennisgenomen dat het regionale politiekorps Hollands Midden zijn werkprocessen zodanig heeft aangepast dat personen die aangifte hebben gedaan voortaan standaard worden ge nformeerd over de verdere afhandeling van hun aangifte.

Aanbeveling

De beheerder van het regionale politiekorps Hollands Midden wordt in overweging gegeven om verzoeker door de politie te laten uitnodigen voor een gesprek over vragen die bij verzoeker leven over de opsporing van de in 1991 bij hem ontvreemde schilderijen.

Zoek in rapporten

Formaat: 2011/049

Rapport tekst

Text Size

Printervriendelijke versie
Lees voor