Verder lezen Lezingen en toespraken
Mr. Roel Fernhout
Nationale ombudsman
Toespraak bij de officiële opening van het nieuwe gebouw van het Bureau Nationale ombudsman op 25 april 2001
Majesteit, dames en heren,
De Nationale ombudsman , wij allen die hier werken zijn buitengewoon vereerd dat U, Majesteit, bereid was deze middag ons nieuwe gebouw te openen. Door uw openingshandeling zijn - letterlijk - de deuren opengegaan.
Een al wat ouder Engels standaardwerk over de ombudsman begint met een citaat van John Milton uit Areopagitica:
For this is not the liberty which wee can hope, that no grievance ever should arise in the Commomwealth, that let no man in this World expect; but when complaints are freely heard, deeply consider’d, and speedily reform’d, then is the utmust bound of civill liberty attain’d that wise man looke for.
John Milton schreef zijn essay Areopagitica over de vrijheid van drukpers in 1644. Nu, na meer dan 350 jaar hebben deze woorden nog niet aan actualiteit ingeboet. En ook dit jonge instituut met zijn 19 jaren kan zich in deze woorden spiegelen. [Niet voor niets is onze missie als volgt geformuleerd: "Vanuit onpartijdigheid een open oog en oor hebben voor klachten van burgers over de overheid en deze zodanig behandelen dat de burger en de overheid wordt recht gedaan en de overheid ervan leert".]
Een Commonwealth, een samenleving zonder grieven en klachten is niet iets wat wij mogen verwachten. Dat is bij Milton niet een berustende, tragische constatering, maar heeft een positieve duiding. In een samenleving waarin klachten niet kunnen worden geuit, is meer aan de hand, daar is de 'liberty', de vrijheid, de democratie in gevaar. Maar worden klachten "freely heard, deeply consider'd and speedily reform’d", dan is dat een teken van de hoogste burgerlijke vrijheid die we kunnen bereiken. Of, in hedendaagse terminologie: het functioneren van het klachtrecht is een maatstaf voor de democratie zelf. Het past bij een levende democratie en houdt de democratie levend.
Deze Miltiaanse wijsheid wil in dit gebouw weerspiegeld zijn. De enorme deuren staan de hele dag voor iedereen open. En daar in die openheid bent u allen het gebouw letterlijk binnengetreden over onze luisterende oren, ontworpen door Pieter Laurens Mol. Klachten worden "freely heard".
Het volgende beeld van hem dat u tegenkomt, is dat van de boodschapper die tegen een diepblauwe achtergrond met een globe naar binnen ijlt. De globe als beeld van bekommernis, bezorgdheid over de toestand in de wereld, de commonwealth, onze samenleving. De kleur blauw als achtergrond is de kleur van autonomie en geestelijke vrijheid en vanaf het begin van dit instituut de kleur van de ombudsman. En u zult deze kleur vandaag ook elders in het gebouw tegenkomen.
De architectuur van dit in opdracht van de Rijksgebouwendienst door aannemer IBC gerenoveerde gebouw wil al evenzeer uitdrukken dat klachten "freely heard and deeply consider'd" worden. Voor de renovatie had het gebouw in woorden van de architect Rob Hootsmans om allerlei redenen een hoog "Oost-Duitslandgehalte": een uitstraling die het tegendeel suggereert van die van een samenleving waarin de "utmost bound of civill liberty is attain’d". Het gebouw heeft een ingrijpende "Wende" ondergaan. Het is eenvoudiger dan eenvoudigst geworden, ook in de aansprekende inrichting door Gijs Niemeijer en Floor van Ditzhuyzen, die door de firma Van der Plas zo fraai is uitgevoerd. Het is rechttoe rechtaan, degelijk en sterk, maar in zijn nieuwe vorm is slechts 25% van de buitenkant, van de gevel dicht. De uitstraling van het nieuwe gebouw is open. Het is licht, toegankelijk, doorgankelijk en doorzichtig. Door al het glas wordt 75% van de buitenkant bepaald door de binnenkant. U kunt van buiten naar binnen kijken. U ziet ons werken. U ziet hoe wij met klachten omgaan. Voor de buitenwereld blijft niets verborgen. En wandelt u straks door het gebouw dan ervaart u een ijl schitterende transparantheid. Het gebouw wil in alles het tegenovergestelde zijn van een anonieme bureaucratie.
Klachten moeten in Miltons visie over vrijheid en democratie niet alleen vrijelijk gehoord, diepgaand onderzocht, maar ook "speedily reform’d" worden. Dan pas is "the utmost bound of civill liberty attain’d that wise men looke for".
Hier treedt de ombudsman een stap terug. Hij geeft slechts een oordeel, kan een aanbeveling doen, maar heeft geen beslissende bevoegdheid. Het zijn de bestuursorganen zelf die ervoor moeten zorgen dat klachten "speedily reform’d" worden. Worden de aanbevelingen niet opgevolgd, dan komt de relatie tot het parlement in het geding; een relatie die recentelijk toch wat ongenuanceerd op de voorpagina van misschien wel de beste krant van Nederland is weergegeven.
De Nationale ombudsman is door de Tweede Kamer benoemd en heeft daarmee een ombud - een volmacht - van de Tweede Kamer. In zekere zin is hij de gemachtigde van de Tweede Kamer en verricht hij zijn controlerende taak ten aanzien van bestuursorganen namens deze Kamer. In zoverre kan hij gezien worden als aanvulling op en ondersteuning van de democratische controle door de volksvertegenwoordiging. Zijn zelfstandige positie in de Grondwet, naast Raad van State en Algemene Rekenkamer, de wettelijke regeling van schorsing of ontslag, de regeling van de incomptabiliteiten en zijn bevoegdheid om op eigen initiatief onderzoek te doen wijzen veeleer in de richting van volledige onafhankelijkheid. In zekere zin reikt zijn werkterrein ook verder dan het terrein dat de Tweede Kamer controleert, nu ook zelfstandige bestuursorganen en vele decentrale overheden binnen zijn bevoegdheid vallen. Toch geeft de bijzondere benoemingsprocedure aan dat hij als vertrouwenspersoon van de Tweede Kamer kan worden gezien en dat hij het blijvend vertrouwen van het parlement moet genieten, wil hij zijn ambt goed kunnen vervullen.
Over de positionering van de ombudsman als vertrouwenspersoon van het parlement is niet altijd hetzelfde gedacht.
[De Commissie Langemeijer koos in haar rapport voor de Wiardi Beckman Stichting in 1963 voor een benoeming door de Tweede Kamer van een Commissaris-Generaal voor de bezwaren, maar benadrukte tegelijkertijd zijn onafhankelijkheid van de Staten Generaal.
Het ontwerp van de Commissie Belinfante voor de Vereniging voor Administratief Recht sprak zich daarentegen in 1964 uit voor een algemeen vertrouwenspersoon benoemd door de Kroon, omdat voor de Nederlandse verhoudingen de Scandinavische constructie van benoeming door de volksvertegenwoordiging minder passend zou zijn.]
In de Nota inzake het ombudsmanvraagstuk koos de regering in 1968 voor een parlementaire ombudsman, die door de Staten Generaal ontvangen klachten op verzoek van de Commissie voor de Verzoekschriften in behandeling zou nemen. Ook rechtstreeks aan de ombudsman uitgebrachte klachten zou deze slechts kunnen behandelen door tussenkomst van de Commissie voor de Verzoekschriften van de Tweede Kamer. De Tweede Kamer zelf maakte echter door middel van de motie-Rietkerk korte metten met dat idee. Geen parlementaire zeef. Een ieder kan rechtstreeks bij de ombudsman een klacht indienen. Met het aannemen van de motie-Rietkerk was de ombudsman als onafhankelijk instituut in wezen vastgelegd.
Toch stond de wijze van benoeming nog geenszins vast. De regering koos in het uiteindelijke wetsontwerp voor benoeming door de Kroon op voordracht van de Tweede Kamer[, waarbij de Kamer rekening diende te houden met een aanbeveling van de vice-president van de Raad van Sate, de president van de Hoge Raad en de president van de Algemene Rekenkamer.] Een meerderheid van de Tweede Kamer vreesde dat benoeming door de Kroon aan het onafhankelijke karakter van de ombudsman afbreuk zou doen, terwijl de regering in geval van benoeming door het parlement het gevaar van politisering van de functie aanwezig achtte. Het pleidooi van de regering was tevergeefs. Bijna alle fracties bleken voorstander van benoeming door de Tweede Kamer. Deze voorkeur werd in een aantal amendementen van het toenmalige kamerlid Nijpels neergelegd. De regering nam uiteindelijk na geconstateerd te hebben dat een benoeming door de Tweede Kamer geen precedent zou vormen voor ander benoemingen, de amendementen Nijpels over. En daarmee zijn de Nationale ombudsman en de substituut-ombudsman - afgezien van de benoeming van haar voorzitter en andere functionarissen -de enige door de Tweede Kamer benoemde ambtsdragers in dit land.
Majesteit, dames en heren, de Nationale ombudsman en daarmee bedoel ik opnieuw wij allen die hier werken - stellen het bijzonder op prijs dat de voorzitter van de Tweede Kamer bereid is vandaag uiting te geven aan die bijzondere relatie tussen de Kamer en de ombudsman. Die relatie is - zoals iedere relatie in het leven - niet vanzelfsprekend. Zij beweegt zich tussen het ombud/de volmacht en de onafhankelijkheid. Maar gezien de vertrouwensrelatie tussen beide zijn parlement en ombudsman aan elkaar complementair; de Tweede Kamer met haar instrumentarium, de ombudsman met het zijne. Dat vereist een goede relatie met de Tweede Kamer, waar ik hoge waarde aan hecht; in het diepe besef dat het uiteindelijk slechts de Kamer is die met haar politieke instrumenten kan bereiken dat "complaints are speedily reform’d". "Then is the utmost bound of civill liberty attain’d that wise men looke for".